Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Debatten
Waarschuwing
Woensdag 22 april 2009 - Straatsburg Uitgave PB

14. Vragenuur (vragen aan de Commissie)
Video van de redevoeringen
PV
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Aan de orde is het vragenuur (B6-0227/2009).

Wij behandelen een reeks vragen aan de Commissie.

Eerste deel

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Vraag nr. 28 van Sarah Ludford (H-0142/09):

Betreft: E-commerce

Welke verdere maatregelen neemt de Commissie op dit moment om te zorgen voor volledige afschaffing van de barrières die de consumenten in de weg worden gelegd afhankelijk van het land waar zij wonen of waar hun betaalkaart is geregistreerd, en die hun de toegang beletten tot de beste prijzen, goederen en diensten zoals muziekdownloads, trein- en vliegtickets, DVD's, computerspellen, met name online verkochte computerspellen, die waar dan ook in Europa worden aangeboden?

 
  
MPphoto
 

  Charlie McCreevy, lid van de Commissie. (EN) De Commissie is zich volledig bewust van de problemen van consumenten aan wie de toegang tot websites wordt ontzegd of die worden gediscrimineerd op geografische basis wanneer ze online aankopen willen doen. Ik verzeker u dat het bestrijden van geografische marktsegmentatie, of die nu het resultaat is van overheidsmaatregelen of van het gedrag van particuliere partijen, een grote prioriteit is voor ons beleid in de interne markt. Door de praktijken die het geachte lid in haar vraag noemt, worden Europese burgers beroofd van de rechten en mogelijkheden die hun door de interne markt worden geboden. Dit strookt volstrekt niet met de vrijheid om grensoverschrijdende diensten te ontvangen – een vrijheid die een fundamentele tegenhanger is van de vrijheid om diensten te leveren, die is vastgelegd in het EG-Verdrag. Met de dienstenrichtlijn beschikken we nu over een krachtig hulpmiddel voor het substantieel uitbannen van problemen van consumenten die worden gediscrimineerd bij de grensoverschrijdende aankoop van goederen en diensten, onder andere via het internet.

Voor het eerst in de wetgeving betreffende de interne markt wordt in de dienstenrichtlijn expliciet vereist dat lidstaten stoppen met discriminerende praktijken van bedrijven op basis van nationaliteit of de woonplaats van consumenten. Zoals u weet, moet de dienstenrichtlijn eind december van dit jaar ten uitvoer zijn gelegd, en op het moment dat de non-discriminatiebepaling uit artikel 20 is opgenomen in de nationale wetgeving, zullen praktijken zoals die door het geachte lid in haar vraag worden genoemd, onwettig zijn. De enige uitzondering op die regel is het geval waarin ondernemers kunnen aantonen dat de verschillende behandeling van verschillende categorieën consumenten direct kan worden gerechtvaardigd door objectieve redenen en daardoor niet als discriminatie wordt beschouwd. De Commissie werkt op dit moment samen met lidstaten om ervoor te zorgen dat artikel 20 van de dienstenrichtlijn tijdig ten uitvoer wordt gelegd en effectief wordt gehandhaafd door nationale autoriteiten en rechtbanken.

Daarnaast heeft de Commissie op 5 maart een verslag gepubliceerd over de grensoverschrijdende aspecten van e-commerce. Dit werkdocument van de diensten van de Commissie over e-commerce is een initiatief van mijn collega, commissaris Meglena Kuneva. In het verslag wordt aangetoond dat e-commerce zich in het algemeen behoorlijk goed ontwikkelt in de Europese Unie, maar dat de grensoverschrijdende e-commerce achterblijft. Er is een sterk potentieel voor grensoverschrijdende handel in de online handel. Maar deze potentiële grensoverschrijdende handel komt niet echt van de grond, door praktische en regelgevende barrières waar zowel consumenten als bedrijven last van hebben. Het resultaat is een fragmentarische online interne markt. Dit is vastgesteld en wordt aangepakt door de markttoezichtsoefening die de Commissie heeft gestart om het aantal aanvoerketens voor bepaalde detailhandelsmarkten te onderzoeken. Hierdoor zou de Commissie haar analyse van de detailhandel kunnen verdiepen en zo praktijken kunnen aanwijzen die de relatie tussen leveranciers en handelaren en tussen handelaren en consumenten verstoren, en zou zij de noodzaak van verdere hervormingen van de relevante nationale of EU-regelgeving kunnen beoordelen. Deze oefening behelst vijf specifieke sectoren, inclusief recreatiegoederen zoals muziek en boeken die online en via normale kanalen worden verkocht, en zal leiden tot een mededeling van de Commissie die in het najaar van 2009 wordt verwacht. De effectieve en krachtige tenuitvoerlegging van artikel 20 van de dienstenrichtlijn, alsmede het onderzoek naar verdere resterende kwesties in de context van de markttoezichtsoefening, moeten ons voorzien van een uitgebreid antwoord op de problemen of barrières die opdoemen in de context van de e-commerce, ten nadele van ontvangers van diensten in het algemeen en consumenten in het bijzonder.

 
  
MPphoto
 

  Sarah Ludford (ALDE).(EN) Dit is een belangrijke kwestie op het gebied van “Europa voor de burgers”, met name in deze recessie. Iedereen wil en verdient de beste prijs, of hij nu in Lissabon of Londen woont. Is het geen schande dat het, vijftig jaar nadat we de interne markt hebben opgezet, nog steeds mogelijk is– zoals is vastgesteld door het tijdschrift Which? van de Britse consumentenvereniging – om op de website van Renfe, de Spaanse spoorwegmaatschappij, een kaartje te kopen en daar 60 procent meer voor te betalen op de Engelstalige pagina dan op de Spaanstalige pagina? Dat heeft toch niet allemaal te maken met verschillen in regelgeving? Zal de Commissie ook hard optreden tegen pure uitbuiting?

 
  
MPphoto
 

  Charlie McCreevy, lid van de Commissie. − (EN) Ik ben het met Baroness Ludford eens dat deze discriminatie nog steeds plaatsvindt, , terwijl het vijftig jaar geleden is dat de EG werd opgericht en terwijl we weten wat de grondbeginselen van de hele Europese operatie zijn. Maar de belangrijkste reden voor het voorstellen van de dienstenrichtlijn was de erkenning dat we in de dienstensector niet datgene hadden bereikt wat we in de goederensector wel hadden bereikt. Derhalve, wanneer de dienstenrichtlijn aan het eind van dit jaar ten uitvoer moet zijn gelegd, bepaalt artikel 20 dat elke andere behandeling, zoals bijvoorbeeld geschetst door Baroness Ludford, direct moet zijn gerechtvaardigd door objectieve redenen.

Zonder in te gaan op de bijzonderheden van het specifieke geval dat zij noemde, omdat dat een vervoerskwestie is die meer bij mijn collega, de heer Tajani hoort, is de enige reden waarom discriminatie mogelijk kan worden gerechtvaardigd door objectieve redenen, dat er duidelijk bijkomende kosten zijn. Dat zou een objectieve benadering zijn. Bijvoorbeeld, als men iets online bestelt dat vanuit Straatsburg in Dublin moet worden afgeleverd, zullen er extra porto- en verpakkingskosten zijn, enzovoort. Dat zou een objectieve reden kunnen zijn om te zeggen dat het prijsverschil zo-en-zoveel bedraagt. Maar men mag op geen enkele andere grond discrimineren. Ik hoop dus dat er minder van deze specifieke zaken zullen zijn nadat de dienstenrichtlijn ten uitvoer is gelegd.

U moet niet vergeten dat vervoer op dit moment is uitgezonderd van de dienstenrichtlijn. Maar mijn collega Tajani en zijn mensen overwegen ook enkele particuliere initiatieven op dit specifieke gebied.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Vraag nr. 29 van Claude Moraes (H-0149/09):

Betreft: Alzheimerstrategie van de EU

In februari heeft het VK zijn nationale dementiestrategie bekendgemaakt, en in het kader daarvan worden kredieten beschikbaar gesteld om te investeren in een netwerk van geheugenklinieken, wordt betere steun geboden aan mensen die aan de ziekte lijden en wordt een omvangrijke bewustmakingscampagne op gang gebracht. Voorts heeft het Parlement op 5 februari in Straatsburg schriftelijke verklaring 0080/2008 - P6_ TA(2009)0081 aangenomen, waarin de erkenning van Alzheimer als een Europese volksgezondheidsprioriteit werd aangemoedigd.

Welke initiatieven overweegt de Commissie op dit gebied, in termen van onderzoek, preventie en verhoging van het algemeen bewustzijn?

Is de Commissie bereid te overwegen een Europese Alzheimerstrategie in het leven te roepen naar analogie van de situatie in het VK, en met name rekening te houden met aanbevelingen van het project Europese samenwerking inzake dementie, die haar reeds zijn aangeboden?

 
  
MPphoto
 

  Androulla Vassiliou, lid van de Commissie. − (EN) De ziekte van Alzheimer is aangewezen als volksgezondheidsprioriteit in het wetgevings- en werkprogramma van de Commissie voor 2009 na de conclusies van de Raad inzake Alzheimer die zijn aangenomen onder het Franse voorzitterschap, en de Commissie is bezig met een mededeling over de ziekte van Alzheimer en andere vormen van dementie, die later dit jaar moet worden aangenomen.

Om een gecoördineerd, efficiënt onderzoek op dit gebied te stimuleren wordt deze mededeling voorts naar verwachting aangenomen naast het voorstel voor een aanbeveling van de Raad inzake een gezamenlijke programmering voor onderzoek naar neurodegeneratieve aandoeningen, waaronder de ziekte van Alzheimer. Dit komt voort uit de mededeling over gezamenlijke programmering van onderzoek, die op 15 juli 2008 werd aangenomen.

Op het gebied van de ziekte van Alzheimer is er behoefte aan nauwkeurige gegevens, die alleen op EU-niveau kunnen worden verzameld, om gezondheidsdiensten op lidstaatniveau te kunnen plannen en aanpassen. Tot dusverre heeft het project Europese samenwerking inzake dementie nauwkeurige, kwalitatieve en kwantitatieve gegevens opgeleverd, en een analyse van de belasting die uitgaat van de ziekte van Alzheimer in de Europese Unie, die door Alzheimer Europe is gepubliceerd in het "Dementia in Europe Yearbook". Het project is echter aan het eind van 2008 beëindigd en er is nu behoefte aan een evaluatie van de mogelijkheden om dit werk voort te zetten.

De open coördinatiemethode (OCM) op sociaal gebied biedt een kader voor EU-lidstaten om hun sociale zekerheidsstelsels te hervormen op basis van beleidsuitwisselingen en wederzijds leren. Binnen de OCM wijzen lidstaten gemeenschappelijke uitdagingen aan en komen zij gemeenschappelijke doelen overeen voor universele toegang, kwaliteit en duurzaamheid in de gezondheidszorg en de langdurige zorg.

In nationale strategische verslagen bepalen lidstaten hoe ze hun beleid zullen ontwikkelen om deze gemeenschappelijke doelen te bewerkstelligen. De EU steunt acties van lidstaten om de gemeenschappelijke uitdagingen en doelen via de OCM te verwezenlijken door dialogen over ervaringen en de uitwisseling van goede praktijken op het gebied van gezondheidszorg en langdurige zorg te vergemakkelijken.

De EU steunt eveneens de ontwikkeling van innovatieve goede praktijken door haar financieringsprogramma's. De uitwisseling kan plaatsvinden door wederzijdse beoordelingen met een beperkt aantal deelnemers, gericht op een specifiek thema, of tijdens conferenties met bredere discussies.

Na aanwijzingen in de nationale strategische verslagen van 2008 en de synthese hiervan in het gezamenlijke verslag van 2009, wordt er volgende maand in Frankrijk een specifieke wederzijdse beoordeling gehouden over "De ziekte van Alzheimer en andere verwante ziekten: hoe gaan we om met crisissituaties of zorg bij de patiënt thuis". Hierna volgt in september een conferentie onder het Zweeds voorzitterschap over "Gezond en waardig ouder worden", inclusief een workshop over de coördinatie van zorg voor personen die lijden aan de ziekte van Alzheimer en andere vormen van dementie.

Bovendien overwegen de diensten van de Commissie een mogelijke extra conferentie, die halverwege 2010 zou moeten worden gehouden en waarvan de specifieke inhoud afhangt van de resultaten van de gebeurtenissen van 2009 en van andere bronnen. Verder bevat het actieplan van de Commissie voor personen met een handicap 2003-2010 acties die ook relevant zijn voor mensen met de ziekte van Alzheimer, zoals het stimuleren van zelfstandig wonen, kwalitatief hoogstaande ondersteunings- en zorgdiensten, toegankelijkheid van reguliere goederen en diensten en hulpvoorzieningen.

De vergrijzing van de bevolking in Europa leidt naar verwachting tot een stijging van het aantal ouderen met een ernstige handicap die behoefte hebben aan langdurige zorg, en daarom behoort deze kwestie tot de prioriteiten voor de opvolger van het huidige actieplan voor mensen met een handicap.

De Commissie werkt er samen met de lidstaten, via de Groep op hoog niveau gehandicaptenbeleid, ook aan om toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van het VN-verdrag inzake de rechten van mensen met een handicap, ondertekend door de Europese Commissie en alle lidstaten. Het verdrag bevat een groot aantal beleidsdoelen die relevant zijn voor mensen met de ziekte van Alzheimer, inclusief toegankelijkheid, zelfstandig wonen, revalidatie, sociale participatie en sociale zekerheid, en wordt uitgevoerd op nationaal en Gemeenschapsniveau.

 
  
MPphoto
 

  Claude Moraes (PSE).(EN) Commissaris, met meer dan zes miljoen Europese burgers die aan dementie lijden en met nog veel meer miljoenen Europeanen die voor deze mensen zorgen of die door deze ernstige ziekte worden getroffen, ben ik erg blij met het besluit van de Commissie om hiervan een volksgezondheidsprioriteit te maken. Dat was een uitvoerig antwoord.

Maar mag ik u vragen om bij het bespreken van het actieplan voor personen met een handicap, als commissaris en als Commissie rekening te houden met het feit dat het effect van Alzheimer een veel breder effect heeft, dat raakt aan handicaps, het gebied van vergrijzing en de volksgezondheid, en dat u een uitvoerige strategie handhaaft, door niet alleen Alzheimer aan te wijzen, maar door ook alle aanverwante aspecten op te nemen, en dat u de prioriteit handhaaft? Dit is een volksgezondheidsnoodzaak voor een vergrijzende bevolking. Maar bedankt voor dit uitvoerige antwoord.

 
  
MPphoto
 

  Androulla Vassiliou, lid van de Commissie. − (EN) Ik begrijp dat het geachte lid tevreden is met het uitvoerige antwoord dat ik heb gegeven. Wat dit actieplan voor personen met een handicap betreft, dat is uiteraard een bredere kwestie, maar het heeft bepaalde aspecten die specifiek zijn voor de ziekte van Alzheimer en die we zullen meenemen in onze actie op dit gebied.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Vraag nr. 30 van Rodi Kratsa-Tsagaropoulou (H-0163/09):

Betreft: Dreigende recessie in Zuidoost-Europa en gevolgen voor de Europese economie

Uit recente analyses van ratingbureaus en internationale financiële instellingen blijkt dat er een aanzienlijke groeivertraging wordt verwacht in het zuidoostelijke deel van Europa, met in het bijzonder het risico dat consumenten en ondernemingen niet meer in staat zullen zijn hun leningen af te lossen. Gezien het feit dat West-Europese bedrijven en banken aanzienlijk hebben geïnvesteerd in deze regio, kan een dergelijke recessie uiterst ernstige gevolgen hebben voor de economie van de lidstaten van de Europese Unie.

Is de Commissie voorstander van de uitwerking van steunmaatregelen aan de banken in de landen van Zuidoost-Europa – in het kader van de nationale actieprogramma's die deel uitmaken van het Europese nabuurschapsbeleid – in samenspraak met de landen in kwestie en eventueel in overleg met de Europese Investeringsbank? Op welke manier wil de Commissie gebruik maken van de beschikbare middelen, zoals het pretoetredingsinstrument (IPA) en het Europese nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (ENPI), om de plaatselijke economieën nieuw leven in te blazen en de dreigende recessie af te wenden?

 
  
MPphoto
 

  Janez Potočnik, lid van de Commissie. − (EN) De vraag heeft betrekking op het standpunt van de Commissie over mogelijke Europese economische en financiële steun aan landen uit het oosten en zuidoosten van Europa die hard getroffen zijn door de wereldwijde economische crisis. Ik antwoord namens mijn collega, commissaris Almunia.

De scherpe economische terugval in een aantal landen in deze regio kan inderdaad een negatief gevolg hebben voor de economieën van dezelfde lidstaten van de Europese Unie, met name de economieën waarvan de commerciële banken, vaak via hun lokale filialen aanzienlijke kredieten hebben verstrekt aan ondernemingen en huishoudens in de landen van die regio.

Allereerst moet worden opgemerkt dat de economische en financiële omstandigheden in deze landen sterk verschillen. Het antwoord van de Commissie op de crisis kon dan ook niet algemeen worden geformuleerd, maar er moest rekening worden gehouden met de situatie van elk land.

Met betrekking tot kandidaat-landen en potentiële kandidaat-landen in Zuidoost-Europa zijn er grote bedragen voor technische bijstand ter ondersteuning van structurele hervormingen en institutionele opbouw geprogrammeerd voor de periode 2007-2013 – 9,1 miljard euro, zoals u weet, via het instrument voor pretoetredingssteun (IPA). De Commissie voert ook een crisisbestrijdingspakket ter waarde van 150 miljoen euro uit, dat via dit instrument wordt gefinancierd en dat er op is gericht om op korte termijn een bedrag van 500 miljoen euro aan leningen over te hevelen van internationale financiële instellingen. Het pakket bevat maatregelen die uiteenlopen van het verlenen van microkredieten en MKB-financiering tot energie-efficiëntie en specifieke technische bijstand voor het toezicht op en de financiële regulering van de financiële sector.

Teneinde de reële economie verder te versterken, hebben de Commissie, de EIB, de EBRD en de Ontwikkelingsbank van de Raad van Europa gezamenlijk een infrastructuurinitiatief opgezet, dat technische bijstand en medefinanciering biedt aan prioritaire infrastructuurinvesteringen in vervoer, energie, milieu en de sociale sector. Het initiatief is versneld en er wordt nu begonnen met de tenuitvoerlegging. Het is een eerste stap op weg naar een investeringskader voor de westelijke Balkan, dat ook investeringen in andere sociaaleconomische sectoren omvat, zoals het MKB of energie-efficiëntie.

In de landen van Oost-Europa die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen – Oekraïne, Wit-Rusland, Moldavië en de drie landen in de Kaukasus – zijn de beschikbare instrumenten van de Europese Unie die nodig zijn om te voorzien in de behoeften van de financiële sector, beperkter. Maar ook hier biedt de EU aanzienlijke technische bijstand via de nationale en regionale programma’s van het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument ter ondersteuning van de gezamenlijk actieplannen onder het Europees nabuurschapsbeleid. Teneinde de reële economie verder te helpen, is de nabuurschapsinvesteringsfaciliteit opgezet, om subsidies van de ENPI-programma's en lidstaten van de Europese Unie samen te voegen met leningen van financiële instellingen in handen van de Europese overheid. Dit instrument heeft in 2008 71 miljoen euro aan subsidies uitgekeerd waarmee grote infrastructuurprojecten ter waarde van ongeveer 2,74 miljard euro zijn ondersteund.

Ik wil nu iets zeggen over de steun aan de commerciële banken in de regio die wordt verstrekt door gespecialiseerde financiële instellingen. Hier is de EBRD het meest actief en wordt het volledige arsenaal aan instrumenten gemobiliseerd, inclusief het aandelenvermogen en schulden op korte termijn. De EIB heeft geen mandaat voor directe bankkapitalisatie in deze regio en haar activiteiten zijn beperkt tot de sectoren vervoer, telecommunicatie, energie en milieu-infrastructuur. Het MKB valt niet onder het mandaat. Veel van de financiële steun aan de economieën van de regio wordt verstrekt door de Bretton-Woodsinstellingen, hoofdzakelijk het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Het IMF maakt grote bedragen aan financiering beschikbaar ter ondersteuning van uitgebreide stabilisatieprogramma’s. De Commissie is van mening dat de rol van het IMF bij het bestrijden van de gevolgen van de crisis zeer belangrijk is.

Tot slot heeft een aantal kandidaat-lidstaten en nabuurschapslanden de Europese Unie om macro-economische bijstand verzocht. De Commissie onderzoekt momenteel hoe deze landen, die ook een stabilisatieprogramma met het Internationaal Fonds zijn overeengekomen, het beste kunnen worden ondersteund.

 
  
MPphoto
 

  Rodi Kratsa-Tsagaropoulou (PPE-DE).(EL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, hartelijk dank voor deze inlichtingen.

Ik wil u vragen of volgens u deze lening van 71 miljoen euro aan onze partners in Oost-Europa volstaat. Mijns inziens wordt dit vraagstuk onvoldoende onderzocht in de mededeling van de Commissie over de crisis en de gevolgen van de crisis voor Oost-Europa. Bent u verder van mening dat de doelstellingen, de middelen en de prioriteiten van de pretoetredingssteun zullen worden herzien? Servië heeft immers al gevraagd om meer rechtstreekse begrotingssteun, teneinde het hoofd te kunnen bieden aan de buitengewone behoeften.

 
  
MPphoto
 

  Janez Potočnik, lid van de Commissie. − (EN) Zoals ik al zei toen we het hadden over de reële economie en de landen in Oost-Europa, zijn de financiële mogelijkheden waarover we beschikken, echt beperkt. Daarom proberen we zoveel mogelijk geld over te hevelen uit andere financiële instellingen. Daarom zei ik dat het geld, dat feitelijk 71 miljoen euro bedraagt, ook heeft geleid tot de financiering van grote infrastructuurprojecten, ter waarde van meer dan 2,5 miljard euro.

Dus het eerlijke antwoord zou denk ik zijn dat we daar allemaal in grote problemen verkeren, en dat men zeker nauwgezet in de gaten moet houden wat er in deze regio gebeurt, omdat we zeer nauw met deze landen verbonden zijn en omdat vele Europese landen vergaande handelsbetrekkingen met deze regio hebben.

Wat de mogelijkheid van macro-financiële bijstand betreft: onder de landen die het potentieeel hebben omlidstaat te worden, die kandidaat-lid of potentieel kandidaat-lid zijn, zijn er vele die hierom hebben gevraagd. Het is waar dat Servië hier om heeft gevraagd. Het is hoogstwaarschijnlijk dat Montenegro er eveneens om zal vragen. Van de landen uit de zuidelijke regio hebben vrijwel alle landen behalve Rusland en Azerbeidzjan erom gevraagd. Het potentieel aan macro-financiële bijstand is eerlijk gezegd nogal beperkt, en de lijst van landen die er om vragen is behoorlijk lang.

Ik denk dat het belangrijkste instrument – daarom was deze discussie een van de onderwerpen op de G20-top – moet worden gekanaliseerd via IMF-steun. We zijn grote voorstanders van dit soort activiteiten en van een versterkte rol of kapitalisatie van de IMF in deze richting, omdat het zeker een wereldwijd probleem is.

Ik kan ook nog vermelden dat deze macro-financiële bijstand, als die aan een van deze staten wordt gegeven, door middel van het raadgevingsproces ook via het Europees Parlement zou moeten gaan.

 
  
 

Tweede deel

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Vraag nr. 31 van Gay Mitchell (H-0131/09):

Betreft: Staatssteun in niet-communautaire Europese landen

In deze tijden van economische strubbelingen is het van cruciaal belang dat alle naties in Europa dezelfde mededingingsvoorwaarden hanteren en zou niemand zich zorgen moeten hoeven maken dat banen worden verplaatst naar niet-EU-landen waar staatssteun wordt verleend aan noodlijdende bedrijven. Als lidstaten van de EEG of de EVA, zoals Zwitserland, profijt willen trekken uit groeiende handel met het EU-blok, dan moeten zij zich van hun kant wel aan dezelfde regels inzake staatssteun houden. De huidige inbreukprocedures zijn traag en omslachtig en bieden geen bescherming aan mensen die nu hun baan kwijtraken. Hoe denkt de Commissie dit aspect van de mededingingswetgeving aan te scherpen en ervoor te zorgen dat er een snelle en effectieve procedure komt voor de behandeling van klachten?

 
  
MPphoto
 

  Neelie Kroes, lid van de Commissie. − (EN) Allereerst wil ik graag vermelden dat het belangrijk is om te verduidelijken dat de EVA-landen die partij zijn bij de EER-Overeenkomst – dat wil zeggen, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein – onderworpen zijn aan een strenge staatshulpdiscipline op basis van het EU-model.

Artikel 61 van de EER-Overeenkomst is nauw gemodelleerd naar artikel 87 van het EG-Verdrag. De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA is belast met de tenuitvoerlegging. Krachtens Protocol 26 van de EER-Overeenkomst zijn er op het gebied van staatssteun gelijke bevoegdheden toegekend als die aan de Europese Commissie zijn toegekend. Die staten moeten elke nieuwe maatregel die staatssteun inhoudt, melden bij de Toezichthoudende Autoriteit en goedkeuring van dit orgaan verkrijgen voordat de maatregel mag worden uitgevoerd. De Toezichthoudende Autoriteit mag ook vermeende onverenigbare steun die door deze EVA-landen wordt toegekend, onderzoeken.

Zwitserland is een apart geval, omdat het de EER-Overeenkomst niet heeft geratificeerd. Voor Zwitserland zijn de staatssteunregels vastgelegd in de overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat uit 1972. Krachtens artikel 23 van die overeenkomst is staatssteun die de handel tussen de Gemeenschap en Zwitserland beïnvloedt en de concurrentie verstoort of dreigt te verstoren, onverenigbaar met de overeenkomst. Procedureel kan, in het geval van onverenigbare steun, de benadeelde partij de zaak aanhangig maken bij een gezamenlijke commissie, waarvan de oprichting is voorzien in de overeenkomst, en kan zij beschermingsmaatregelen nemen als de steun verlenende partij geen eind maakt aan de betreffende praktijken.

Hoewel het moeilijker is om rechtsmiddelen aan te wenden tegen onverenigbare steun in Zwitserse zaken, probeert de Commissie toch om de bepalingen uit de vrijhandelsovereenkomst van 1972 waar mogelijk en nodig toe te passen. Op 13 februari 2007 bijvoorbeeld, was er een beschikking voor nodig om vast te stellen dat de belastingstelsels van drie Zwitserse kantons onverenigbaar waren met de overeenkomst uit 1972, en momenteel wordt met de Zwitserse autoriteiten onderhandeld over het vinden van een bevredigende oplossing voor deze kwestie.

De Commissie is zich ervan bewust dat bepalingen inzake staatssteun uit bestaande handelsovereenkomsten, zoals de overeenkomst met Zwitserland uit 1972, moeten worden verbeterd en daarom is het doel van de Commissie, overeenkomstig de conclusies uit haar mededeling uit 2006 "Een concurrerend Europa in een gemondialiseerde economie", om te proberen te onderhandelen over krachtiger regels inzake staatssteun en betere rechtsmiddelen, zoals de toepassing van een mechanisme voor geschillenbeslechting, in toekomstige vrijhandelsovereenkomsten.

 
  
MPphoto
 

  Gay Mitchell (PPE-DE).(EN) Ik dank de commissaris voor haar nuttige verslag.

De Commissaris weet waarschijnlijk dat ik het over een bedrijf heb dat SR Technics heet, en dat bij het vliegveld van Dublin ligt, waar tot voor kort iets meer dan 1 100 mensen werkten. Nu hebben 600 mensen hun baan verloren.

Dit was een bedrijf met uitstekende industriële betrekkingen, uitstekende vaardigheden, een volle orderportefeuille en een geweldige toekomst. Er is behoorlijke twijfel over de reden van de verplaatsing van dit bedrijf en het vermoeden is dat of de Zwitserse regering, of een van hun Arabische vrienden steun heeft verleend waardoor deze mensen hun banen in Ierland, in de Europese Unie hebben verloren.

Gaat de commissaris deze kwestie onderzoeken en al haar invloed aanwenden om hulp te bieden? Het gaat hier om zeer redelijke mensen met veel steun in de gemeenschap die de problemen begrijpen waarvoor ze nu staan, zowel vanuit de bedrijfsgemeenschap als vanuit het algemene publiek.

 
  
MPphoto
 

  Neelie Kroes, lid van de Commissie. − (EN) Ik ben erg blij met uw vraag, want u kunt ons helpen omdat we meer informatie nodig hebben. Tot nog toe hebben we de informatie die we zo hard nodig hebben, nog niet voor de volle 100 procent compleet. Zelfs dan kan ik niet garanderen dat we succes hebben, maar het is het proberen waard.

Om een mening te vormen over het bestaan van staatssteun, om nog maar te zwijgen over onverenigbaarheid krachtens de overeenkomst met Zwitserland uit 1972, zou men niet alleen diensten maar ook de productie of de handel in goederen moeten meenemen. Dus dringt u er alstublieft bij de mensen waarmee u contact onderhoudt op aan om ons de benodigde informatie te geven. Bovendien wil ik de betreffende personen en ondernemingen in Ierland uitnodigen om eventuele verdere informatie die ze over deze zaak hebben, te doen toekomen aan de diensten van de Commissie, zodat we ons standpunt kunnen bepalen.

Ik moet hier aan toevoegen, en het is alleen maar open en eerlijk om dit te zeggen, dat de benadeelde partij krachtens de overeenkomst uit 1972 alleen aan de partij die de steun verleent, kan vragen om de maatregel te stoppen, en in een beschikking die in 2007 is aangenomen heeft de Commissie geconcludeerd dat die maatregelen staatssteun inhouden die onverenigbaar is met de overeenkomst met Zwitserland uit 1972. Na die beschikking zijn de Zwitserse autoriteiten een dialoog met de Commissie aangegaan om tot een passende oplossing te komen. De laatste technische vergadering vond plaats op 13 februari 2009.

De Zwitserse autoriteiten hebben dus enkele constructieve voorstellen gedaan, zoals het afschaffen van de belastingvrijstelling voor beheermaatschappijen. Maar de voorkeursbehandeling van holdings en gemengde bedrijven blijft grotendeels bestaan. Daarom moeten we hier dringend verder over praten.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Vraag nr. 32 van Zbigniew Krzysztof Kuzmiuk (H-0165/09):

Betreft: Discriminatie van Poolse scheepswerven in het licht van de recente goedkeuring van de overheidssteun voor de automobielindustrie door de EC

De regeringen van verschillende lidstaten van de Europese Unie hebben, nadat zij eerst al enkele tientallen miljarden euro aan hun banken hadden verstrekt, nu besloten hun automobielindustrie te ondersteunen. Het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Frankrijk en Italië willen deze sector van hun economie met enkele tientallen miljarden steunen. De Europese Commissie aanvaardt deze voorstellen in beginsel zonder voorbehoud, hoewel deze middelen ongetwijfeld leiden tot concurrentieverstoring op die markt.

Hoewel ik deze steun niet ter discussie stel, vraag ik me af waarom de Europese Commissie eerder wel de overheidssteun van de Poolse regering aan onze scheepswerven heeft aangevochten.

Dat standpunt van de Commissie had tot gevolg dat er twee Poolse scheepswerven werden gesloten en dat enkele tienduizenden arbeiders die op de werven zelf en in de toeleverende industrie werkzaam waren, zijn ontslagen. Heeft dat besluit in het licht van de recente goedkeuring door de EC van de overheidssteun voor de automobielindustrie niet een discriminatoir karakter?

 
  
MPphoto
 

  Neelie Kroes, lid van de Commissie. − (EN) De Commissie zou willen benadrukken dat zij in het geval van de Poolse scheepswerven precies dezelfde regels heeft toegepast als voor elk ander geval van herstructureringsstaatssteun en dat zij Polen op dezelfde manier behandelt als elke andere lidstaat.

De problemen die de scheepswerven ondervonden, zijn begonnen aan het begin van de jaren negentig, om precies te zijn in 1990, lang voor de Poolse toetreding tot de EU, en werden overigens niet veroorzaakt door de huidige financiële en economische crisis. In 2004 is de Commissie een onderzoek begonnen naar herstructureringssteun voor de Poolse scheepswerven. De situatie van de Poolse scheepswerven kan dan ook niet worden vergeleken met die van bedrijven die specifieke problemen ondervinden die zijn gekoppeld aan de huidige financiële crisis.

De werven van Gdynia en Szczecin hebben vele jaren van staatssteun geprofiteerd ten koste van andere scheepswerven in Europa. Helaas werd de steun die aan de Poolse scheepswerven werd verleend, niet besteed aan investeringen en de noodzakelijke herstructurering. Bovendien bleven de werven verlies lijden, konden ze geen belasting betalen en niet voldoen aan hun sociale zekerheidsverplichtingen en waren de schulden behoorlijk opgelopen.

Om die redenen kon de Commissie alleen nog maar definitieve negatieve beschikkingen geven voor de scheepswerven van Gdynia en Szczecin en het terugvorderen van de illegale en onverenigbare steun aan de werven opleggen.

Om de negatieve economische en sociale gevolgen van die beschikkingen te beperken, heeft de Commissie Polen echter toegestaan om de terugvordering van illegale steun uit te voeren via een gecontroleerde verkoop van de activa van de scheepswerven en daaropvolgende liquidatie van de bedrijven. Dat zou de mogelijkheden optimaliseren om levensvatbare economische activiteiten op die plaatsen te laten doorgaan.

Er moet met name worden opgemerkt dat, als het verkoopproces met succes en juist wordt uitgevoerd, de bedrijven die de activa van de scheepswerven kopen, de illegale subsidies niet hoeven terug te betalen, zelfs als zij er voor kiezen om verder te gaan met de bedrijfsvoering van de scheepswerf.

De Commissie wil er eveneens op wijzen dat structuurfondsen, en dan met name het Europees Sociaal Fonds en het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, kunnen worden gebruikt om de sociale gevolgen van het verlies van banen te verzachten. Verder kan onder bepaalde omstandigheden en voorwaarden het gebruik van het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering worden overwogen.

 
  
MPphoto
 

  Zbigniew Krzysztof Kuźmiuk (UEN).(PL) Commissaris, ik begrijp dat u verantwoordelijk bent voor het toezicht op de hoeveelheid staatssteun die aan ondernemingen wordt gegeven. Polen heeft echter het idee dat Poolse scheepswerven anders worden behandeld dan ondernemingen in de oude EU-lidstaten. Wij hebben het idee dat hier wordt ingezet op het behoud van banen, maar dat ditzelfde niet geldt voor de banen in de Poolse scheepswerven. Deze ongelijkheid baart ons ernstige zorgen. Wij dringen aan op gelijke behandeling van ondernemingen in de oude en nieuwe lidstaten. Ik wil ook graag van deze gelegenheid gebruik maken om te vragen welke twijfels de Commissie heeft over het reorganisatieplan voor de scheepswerf van Gdańsk.

 
  
MPphoto
 

  Neelie Kroes, lid van de Commissie. − (EN) Degenen in Polen die datgene zeggen waarnaar het geachte lid verwijst, hebben het absoluut bij het verkeerde eind. Het is niet juist, en ik kan dit bewijzen met feiten en cijfers. En voordat ik inga op uw verwijzing naar de Duitse scheepswerven (u noemde alleen de oude), wil ik onderstrepen dat de scheepswerfindustrie in andere landen – niet alleen in Duitsland, maar ook in bijvoorbeeld Denemarken, het VK, Nederland of Spanje, waar de overheidsbeurs niet zo goed gevuld was – aanzienlijk is teruggebracht of zelfs gesloten. We kennen een aantal voorbeelden van scheepswerven die zijn gesloten. En als we het over een eerlijke behandeling hebben, moeten we dit ook in het achterhoofd houden, en niet alleen over emoties spreken. Ik neem het niemand kwalijk dat hij emotioneel is, ik begrijp heel goed dat het een uiterst moeilijke situatie is, maar het geeft nog steeds een verkeerde indruk om te zeggen dat er geen eerlijke behandeling is geweest.

Ik kan u in ieder geval verzekeren, mijnheer de Voorzitter, dat de Commissie haar regel op dezelfde manier heeft toegepast op de Duitse en Poolse scheepswerven en op alle andere scheepswerven die hier genoemd zouden kunnen worden. Bij het beoordelen van staatssteun worden dezelfde criteria toegepast, waarbij levensvatbaarheid de meest belangrijke is, en de Duitse scheepswerven, als ik dat voorbeeld mag gebruiken, zijn met succes gesaneerd en omgezet in levensvatbare bedrijven, terwijl de Commissie van mening is dat de herstructureringsplannen die door de Poolse autoriteiten zijn gepresenteerd, geen levensvatbaarheid voor de lange termijn waarborgen.

Tot slot, mijnheer de Voorzitter, zou ik dit ook willen vergelijken met zaken waarin de Commissie staatssteun niet heeft toegestaan en zelfs de terugvordering van illegale staatshulp heeft opgelegd in andere lidstaten.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Vraag nr. 33 van Giovanna Corda (H-0171/09):

Betreft: Onlineverkoop van parfums, kleding en merkproducten

Verordening (EG) nr. 2790/1999(1) van de Commissie voorziet (samen met de richtsnoeren inzake verticale beperkingen) in een regeling betreffende distributie-overeenkomsten, onder meer voor producten als parfums, kleding en andere “merkproducten”. De regeling houdt een verbod in op de verkoop, en in het bijzonder de onlineverkoop, van een groot aantal merkproducten indien het marktaandeel van de leverancier kleiner is dan 30 procent .

Acht de Commissie het nodig een dergelijke archaïsche regeling in stand te houden, die haaks staat op een gezonde prijsconcurrentie en de keuzevrijheid van de consumenten, en louter de economische belangen van enkele grote groepen dient, die het grootste deel van hun inkomsten halen uit dit soort comfortabele en wettelijke exclusieve rechten?

 
  
MPphoto
 

  Neelie Kroes, lid van de Commissie. − (EN) Het huidige EU-mededingingsbeleid inzake verticale overeenkomsten staat zeer positief ten opzichte van onlineverkoop, en ik weet zeker dat u zich daarvan bewust bent, mijnheer de Voorzitter. De richtsnoeren over verticale beperkingen die een interpretatie bieden van Verordening (EG) nr. 2790/1999 maken het dan ook duidelijk dat “elke distributeur ongehinderd van Internet gebruik moet kunnen maken om producten aan te prijzen of te verkopen”. Het is dan ook duidelijk dat leveranciers geen beperkingen kunnen opleggen voor het gebruik van het internet door distributeurs – ze kunnen een distributeur niet beletten om een website te hebben, om de talen van zijn voorkeur te gebruiken op die website of om e-mail te versturen naar afzonderlijke klanten, tenzij deze beperkingen objectief worden gerechtvaardigd.

Zelfs binnen selectieve distributienetwerken, die met name in de sector voor luxegoederen worden gebruikt en bij de distributie van complexe producten als elektronica – ongeacht het marktaandeel van de leverancier – is elke beperking van onlineverkoop die door de fabrikant aan zijn aangewezen dealers wordt opgelegd, een duidelijke schending van de mededingingsregels.

Dat betekent echter niet dat elke verkoper de producten van de fabrikant kan verkopen – online of anders – aan eindgebruikers. Het staat een fabrikant vrij om criteria te stellen voor distributeurs voor het online verkopen van zijn goederen, op dezelfde manier als hij vrij is om dit te doen voor de verkoop vanuit een echte winkel.

Dergelijke criteria kunnen helpen om een bepaald imago op te bouwen of om een bepaald serviceniveau te bieden. Volgens de huidige regels wordt selectieve distributie als rechtsgeldig beschouwd tot 30 procent van het marktaandeel van de leverancier, omdat er wordt aangenomen dat dit bij afwezigheid van marktmacht meer voordelen dan mogelijke nadelen voor de consument heeft.

De Commissie onderzoekt op dit moment de manier waarop Verordening (EG) nr. 2790/1999 tot nog toe is toegepast en of er behoefte is aan verdere wijzigingen, onder andere op het gebied van selectieve distributie.

De Commissie streeft naar het juiste evenwicht tussen enerzijds de garantie dat consumenten van de online marktplaats kunnen profiteren, en anderzijds de garantie dat fabrikanten hun distributiesystemen kunnen organiseren zoals zij dat willen.

 
  
MPphoto
 

  Giovanna Corda (PSE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, ik dank u, maar in algemene zin hoop ik dat de Commissie van mening is dat dit een geschikt moment is om ons opnieuw te buigen over de richtsnoeren inzake verticale beperkingen waarover u zojuist hebt gesproken, aangezien ze in feite al tien jaar oud zijn.

Natuurlijk moet er rekening worden gehouden met de meest recente ontwikkelingen: onlineverkoop en elektronische veilingen hebben onze distributiemethoden en mededingingsvoorwaarden ingrijpend gewijzigd. Hiervan moeten we ons terdege bewust zijn.

 
  
MPphoto
 

  Paul Rübig (PPE-DE). - (DE) Mevrouw de commissaris, ik zou graag willen weten hoe u de verhouding beoordeelt van de desbetreffende marktmacht die via dergelijke distributiekanalen wordt uitgeoefend. Vanaf welk moment vindt u dat er sprake is van een dergelijke marktmacht, en hoe zou u daartegen optreden?

 
  
MPphoto
 

  Neelie Kroes, lid van de Commissie. − (EN) Ik zal alleen maar herhalen wat ik al eerder heb gezegd, en dat is dat de Commissie op dit moment onderzoekt hoe Verordening (EG) nr. 2790/1999 – die, zoals het geachte lid terecht zei, tien jaar oud is – tot nog toe is toegepast. We moeten besluiten of er behoefte is aan verdere wijzigingen, met inbegrip van het gebied van selectieve distributie.

Het is voor de Commissie belangrijk om bij deze herziening het juiste evenwicht te vinden om Europese consumenten ten volle te laten profiteren van het internet om geografische barrières te slechten, terwijl fabrikanten tegelijkertijd hun distributiesystemen kunnen organiseren zoals zij dat willen. In die context worden de voordelen die selectieve distributie aan consumenten biedt, zowel online als op andere manieren, zeker opnieuw bekeken.

De heer Rübig vroeg wat we in de huidige situatie kunnen doen. We moeten na deze herziening rekening houden met wat er nodig is, en dan komen we terug met de eindconclusies en nemen we het punt mee dat het geachte lid naar voren heeft gebracht.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Vraag nr. 34 van Georgios Papastamkos (H-0172/09):

Betreft: Staatssteun voor het midden- en kleinbedrijf

Kan de Commissie mij meedelen welke aanvullende middelen – uiteraard in overeenstemming met de communautaire regels inzake staatssteun – de lidstaten in de huidige economische crisis kunnen gebruiken voor steun aan het midden- en kleinbedrijf, en met name voor een betere toegang tot financiering?

 
  
MPphoto
 

  Neelie Kroes, lid van de Commissie. − (EN) Ik zal mijn uiterste best doen. Op 19 januari 2009 heeft de Commissie een nieuw tijdelijk kader voor staatssteun aangenomen, waarin aan lidstaten aanvullende mogelijkheden worden geboden om tot aan het eind van 2010 staatssteun te verlenen. Dit initiatief is de vorige maand voorbesproken in het herstelplan van de Commissie.

Het belangrijkste doel van het kader is het beperken van de bijwerkingen van de crisis door de toegang van bedrijven tot financiering te vergemakkelijken. Die maatregelen gelden voor alle bedrijven, maar het midden- en kleinbedrijf (MKB) heeft toegang tot een hogere steunintensiteit, omdat dit duidelijk het meest kwetsbaar is wanneer de toegang tot krediet wordt ingeperkt. Met andere woorden, deze maatregel is met name gunstig voor het MKB. Het meest relevante voor het MKB is de nieuwe mogelijkheid voor een subsidie van 500 000 euro per onderneming voor de dekking van investeringen en/of werkkapitaal gedurende een periode van twee jaar.

Dat is een nieuwe tijdelijke, verenigbare steun – overigens geen nieuwe de minimis van 500 000 euro – en vooropgesteld dat deze nieuwe steun voldoet aan de specifieke voorwaarden, wordt deze door de Commissie verenigbaar verklaard krachtens artikel 87, lid 3, onder b van het Verdrag, met andere woorden, krachtens een duidelijk zeer uitzonderlijke rechtsgrondslag die direct gekoppeld is aan de huidige financiële crisis. Die nieuwe steun kan worden verhoogd met de de minimis, maar binnen de limiet van 500 000 euro voor de periode 2008–2010.

Daarnaast kunnen lidstaten krachtens het tijdelijke kader ook staatshulpgaranties verlenen voor leningen tegen een lagere premie, evenals steun in de vorm van een gesubsidieerd rentetarief dat van toepassing is op alle typen leningen, en gesubsidieerde leningen voor de productie van groene producten, waarbij men zich vroeg aanpast aan de toekomstige productnormen van de Gemeenschap of zelfs verder gaat dan deze normen.De Commissie heeft ook het toegestane risicokapitaal verhoogd – een injectie in het MKB – van 1,5 miljoen euro tot 2,5 miljoen euro per jaar, en het vereiste niveau van particuliere deelneming verlaagd van 50 procent naar 30 procent.

Tot slot: hoewel alle maatregelen die krachtens dit tijdelijke kader zijn aangenomen, nog steeds moeten worden aangemeld bij de Commissie, zijn er speciale regelingen opgezet om te waarborgen dat de besluiten van de Commissie snel worden aangenomen. Ze zijn dus snel, effectief en efficiënt.

 
  
MPphoto
 

  Georgios Papastamkos (PPE-DE).(EL) Mijnheer de Voorzitter, ik dank mevrouw de commissaris voor haar zeer uitgebreide antwoord. Terecht staat de Europese Commissie, als hoedster van het mededingingsbeleid, toe de kleine en middelgrote ondernemingen deze steun te verlenen. Wij weten immers allemaal in dit Parlement dat de kleine en middelgrote ondernemingen de ruggengraat zijn van de Europese economie.

Ik wil even voortborduren op mijn oorspronkelijke vraag. De Europese Unie is niet alleen op deze wereld; er zijn nog andere belangrijke handelsmachten. Buiten Europa zijn er economische machten, derde partnerlanden, die wegens de economische crisis constant de mededinging vervalsen. Hebt u samenwerking tot stand gebracht om de overtreding van de mededingingregels door derde landen het hoofd te kunnen bieden?

 
  
MPphoto
 

  Paul Rübig (PPE-DE). - (DE) Kunt u mij zeggen onder welke regeling in dit verband de leningen ter financiering van het eigen vermogen vallen?

 
  
MPphoto
 

  Marie Panayotopoulos-Cassiotou (PPE-DE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, ik wil mevrouw de commissaris vragen of deze buitengewone steun ook sociale maatregelen voor kleine en middelgrote ondernemingen omvat. Kan men naast ondernemingen ook werknemers steunen?

 
  
MPphoto
 

  Neelie Kroes, lid van de Commissie. − (EN) Dat is een intrigerende vraag. We zijn belangrijke spelers, als we naar het hele speelveld kijken, maar we zijn ons ervan bewust dat er enkele andere spelers zijn, en dat zij zich niet altijd gedragen zoals wij dat zouden willen.

Dit gezegd hebbende, mijnheer de Voorzitter, zijn er in elk geval enkele organen waarbij we ons best doen om precies dit punt dat het geachte lid naar voren heeft gebracht, op de agenda te zetten: tijdens de G20-top in Londen bijvoorbeeld, waar het een erg belangrijk discussiepunt was, maar ook tijdens onze betrokkenheid bij de WTO-ronde, en ik denk dat het verstandig is dat we blijven aandringen en blijven proberen om het punt geaccepteerd te krijgen door alle spelers.

Ik kan met trots zeggen dat er meer dan honderd lidstaten zijn betrokken bij het zelfde type mededingingsbeleid als wat wij voorstaan, we zijn dus niet alleen. We onderhouden nauwe contacten, soms via officiële overeenkomsten, soms via bilaterale overeenkomsten, om wereldwijd één lijn te trekken.

Zeker met de nieuwe Amerikaanse regering beginnen we net opnieuw, en we hebben uitstekende samenwerkingsverbanden met onze tegenhangers in Washington, zoals de Federal Trade Commission (FTC) en het Department of Justice (DOJ).

Dat is dus de hoofdzaak, maar als u mij toestaat even van uw vraag af te dwalen, het gaat ook om protectionisme: dat zou de duivel in ons midden betekenen, en we moeten er voor vechten om te voorkomen dat dit werkelijkheid wordt. Want protectionisme is uit, het is onverenigbaar met de interne markt en het is zelfs een zeer slecht hulpmiddel om onze burgers, onze consumenten en onze zakenwereld succesvol te laten zijn op dat eerlijke speelveld.

Uiteraard zijn het de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor inspanningen op werkgelegenheids- en sociale gebied en zij moeten besluiten hoe deze mogelijkheid om de regels voor staatssteun enigszins te openen, kan worden ingepast.

De Commissie wil er ook op wijzen dat de structuurfondsen – en daar doelde ik ook op in een eerdere vraag toen we het over de Poolse scheepswerven hadden – en dan met name het Europees Sociaal Fonds en het Europees Regionaal Ontwikkelingsfonds door de lidstaten kunnen worden gebruikt om de sociale gevolgen van het verlies van banen te verzachten, en verder kan onder bepaalde voorwaarden het gebruik van het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering worden overwogen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Vraag nr. 36 van Marie Panayotopoulos-Cassiotou (H-0154/09):

Betreft: Onderzoek en maritieme beroepen

De maritieme wetenschap, de maritieme technologie en het maritieme onderzoek zijn van essentieel belang voor de duurzame ontwikkeling van maritieme activiteiten, en ze dragen bij aan een verbreding van de zeevaartstudies en aan de verbetering van de kwalificaties en vaardigheden die verband houden met de maritieme beroepen.

Welke maatregelen neemt de Commissie om het onderzoek op dit gebied te bevorderen en om de Europese burgers meer en gevarieerdere kansen te geven op een loopbaan in aan de maritieme wereld gelieerde beroepen? Zal deze doelstelling negatief worden beïnvloed door de economische crisis?

 
  
MPphoto
 

  Janez Potočnik, lid van de Commissie. − (EN) Gedurende het afgelopen jaar heeft de Commissie erkend dat maritieme wetenschap en technologie een prioritair gebied met veel raakvlakken is. Als hoogtepunt heeft de Commissie in september 2008 een mededeling aangenomen over een strategie van de Europese Unie voor marien en maritiem onderzoek.

Deze strategie is er met name op gericht om de integratie tussen thematische prioriteiten aan te moedigen om complexe zeegerelateerde kwesties te bespreken, de synergie tussen de onderzoeksinspanningen van lidstaten te stimuleren, de financiering van de financiële infrastructuur voor maritiem onderzoek te bevorderen en om een nieuw bestuur op te zetten met de wetenschappelijke mariene en maritieme gemeenschappen, in het bijzonder door een betere samenwerking tussen maritieme wetenschap en maritieme bedrijven.

In het kader van de strategie zijn de volgende acties al uitgevoerd. Ten eerste worden er gezamenlijke uitnodigingen voor voorstellen opgesteld en deze moeten later dit jaar worden gepubliceerd om belangrijke mariene en maritieme kwesties met meerdere thema's aan te pakken. Ten tweede zijn er stappen gezet om het BONUS-programma uit te breiden naar een belangrijk onderzoeksinitiatief van de Gemeenschap krachtens artikel 169 van het Verdrag – een van de vragen hierna heeft ook met deze kwestie te maken. Ten derde zijn er stappen gezet om geleidelijk alle bestaande ERA-NET-faciliteiten te vervangen door één geïntegreerd maritiem ERA-NET. Ten vierde zijn er stappen gezet om te zoeken naar nieuwe bronnen voor het financieren van een essentiële maritieme onderzoeksinfrastructuur, met name via de structuurfondsen. Tot slot worden er twee projecten gefinancierd om de samenwerking tussen de maritieme wetenschap en maritieme bedrijven aan te moedigen, evenals een betere integratie tussen de verschillende actoren binnen de maritieme wetenschappelijke gemeenschap.

De tenuitvoerlegging van de strategie van de Europese Unie voor marien en maritiem onderzoek in het huidige financiële perspectief zal in de komende jaren de bevordering van marien en maritiem onderzoek op Gemeenschapsniveau waarborgen, via de instrumenten van het kaderprogramma.

Het verbreden van de mogelijkheden voor een loopbaan in de maritieme wereld, wat ook onderdeel van uw vraag was, is niet direct een doelstelling van het onderzoeksbeleid. Maar door de samenwerking tussen maritieme wetenschappers en maritieme bedrijven te stimuleren, en door meer geïntegreerd marien en maritiem onderzoek, kan de strategie voor marien en maritiem onderzoek van de Europese Unie de reikwijdte van maritieme vaardigheden indirect verbreden en de maritieme wereld onder de aandacht brengen. Zo kan deze strategie indirect bijdragen aan het uitbreiden van de kwalificaties en vaardigheden die bij maritieme beroepen horen.

Tot slot: in het bredere kader van uw vraag en mijn antwoord, heeft de Commissie in het Europees economisch herstelplan van afgelopen najaar aan de lidstaten en aan de particuliere sector voorgesteld om de voorgenomen investeringen in O&O te verhogen. Dit werd gevolgd door de conclusies van de Europese Raad in het voorjaar, die een krachtige boodschap lieten horen over de noodzaak om de kwaliteit van investeringen in kennis en onderzoek te intensiveren en te verbeteren, voor een economisch herstel. Uiteraard geldt dit onverminderd voor marien en maritiem onderzoek.

Het is nog te vroeg voor een beoordeling over hoe en of de lidstaten deze aanbevelingen opvolgen. Eén ding blijft echter duidelijk: zelfs in de huidige moeilijke economische en financiële omstandigheden moeten we de doelstellingen voor de lange termijn niet uit het oog verliezen, zoals duurzame ontwikkeling en de koolstofarme economie. Het is dan ook belangrijk om ons te concentreren op de zogenaamde “slimme investeringen”, die tegelijkertijd zijn gericht op het overleven van de crisis op de korte termijn, op de mogelijkheden voor de lange termijn en op de vraag hoe sterk we zullen zijn als we uit deze crisis komen.

 
  
MPphoto
 

  Marie Panayotopoulos-Cassiotou (PPE-DE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, ik dank de commissaris voor zijn volledige antwoord en wilde hem vragen of bij het onderzoeksprogramma ook buurlanden en in het bijzonder landen uit de mediterrane regio kunnen worden betrokken in het kader van de Euro-mediterrane samenwerking.

 
  
MPphoto
 

  Janez Potočnik, lid van de Commissie. − (EN) Nabuurschapslanden kunnen natuurlijk worden opgenomen. Het is volstrekt duidelijk dat het kaderprogramma van kracht blijft zolang er een samenwerking met de lidstaten van de Europese Unie is.

Maar ik zou nog preciezer willen zijn. We hebben nogal wat – meer dan tien – zogenaamde “geassocieerde leden” van het kaderprogramma. Die geassocieerde leden die de bijdrage betalen, hebben vrijwel dezelfde rechten en verantwoordelijkheden als de lidstaten. De westelijke Balkan, Zwitserland, Noorwegen, IJsland, Israël en enkele andere landen bijvoorbeeld zijn geassocieerde landen. Dus al deze landen hebben precies dezelfde rechten en verplichtingen.

Voor anderen proberen we binnen onze strategie een beleid te ontwikkelen, dat we hebben voorgesteld. We hebben onze uiterste best gedaan, zodat alle nabuurschapslanden zo snel mogelijk – afhankelijk van hun vermogen en ook van de wederzijdse belangen – geassocieerde landen zullen zijn. Dit betekent in de praktijk dat wanneer we het over onderzoek hebben, de Europese Unie veel groter is dan de Europese Unie van zevenentwintig leden.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Vraag nr. 37 van Emmanouil Angelakas (H-0158/09):

Betreft: Beoordeling creativiteit, innovatie en technologische ontwikkeling in de lidstaten

2009 is het Europees Jaar van creativiteit en innovatie. De Europese Unie heeft op deze gebieden de beschikking over een aantal programma's, waaronder het zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (2007-2013) en het kaderprogramma voor concurrentie en innovatie (CIP). Beschikt de Commissie over statistische gegevens over de hoeveelheid geld die elke lidstaat tot nu toe heeft geabsorbeerd voor de gebieden die onder deze programma's vallen? Welke zijn, uitgedrukt in percentages en uitgesplitst per lidstaat, de meest populaire sectoren? Is ooit onderzocht in welke mate het midden- en kleinbedrijf (MKB) aan deze programma's meedoet (uitgedrukt in een percentage van het totaal)?

 
  
MPphoto
 

  Janez Potočnik, lid van de Commissie. − (EN) Ik kan het geachte lid met betrekking tot het zevende kaderprogramma voor onderzoek (FP7) verzekeren dat de Commissie systematisch en voor iedereen zichtbaar, duidelijke en gedetailleerde statistische gegevens verzamelt en publiceert die de tenuitvoerlegging van dit programma illustreren.

Het is belangrijk om niet te vergeten dat Gemeenschapsfinanciering voor onderzoek uitsluitend aan begunstigden wordt toegekend op grond van de wetenschappelijke excellentie van hun voorstellen. Maar zelfs al wordt er geen rekening gehouden met nationaliteit bij het toekennen van contracten, toch verzamelen we gegevens over de geografische verspreiding van FP7-begunstigden en hun respectieve samenwerkingsverbanden, en houden we deze gegevens nauwlettend in de gaten. Hierdoor krijgen we een belangrijk inzicht in het niveau en de sterkte van de synergie die tussen de landen worden ontwikkeld als gevolg van hun deelname aan FP7-activiteiten.

U kunt al deze gegevens, naast nog veel meer gedetailleerde statistische gegevens over de tenuitvoerlegging van FP7, vinden in de statistische bijlage van het jaarverslag van de Commissie over activiteiten op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling, dat we elk jaar indienen bij de Raad en het Parlement. Wat nog belangrijker is, al deze verslagen, vanaf 1998, zijn online beschikbaar voor het publiek via de internetsite “Europa” van de Commissie.

En wat zeggen deze gegevens ons nu? Ik kan hier vandaag geen lange lijst aan statistische gegevens afdraaien, want daar hebben we geen tijd voor, maar ik wil u wel enkele hoogtepunten geven, gericht op de kern van uw vraag: de relatieve populariteit van FP7-onderzoeksgebieden in de lidstaten.

Informatie- en communicatietechnologie (ICT), gezondheid en Marie Curie-acties waren in het algemeen de populairste gebieden in de lidstaten wat het aantal deelnames in ondertekende subsidieovereenkomsten betreft. Daar moet echter bij worden aangetekend dat hun populariteit ook een functie is van de grootte van het budget dat voor elk van deze FP7-onderzoeksgebieden beschikbaar is, en ook van het aantal en het soort ondertekende subsidieovereenkomsten die ten tijde van de beoordeling in de databases zaten. In het algemeen kan worden opgemerkt dat de deelname van nieuwe lidstaten groter is op het gebied van veiligheid, sociaaleconomisch onderzoek en ruimte, en bijvoorbeeld minder in de ICT en de gezondheidszorg. In het land waar het geachte lid vandaan komt is men duidelijk gericht op de ICT, maar is er een relatief zwakke deelname in bijvoorbeeld de gezondheidszorg, sociaaleconomisch onderzoek en ruimte.

Met betrekking tot de respons van het MKB op FP7: de Commissie publiceert elk jaar een gedetailleerde beoordeling van de deelname van het MKB per land van herkomst als onderdeel van ons jaarverslag, dat ik al heb genoemd. De laatste gegevens over MKB-deelname aan FP7 laten zien dat er nu in totaal 2 431 middelgrote en kleine bedrijven deelnemen aan ondertekende subsidieovereenkomsten in het kader van FP7. Voor meer informatie verwijs ik het geachte lid naar het verslag zelf. Maar, als het geachte lid dit wenst, kan ik hier vandaag enkele tabellen uitreiken met de relevante informatie uit FP7, want ik heb ze bij me.

De acties uit het kaderprogramma concurrentievermogen en innovatie (CIP) worden meer bepaald door beleid dan door subsidies. Met name het kaderprogramma voor ondernemerschap en innovatie (EIP) dient hoofdzakelijk als een beleidsondersteunend programma. Als we kijken naar de belangrijkste instrumenten van dit programma, zien we dat het Enterprise Europe Network exclusief voordelen biedt voor het MKB door informatie te bieden over toegang tot verschillende soorten MKB-financieringen, door het aanwijzen van mogelijkheden voor projectfinanciering en door te helpen met het vinden van technologische en zakelijke partners. Het financiële instrument van het EIP, dat ongeveer de helft van het programmabudget beslaat, is ook exclusief gereserveerd voor het MKB. Aan het eind van september 2008 hadden ongeveer 12 000 middelgrote en kleine ondernemingen financiering ontvangen via de MKB-garantiefaciliteit, met aanvragen uit 17 lidstaten.

Daarnaast werd in 2008 de eerste uitnodiging voor voorstellen voor proef- en markttoepassingsprojecten voor innovatie en eco-innovatie gepubliceerd om acties uit te voeren op het gebied van recycling, de voedsel- en dranksector, gebouwen en groene ondernemingen. De uitnodiging voor 2008 is er met name in geslaagd om prioriteit te geven aan kleine en middelgrote ondernemingen. In totaal behoorde 74 procent van alle deelnames tot het MKB.

Tot slot heeft het programma ter ondersteuning van het ICT-beleid dat onderdeel vormt van het CIP, uitnodigingen gedaan voor het indienen van voorstellen voor 2007 en 2008, gericht op een proefproject voor het testen van ICT-innovaties, waarbij kleine en middelgrote ondernemingen meer dan 30 procent van het totale budget ontvangen. En wat nog belangrijker is, dit programma is gericht op het openen van markten in de hele EU voor dergelijke innovaties die worden geleverd door het MKB in de hele Europese Unie.

Net zoals de FP7-verslagen, zijn ook de verslagen betreffende het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie openbaar op de website “Europa”.

 
  
MPphoto
 

  Emmanouil Angelakas (PPE-DE).(EL) Mijnheer de Voorzitter, ik dank de commissaris voor zijn antwoord. Er staan inderdaad gegevens op de website. Ik wil u, commissaris, tevens bedanken voor de tabellen die u mij zult geven.

Ik wil een aanvullende vraag stellen. Kunt u ons zeggen hoeveel arbeidsplaatsen in de lidstaten van de Europese Unie zijn gecreëerd in het kader van de programma´s die zijn uitgevoerd via de kleine en middelgrote ondernemingen? Hebt u verder berekend welke verhoging van het BBP deze maatregelen zullen bewerkstelligen?

 
  
MPphoto
 

  Justas Vincas Paleckis (PSE).(EN) U hebt meerdere gebieden genoemd waarop nieuwe lidstaten hun activiteiten in beide programma’s opzetten. Ik zou u willen vragen wat u in het algemeen zou zeggen: zijn nieuwe lidstaten minder actief in vergelijking met oude lidstaten, en indien dit het geval is, wat kan de Commissie doen om hen te helpen?

 
  
MPphoto
 

  Janez Potočnik, lid van de Commissie. − (EN) De eerste vraag was vrij specifiek. Natuurlijk weten we niet hoeveel banen er zijn gecreëerd: economieën zijn nu eenmaal veel complexer dan wanneer er een causaal verband zou zijn tussen de hoeveelheid geld die je in een programma steekt en de mate waarin je steun biedt. We zijn er vrij zeker van – ik ben er ook vrij zeker van, en wanneer ik me onder onderzoekers begeef, onder de middelgrote en kleine ondernemingen, wanneer ik de reacties hoor en hun emoties, en wanneer ik zie hoe goed ze het programma eigenlijk gebruiken, dan ben ik soms veel meer tevreden dan wanneer ik hoor dat we iets te bureaucratisch zijn, enzovoort. Maar ik denk dat we daar naar moeten kijken. We proberen tegemoet te komen aan de diverse behoeften van het MKB: de ondernemingen die concurreren, die hun eigen capaciteit hebben om te concurreren, die onderzoekscapaciteit hebben, maar we proberen ook de anderen te helpen, de ondernemingen die wel de behoefte aan onderzoek hebben, maar niet de capaciteit. Daarom betalen we bijvoorbeeld voor onderzoek via universiteiten, instellingen, enzovoort.

Wat de stijging van het BBP betreft, is er statistisch gezien natuurlijk geen directe koppeling mogelijk, maar er kan wel een correlatie-analyse worden uitgevoerd, waaruit kan worden afgeleid dat dit gecorreleerd is op de lange termijn. Dus de landen die meer in O&O investeren, zijn natuurlijk meer ontwikkeld, en omgekeerd. Dit is dan ook de realiteit: dat degenen die rijker zijn, later meer in O&O investeren. In essentie kan zelfs ik de vraag dus niet precies beantwoorden. Vanuit de statistische analyse kan ik u het redelijk zekere antwoord geven dat dit de manier is om het concurrentievermogen te versterken, en als gevolg daarvan ook het BBP, de banen, enzovoort van iedereen die meer investeert in deze context.

Met betrekking tot de vraag over de nieuwe lidstaten – en dat is echt een interessante vraag omdat we dit uiteraard vrij nauw volgen – kan ik zeggen dat ze vrij actief zijn, dat ze veel aanvragen indienen; gemiddeld ligt het slagingspercentage iets hoger dan het slagingspercentage van meer ontwikkelde lidstaten, wat ik normaal vind omdat op de een of andere manier de sterkte van de instellingen in de landen met een langere en sterkere O&O-traditie groter is en ze natuurlijk normaal al sterker zijn. Maar als je naar iets heel eenvoudigs kijkt, als je naar de correlatie kijkt: hoeveel een land investeert in O&O en hoeveel het krijgt vanuit het kaderprogramma via pure concurrentie, dan zie je dat daar een sterke correlatie bestaat. Dus het land dat daadwerkelijk meer investeert in eigen land, en daardoor ook een sterker onderzoekspotentieel heeft, krijgt het dubbel: thuis en via de concurrentie in het Europees kaderprogramma, hetgeen een beloning voor excellentie is.

Maar er is nog iets anders interessant. Als je kijkt naar de mate waarin de lidstaten – de nieuwe lidstaten – investeren in hun O&O in algemene Europese investeringen, en hoeveel ze uit FP7 krijgen, is het laatste gedeelte groter dan hetgeen ze daadwerkelijk thuis investeren. Deze verbanden zijn dus zeer duidelijk, en mijn advies zou zijn: gebruik alle mogelijke instrumenten om de capaciteit in eigen land te vergroten; gebruik – op een slimme manier – structuur- en cohesiefondsen, waar ze het bedrag voor het kaderprogramma daadwerkelijk voor dit doel hebben toegezegd – er is 50 miljard euro toegezegd – en gebruik dat geld zodanig dat men in de toekomst in eigen land geholpen kan worden en dat men zichzelf ook helpt bij de mogelijkheid om wereldwijd te concurreren, want de wereld is mondiaal.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Vraag nr. 38 van Justas Vincas Paleckis (H-0174/09):

Betreft: BONUS - Initiatief 169

Het BONUS-project (BONUS = netwerk van instellingen die financiering verlenen aan mariene wetenschappen in de Oostzee) speelt een belangrijke rol bij het bijeenbrengen, coördineren, ontwikkelen en uitvoeren van nationale en regionale onderzoekprogramma's op het vlak van de duurzame ontwikkeling in de Oostzee. Dat is precies de reden dat Litouwen en de andere Oostzeestaten flinke steun verlenen aan de omzetting van het project ERA-NET+ in het project Initiatief 169.

Kan de Commissie aangeven welke nieuwe maatregelen er op stapel staan voor BONUS - Initiatief 169? Zal er tijdens het mandaat van deze Commissie nog een desbetreffend voorstel worden voorgelegd? Welke factoren zouden - eventueel - de omzetting van BONUS in het project Initiatief 169 kunnen verhinderen?

 
  
MPphoto
 

  Janez Potočnik, lid van de Commissie. − (EN) Mijnheer Paleckis, ik ben ervan overtuigd dat BONUS - Initiatief 169 tot een aanzienlijke verbetering zal leiden van de doeltreffendheid van de beleidsmaatregelen op het gebied van het milieu en een duurzame ontwikkeling voor de gehele Oostzeeregio. Het zou vooral een belangrijke bijdrage leveren aan de tenuitvoerlegging van met name het milieu-onderdeel van de EU-strategie ter stimulering van de ontwikkeling van de Oostzeeregio, die de Commissie in juni 2009 aan de Europese Raad wil presenteren.

We maken goede vorderingen met de voorbereiding van dit wetgevingsvoorstel voor een artikel 169-initiatief en we hebben BONUS - Initiatief 169 opgenomen in ons wetgevingsprogramma voor 2009. We doen er alles aan om zo snel mogelijk in 2009 met een wetgevingsvoorstel te komen, maar we hebben dat niet volledig in eigen hand: het hangt er ook van af of het BONUS-consortium zich tijdig en met succes over de herziening van het voorlopige actieplan buigt. Als de Commissie dit herziene actieplan begin juni ontvangt – zoals met het BONUS-consortium is afgesproken – reken ik erop dat het wetgevingsvoorstel nog onder het mandaat van de huidige Commissie kan worden ingediend.

 
  
MPphoto
 

  Justas Vincas Paleckis (PSE). – (LT) Mijnheer de commissaris, hartelijk dank voor uw nauwkeurige en duidelijke antwoord. Er is klaarblijkelijk hoop dat deze zaak snel van de grond komt. Wat ik u wil vragen, is of het feit dat er scherpere maatregelen zullen worden genomen om het milieu in de Oostzeeregio te beschermen, er niet des te meer op wijst dat dit project verband houdt met de effecten van het Nord Stream-project voor de bescherming van het milieu in de Oostzee? Is dit waar of niet?

 
  
MPphoto
 

  Janez Potočnik, lid van de Commissie. − (EN) Ik heb ook hoge verwachtingen van het BONUS-programma zelf. Daarom doe ik ook mijn uiterste best om het voorstel nog tijdens mijn ambtstermijn aan u te kunnen voorleggen.

U dient zich ervan bewust te zijn dat onze ervaringen met artikel 169-initiatieven, in de eerste plaats het EDCTP in het vorige kaderprogramma, niet altijd even goed waren. Daarom hebben we de heer Van Velzen gevraagd om een verslag daarover op te stellen. Het EDCTP is nu overigens perfect en functioneert heel goed, maar we hadden de heer Van Velzen gevraagd om voorstellen in te dienen voor toekomstige artikel 169-initiatieven en we houden ons aan zijn aanbevelingen.

Bedenk ook dat dit het eerste programma in zijn soort is en dat een dergelijk programma de echte Europese meerwaarde moet laten zien. Ik weet zeker dat dit een voorbeeld is dat later door andere regio’s zal worden gevolgd. Om kort te gaan, ik ben een groot voorstander van het voorstel, maar ik denk dat het voor BONUS en de regio het beste is als we ervoor zorgen dat het goed in elkaar zit.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Vraag nr. 41 van Marian Harkin (H-0137/09):

Betreft: Communicatie met de burgers

De Commissie hecht bijzonder veel belang aan doeltreffende communicatie met de burgers, met name in het licht van de economische crisis, waardoor veel burgers onzeker zijn over de toekomst. De overlegprocedure is een doeltreffend instrument om de burgers directe inspraak te geven in de beleidsvorming op Europees niveau. Is de Commissie het ermee eens dat verdere stappen moeten worden ondernomen om de burgers via de media en andere daartoe aangewezen fora op nationaal, regionaal en lokaal niveau over EU-overleg te informeren, om ervoor te zorgen dat meer individuele burgers en basisorganisaties hieraan deelnemen?

 
  
MPphoto
 

  Margot Wallström, vicevoorzitter van de Commissie. − (EN) Allereerst wil ik graag zeggen dat het maatschappelijk middenveld een van de belangrijkste partijen in de democratie is. Het speelt een zeer actieve rol in de Europese integratie en vervult een belangrijke functie in de communicatie tussen Europese burgers en de instellingen. Het maatschappelijk middenveld helpt de burgers bij het uitoefenen van hun recht om deel te nemen aan het democratische leven van de EU.

De Commissie is zich ervan bewust dat de EU beter toegankelijk moet zijn voor maatschappelijke organisaties en voor individuele burgers, en we hebben een lange, gezonde traditie van interactie met maatschappelijke instellingen. Daarmee zijn we al meer dan dertig jaar geleden begonnen.

Door de jaren heen hebben veel van onze diensten een periodieke dialoog opgebouwd met belangengroeperingen. Deze dialoog vindt plaats op basis van ons al jaren bestaande beleid van openheid en integratiegerichtheid en weerspiegelt ook de uiteenlopende beleidsterreinen en de diversiteit van de belangengroeperingen.

De Commissie raadpleegt het maatschappelijk middenveld op diverse manieren, onder meer via discussienota's, mededelingen, raadgevende comités, deskundigengroepen, workshops en forums. Er wordt veelvuldig gebruik gemaakt van online-overleg. Bovendien organiseren we ad-hocvergaderingen en openbare hoorzittingen. Een raadplegingsprocedure bestaat veelal uit een combinatie van verschillende instrumenten en vindt in verschillende fasen van de voorbereiding van een beleidsvoorstel plaats.

Er is behoefte aan een gemeenschappelijk operationeel kader om ervoor te zorgen dat deze raadplegingen op een transparante en coherente wijze worden uitgevoerd. Daarom heeft de Commissie in 2002 de beginselen en minimumnormen vastgesteld voor de raadpleging van externe partijen.

Volgens deze normen is het de bedoeling dat er duidelijke discussienota’s worden verschaft, dat alle relevante doelgroepen worden geraadpleegd, dat er voldoende tijd wordt gereserveerd voor deelneming van de betrokken partijen, dat de resultaten worden gepubliceerd, dat er feedback wordt gegeven enzovoort.

Het Europees transparantie-initiatief heeft ook als doelstelling om de toepassing van de huidige minimumnormen voor raadpleging verder te versterken.

Er is een standaardformulier voor open, openbare raadplegingen geïntroduceerd, en belangenorganisaties worden uitgenodigd om zich in te schrijven in het register van belangenvertegenwoordigers.

Geregistreerde belangenvertegenwoordigers worden geattendeerd op raadplegingen die worden aangekondigd via het centrale toegangspunt dat de Commissie voor alle openbare raadplegingen hanteert, “Uw stem in Europa”. Het gebruik van dit formulier zal leiden tot een transparantere en coherentere wijze waarop raadplegingen van belangenorganisaties worden gepresenteerd.

Natuurlijk moeten we voortdurend nadenken over de manier waarop we betrokkenen nog beter kunnen attenderen op de start van een bepaalde raadplegingsprocedure, zodat meer mensen op de hoogte zijn van het feit dat er een raadpleging wordt gestart. Misschien kunnen we onze vertegenwoordigingskantoren actiever inzetten.

Tot slot wil ik nog opmerken dat de Plan D-initiatieven, waaronder de raadplegingen van burgers, ook nieuwe ideeën opleveren om de band met de burger te versterken en tevens mensen erbij te betrekken die niet tot politieke partijen of maatschappelijke organisaties behoren, teneinde voor een daadwerkelijk open raadpleging te zorgen. We proberen verschillende methoden uit om de band met de burger te versterken.

 
  
MPphoto
 

  Marian Harkin (ALDE).(EN) Ik bedank de commissaris voor haar antwoord en het is zeker waar dat de Commissie haar best doet. Aangezien echter 53 procent van de Europese burgers zegt dat zij niet geïnteresseerd zijn in de Europese verkiezingen, denk ik dat een van de redenen daarvoor is dat veel Europese burgers niet weten dat zij via het raadplegingsproces veranderingen teweeg kunnen brengen en invloed kunnen uitoefenen: door mijn contact met belangengroeperingen in het maatschappelijk middenveld heb ik de ervaring dat zeer veel mensen eenvoudigweg niet van dit proces op de hoogte zijn.

Ik maak om de zoveel maanden belanghebbenden attent op de verschillende raadplegingsprocedures die er lopen en ik geloof oprecht – en ik vraag u, commissaris, of u het niet met mij eens bent – dat het erg nuttig zou zijn als de vertegenwoordigingen van de Commissie in de verschillende landen een uitgebreide lijst zouden opstellen van alle belangengroeperingen en ervoor zouden zorgen dat zij worden geattendeerd op raadplegingsprocedures, zodat ze ervan op de hoogte zijn en eraan kunnen deelnemen.

 
  
MPphoto
 

  Margot Wallström, vicevoorzitter van de Commissie. − (EN) Ik ben het daar absoluut, voor honderd procent, mee eens. Dit is precies wat we vanmiddag hebben besproken in de interinstitutionele werkgroep voorlichting en communicatie: dat we onze vertegenwoordigingen in de landen en de Europese Huizen – want in de meeste hoofdsteden zitten we in hetzelfde gebouw – moeten stimuleren.

We moeten ze als Europese Huizen gebruiken en de burgers via deze kanalen laten weten wanneer er een raadpleging is en dat zij langs die weg hun standpunt kunnen laten horen over het gemeenschappelijk landbouwbeleid of de handel of het milieubeleid.

Ik ben het dus absoluut met u eens dat we nog meer moeten doen om de burgers te mobiliseren. Ik denk ook dat deze experimenten met zaken zoals raadpleging van de burgers tot een grotere belangstelling voor de EU leiden. Zoals één deelnemer zei: ik kreeg belangstelling voor de EU toen de EU belangstelling voor mij toonde door me naar mijn mening te vragen. Ik denk dat uiteindelijk ook ons beleid beter wordt doordat we de burgers naar hun mening vragen en hen raadplegen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Vraag nr. 42 van David Martin (H-0155/09):

Betreft: Rol van de Commissie bij de komende Europese verkiezingen

Kan de Commissie aangeven wat voor niet-partijgebonden rol zij gaat spelen om een hogere opkomst bij de Europese verkiezingen te bereiken?

 
  
MPphoto
 

  Margot Wallström, vicevoorzitter van de Commissie. − (EN) De Commissie vervult een ondersteunende en aanvullende rol ten aanzien van de communicatie-inspanningen van het Europees Parlement, de nationale overheden en de politieke partijen door middel van thematische, bewustzijnsvergrotende activiteiten op zowel Europees als lokaal niveau. Ons doel is primair om kiezers te informeren over de datum en de relevantie van de verkiezingen en hen op deze wijze te stimuleren om te gaan stemmen.

Er zal speciale aandacht worden geschonken aan vrouwen en jongeren via op hen afgestemde producten en activiteiten. We zullen onder andere door het Parlement gemaakte televisie- en radiospotjes uitzenden op Europe by Satellite en EUtube, waarin we de onderwerpen belichten die bij de Europese verkiezingen prioriteit hebben. We zullen ook helpen bij de verspreiding hiervan via nationale, regionale en lokale omroepen in de lidstaten. Bovendien ontwikkelt de Commissie een multimediacampagne voor jongeren in alle lidstaten, waarbij gebruik wordt gemaakt van het multipliereffect via netwerksites, blogs en internetmagazines. Op alle belangrijke webpagina's, bijvoorbeeld Europa, staan het verkiezingslogo en de koppeling naar de verkiezingswebsite van het Parlement. Er wordt echter ook traditioneel promotiemateriaal voorbereid, zoals posters, briefkaarten en buitenreclame.

Al onze vertegenwoordigers in de lidstaten zijn gemobiliseerd om activiteiten in het kader van de verkiezingen te organiseren en om al onze multipliers in te zetten, en bijna 500 Europe Direct-informatiepunten organiseren evenementen om promotiemateriaal te verspreiden en de kandidaten een discussieplatform te bieden.

Tot slot verschaft het Europe Direct Contact Centre per telefoon, e-mail en internet gratis feitelijke informatie in alle 23 officiële talen over EU-gerelateerde onderwerpen waarover burgers en bedrijven vragen hebben.

 
  
MPphoto
 

  David Martin (PSE). - (EN) Commissaris, dank u wel voor uw informatie over de activiteiten van de Commissie. Mag ik nog een aanvullende vraag stellen?

Tijdens de verkiezingscampagne zullen er veel leugens worden rondgebazuind over de Europese Unie. Soms zal het een kwestie van opvatting zijn, en ik verwacht niet dat de Commissie zich in dergelijke discussies mengt. Als er echter klinkklare leugens over de Gemeenschap worden verspreid, roept de Commissie dan een systeem in het leven voor de komende twee of drie maanden waarmee u ofwel direct kunt reageren op leugens en verdraaide informatie over de Europese Unie ofwel kandidaten feiteninformatie kunt verschaffen zodat zij onjuiste beweringen over de activiteiten van de Commissie kunnen weerleggen?

 
  
MPphoto
 

  Margot Wallström, vicevoorzitter van de Commissie. − (EN) Dank u voor uw aanvullende vraag. Het weerleggen van onjuiste informatie maakt zo nu en dan deel uit van onze reguliere activiteiten en behoort ook tot de taken van onze vertegenwoordigingen. Kandidaten of belanghebbende partijen kunnen zich natuurlijk altijd tot ons wenden om feitelijke informatie op te vragen en ook om naar de juiste reactie op dit soort beweringen te vragen.

Ik denk echter dat de rol van de Commissie er eerder in zal bestaan dat zij feitelijke informatie verschaft dan dat zij deelneemt aan het debat, iets wat naar mijn mening is voorbehouden aan de politieke partijen en de kandidaten. We zullen dus in elk geval altijd proberen om feitelijke informatie te verschaffen en dat doen we op reguliere basis.

 
  
MPphoto
 

  Marian Harkin (ALDE).(EN) Mijn aanvullende vraag lijkt erg op die van de heer Martin, aangezien een van de zaken waarmee ik tijdens het referendum over het Verdrag van Lissabon worstelde was dat ik niet snel genoeg aan feitelijke informatie kon komen om te kunnen reageren op bepaalde leugens en onjuiste beweringen die de ronde deden.

Ik wil graag vragen of de Commissie wil overwegen – gezien het feit dat de verkiezingen nu heel snel dichterbij komen – om ervoor te zorgen dat er in elke lidstaat een speciale groep mensen is die de kandidaten direct kunnen benaderen als zij informatie van de Commissie over bepaalde onderwerpen nodig hebben.

Ik weet dat de verkiezingen nabij zijn, maar ik wil de Commissie toch vragen om serieus te overwegen om een dergelijke dienst op te zetten.

 
  
MPphoto
 

  Margot Wallström, vicevoorzitter van de Commissie. − (EN) Ik geloof niet dat we tijd hebben om in dit late stadium vlak voor de verkiezingen een dergelijke dienst op te zetten. We hebben echter al voorzieningen die de mogelijkheid bieden om te bellen of om vragen te stellen en zoveel mogelijk informatie te verzamelen.

Wat we bijvoorbeeld echter gaan doen is een op de burger gerichte samenvatting van het Verdrag van Lissabon maken. Dit doen we in samenwerking met de andere instellingen. We zullen dat uiteraard zo snel mogelijk proberen uit te voeren, maar niet als onderdeel van de campagne. We zullen ervoor zorgen dat deze samenvatting beschikbaar komt in alle officiële talen en in alle lidstaten.

Ik denk echter dat het zeker moet lukken om vragen te beantwoorden, omdat we al weten om welke kwesties het gaat. We zijn ook gewend om vragen te beantwoorden via bijvoorbeeld Europe Direct en onze vertegenwoordigingen, dus we zullen zoveel mogelijk proberen te helpen. Er is ook door ons ontwikkeld vraag-en-antwoordmateriaal. Ik denk dat dit nuttig kan zijn voor zowel de kandidaten als andere belanghebbenden.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − De vragen die wegens tijdgebrek niet zijn beantwoord, zullen schriftelijk worden beantwoord (zie bijlage).

Het vragenuur voor vragen aan de Commissie is gesloten.

(De vergadering wordt om 20.00 uur onderbroken en om 21.05 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: ALEJO VIDAL-QUADRAS
Ondervoorzitter

 
  

(1)PB L 336 van 29.12.1991, blz. 21

Laatst bijgewerkt op: 19 augustus 2009Juridische mededeling