15. Nieuwe rol en bevoegdheden van het Parlement bij de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Lissabon - Gevolgen van het Verdrag van Lissabon voor de ontwikkeling van het institutionele evenwicht van de EU - Ontwikkeling van de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen in het kader van het Verdrag van Lissabon - Financiële aspecten van het Verdrag van Lissabon - Implementatie van het burgerinitiatief (debat)
De Voorzitter. − We hervatten de vergadering met een buitengewoon belangrijk onderwerp: het Verdrag van Lissabon. Aan de orde is de gecombineerde behandeling van:
- het verslag (A6-0145/2009) van de heer Leinen, namens de Commissie constitutionele zaken, over de nieuwe rol en bevoegdheden van het Parlement bij de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Lissabon (2008/2063(INI)),
- het verslag (A6-0142/2009) van de heer Dehaene, namens de Commissie constitutionele zaken, over de gevolgen van het Verdrag van Lissabon voor de ontwikkeling van het institutionele evenwicht van de Europese Unie (2008/2073(INI)),
- het verslag (A6-0133/2009) van de heer Brok, namens de Commissie constitutionele zaken, over de ontwikkeling van de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen in het kader van het Verdrag van Lissabon (2008/2120(INI)),
- het verslag (A6-0183/2009) van mevrouw Guy-Quint, namens de Begrotingscommissie, over de financiële aspecten van het Verdrag van Lissabon (2008/2054(INI)), en
- het verslag (A6-0043/2009) van mevrouw Kaufmann, namens de Commissie constitutionele zaken, met het verzoek aan de Commissie om een voorstel in te dienen voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de implementatie van het burgerinitiatief (2008/2169(INI)).
Zoals u ziet, zijn dit vijf bijzonder belangrijke verslagen over een onderwerp van grote betekenis. Laten we ook niet vergeten dat, zoals u weet, de senaat van Tsjechië heeft ingestemd met de ratificatie van het Verdrag van Lissabon met de daarvoor vereiste meerderheid.
Jo Leinen, rapporteur. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de vicevoorzitter van de Commissie, geachte afgevaardigden, de laatste avondzitting van deze zittingsperiode is ingeruimd voor een gedachtewisseling over het Verdrag van Lissabon. Iedereen weet dat er aan deze zitting vele avondzittingen vooraf moesten gaan, om tot een hervormingsverdrag en de bekrachtiging ervan in 26 parlementen te komen.
Ik spreek hierbij mijn gelukwensen en waardering uit voor de collega’s in de Tsjechische senaat, die toch met een duidelijke meerderheid hun fiat aan dit verdrag gegeven hebben. Ik wil voorts iedereen bedanken die meegeholpen heeft dit struikelblok weg te nemen.
(Applaus)
Ja, applaus vanuit Straatsburg voor de senaat in Praag! We zijn zeer tevreden over het resultaat.
Ik heb er het volste vertrouwen in dat we tegen het eind van dit jaar het ratificatieproces af kunnen sluiten. Men mag de dag weliswaar niet voor de avond prijzen, maar alles spreekt er inmiddels voor dat we 27 ondertekeningen krijgen. Des te gerechtvaardigder was het dat de Commissie constitutionele zaken dit vertrouwen altijd had en is blijven houden. De Europese Raad, de Europese Commissie en ook het Europees Parlement moeten zich voorbereiden op de inwerkingtreding van het verdrag. Ik ben heel blij dat het Parlement deze zittingsperiode gepast afsluit door vier hoogst interessante en belangrijke verslagen aan te nemen – nee, vijf zelfs, nu collega Guy-Quint ook een verslag opgesteld heeft over de gevolgen van het Verdrag van Lissabon voor de begroting.
Ik stel vast dat het Parlement steeds, ook in zware tijden, vastgehouden heeft aan het hervormingsverdrag, wat niet van iedereen gezegd kan worden. Daarom kan ik niet begrijpen dat er zo velen in ons midden aarzelden en twijfelden of we überhaupt nog wel over Lissabon mogen praten. Niet voor niets heeft men dit debat in een avondzitting weggestopt. Welnu, we hadden het rustig overdag kunnen houden. Het past niet helemaal bij de waardigheid van dit Huis om zo’n debat naar een avondzitting door te schuiven. We weten waarom dat gebeurd is. Men wilde niet dat het Parlement voor een volle tribune nogmaals te kennen geeft dat we dit verdrag nodig hebben, dat we het willen en dat we er ook in geloven. Tot in de hoogste echelons van dit Parlement zijn er leden geweest die daaraan twijfelden, wat voor mij volkomen onbegrijpelijk en eigenlijk ook onaanvaardbaar is.
Ik heb het verslag over de nieuwe rol die het verdrag het Parlement toebedeelt op mij genomen en ik kan u zeggen: dit Parlement behoort tot de partijen die van het hervormingsverdrag profiteren. We maken een reuzensprong voorwaarts op het gebied van democratische controle, of het nu gaat om wetgeving, begrotingscontrole en budgetrecht, toezicht op en zelfs het kiezen van de uitvoerende macht, de Commissie, het bekrachtigen van internationale verdragen of de nieuwe initiatiefrechten die we krijgen: het meest prominente voorbeeld is het recht van het Europees Parlement om wijzigingen op het verdrag voor te stellen – een privilege dat tot nu toe aan de lidstaten en hun regeringen voorbehouden was. Medebeslissing als standaardprocedure brengt ons op ooghoogte met de Raad van Ministers: landbouw- en visserijbeleid, onderzoeksbeleid, structuurverordeningen – voor allerlei zaken wordt het Parlement medeverantwoordelijk en krijgt het medebeslissingsrecht. We krijgen nieuwe controlebevoegdheden, nieuwe inlichtingenrechten, nieuwe initiatiefrechten.
Ik dank ook u, vicevoorzitter Wallström. U stond altijd aan onze kant. Vandaag is een goede dag en met de vier verslagen sluiten we op passende wijze een periode af die vol was van initiatieven tot de hervorming van de Europese Unie. Ik zou wensen dat het nieuwe Parlement daar de kroon op zet en dat we op deze nieuwe grondslag gesterkt de nieuwe zittingsperiode in kunnen gaan!
(Applaus)
Jean-Luc Dehaene, rapporteur. − Voorzitter, ondervoorzitter, beste collega's, met de goedkeuring van het Verdrag van Lissabon door de Tsjechische senaat, is opnieuw een belangrijke stap gezet naar de ratificatie van dit verdrag. Het is daarom goed dat het Europees Parlement vandaag een aantal verslagen goedkeurt die de houding van het Parlement vastleggen ten aanzien van de implementatie van dit verdrag. Het Parlement moet immers even goed voorbereid zijn als de andere instellingen om met hen in bespreking en onderhandeling te gaan over de implementatie en toepassing van het verdrag.
Dit is voor het Europees Parlement des te belangrijker, omdat de bevoegdheden van het Europees Parlement sterk zullen worden uitgebreid in het kader van dit verdrag. Het Parlement heeft er dus alle belang bij om a) goed voorbereid te zijn om zijn nieuwe taken volwaardig uit te oefenen – en dit wordt geëxpliciteerd in de verslagen van collega Leinen en mevrouw Guy-Quint, maar b) zich ook duidelijk te positioneren in de verhouding met de andere instellingen, hetgeen het onderwerp uitmaakt van mijn verslag.
Het Verdrag van Lissabon versterkt en verduidelijkt het institutioneel evenwicht binnen de Unie. Het Verdrag betreffende de Europese Unie, waarover we hopen dat het wordt goedgekeurd, maakt formeel een einde aan de pijlerstructuur. De Europese Unie krijgt ook rechtspersoonlijkheid, de instellingen van de Gemeenschappen worden instellingen van de Unie en in het verdrag worden de rol en de bevoegdheden van elk van de instellingen duidelijk afgebakend. Zo maakt het verdrag ook een einde aan de dubbelzinnige positie van de Europese Raad, die een autonome instelling van de Unie wordt.
Weliswaar met nog teveel uitzonderingen zal de toepassing van de medebeslissingsprocedure, die de gewone wetgevende procedure wordt, waaronder ook de goedkeuring van de begroting, een heel belangrijke rol aan het Parlement geven. De bevoegdheden van Raad en Parlement worden trouwens in het verdrag op identiek dezelfde manier geformuleerd. Op deze manier versterkt het verdrag de zogeheten communautaire methode, het vormt ze om tot de methode van de Unie. Deze methode wordt daarenboven uitgebreid tot de vroegere pijler van justitie en binnenlandse aangelegenheden.
In mijn verslag heb ik benadrukt dat voor een efficiënte werking van de instellingen een sterke coördinatie van het wetgevende en het budgettaire werk is vereist. Er wordt gepleit voor een legislatuurprogrammatie, ook op het vlak van het meerjarenperspectief van de begroting. Heel belangrijk is de rol van de Raad Algemene Zaken binnen de Ministerraad, die echt hét instrument van het voorzitterschap van de Raad moet worden in de dialoog met het Parlement. Ook wordt de positie van de Commissie als initatiefneemster duidelijk bevestigd; jammer genoeg heeft men afgezien van het plan om tot een meer beperkte Commissie, tot een meer beperkt college te komen. Dit zal een sterke, interne organisatie van de Commissie des te noodzakelijker maken om als college te kunnen functioneren.
Een belangrijk nieuw hoofdstuk is dat over buitenlandse zaken, externe aangelegenheden en veiligheid, waar de dubbelrol van de nieuwe hoge vertegenwoordiger en ondervoorzitter van de Commissie, cruciaal zal zijn. In mijn verslag benadruk ik dat hij er alle voordeel bij heeft om nauw samen te werken met de Commissie om alle middelen van de Unie te kunnen mobiliseren in het buitenlands beleid.
Tot slot nog een korte opmerking: er staat ons na de verkiezingen een moeilijke periode van overgang te wachten en wel van het Verdrag van Nice – dat eerst van toepassing zal zijn – naar het Verdrag van Lissabon, dat hopelijk aan het einde van het jaar zal worden goedgekeurd. Ik pleit er nogmaals voor – en ik begrijp niet dat dit tot nog toe niet meer is gebeurd – dat er overleg zal plaatsvinden tussen het Parlement en de Europese Raad om te zien hoe dat we die periode gaan organiseren. Zo niet, dan riskeren we dat we na de verkiezingen in een periode van grote onbekendheid komen te zitten over wat er nu precies moet gebeuren. Niemand heeft daar voordeel bij. Laat ons daar duidelijke afspraken over maken.
Elmar Brok, rapporteur. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de vicevoorzitter, geachte vertegenwoordigers van het Tsjechische Raadsvoorzitterschap, dames en heren, de voorgaande sprekers hebben gelijk: dit is inderdaad een groots moment, niet omdat onze verslagen besproken worden, maar omdat vandaag vaststaat dat de parlementen van 26 lidstaten het Verdrag van Lissabon bekrachtigd hebben en dat er nu alleen nog in één land waar dat beloofd is een referendum moet worden gehouden.
Dat de parlementen van 26 landen ondertekend hebben, geeft aan dat dit Verdrag van Lissabon een verdrag van de parlementen is. Immers, er zijn veel vorderingen gemaakt in de loop van het Europese eenwordingsproces, maar een overeenkomst als dit Verdrag van Lissabon is niet eerder vertoond, een verdrag dat de positie van de parlementen – zowel het Europees Parlement als de nationale parlementen – versterkt, de democratie versterkt, dat een burgerinitiatief invoert en het subsidiariteitsbeginsel in politieke en juridische zin uitbouwt door de positie van de nationale parementen te versterken.
Vandaar dat ik mij er nogal eens over verbaas dat zij die zich als kampioenen van de democratie opwerpen uitgerekend tegen dit verdrag strijd voeren. Ze strijden tegen dit Verdrag van Lissabon, omdat ze van geen democratische legitimering voor dit Europese eenwordingsproces willen weten, omdat alles aan de Europese eenwording hun tegenstaat en omdat ze bang zijn dat dit Europa door meer democratie en transparantie, maar ook door een toegenomen slagvaardigheid, die het beter toerust voor de uitdagingen van de toekomst, aan populariteit zou kunnen winnen. En daarom vertellen ze dit soort leugens.
Laat ik hier zeggen dat ik het Tsjechische Raadsvoorzitterschap en vooral minister-president Topolánek wil bedanken, omdat hij in een voor hem moeilijke situatie, waarin hij niet door eigen schuld verzeild is, op de laatste dag van zijn ambtstermijn ervoor gevochten heeft om in de Tsjechische senaat een voldoende meerderheid tot stand te brengen.
En het was werkelijk geen krappe meerderheid, met 54 tegen twintig. Dat is een afgetekende overwinning voor hen die ja gezegd hebben tegen het Verdrag van Lissabon. Ik hoop dan ook niet dat, nu alle 26 volksvertegenwoordigingen een besluit genomen hebben, mensen in een ambtelijke functie door hun handtekening te weigeren het democratische proces ophouden. Ik ga er vanuit dat de toezeggingen die zij gedaan hebben ook nagekomen worden en dat deze verdragen ondertekend worden.
Aan de discussies in deze verkiezingscampagne merk je ook dat de financiële crisis aangetoond heeft dat elk land dat er in deze wereldorde alleen voor staat, verloren is. Des te heuglijker dat dit nu ook in Ierland ingezien wordt en dat men daar, als we de opiniepeilingen mogen geloven, tot nieuwe afwegingen komt, zodat ook aan de belangen van Ierland recht kan worden gedaan. Ik ben er vast van overtuigd dat dit verdrag, door de sociale paragraaf, door zich vast te leggen op een sociale markteconomie en niet op een roofdierkapitalisme – dus door zich in sociaal opzicht te committeren – ook een verdrag voor de kleine man is. Zo kunnen we gezamenlijk voor onze belangen in deze wereld opkomen.
Om onze controlerende functie daadwerkelijk te kunnen vervullen tegenover een groot bestuursapparaat, de nationale regeringen, de Commissie of de ambtelijke organisatie van de Raad hier in Brussel en Straatsburg, dienen we tot een nauwe samenwerking te komen tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen.
Er is een grote overlap in taken bij het buitenlands en veiligheidsbeleid, op terreinen als justitie en binnenlandse zaken, bij het toezicht op Europol. Er zijn diverse mogelijkheden waarvan de nationale parlementen door hun vetorecht gebruik kunnen maken. Met de oranje en gele kaarten en het beroepsrecht hebben ze mogelijkheden op het terrein van de subsidiariteitscontrole en als lid van de Raad kunnen ze hun regering sterker controleren, wat hen democratisch dubbel legitimeert. Om die reden zijn het Europees Parlement en de nationale parlementen – en hier doen we in ons verslag een reeks concrete voorstellen – geen tegenstanders in dit proces, maar bondgenoten, die Europa samen democratisch willen controleren en het verder willen brengen, die het niet tot een Europa van de bureaucratie willen laten verkommeren. Daarom is het Verdrag van Lissabon goed en juist en de nationale parlementen en het Europees Parlement zullen bewijzen deze verantwoordelijkheid aan te kunnen.
Catherine Guy-Quint, rapporteur. − (FR) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, het verheugt mij zeer vanavond mijn verslag over de financiële aspecten van het Verdrag van Lissabon te mogen presenteren dat reeds enige tijd geleden is goedgekeurd door de Begrotingscommissie. Dit is het laatste begrotingsverslag van deze zittingsperiode en mijn laatste parlementaire verslag.
Het verheugt mij met name te kunnen vaststellen dat het Parlement de moed heeft gehad onze verslagen te presenteren in het kader van het “Lissabon”-pakket om de belofte aan de burgers na te komen om hen te informeren over de gevolgen van dit verdrag. Een beter geïnformeerde burger stemt met kennis van zaken. Dat wij in dit Parlement spreken over het Verdrag van Lissabon betekent niet dat wij de democratie negeren, integendeel. De tenuitvoerlegging ervan zal grote gevolgen hebben voor de begrotingsbevoegdheden van de instellingen en implicaties in financiële zin.
Deze hervorming is belangrijk voor het Parlement. Ik wil erop wijzen dat de begrotingsprocedure afgezien van de invoering van de meerjarige financiële kaders sinds 1975 praktisch niet gewijzigd is. Het was derhalve absoluut noodzakelijk dat de Begrotingscommissie deze wijzigingen analyseerde en verifieerde of zij de voorwaarden vormen waaronder onze instelling haar rol als begrotingsautoriteit kan behouden en zelfs versterken. Dat is de zin van dit verslag: vereenvoudiging en verduidelijking van de budgettaire uitdagingen van het verdrag.
Ik wilde met name de prerogatieven van het Parlement verdedigen. Toekomstige afgevaardigden mogen niet worden beroofd van hun bevoegdheden in de komende begrotingsprocedures en de komende onderhandelingen over het meerjarige financiële kader.
Deze substantiële wijzigingen zijn van drieërlei aard. Allereerst wijzigingen in het primair recht. De nieuwe begrotingsprocedure voorziet in echte verbeteringen en nieuwe uitdagingen voor het Parlement met om te beginnen afschaffing van het onderscheid tussen verplichte uitgaven en niet-verplichte uitgaven. Voorts één lezing voor de begrotingsprocedure met invoering van een beroepsrecht indien de Raad het gemeenschappelijk standpunt verwerpt, instelling van een bemiddelingscomité dat verantwoordelijk is voor het opstellen van het gemeenschappelijk standpunt, en een strikt tijdschema voor dit bemiddelingscomité. Bovendien worden wijzigingen aangebracht in het nieuwe meerjarige financiële kader die de rol van het Parlement versterken. Dit kader wordt bindend. Voor de aanneming ervan is eenparigheid van stemmen binnen de Raad en goedkeuring van het Europees Parlement vereist. Ik wil hieraan toevoegen dat de aanneming ervan het resultaat is van een volkomen nieuwe en speciale procedure.
Wat de nieuwe financiële vooruitzichten betreft, willen wij dat zij een periode van vijf jaar bestrijken zodat zij parallel lopen met de zittingsperioden van het Parlement en de Europese Commissie. De commissarissen moeten derhalve meer verantwoording afleggen ten aanzien van de budgettaire keuzen die zij maken. De medebeslissingsprocedure wordt uitgebreid tot de aanneming van het Financieel Reglement en de toepassingsmodaliteiten. Het besluit over de eigen middelen is en blijft jammer genoeg zaak van de Raad. Het Parlement wordt enkel en alleen geraadpleegd, behalve ten aanzien van de toepassingsmodaliteiten.
De begrotingsdiscipline komt derhalve deels terug bij het Parlement, dat het meerjarig financieel kader kan verwerpen. Dit is echt een vooruitgang. De uitdaging voor het toekomstige Parlement bestaat erin te weten waarover wordt onderhandeld volgens de procedure van het nieuwe Financieel Reglement, waarover het Parlement meebeslist, en wat valt onder de wetgeving voor de nieuwe regelgeving inzake het Interinstitutioneel Akkoord, dat het Parlement slechts kan verwerpen of aannemen.
Tot slot zullen de nieuwe verantwoordelijkheden van de Unie leiden tot nieuwe financieringsbehoeften. Om te beginnen het pakket “Externe betrekkingen” met vooral de oprichting van de Europese dienst voor extern optreden en de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter van de Commissie en voorts de nieuwe beleidsterreinen: energie, ruimte en toerisme, onderzoek, burgerbescherming, administratieve samenwerking en sport.
Dames en heren, zoals u wel begrepen zult hebben, zijn de veranderingen die het Verdrag van Lissabon met zich mee brengt, aanzienlijk.
Sylvia-Yvonne Kaufmann, rapporteur. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, dit is de laatste keer dat ik de plenaire vergadering van het Europees Parlement toespreek en ik ben blij als rapporteur het woord te mogen voeren over het Europese burgerinitiatief. Ik hoop dat het Parlement morgen, op de laatste zittingsdag van deze zittingsperiode, een politiek signaal af zal geven, ten teken dat het de burger meer bij de politiek wil betrekken, en dat het eindelijk het startsein geeft voor een project dat mij al jaren aan het hart ligt.
Om met een persoonlijke opmerking te beginnen: ik heb helaas moeten constateren dat mijn fractie en ook mijn partij – om het voorzichtig te zeggen – niet warmliepen voor het Europese burgerinitiatief. Terwijl men geen gelegenheid voorbij laat gaan om zich over het democratisch tekort in de EU te beklagen, geeft men niet thuis bij serieuze initiatieven om het Europese project democratischer te maken. Zo’n opstelling is ongeloofwaardig en onhoudbaar. Men blokkeert daarmee de vooruitgang in Europa, waar de burgers zo consequent om blijven vragen en dergelijk gedrag kan en wil ik niet accepteren.
Aan het eind van mijn mandaat wil ik alle collega’s van de http://www.epp-ed.eu, de http://www.socialistgroup.eu, de Fractie van de die mij bij dit verslag gesteund hebben, bedanken. Ik bedank de heer Leinen, voorzitter van de Commissie constitutionele zaken, maar vooral ook alle coördinatoren en schaduwrapporteurs van deze vier fracties. Ik dank u voor het feit dat we ongeacht partij- of landsgrenzen zo goed samengewerkt hebben en dat we samen het Europese integratieproject konden bevorderen.
Geachte vice-voorzitter van de Commissie, beste mevrouw Wallström, de in het Verdrag van Lissabon opgenomen bepaling over het burgerinitiatief is zonder twijfel een mijlpaal in het Europese integratieproces, want het is inderdaad zo dat de Europese Unie geen staten verenigt – we willen mensen verenigen. Dat streven krijgt een nieuwe dimensie als de burgers conform artikel 11, lid 4 van het nieuwe EU-Verdrag voor het eerst rechtstreeks bij het Europese wetgevingsproces betrokken worden. Burgers hebben dan het recht, mits zij ten minste een miljoen in aantal zijn, om de Commissie te verzoeken een voorstel voor een bepaalde verordening of richtlijn in te dienen, hetzelfde recht als de Raad al sinds 1957 en het Europees Parlement sinds 1993 heeft.
In mijn verslag komt het Parlement met uitgangspunten en richtlijnen voor een toekomstige verordening betreffende de voorwaarden en procedures voor de indiening een Europees burgerinitiatief. En, mevrouw de vicevoorzitter, ik verwacht van de Commissie dat zij in geval van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon niet alleen zo snel mogelijk een voorstel indient, maar daarbij ook zoveel mogelijk de richtlijnen van dit verslag volgt. De Commissie zou vooral de visie van het Parlement over moeten nemen voor wat betreft de interpretatie van “een significant aantal lidstaten” in de zin van artikel 11, lid 4 van het nieuwe EU-Verdrag. In mijn verslag wordt het aantal van zeven voorgesteld. Het is van het grootste belang dat hier niet maar een willekeurig aantal gekozen wordt, maar dat er een afweging gemaakt wordt tussen enerzijds de beperking die gesteld wordt aan het recht van de burgers van de Unie op volwaardige deelname aan een burgerinitiatief, ongeacht hun nationaliteit, en anderzijds het doel van de regeling. Dat wil zeggen dat het vastleggen van een minimumaantal lidstaten ervoor dient te zorgen dat reeds het vertrekpunt van het Europese wetgevingsproces in voldoende mate door het algemeen-Europese belang bepaald wordt en niet door specifiek nationale belangen.
Verder verzoek ik u voldoende aandacht te besteden aan de opzet van de procedure, vooral de toetsing van de toelaatbaarheid van een burgerinitiatief. Burgervriendelijkheid en rechtszekerheid moeten daarbij als opperste criteria gelden. Als burgers van de Unie het Europese wetgevingsproces willen beïnvloeden en een burgerinitiatief op poten willen zetten, is het eigenlijk alleen maar eerlijk als de bevoegde instellingen van de Unie zo vroeg mogelijk en vooral bindend uitsluitsel geven of het voorgenomen initiatief aan de juridische bepalingen van het verdrag voldoet. Dit hoort absoluut nog voor het inzamelen van steunbetuigingen te gebeuren, want ook de lidstaten, die daarvoor de middelen ter beschikking stellen, hebben rechtszekerheid nodig.
Tot slot zou ik er nog aan willen herinneren dat de bepalingen ten aanzien van het burgerinitiatief niet uit de lucht zijn komen vallen. Ze stonden in deze vorm al in het Grondwettelijk Verdrag en zijn op de Europese Conventie – een aantal van de collega’s was erbij – in nauwe samenwerking met ngo’s uitgewerkt. Opname ervan in de ontwerpgrondwet van de Conventie was geen vanzelfsprekendheid en evenmin een toevalstreffer. Het was veeleer het resultaat van intensief overleg tussen leden van de Conventie en ngo’s met een grote betrokkenheid bij democratiseringsvraagstukken. Sindsdien ligt dit idee, zoals u weet, al weer zes jaar in de schuifla. Het is naar mijn mening hoogste tijd om dit idee eindelijk weer tot leven te wekken, want het is hoogste tijd voor directe democratie in een verenigd Europa!
(Applaus)
Margot Wallström, vicevoorzitter van de Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, om te beginnen zou ik mijn speciale dank willen uitspreken aan alle rapporteurs. Ik heb grote bewondering voor uw inzet en, zo zou ik willen zeggen, uw standvastigheid. Misschien herken ik in uw insisteren op het feit dat deze kwesties in dit Parlement moeten worden behandeld, iets van wat mijn man ‘koppigheid’ zou noemen. Misschien voel ik me daarom zo op mijn gemak en heb ik zo’n uitstekende samenwerking met u kunnen opbouwen.
Mijn speciale dank gaat ook uit naar diegenen die het Parlement verlaten. We hebben niet alleen als partners samengewerkt, u bent ook goede vrienden en kameraden gebleken. Hartelijk dank. Mevrouw Kaufmann, volgens mij kunt u er trots op zijn dat u mede heb gezorgd voor wat ik het leggen en opladen van de energieleidingen tussen de burgers en de Europese instellingen zou willen noemen – nieuwe energieleidingen leggen en opladen, dat is niet niets.
Ik ben natuurlijk ook blij vanavond aan dit debat te kunnen deelnemen, op de dag waarop Tsjechië zijn ratificatie van het Verdrag van Lissabon heeft voltooid. Door de stemming van vandaag hebben inmiddels de parlementen van 26 lidstaten hun goedkeuring gehecht aan het verdrag. Dit debat is volgens mij een goede gelegenheid om de Europese burgers te wijzen op het feit dat de opzet van het Verdrag van Lissabon erop is gericht de Europese Unie democratischer en samenhangender te maken.
In tijden van economische crisis is het belangrijker dan ooit dat Europa goed functioneert en over de juiste systemen beschikt om de democratie te waarborgen. Het verdrag verleent de democratische instellingen van de EU, in de eerste plaats dit Parlement, de nodige bevoegdheden. Het draagt ertoe bij dat de EU meer eensgezind en coherenter kan optreden op het wereldtoneel. Het geeft Europa de mogelijkheid om de belangrijkste uitdagingen van deze tijd, op gebieden als klimaatverandering en energiezekerheid, doeltreffender aan te pakken.
De verslagen die we vanavond zullen bespreken, dragen er eveneens toe bij dat de uitvoering van het verdrag, als het eenmaal in werking is getreden, sneller en soepeler zal verlopen.
Een goede samenwerking tussen de instellingen is van cruciaal belang om zoveel mogelijk profijt te kunnen trekken van het Verslag, en de Commissie heeft zich ertoe verbonden met het Parlement en de andere instellingen samen te werken om hiervoor te zorgen.
Het Ierse referendum heeft ons nog eens met de neus op het feit gedrukt dat het noodzakelijk is om de Europese zaak een fundament te geven in het nationale debat. De grote bezorgdheid die ten grondslag ligt aan de uitslag van het Ierse referendum, moet serieus worden genomen – en dat is tijdens de Europese Raad van afgelopen december ook gebeurd. De juridische waarborgen en de beslissing inzake de omvang van de Commissie zijn een teken dat de politieke leiders van Europa de uitslag in Ierland respecteren en dat zij de wil hebben om te begrijpen waarom de Ieren tegen hebben gestemd, en om op hun zorgen te reageren. Maar het is ook een teken dat zij er nog steeds van overtuigd zijn dat dit verdrag goed is voor Europa.
Om deze reden hebben sinds het referendum acht andere lidstaten hun parlementaire procedures afgerond met acht keer een positief resultaat.
De verslagen van het Parlement leveren tezamen een diepgaande analyse van belangrijke aspecten van het verdrag. De onderliggende benadering is gericht op zo ambitieus mogelijke doelstellingen voor de werking van het verdrag – een benadering die door de Commissie volledig wordt onderschreven.
De verslagen zijn bijzonder waardevol omdat ze ons denken verruimen over hoe het verdrag in de praktijk behoort te functioneren. Op verschillende manieren geven deze vijf verslagen blijk van een sterk, zelfbewust Parlement dat op zoek is naar mogelijkheden om het potentieel van het verdrag voor meer doeltreffendheid, efficiency en verantwoording in het optreden van de EU te maximaliseren ten bate van de kiezers en burgers.
Het verslag van mijnheer Dehaene gaat in op een hele reeks belangrijke detailkwesties, en de Commissie is het voor het overgrote deel eens met de interpretatie van het verdrag in dit verslag. De sterke kant van dit verslag is de helderheid waarmee het aantoont dat de tenuitvoerlegging van het verdrag niet betekent dat de versterking van de ene instelling ten koste gaat van de andere – de Europese Unie kan alleen aan de verwachtingen van de burgers voldoen, indien alle instellingen sterk zijn en effectief met elkaar samenwerken.
Het verslag besteedt bijzondere aandacht aan de overgangsfase. Het zou vele voordelen hebben als het verdrag voor dit jaar van institutionele overgang in werking zou treden. Helaas is dit niet mogelijk gebleken. Daarom is een pragmatische en flexibele aanpak nodig, om een behoorlijke weg voorwaarts te vinden die rekening houdt met de noodzaak om dit jaar een institutioneel vacuüm te voorkomen. Daarnaast moet ermee rekening worden gehouden dat het belangrijk is om ervoor te zorgen dat de volgende Commissie over de volledige autoriteit van een democratisch mandaat beschikt en dat de rol van het Parlement moet worden gerespecteerd. Het verslag-Dehaene beschrijft een model dat ons allen zal helpen een weg voorwaarts te vinden.
Het verslag van mijnheer Dehaene pleit ervoor om bij de benoemingen voor de belangrijkste politieke posten in de EU op het politieke evenwicht en genderevenwicht, maar ook op het geografisch en demografisch evenwicht te letten. In Europa maken vrouwen meer dan 50 procent van de bevolking uit, maar in de politiek zijn zij nog steeds ondervertegenwoordigd. In de zittende Commissie zijn er zoals u weet meer vrouwelijke commissarissen dan ooit. Dit is echter nog niet genoeg. De verbetering van het genderevenwicht moet een van de doelstellingen zijn wanneer de leden van de volgende Commissie worden benoemd. Deze doelstelling zou met behulp van sterke ondersteuning door het volgende Parlement kunnen worden verwezenlijkt.
Ik hoop ook dat er meer vrouwen in het Europees Parlement zullen zitten en topposities bij de EU zullen bekleden. Zonder vrouwen missen wij ook hun kennis, ervaring en ideeën.
Het verslag van mevrouw Guy-Quint behandelt een andere belangrijke kwestie: hoe kan de financiële planningscyclus zo worden georganiseerd dat de EU-begroting optimaal kan worden gebruikt en de middelen kunnen worden toegewezen aan de politieke prioriteiten. In een tijd waarin de overheidsfinanciën zwaar onder druk zijn komen te staan, moeten de juiste procedures worden toegepast om de beschikbare gelden optimaal te besteden. Het evenwicht tussen stabiliteit en flexibiliteit in de begrotingsplanning is van cruciaal belang voor een effectieve EU-planning. De Commissie zal in het kader van de herziening van de begroting op dit punt terugkomen.
Het verslag van mijnheer Leinen laat zien welke invloed het verdrag op de werkzaamheden van het Parlement heeft. Het gaat zeer uitvoerig in op de implicaties die nieuwe beleidsterreinen, nieuwe bevoegdheden en nieuwe procedures voor het Parlement hebben. Zo onderstreept het bijvoorbeeld het belang van een adequate controle van het extern optreden van de Unie, en wij zijn absoluut bereid om te helpen daartoe de geschikte methoden aan te wijzen. Deze methoden kunnen echter pas worden overeengekomen, wanneer de vicevoorzitter en hoge vertegenwoordiger is aangetreden.
Wij zien ernaar uit om over deze en vele andere kwesties – met inbegrip van comitologie en gedelegeerde handelingen – uitvoeriger overleg te plegen met het Parlement wat betreft de tenuitvoerlegging van alle genoemde punten.
Dan wil ik het nu hebben over het verslag van mevrouw Kaufmann, waarin duidelijk wordt uitgelegd hoe het burgerinitiatief een extra dimensie kan geven aan de democratie in de Unie. De burgers worden in de gelegenheid gesteld om de Commissie te verzoeken om met nieuwe beleidsinitiatieven te komen. Dit is een van de gebieden waarop de Commissie, zodra het verdrag in werking is getreden, van plan is snel in actie te komen – ook in de vorm van raadpleging, om de verwachtingen van maatschappelijke organisaties en de burgers te kunnen analyseren. De denkbeelden van de Commissie op dit terrein stemmen sterk overeen met de aanbevelingen van mevrouw Kaufmann.
Er zijn evenwel enkele gebieden waarover verder overleg moet worden gevoerd. We willen voor een goed evenwicht zorgen tussen een procedure die toegankelijk is voor de burgers, en een procedure die waarborgt dat de initiatieven de nodige legitimiteit en het nodige gewicht hebben.
Zo zouden we bijvoorbeeld met betrekking tot het minimumaantal betrokken lidstaten meer moeten denken aan procedures zoals die in het verdrag zijn vastgesteld.
Tot slot bestrijkt het verslag van mijnheer Brok een gebied waarop zowel het Parlement als de Commissie in de afgelopen jaren grote stappen hebben gezet: de betrekkingen met de nationale parlementen. Dit Parlement heeft een pioniersrol bij het gebruik van interparlementaire conferenties en heeft een aantal erg praktische methoden verzonnen om een echt parlementair netwerk op te bouwen.
Zoals u weet heeft de Commissie een geheel nieuw mechanisme voor dialoog met de nationale parlementen opgezet, een gebied waarop veel vooruitgang is geboekt. Sinds 2006 heeft de Commissie de parlementen niet alleen raadplegingsdocumenten doen toekomen, maar ook wetgevingsvoorstellen, met het verzoek om daarop te reageren. Tot dusver hebben we rond vierhonderd adviezen ontvangen en beantwoord, en we hebben ook het aantal rechtstreekse contacten enorm uitgebreid: sinds het aantreden van de zittende Commissie hebben meer dan vijfhonderd bijeenkomsten tussen commissarissen en nationale parlementaire organen plaatsgevonden. Zoals het verslag eveneens suggereert, zullen de nieuwe bepalingen van het verdrag volledig in lijn zijn met de tendens van de afgelopen jaren en de Europese parlementaire familie volgens mij nog meer versterken.
Al met al illustreren deze verslagen hoe het Verdrag van Lissabon de Europese democratie zou verdiepen en concrete resultaten zou opleveren voor de burgers. Dat is een uitstekende boodschap, die we tijdens de Europese verkiezingen kunnen uitdragen, en ook een uitstekend uitgangspunt voor de voorbereiding van de praktische tenuitvoerlegging van het verdrag.
De Voorzitter. − Voordat ik het woord geef aan de sprekers wil ik mezelf graag een bepaalde toestemming geven, omdat een voorzitter op dit moment van de zittingsperiode en op dit moment van de avond naar mijn mening deze vrijheid wel mag nemen. Wat dit betreft hebben vergaderingen in de avonduren hun voordeel.
Ik wil u laten weten dat ik van plan ben om de Voorzitter en het Bureau een voorstel te overleggen voor een publicatie van het Verdrag van Lissabon met de vijf verslagen, de bijbehorende resoluties en de inleidende interventies van de rapporteurs en die van de commissaris.
Ik denk dat een document van deze aard, vertaald naar de 23 officiële talen van de Europese Unie, en verspreid onder de burgers van de 27 lidstaten, een belangrijk document zal zijn om het belang van het Verdrag van Lissabon, maar ook de inspanning en de handelswijze van het Parlement inzichtelijk te maken. Het zal bovendien een eerbetoon zijn aan de vijf rapporteurs, en in het bijzonder aan mevrouw Guy-Quint en mevrouw Kaufmann, die ons hebben laten weten dat ze vertrekken, maar die we altijd zullen herinneren en dankbaar zullen zijn.
Michael Gahler, rapporteur voor advies van de Commissie buitenlandse zaken. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, zoals u ziet, ben ik ter ere van deze feestelijke dag bewust op de plaats van collega Zahradil gaan zitten.
Namens de Commissie buitenlandse zaken wil ik benadrukken dat de toekomstige vicevoorzitter van de Commissie en hoge vertegenwoordiger wat ons betreft verplicht is volledige verantwoording af te leggen aan het Parlement, alleen al omdat deze, net als alle andere commissarissen, het vertrouwen van het Parlement nodig heeft om in zijn ambt bevestigd te worden. De huidige praktijk van een regelmatige politieke gedachtewisseling in een plenaire vergadering en in de Commissie buitenlandse zaken dient bij de in één persoon verenigde dubbelfunctie behouden te blijven.
Aangezien we in grote meerderheid voor een homogener en daadkrachtiger optreden van de Unie op het terrein van de buitenlandse politiek zijn, zal de toekomstige bekleder van deze functie er ook een eigenbelang bij hebben om zich van de steun van het Europees Parlement voor zijn optreden te verzekeren. De beleidsvoornemens en standpunten van onze uitvoerende macht kunnen ook regelmatig in de Commissie buitenlandse zaken worden besproken in vergaderingen waarin de toekomstige voorzitter van het Politiek en Veiligheidscomité (PVC) uitleg geeft over thema’s die in het PVC besproken worden. Deze gang van zaken dient op verzoek ook voor de speciale vertegenwoordigers te gelden.
Voortaan zouden ook uitzendingsbesluiten op het terrein van het veiligheids- en defensiebeleid in het Parlement besproken moeten worden, om zo een hogere mate van democratische legitimiteit voor missies in derde landen te waarborgen.
Ten aanzien van de Europese dienst voor extern optreden zijn we van mening dat het EP in volle omvang bij de voorbereidingswerkzaamheden moet worden betrokken. En we stellen duidelijk dat deze dienst organisatorisch in de beheersstructuur van de Commissie ondergebracht zou moeten worden.
We hopen trouwens ook te bereiken dat de leider van een EU-delegatie in een derde land voortaan voorafgaand aan zijn definitieve accreditering voor de Commissie buitenlandse zaken verschijnt. Het lijkt mij dat je iemand die bij zijn eigen afgevaardigden geen goede indruk weet achter te laten bezwaarlijk nog naar het buitenland kunt sturen.
Verder dringen we erop aan om het gehele buitenlandse beleid van de Unie, inclusief het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid, voortaan uit de communautaire begroting te financieren. Voor het eerstvolgende verdrag na dat van Lissabon zou ik dan ook willen dat de gemeenschappelijke defensie-uitgaven in deze begroting opgenomen worden.
Andrew Duff, rapporteur voor advies van de Commissie buitenlandse zaken. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, zoals de sprekers voor mij al hebben gezegd, is de ontwikkeling van het gemeenschappelijk buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid een van de grootste beloningen die we met het verdrag zouden kunnen bemachtigen. Ook voor de nationale parlementen hebben de komende veranderingen grote gevolgen.
Natuurlijk behouden zij hun nationale bevoegdheid voor de nationale veiligheid, maar zij moeten ook, in het kader van nauwe en regelmatige samenwerking met het Europees Parlement, een belangrijke rol spelen bij de controle op en de formulering van een gemeenschappelijk Europees beleid, door hun eigen ministers uit te horen over hun werk in de Raad en door aan de pers en het publiek iets van de nieuwe realiteit mee te delen, namelijk dat het extern beleid het beste gestalte kan worden gegeven door het gemeenschappelijk belang te bepalen en voor ogen te houden.
Thijs Berman, rapporteur voor advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking. − Voorzitter, vandaag heeft de senaat van Tsjechië het Verdrag van Lissabon aanvaard. Nu Ierland nog, zou je zeggen, en dan hebben we een verdrag dat ook voor mijn Commissie ontwikkelingssamenwerking meer mogelijkheden biedt voor beter beleid.
Maar wie nú druk op Ierland uitoefent, maakt een dramatische fout. Dit is een Unie van onafhankelijke staten. De Ieren zijn vrij hun eigen besluiten te nemen. Elke druk van buiten brengt het risico van een explosie van de hele EU met zich, want ondanks alle mooie en zelfvoldane woorden vandaag hier in dit Huis zit de EU in een diepe vertrouwenscrisis. Die los je alleen op met resultaten, met sociaal beleid, investeren in economisch herstel, zorg voor schone energie voor ons klimaat, bescherming van sociale rechten, hier en in de rest van de wereld, maar bij dat alles respect voor elke lidstaat, voor eigen oplossingen die werken.
Samenwerken is nodig, zeker in deze crisis, maar dat vraagt om het vertrouwen jezelf te kunnen blijven. Daar past geen druk op Ierland bij, niet voor de Ieren, niet voor de andere Europeanen. Laat de EU bescheiden zijn om grote ambities waar te kunnen maken.
Danutė Budreikaitė, rapporteur voor advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking. – (LT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega's, ik wil graag benadrukken dat het Verdrag van Lissabon de Europese Unie meer gelegenheid zal bieden om initiatieven te nemen bij de vormgeving van het ontwikkelingsbeleid, om zodoende de donorcoördinatie en de werkverdeling te verbeteren, en meer doeltreffende hulp te verlenen. Dit betekent ook dat de instellingen van de EU, inclusief het Parlement, meer verantwoordelijkheid moeten nemen.
Om het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid succesvol uit te voeren, is het van cruciaal belang om over de juiste bestuurlijke structuur te beschikken teneinde de bestaande inconsistenties in de structuren en bevoegdheden van de directoraten-generaal van de Commissie bij beleids- en begrotingsaspecten op te heffen en de bevoegdheid uitsluitend aan het directoraat-generaal ontwikkelingssamenwerking toe te kennen.
Aangezien het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid volgens de gebruikelijke procedure wordt toegepast, is het van essentieel belang dat de taak van de Commissie ontwikkelingssamenwerking van het Europees Parlement zeer nauwkeurig wordt vastgesteld. Het Verdrag van Lissabon zal tot een betere tenuitvoerlegging van beleidsdoelen inzake ontwikkelingssamenwerking leiden teneinde de armoede in de wereld terug te dringen en uiteindelijk uit te bannen.
Georgios Papastamkos, rapporteur voor advies van de Commissie internationale handel. – (EL) Mijnheer de Voorzitter, als rapporteur voor advies van de Commissie internationale handel wil ik erop wijzen dat de bij het Verdrag van Lissabon ingevoerde veranderingen op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek (GHP) over het algemeen bijdragen tot de verbetering van de democratische legitimiteit, de transparantie en de doeltreffendheid van het extern optreden van de Unie. Ik wil echter in het bijzonder onderstrepen dat er een nieuw institutioneel evenwicht binnen de Unie moet worden vastgesteld via de versterking van de rol van het Europees Parlement als medewetgever bij de vaststelling van het toepassingskader van de gemeenschappelijke handelspolitiek. Bovendien zal het Parlement instemming moeten verlenen met de sluiting van alle handelsovereenkomsten.
Ik wil echter wijzen op het gebrek aan evenwicht tussen de interne en externe bevoegdheden van het Parlement – in foro interno/in foro externo, zo u wilt – wat de gemeenschappelijke handelspolitiek betreft. Het Verdrag van Lissabon geeft het Parlement immers niet het recht om het mandaat van de Commissie voor onderhandelingen over handelsovereenkomsten goed te keuren. Toch ben ik van mening dat het Parlement gerechtigd is voorwaarden te stellen aan zijn instemming, die vereist is voor het sluiten van alle handelsovereenkomsten. Daarom is het mijns inziens noodzakelijk tot een versterkte kaderovereenkomst te komen voor de betrekkingen tussen het Parlement en de Europese Commissie.
Tot slot wil ik er nog op wijzen dat het noodzakelijk is een versterkte dialoog tot stand te brengen tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen. Alle vraagstukken die onder de gemeenschappelijke handelspolitiek vallen, zullen onder de uitsluitende bevoegdheid van de Unie komen te vallen. Alle handelsovereenkomsten zullen overeenkomsten van de Unie zijn en er zullen geen gemengde handelsovereenkomsten meer worden gesloten door zowel de Unie als de lidstaten.
Evelyne Gebhardt, rapporteur voor advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming. − (DE) Mijnheer de Voorzitter, ook in mijn commissie, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, hebben wij oog voor de enorme voordelen die het Verdrag van Lissabon op het gebied van de consumentenbescherming met zich meebrengt, en die we niet zouden willen missen. Het is heel interessant dat de consumentenbescherming in dit Verdrag een horizontale taak is geworden, waardoor dit beleid natuurlijk veel meer gewicht krijgt. Het is juist voor de burgers tenslotte van bijzonder groot belang, want aan de hand van dit beleid kunnen we de burgers iedere dag laten zien wat de Europese Unie hun oplevert. Ze vragen toch telkens weer: wat levert de Europese Unie ons eigenlijk op? Het is ook belangrijk dat dit nu in artikel 12 staat, en niet in artikel honderdzoveel, want dat maakt duidelijk dat er veel meer aandacht wordt besteed aan de consumentenbescherming.
Ik denk dat het een uitstekende zaak is wanneer het Verdrag van Lissabon er komt. Ik ben heel blij dat ook de Tsjechische senaat er vandaag mee heeft ingestemd, en heel duidelijk heeft gezegd: ja, wij zijn voor dit Europa, voor een sociaal Europa, voor een Europa van de burgers, dat we fit willen maken voor de toekomst. Ik ben dankbaar dat we dit vandaag nog kunnen zeggen. Ik zou vooral u, mevrouw Kaufmann, hartelijk willen bedanken voor het uitstekende en belangrijke werk dat u in de Conventie heeft verricht!
Oldřich Vlasák, rapporteur voor advies van de Commissie regionale ontwikkeling. − (CS) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren. Ik zou graag namens de Commissie regionale ontwikkeling aan het hele debat over het Verdrag van Lissabon nog de territoriale dimensie willen toevoegen. Het is een feit dat gemeenten, steden en provincies steeds meer te maken krijgen met de invloed van het Europees recht en het Europees beleid. Uit een onderzoek van de Universiteit Utrecht naar deze kwestie kwam naar voren dat de communautaire instellingen per jaar meer dan honderd stukken regelgeving de wereld in sturen met een directe weerslag voor genoemde bestuursniveaus. 70 procent van de hier door ons geproduceerde wetgeving en maatregelen dient ten uitvoer te worden gelegd op het niveau van provincies, steden en gemeenten.
Vanuit het oogpunt van deze bestuursniveaus kan het controversiële Verdrag van Lissabon positief bekeken worden. Het omvat namelijk een protocol over subsidiariteit, een protocol dus uit hoofde waarvan het nemen van beslissingen op een hoger niveau – in dit geval dus het Europese niveau – slechts toegestaan is indien kan worden aangetoond dat dit doeltreffender is en noodzakelijk. Dit verdrag vraagt om doeltreffende raadpleging van en overleg met het lokale en provinciale bestuur en daarmee samenhangende bestuurslagen. Ook nieuw in dit verdrag is de expliciete verplichting voor de Europese Commissie om de financiële en administratieve last voortvloeiend uit elk nieuw stuk regelgeving te beperken tot een minimum. Met deze bepalingen kan ervoor worden gezorgd dat Brussel meer oog krijgt voor wat burgemeesters bezighoudt en eerder geneigd zal zijn hier daadwerkelijk iets aan te doen. Bij dit alles zou ik graag willen benadrukken dat dit in geen geval de laatste wijziging van het primaire recht zal zijn. Dat betekent dat we nu reeds zorgvuldig zouden moeten kijken welke wijzigingen er nodig zijn om ervoor te zorgen dat de juridische fundamenten van de Europese Unie zo begrijpelijk en zo stevig mogelijk zijn, ten voordele van alle burgers in Europa.
Dames en heren, ik ga vanuit deze positie liever niet in op de voordelen en nadelen van het Verdrag van Lissabon. U weet allemaal dat Tsjechië dit verdrag beziet met kritische, doch realistische ogen. Dat bleek overigens ook weer eens uit het debat vandaag in de senaat van het Parlement van Tsjechië, dat vanmiddag overging tot goedkeuring van het verdrag.
Johannes Voggenhuber, rapporteur voor advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken. − (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik spreek namens de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken. Ik ben wat geïrriteerd, want ik had ook graag willen horen hoe het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking luidt, maar de heer Berman heeft zijn spreektijd gebruikt om ons te waarschuwen dat we geen druk op het Ierse volk mogen uitoefenen.
Deze houding is zeker één van de redenen waarom we deze discussie vanavond voeren. Ik vraag me af of dit Parlement überhaupt nog het recht heeft om met zijn burgers te spreken, de resultaten van zijn werk – van tien jaar werk – aan het constitutionele proces te verdedigen, om elkaars argumenten te beluisteren, wanneer we ervan worden beschuldigd dat we druk uitoefenen en chantage plegen zodra we die dialoog voeren. We leven toch wel in een vreemde wereld!
Ik zou hebben gewenst dat het Parlement dit verdrag tegenover de burgers veel krachtdadiger, veel offensiever en met open vizier had verdedigd, en het niet allemaal aan de regeringen had overgelaten, die vaak een behoorlijk dubbele visie hebben op de vooruitgang die dit verdrag met zich meebrengt.
Heel wat eurosceptici beweren, mijnheer de Voorzitter, dat dit verdrag maar weinig vooruitgang oplevert voor de democratie, en dat dit eigenlijk slechts een vijgenblad is voor het donkere en duistere Europa dat zich erachter verstopt. Ik denk dat we slechts één blik hoeven te werpen op de kwestie van de binnenlandse veiligheid, justitie en politie, de communautarisering daarvan, de parlementaire medezeggenschap en het toepassingsgebied van het Handvest om deze beweringen te logenstraffen, ze te ontmaskeren en te laten zien wat ze zijn: misleiding, propaganda en onwetendheid.
Deze kwestie is voor mij altijd het misschien wel meest irritante zichtbare gevolg geweest van het democratisch tekort in de Unie. Ik ben nooit een van diegenen geweest die de scheiding der machten eerder als een historisch filosofisch principe hebben beschouwd dan als een basisprincipe van de democratie. In deze kwestie heeft het Verdrag van Lissabon een essentieel antwoord gegeven dat bepalend is voor de toekomst. Het is wel duidelijk dat in deze kwestie de grondrechten uiterst gevoelig liggen. Het is een feit dat de ministers van Justitie achter gesloten deuren politiewetten hebben uitgevaardigd, zonder controle door de rechtbanken of door het Europees Hof van Justitie en zonder dat er een alomvattende codex van de grondrechten en van de vrijheidsrechten bestaat. Dat wordt anders, en dat is een enorme vooruitgang op weg naar een Europese democratie! En het is onze plicht, mijnheer Berman, om dat met de burgers te bespreken, het te verdedigen, en dat betekent niet dat we druk moeten uitoefenen!
(Applaus)
De Voorzitter. − Het is mij een groot genoegen om het woord te geven aan mijn landgenoot, de heer Carnero González. Ook hij zal de komende zittingsperiode niet terugkeren als afgevaardigde en ik wil hem publiekelijk bedanken voor zijn enorme inzet en het prijzenswaardige werk dat hij verricht heeft op dit specifieke terrein en in het kader van het onderwerp dat wij nu behandelen.
Carlos Carnero González, rapporteur voor advies van de Commissie verzoekschriften. − (ES) Dank u, mijnheer de Voorzitter, en vriend, voor uw vriendelijke woorden die me uiteraard ontroeren. Ik richt me nu voor de laatste maal tot deze Kamer tijdens deze zittingsperiode en ik wil graag iedereen bedanken met wie ik de eer heb gehad te mogen werken, en ik wil me graag verontschuldigen voor de fouten die ik eventueel heb gemaakt. Ik heb geprobeerd op een eerlijke manier te werken uit naam van de burgers van mijn land en de Europese landen. Er zijn werkelijk zeer bijzondere momenten geweest bij het uitvoeren van dit werk, zoals bijvoorbeeld de Conventie.
We hebben het vandaag in feite over het burgerschap en ik neem nu het woord uit naam van de Commissie verzoekschriften. Welke commissie van dit Parlement staat dichter bij de burgers dan de Commissie verzoekschriften, die een van de belangrijkste rechten van de Europese burger bewaakt: het recht van petitie?
Waar het om gaat is dit: in veel landen is het Europees Parlement bekend door de uitoefening van het recht van petitie. Wij als leden van de Commissie verzoekschriften weten dat en eigenlijk weet ook de hele Kamer dat. Welnu, het Verdrag van Lissabon dat de Europese Unie democratischer en effectiever maakt, introduceert nieuwe elementen, zoals het Handvest van de grondrechten, en nieuwe instrumenten, zoals het burgerinitiatief.
Het is zaak om verwarring te voorkomen tussen het recht van petitie en het burgerinitiatiefrecht. Ik wil erop wijzen dat burgers bijvoorbeeld door middel van een verzoekschrift dit Parlement kunnen verzoeken de Commissie te vragen een wetsvoorstel te doen. Hierdoor kunnen we in de toekomst een burgerinitiatief verwachten waarin de Commissie verzocht wordt een wetgevingsprocedure te starten, en een verzoekschrift, op grond van het recht van petitie, gericht aan de betreffende commissie van dit Parlement, met het verzoek dat het Parlement zich met datzelfde doel tot de Commissie richt. We moeten deze tegenstelling zien te vermijden, en een synergie verwezenlijken die beide wegen versterkt, want door deze wegen wordt de Europese Unie meer van de burger.
Uiteraard wil de Commissie verzoekschriften betrokken zijn bij de afwikkeling van dit burgerinitiatiefrecht. Uiteraard willen alle commissies dit, maar ik wil erop aandringen dat dit zo goed mogelijk moet worden toegepast. Ik denk bovendien dat het een eerbetoon zal zijn aan een zo belangrijke dag als deze waarop het Verdrag van Lissabon geratificeerd is door de senaat van Tsjechië. Er hoeft nu nog maar één stap gezet te worden voordat het verdrag werkelijkheid wordt, waarmee het verdrag, dat erfgenaam is van de Europese Grondwet –de beste tekst die de Europese Unie tot nu toe heeft voortgebracht – van kracht wordt.
Als dit ons lukt, dan zullen allen die hier aanwezig zijn, te beginnen met alle leden van de Europese Conventie die hier vanavond aanwezig zijn, een enorme bijdrage hebben geleverd aan het nut om lid van dit Parlement te zijn geweest.
Maria da Assunção Esteves, namens de PPE-DE-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, dit is mijn laatste toespraak in de plenaire vergadering, daarom is hij anders dan anders.
Eens zullen de federale en kosmopolitische parlementen zich aaneensluiten om de wereld te regeren. De droom van één mensheid zonder grenzen wordt op deze plek, binnen deze vertegenwoordiging, geboren, waar de vrijheid aan kracht en de democratie aan terrein wint. De visionaire idee van de Verlichting van een unie van volkeren inspireert de magie die onze bureaus en debatten doorstroomt. Machiavelli verliest binnen deze unie zijn kracht, omdat we de soevereiniteit van machten door de soevereiniteit van mensen hebben weten te vervangen. Het paradigma van het kosmopolitisme dringt door tot onze instellingen, onze besluiten en onze maatregelen.
Inmiddels ontstaat een nieuwe antropocentrische visie op het recht en de politiek, en de postnationale identiteit neemt vorm aan in de straten van Europa. De onaantastbare waardigheid van de mens is thans het beginsel dat zowel aan het nationaal recht als aan het internationaal recht ten grondslag ligt. Het is de ultieme regel die onze samenwerking beheerst. De Europese Unie en haar Parlement belichamen een morele visie die uniek is in de geschiedenis van de mensheid – een collectieve morele visie, die de strategieën van de Europese staten heeft beïnvloed en tot hun integratie heeft geleid.
De saamhorigheid van het Europese volk is gebaseerd op zijn gemeenschappelijke humaniteit. Isolationisme en egoïsme dolven het onderspit op de dag dat het Verdrag van Rome werd ondertekend. Tegenwoordig komt gerechtigheid voort uit de deugd van de politiek, net als een brug tussen Kant en Aristoteles, tussen vrijheid en geluk. De volkeren van Europa weten dat legitimiteit alleen kan worden ontleend aan de mensenrechten, en dat autoriteit alleen eigen is aan de machten die deze rechten respecteren. Zij weten dat de emancipatie van de geschiedenis alleen mogelijk is via een gezamenlijk politiek proces en wereldwijde gerechtigheid.
Eens zullen de volkeren van Azië, de beide Amerika’s en Afrika zich verenigen. De waardigheid van de mens zal in alle culturen worden erkend, van Goethe tot Pessoa, van Bach tot Tsjaikovski, van Mohammed tot Boeddha. Opdat de mensenrechten universele wet worden, een gemeenschappelijk regel in de verscheidenheid, en opdat Europa een voorbeeld kan worden, is een grotere rol voor de grondwet, meer decentralisatie, meer politiek, een sterkere expansie van deze visie nodig.
Bij dit afscheid wil ik u zeggen hoe trots ik ben dat ik met u aan zo’n avontuur heb mogen deelnemen.
(Applaus)
De Voorzitter. − Dank u, mevrouw Esteves, voor uw toespraak en voor het werk dat u de afgelopen jaren verricht hebt. Ik wens u veel succes en geluk voor de toekomst.
Jo Leinen, namens de PSE-Fractie. − (DE) Mijnheer de Voorzitter, u hebt gezegd dat u de Voorzitter en de Conferentie van Voorzitters wilt voorstellen om de vijf verslagen en de hoofdpunten uit de toelichting in een brochure samen te vatten. Dat is een uitstekend idee, en ik sta daar volledig achter. Ik stel voor dat we ook het verslag van de heren Corbett en Méndez de Vigo daarin opnemen, dat de basis was voor onze discussies over het Verdrag van Lissabon. Indertijd hebben 500 leden voor dat verslag gestemd, dat was een recordresultaat. Dat hoort er toch bij, dat was het uitgangspunt voor deze poging om na het constitutionele verdrag toch nog een hervormingsverdrag te krijgen. Ik vind dat een uitstekend idee, en wij staan er volledig achter.
U hebt een aantal personen bedankt die helaas niet meer bij ons zijn. Ik kan wel zeggen dan alle leden van de Commissie constitutionele zaken actief hebben meegewerkt. In onze commissie was de participatie altijd hoog. Ik zou hier nogmaals degenen willen bedanken die vandaag wel aanwezig zijn. Johannes Voggenhuber was altijd een dragende pijler van onze strijd voor democratie en mensenrechten. Sylvia-Yvonne Kaufmann is al meerdere malen genoemd, zij heeft tegen heftig verzet in haar politieke omgeving met succes gestreden voor haar overtuigingen. Carlos Carnero González was er altijd bij, hij heeft voor de grondwet gestreden, en in Spanje ook voor het referendum. Maria da Assunção Esteves heeft waardevol werk geleverd. Alain Lamassoure heeft veel gepresteerd, ook voor het constitutionele verdrag. En ik wil zeker Catherine Guy-Quint niet vergeten, hoewel ze geen lid van onze commissie is. Zij heeft in de Begrotingscommissie heel belangrijk werk verricht, en er altijd voor gestreden dat het Parlement meer bevoegdheden en meer rechten krijgt. Ik zou ze dus allemaal willen bedanken. Ik heb degenen genoemd die hier aanwezig zijn, maar die er de volgende keer niet bij zullen zijn. We beloven dat we hun werk voort zullen zetten.
Als woordvoerder van de PSE-Fractie zou ik nog twee opmerkingen willen maken over de verslagen. We hebben er in verband met het verslag-Kaufmann hard voor gestreden dat het burgerinitiatief meer wordt dan een placebo en een voorwendsel, het moet een serieus constitutioneel instrument worden waarmee de burgers een onderwerp in Brussel op de agenda kunnen plaatsen. Ik denk dat we er ook bij de omzetting voor moeten zorgen dat hieraan niet wordt getornd. Zodra de nieuwe Europese Commissie is samengesteld moet ze heel snel gebruik maken van haar initiatiefrecht, en een wetsvoorstel voorleggen.
In verband met het verslag-Dehaene wil ik nogmaals ingaan op de overgangsperiode. We willen bij de raadplegingen over het voorstel van de Raad voor een kandidaat als voorzitter van de volgende Commissie al uitgaan van de geest van Lissabon. Het volledige college en uiteindelijk dus ook de voorzitter worden echter pas definitief benoemd wanneer het verdrag in werking is getreden. We zullen dus eigenlijk twee keer stemmen over de benoeming van de voorzitter van de Commissie, en dat moet iedereen weten. Dat vloeit nu eenmaal voort uit deze overgangssituatie. De voorstellen van de heer Dehaene voor het programma van de zittingsperiode vind ik uitstekend. Het uitgangspunt is de wil van de kiezers tijdens de Europese verkiezingen. Daarna volgen alle benoemingen, de politieke programma’s en ook de financiering van de EU. Het uitgangspunt is de uitspraak van de soeverein, van de burgers van de EU. Dat is volgens mij een uitstekende zaak. Hartelijk bedankt, Jean-Luc Dehaene!
Andrew Duff, namens de ALDE-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, Churchill zei ooit: “Uit elke crisis valt een slag te slaan”.
Nu, thans hebben we een crisis van de economie, van het klimaat, van de internationale stabiliteit, en wij beseffen, althans wij in onze fractie, dat deze crises de argumenten versterken om de EU meer bevoegdheden te verlenen om op het wereldtoneel op te treden.
Het verdrag is de logische reactie op al deze uitdagingen. Het is het beste verdrag dat op dit moment kan worden gesloten. Het is een goed verdrag: wat zijn historische betekenis betreft, staat het op één lijn met Maastricht. Het versterkt de democratie en maakt het bestuur van de EU representatiever, efficiënter en doeltreffender.
Het is ook een hervormingsverdrag. Het corrigeert de meeste problemen van het huidige Verdrag van Nice. Je hoeft geen militante federalist te zijn – zoals ik er een ben – om de volgende twee punten in te zien, maar je moet wel een goede democraat zijn om ze te snappen: ten eerste hebben we een geïntegreerd Europa nodig om op de globalisering te kunnen reageren, en ten tweede is een postnationale democratie geen vervanging van, maar een aanvulling op de nationale democratieën van de oude stempel.
Conservatieve en nationalistische tegenstanders van het verdrag moesten ons maar eens vertellen waarom zij zo nodig aan de huidige ineffectieve en omslachtige Unie willen vasthouden en waarom zij voor de nationale staat de absurde schijn van nationale soevereiniteit staande willen houden, terwijl er in werkelijkheid voor moet worden gezorgd dat de interdependentie tussen staten en volkeren functioneert – een interdependentie die wordt verduidelijkt en wordt verankerd in dit verdrag.
Dit verdrag is een grote constitutionele stap voorwaarts voor Europa, en ik ben trots dat ik bij de opstelling ervan was betrokken. Ik zal blijven vechten om ervoor te zorgen dat het verdrag in werking treedt en succesvol en snel ten uitvoer wordt gelegd.
Johannes Voggenhuber, namens de Verts/ALE-Fractie. − (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de vicevoorzitter, wanneer ik eens om me heen kijk krijg ik een beetje de indruk dat de bewoners van de constitutionele ivoren toren zijn uitgenodigd om hun gesprekken vandaag in de plenaire zaal van het Europees Parlement voort te zetten. Dat was niet de afspraak! De afspraak was dat er in het Europees Parlement een groot debat zou komen over de gevolgen van het Verdrag van Lissabon.
Zou het niet mooi zijn geweest wanneer ons Parlement vanochtend tegelijk met de Tsjechische senaat een debat over dit verdrag had kunnen voeren? Dan hadden we de burgers van Europa duidelijk kunnen maken dat dit verdrag van de Europese parlementen is gekomen, een proces dat begon bij de Conventie en doorgaat tot de dag van vandaag, en dat deze hervorming niet van boven af is opgelegd door een Europa van de elites, maar het resultaat was van een gezamenlijke grote inspanning.
Als er iets is stukgelopen dan is het stukgelopen op de regeringen, en niet op de parlementen, dat heeft de ervaring van vijftien jaar me wel geleerd! En nu hebben we allemaal de borst vol littekens en lintjes. Dit is mijn laatste toespraak na vijftien jaar, het was een lange weg en een grote eer. Mij is de eer ten deel gevallen om namens dit Parlement samen met Andrew Duff één van de rapporteurs voor het Handvest van de grondrechten en ook voor de grondwet te zijn.
Ik moet zeggen – en ik denk dat ik dat ook wel namens de andere leden van de Conventie mag zeggen – dat we altijd hebben gemerkt dat er in het Europees Parlement een draagvlak voor ons werk bestond. We hebben onze nek behoorlijk uitgestoken, gestreden voor visioenen die veel hoofdschudden teweeg hebben gebracht, die tot verzet bij de regeringen hebben geleid, vaak ook tot een veto, en bijna tot de stopzetting van de Conventie, maar we kunnen wel zeggen dat de parlementen de drijvende kracht, de visionaire kracht in dit proces waren. Dit was dus ook voor de Europese burgers een eerste overwinning.
We weten van elkaar wel wat we denken over de vooruitgang die dit verdrag met zich meebrengt, en daarom zou ik vandaag een blik op de toekomst willen werpen. Toen de intergouvernementele conferentie zich op de resultaten van de Conventie heeft gestort, de wetgevende raad heeft geschrapt, de wetgeving door de Raad weer heeft ingevoerd en het derde deel eraan heeft geplakt – en al die dingen waar we nu zoveel moeite mee hebben – ben ik op het idee gekomen om op een gegeven moment een first amendment op deze grondwet in te dienen.
Een van de hoofdpunten in dit verdrag is het initiatiefrecht van het Europees Parlement, het recht om voor te stellen om een Conventie ter wijziging van de grondwet in het leven te roepen, en we zijn nog niet aan het einde van de weg aangekomen. In de Conventie hebben we voor onze visioenen gestreden, en men heeft ons vaak gezegd: “Ach, jullie met je vergelijking met de Conventie van Philadelphia, dat zou alleen maar kunnen wanneer Europa in een grote crisis terechtkomt! Zonder een grote crisis is het toch nooit haalbaar om een werkelijke Europese democratie en een werkelijke gemeenschap op te bouwen. Daarvoor hebben we toch een grote crisis nodig!” Die mensen dachten waarschijnlijk dat dat nog wel een eeuw zou duren, maar nu is het zover! De crisis is er nu! En nu vragen de burgers plotseling waarom we geen economische governance hebben! En ze vragen waarom we niet tenminste voor de grote lijnen van ons begrotingsbeleid, voor de vennootschapsbelasting en voor een belasting op transacties een minimum aan gemeenschappelijk economisch recht op het Europese niveau hebben! En de burgers vragen hoe het zit met het sociale Europa! Wij hebben op de barricades gestaan, maar het antwoord van de regeringen was gewoon njet. Nu vraagt heel Europa: waar zijn de bevoegdheden van de Europese Unie om de sociale markteconomie en een eerlijke verdeling te verdedigen? Intussen worden duizenden miljarden uitgegeven, waarmee we de volgende generatie opzadelen, zonder dat we een democratische bevoegdheid of een rechtsgrondslag hebben om een sociaal Europa te ontwikkelen.
Men vraagt mij iedere dag hoe het eigenlijk zit met de militaire acties in naam van Europa. In een paar nationale staten voert het kabinet een beleid alsof we nog in de negentiende eeuw leven, en plant militaire acties. Misschien moeten we eens overwegen of dit Parlement er niet van te voren mee moet instemmen wanneer er in naam van Europa militaire acties worden gevoerd. Ik wil ook de burgerinitiatieven noemen: ook in dat verband geldt er een uitzondering voor grondwetswijzigingen. Waarom? Waarom kan er geen burgerinitiatief komen ter wijziging van het verdrag, voor een verdere ontwikkeling van de Europese Grondwet?
Ik denk dat we nog een lange weg voor de boeg hebben, en het is een ernstige handicap dat dit Parlement tegenover de Raad zo bedeesd en schuchter is.
(Interrupties)
Ik ben van mening dat we strijdbaarder moeten worden. Ik hoop dat dit Parlement de belangen van de burgers werkelijk behartigt, de rechten van het Verdrag van Lissabon zeer zelfbewust opeist en benut, en er dan over nadenkt hoe we de Europese democratie en de Europese sociale orde nog aanzienlijk kunnen versterken. Ik geef mijn droom niet op, mijnheer de Voorzitter!
(Interrupties)
Ik geef mijn droom niet op, ik wil mijn kinderen, of tenminste mijn kleinkinderen, kunnen zeggen: “Vive la République d'Europe!”
(Applaus)
Tobias Pflüger, namens de GUE/NGL-Fractie. − (DE) Mijnheer de Voorzitter, uit de toespraken blijkt wel dat het Verdrag van Lissabon niet rationeel wordt behandeld, maar emotioneel. Waarom wachten we niet tot het nieuwe Parlement er is, en laten dat dan een debat voeren? Dan wachten we af of het Verdrag van Lissabon er überhaupt komt. Maar nee, sommige leden zijn geobsedeerd door dit verdrag, ze willen ons keer op keer uitleggen welke voordelen het volgens hen heeft.
Burkhard Hirsch, de grote liberaal, heeft het heel mooi geformuleerd, hij heeft gezegd: “We moeten ermee stoppen om de Ieren te beschouwen als van de regen doorweekte schaapherders, die als enige Europeanen niet in staat waren om te begrijpen welke zegeningen het Verdrag van Lissabon met zich meebrengt. De referenda zouden ook elders tot een nee hebben geleid, omdat je niet kunt of mag verwachten dat de kiezers instemmen met een verdrag dat ook een genegen lezer niet meer kan begrijpen.”
Het Verdrag van Lissabon regelt nu eenmaal niet alleen de relaties tussen de instellingen van de EU, in dit verdrag worden politieke keuzes gemaakt, en dat is essentieel. Ik noem er een aantal. In dit Verdrag van Lissabon wordt bijvoorbeeld in artikel 43, lid 1 bepaald dat militaire missies van de Europese Unie mogelijk zijn. Artikel 222, lid 1 bis bevat een militaire solidariteitsclausule, waarin staat dat “alle tot haar beschikking staande instrumenten” moeten worden gemobiliseerd om “de dreiging van het terrorisme op het grondgebied van de lidstaten te keren”. Daardoor wordt de Europese Unie een militair bondgenootschap, en het is zelfs mogelijk dat het leger tijdens een binnenlands conflict wordt ingezet. Artikel 43, lid 1 bevat bijvoorbeeld ook een passage over de “steun aan derde landen om het terrorisme op hun grondgebied te bestrijden”.
Er bestaan op dit gebied allerlei regelingen, zoals de “permanente gestructureerde samenwerking”, die een militair kern-Europa mogelijk maakt, en de rol die de NAVO in dit verdrag krijgt, en de passage: “De lidstaten verbinden zich ertoe hun militaire vermogens geleidelijk te verbeteren”. Wanneer dit verdrag er komt – wat ik niet hoop – wordt er een startfonds gevormd (artikel 41): dan kan de begroting van de EU ook voor militaire doeleinden worden benut. Dat wilde ik zeggen over het buitenlands en militair beleid.
Dan nog iets over het economisch beleid: de economische logica van het Verdrag van Lissabon is precies de logica die tot de economische crisis heeft geleid: “een open markteconomie met vrije mededinging”. Dat zou nu niemand meer zo formuleren.
Ik heb de indruk dat de mensen die dit verdrag willen – vooral uit de zogenaamde EU-elite – eigenlijk in het verleden leven. De omstandigheden zijn fundamenteel veranderd. We hebben een nieuw verdrag voor een nieuw tijdperk nodig. Ierland heeft gesproken. Het referendum heeft een duidelijk resultaat opgeleverd. Er is een nee uit de bus gekomen, en dus is dit verdrag dood. En nu wil men plotseling dat er nog een keer wordt gestemd! Toen de heer Sarkozy gekozen was heeft toch ook niemand in Frankrijk gezegd dat er gewoon nog een keer moest worden gestemd, omdat president Sarkozy hem niet beviel? Ik wil in alle duidelijkheid zeggen: er zijn goede en zuiver rationele redenen die tegen dit verdrag pleiten, en daarom moet het blijven bij het antwoord: wanneer een Ier nee zegt bedoelt hij nee. Dat betekent dat het Verdrag van Lissabon dood is, en ik begrijp niet waarom wij het vandaag in deze context bespreken.
Door dit Verdrag van Lissabon verschuift de macht naar de grote lidstaten. Ik wil heel duidelijk zeggen dat wij als aanhangers van het internationalisme de Europese gedachte verdedigen tegen diegenen die van de EU een militaire mogendheid en een zuiver economisch bondgenootschap willen maken. We hebben een ander verdrag nodig dan dit Verdrag van Lissabon, een verdrag dat werkelijk op de vrede gericht is, en niet een verdrag als dit, dat eigenlijk een militair verdrag is! Ik dank u wel!
Nils Lundgren, namens de IND/DEM-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ga ervan uit dat we allemaal zo lang kunnen spreken als we willen. Misschien heb ik twee minuten meer nodig, en die neem ik dan ook.
(SV) Laat ik nu mijn moedertaal spreken. Voor het nageslacht zal de manier waarop het Europees politiek establishment met het Verdrag van Lissabon is omgegaan een schandvlek zijn, en wel op twee manieren. Enerzijds gezien het politieke proces om het verdrag door te drukken en anderzijds wegens het eigenlijke doel van het verdrag en de inhoud ervan. Als we terugkijken op Laken 2000, dan werd daar gezegd dat een voorstel voor een constitutionele oplossing moest worden uitgewerkt. Dat zou ertoe moeten leiden dat we een hechter Europa zouden krijgen, dat de burgers geëngageerd zouden zijn, want men maakte zich zorgen dat de burgers de EU in de praktijk niet mochten. De Conventie onder leiding van de heer Giscard d'Estaing produceerde iets heel anders. Het Europese volk wilde dat niet en de bevolking van Frankrijk en Nederland zei nee. Iedereen weet dat het in Groot-Brittannië, Denemarken en vele andere landen ook “nee” zou zijn geweest als het volk zijn mening had mogen geven. Men probeerde daar een mouw aan te passen, er kwam een nieuw verdrag dat hetzelfde is, maar, als het uitkomt, ontkent men dat het hetzelfde is. Dat is waar men mee bezig is. Nu is de situatie dat nadat het Ierse volk nee heeft gezegd tegen wat we nu het Verdrag van Lissabon noemen, men het lef heeft om te onderzoeken waarom de Ieren de verkeerde stem uitbrachten. Dat is iets volkomen ongehoords en wordt helemaal niet besproken. U geeft elkaar schouderklopjes en zegt hoe goed het is, hoewel u weet dat het een schandvlek is.
Mijn andere bezwaar is het volgende: een constitutioneel verdrag, een grondwet, is er niet om sneller politieke beslissingen te kunnen nemen. Zo een verdrag is er voor het tegendeel: om het nemen van politieke beslissingen moeilijker te maken. Grondwetten zijn er om ervoor te zorgen dat diegenen die toevallig juist nu gekozen zijn, niet snel om het even welke besluiten kunnen nemen die ze willen. Dat moet ingewikkeld zijn. Zo ziet de Amerikaanse grondwet er uit. Dit is een Franse ambtenarentraditie om ervoor te zorgen dat een overheid snel over alles tussen hemel en aarde kan beslissen zonder zich om de invloed van het volk te hoeven bekommeren. Dat is verschrikkelijk, dat is een schandvlek voor de EU.
De Voorzitter. − Mijnheer Lundgren, u hebt vast en zeker gemerkt hoe uw collega-afgevaardigden naar u geluisterd hebben met respect, in stilte en zonder onderbrekingen; u echter praatte door de toespraken van andere Parlementsleden heen, dat is echter hoe verschillende mensen democratie interpreteren.
Roger Helmer (NI). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik had gehoopt dat mijnheer Pöttering de vergadering vanavond zou voorzitten, omdat ik hem publiekelijk wilde danken voor het feit dat hij mij een paar jaar geleden in de gelegenheid stelde om de PPE-DE-Fractie te verlaten. Ik ben blij dat binnenkort ook al mijn collega’s van de Britse conservatieven de PPE-DE-Fractie zullen verlaten – iets waar ik tien jaar naartoe heb gewerkt.
We zijn hier om over het Verdrag van Lissabon te debatteren, dus had ik mijnheer Pöttering eraan herinnerd dat zijn eigen land, Duitsland, het nog niet heeft geratificeerd. Wij in de EU beweren dat we een Unie van waarden zijn, gegrondvest op de democratie en de rechtsstaat, maar in werkelijkheid trekken we ons niets van democratie aan. We lappen de wensen van de kiezers aan onze laars. We hebben de resultaten van het referendum in Denemarken over Maastricht, het referendum in Ierland over Nice, de referenda in Frankrijk en Nederland over de grondwet en nu weer het referendum over Lissabon in Ierland niet erkend. We kijken met verachting neer op de wilsuitingen van onze kiezers. Een mooie democratie is dat!
Op het punt van de rechtsstaat zijn we geen duit beter. We leggen plannen ten uitvoer en doen uitgaven die gebaseerd zijn op het Verdrag van Lissabon, nog voordat het is geratificeerd. Dit komt neer op een staatsgreep zonder bloedvergieten. De heer Pöttering zegt dat één miljoen Ierse kiezers de boel niet mogen dwarsbomen voor 450 miljoen Europeanen. Hij heeft helemaal gelijk. Laat daarom liever alle 450 miljoen burgers over het verdrag stemmen. Groot-Brittannië zal tegen stemmen. Naar alle waarschijnlijkheid zullen ook Frankrijk en Duitsland tegen stemmen, maar u durft het volk niet over het verdrag te laten stemmen, omdat u al weet wat het zal zeggen. In Groot-Brittannië zijn op acht na alle 646 leden van het parlement gekozen op grond van de toezegging van een referendum, maar onze schandelijke Labour-regering heeft haar belofte op schandalige wijze gebroken.
Ik zeg het de collega’s in alle duidelijkheid: wij bij de Britse Conservatieven maken van een referendum inzake Lissabon een centraal punt in onze campagne voor de Europese verkiezingen. We zullen ervoor zorgen dat er een referendum komt, en we zullen niets heel laten van dit beschamende verdrag.
Alain Lamassoure (PPE-DE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de Europese integratie brengt bij tijd en wijle symbolen voort die anonieme acteurs als ons ontroeren. De laatste stemming van deze zittingsperiode betreft derhalve het laatste amendement dat leden van het Europees Parlement samen met leden van de nationale parlementen hebben ingediend bij de Europese Conventie: de invoering van een burgerinitiatief binnen de Unie.
Laten wij het belang hiervan niet onderschatten. Het Verdrag van Lissabon verleent aan de burgers zelf, aan de gewone burgers, hetzelfde politieke initiatiefrecht binnen de Europese Unie als dat van ons eigen Parlement. Dankzij onze initiatiefverslagen kunnen wij de Commissie oproepen te handelen, ons een rechtsgrondslag voor te stellen om nieuw beleid op de rails te zetten of bestaand beleid aan te passen. Welnu, de burgers kunnen nu hetzelfde doen, mits zij voldoende in aantal zijn en onderdaan zijn van een significant aantal lidstaten.
Ik wil mevrouw Kaufmann gelukwensen met de wijze waarop zij heeft gewerkt aan een consensus die vanzelfsprekend noodzakelijk was voor een onderwerp als dit. De verduidelijkingen die zij heeft aangebracht in het verdrag en de procedurele garanties zijn redelijk. De vaststelling van het “significante aantal” op een kwart van de lidstaten is in overeenstemming met de oplossing die is gevonden voor de regeringen zelf in het kader van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht.
Dit nieuwe recht dat wordt verleend aan Europese burgers, bestaat in deze vorm in geen van onze landen. De Unie zorgt er dus voor dat er stappen worden ondernomen op weg naar directe democratie. Zelfs in Frankrijk bijvoorbeeld durven wij niet zo ver te gaan. Wij hebben onze nationale grondwet afgelopen jaar herzien, maar dit collectieve petitierecht slechts beperkt tot lokaal niveau.
Laten we thans hopen dat onze politieke partijen met elkaar zullen wedijveren in vindingrijkheid om zo goed mogelijk gebruik te maken van dit nieuwe recht, en laten we met name hopen dat behalve de partijen ook het maatschappelijk middenveld zich hierop zal storten: vakbonden, non-gouvernementele organisaties, studenten – met name Erasmus-bursalen –, grensarbeiders, alle Europese burgers die wonen in een ander land dan hun geboorteland en die vaststellen dat de wetten die wij hier aannemen, ter plekke helaas slecht worden toegepast.
In deze Unie van vrij verkeer vormen onze politieke discussies het enige nog bestaande obstakel. Helaas gaat er wederom niet één Europese verkiezingscampagne van start, maar 27 nationale campagnes onder het mom van Europa.
De economische ruimte bestaat, de eenheidsmunt bestaat, het gemeenschappelijk Europees luchtruim bestaat, maar de gemeenschappelijke politieke ruimte moeten wij nog in het leven roepen. Dit is de ware uitdaging voor het Verdrag van Lissabon, en dit is zeker een van de bepalingen die de grootste bijdrage hieraan zullen leveren.
Adrian Severin (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, de hoopgevende ratificatie van het Verdrag van Lissabon door de Tsjechen wordt hier vanavond overschaduwd door de enigszins samenzweerderige stemming tijdens deze vergadering.
Sommigen waren bang dat we, door de voorbereiding van de invoering van een verdrag dat dringend nodig is, bepaalde burgers van de Unie voor het hoofd zouden stoten. Ik denk echter dat we, integendeel, de burgers voor het hoofd stoten door te verzwijgen wat Europa werkelijk is en zou kunnen zijn, en door een openlijke en rationele dialoog met hen uit de weg te gaan.
Door echter respect te tonen voor een minderhedenstandpunt en het meerderheidsstandpunt te negeren, stoten we de bestaande meerderheid voor het hoofd en druisen we in tegen de algemene beginselen van de democratie die we allemaal zeggen te eerbiedigen.
De tekst van het verdrag volstaat op zichzelf niet. Aan die tekst moet een uitleg worden gegeven die licht werpt op de geest van de tekst, teneinde een optimale tenuitvoerlegging mogelijk te maken. Dat is precies wat de verslagen van vandaag doen. Zij hebben het over, ten eerste, de parlementarisering van de Unie, ten tweede over de communautarisering van de Europese instellingen, ten derde over de totstandbrenging van een interinstitutioneel evenwicht als garantie voor een transnationaal systeem van controles, ten vierde over de waarborging van coherentie en samenhang in de wetgeving op het niveau van de Europese Unie via een Europeanisering van de nationale parlementen en niet door een nationalisering van het Europees Parlement, ten vijfde over de concentratie van instrumenten en beleid ten behoeve van institutionele efficiency, en ten zesde over de verbetering van de vertegenwoordiging, transparantie en participatie op het niveau van de Europese Unie.
Langs deze weg zullen we een demos zien ontstaan die de huidige huls van Europese procedures met inhoud zal vullen, waardoor deze belangrijk worden voor de burgers.
Nu moeten we alleen nog een oplossing vinden om de tijd tussen de verkiezingen van het nieuwe Parlement en de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon te overbruggen. Ik hoop dat het verantwoordelijkheidsbesef en de solidariteit van onze Ierse vrienden ons zullen helpen hiervoor te zorgen, zodat wij ons aan ons historische tijdschema kunnen houden.
VOORZITTER: GÉRARD ONESTA Ondervoorzitter
Andrzej Wielowieyski (ALDE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, ik vind dat het verslag van de heer Dehaene, dat zeer belangrijk en zeer waardevol is, aangevuld zou moeten worden wat betreft het functioneren maar vooral wat betreft de verantwoordelijkheden van de Europese Raad. Dit belangrijke orgaan wordt verheven tot de rang van instelling en is op politiek gebied een leidende kracht.
Wij moeten dan ook bijzondere aandacht aan hem schenken. Zijn optreden wordt onderworpen aan de jurisdictie van het Europees Hof van Justitie op dezelfde wijze als de Europese Centrale Bank. Ik wil tevens namens mijn fractie een amendement indienen waarin deze speciale verantwoordelijkheid tot uitdrukking komt. Aangezien zijn wetgevende functies beperkt zijn, valt die verantwoordelijkheid hoofdzakelijk onder artikel 265 betreffende nalatigheid. Naar mijn mening moeten de verplichtingen van de Europese Raad bij gebrek aan verduidelijkingen in het verdrag waarschijnlijk worden uiteengezet in een interinstitutionele overeenkomst.
Het verslag van mevrouw Kaufmann is derhalve zeer belangrijk omdat het een echte opening vormt naar de burgers toe. De grootste zwakte waarvan wij blijk kunnen geven nu wij voor een uitdaging staan met betrekking tot de toekomst van de Unie, is het scheppen van een leegte, van een kloof tussen de Unie en haar burgers. Voor hen is de Unie een ver-van-mijn-bedshow, ook al voelen zij dat zij haar nodig hebben. Mijn fractie, de Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa fractie, is van mening dat deze kloof slechts effectief kan worden gedicht door een regelmatige, brede raadpleging van de burgers.
Wij hebben geen tijd gehad om ons werk af te maken en ons debat over dit onderwerp af te sluiten. Desalniettemin kan – zoals de heer Lamassoure reeds heeft geconstateerd – het burgerinitiatief volgens het verdrag een belangrijk instrument zijn voor de creatie van een Europese openbare ruimte waaraan wij grote behoefte hebben. Hierdoor wordt het openbare debat tussen de burgers en de Unie bevorderd, en dit zal de bewustheid van het publiek aanwakkeren, die cruciaal is voor ons.
De aanpak hiervan is echter een grote uitdaging voor de Europese instellingen, met name voor de Commissie, omdat de geloofwaardigheid van dit nieuwe instrument op het spel staat, voor de lidstaten, die de nieuwe praktijk moeten aanvaarden en de infrastructuur ter beschikking moeten stellen en, vanzelfsprekend, voor de burgers, die dit nieuwe instrument moeten benutten in het belang van de directe democratie.
Milan Horáček (Verts/ALE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de vicevoorzitter, vandaag heeft de Tsjechische senaat een besluit genomen dat wij volledig steunen, en wij feliciteren de senaat van harte. President Klaus heeft daarop gereageerd en onder andere beweerd dat het Verdrag van Lissabon desondanks dood is, omdat het Ierse volk er in een referendum nee tegen heeft gezegd.
Op die manier doet hij als politieke zombie een aanval op de besluiten van de meerderheid in de twee kamers van zijn eigen parlement. Zo bevestigt hij de weinig roemrijke en fanatieke houding die hij ook elders in de politiek heeft getoond. Gelukkig maakt hij zich na de instemming in beide kamers gewoon belachelijk. Wij als Groenen hebben een positieve en constructieve houding ten opzichte van de Europese integratie, hoewel we zo nodig natuurlijk ook kritisch zijn.
Ik zou de Tsjechische senaat, het Tsjechische parlement en de Tsjechische regering nogmaals hartelijk willen bedanken!
Bastiaan Belder (IND/DEM). - Voorzitter, het verslag van collega Dehaene roept bij mij dubbele gevoelens op. Aan de ene kant waardeer ik dat hij soms eerlijk durft te analyseren – ik denk aan de paragrafen 14 en 26 -, waarin de dominantie van de Europese Raad en de moeilijkheden rond het nieuwe stelsel van voorzitterschappen binnen de Raad besproken worden.
Aan de andere kant stelt dit verslag mij teleur. De rapporteur analyseert niet overal even scherp. Vooral in de laatste twaalf paragrafen, waarin het externe beleid wordt besproken, worden alle institutionele onduidelijkheden weggemasseerd, en dat terwijl de institutionele gevolgen van deze dubbelfunctie volstrekt ongewis zijn. Ik vind het daarom onbegrijpelijk dat de rapporteur als algemene evaluatie spreekt van een sterker institutioneel evenwicht in de Unie.
Ik erken dat het Verdrag van Lissabon op sommige punten een verbetering is. Dit neemt echter niet weg dat juist de onduidelijke gevolgen van dit verdrag op het institutioneel evenwicht van de Unie de achilleshiel van Lissabon is, en dat heeft de rapporteur niet gepeild.
Jana Bobošíková (NI). – (CS) Dames en heren, we zijn bij deze zitting bezig met iets wat wij in mijn land “een rekening opstellen zonder de waard” noemen. We gaan straks stemmen over hoe de verhoudingen tussen de instellingen van de Europese Unie, de lidstaten en hun parlementen eruit zullen zien alsof het Verdrag van Lissabon reeds van kracht is. Ik wil er opnieuw op wijzen dat het Verdrag van Lissabon nog lang niet geratificeerd is. De leden van dit Parlement zouden dat onder ogen moeten zien en niet mogen proberen dit feit te verdoezelen voor hun burgers. Elke democraat zou zich moeten realiseren dat zelfs de meest agressieve aanvallen op politici die het Verdrag van Lissabon niet ondertekend hebben niets aan dit blote feit veranderen.
Ter afsluiting zou ik de heer Cohn-Bendit er met klem op willen wijzen dat zijn ongehoorde uitlatingen over de zogeheten plannen van de president van Tsjechië Václav Klaus om senatoren van het Parlement van mijn land om te kopen, niet alleen een belediging zijn van ons staatshoofd, maar ook van de burgers van Tsjechië. Een dergelijke beschuldiging gaat regelrecht in tegen het beginsel van vriendschappelijke internationale betrekkingen en de meest basale beleefdheidsregels. Ik vraag de heer Cohn-Bendit dan ook om zijn uitlatingen over corruptie met bewijzen te onderbouwen of anders zijn verontschuldigingen aan te bieden aan president Klaus.
Richard Corbett (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, deze reeks verslagen toont aan dat we, als het Verdrag van Lissabon in werking treedt – ik wil hier natuurlijk niet vooruitlopen op de beslissing van het Ierse volk – een Unie zullen krijgen die meer mogelijkheden voor participatie, meer verantwoording, meer democratie en meer controles biedt. Dit is de centrale boodschap die we hier vanavond vernemen, zij het door het verslag-Leinen, dat de grotere rol van dit gekozen Parlement binnen het institutionele systeem benadrukt; zij het door het verslag-Brok, dat op de nieuwe mogelijkheden wijst voor de participatie van de nationale parlementen; zij het door het verslag-Dehaene, dat de grotere verantwoordingsplicht van de uitvoerende organen van de instellingen onder de loep neemt en onderzoekt hoe we met een eventuele overgangsperiode kunnen omgaan; zij het door het verslag Guy-Quint, dat laat zien dat er geen delen van de Europese begroting meer kunnen worden afgeschermd tegen de controle door het Parlement; of natuurlijk door het verslag-Kaufmann over het burgerinitiatief.
Mijn fractie zal al deze resoluties steunen en doet dit met trots, zou ik zo zeggen, met één uitzondering, namelijk met betrekking tot het verslag-Kaufmann, dat wij als eerste stap beschouwen, als eerste bespiegeling over het mogelijke functioneren van het burgerinitiatief in de toekomst. Maar we moeten voorzichtig te werk gaan – ik ben het hier eens met wat de commissaris zojuist heeft gezegd – en geen systeem opzetten dat te ingewikkeld is voor de burgers of waar teveel bureaucratische obstakels aan kleven die de uitoefening van dat recht bemoeilijken. Maar we hebben genoeg tijd om hierop terug te komen indien het verdrag inderdaad in werking treedt.
We voeren dit debat op de dag van de 26e parlementaire ratificatie. Ik weet dat dit de Britse Conservatieven hier niet interesseert – ze zitten waarschijnlijk over iets anders te kletsen – maar het is een belangrijk feit.
26 ratificaties via parlementaire procedures: 26 keer ‘ja’, één keer ‘nee’. Ik vind dat het in deze situatie, met 26 stemmen voor en één stem tegen, anders dan sommige mensen hebben gezegd, niet ondemocratisch is om met het oog op dit resultaat dat ene land te vragen of het niet bereid is zijn standpunt nog eens te overwegen in het licht van de ratificatie door alle anderen. Het is hun keuze of zij dit doen of niet. Maar volgens mij is het heel rationeel dat men in Ierland tot de conclusie is gekomen dat men tot een heroverweging bereid is, als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. En het is onze taak om te doen wat we kunnen om de bezorgdheid van die ene tegenstemmer weg te nemen. Dit is een essentieel onderdeel van de oplossing, en de Unie heeft dan ook beloofd dit te doen.
Alle andere lidstaten – want niet alleen de Europese instellingen, ook de lidstaten zijn hierbij betrokken – hebben toegezegd te proberen aan die bezorgdheid tegemoet te komen, om zo de 27e ratificatie mogelijk te maken.
Hieruit kan een algemenere les worden geleerd. Onze fundamentele regels in de Europese Unie, die vervat zijn in door de lidstaten ondertekende en geratificeerde verdragen, kunnen alleen worden gewijzigd indien elk van de lidstaten daarmee instemt. Dat is een heel hoge drempel. Dat toont aan dat diegenen die zeggen dat wij de democratie aan onze laars lappen, het helemaal mis hebben. Het is heel eenvoudig om elke stap vooruit en elke hervorming van de Europese voorschriften tegen te houden. De eurosceptici hebben bij een stand van 26 tegen 1 al gewonnen. De regels zijn in hun voordeel, niet in het voordeel van degenen die, net als mijnheer Duff, een snellere integratie voorstaan. Dit is de feitelijke situatie.
Zij verwijzen ook naar de referenda die een ‘nee’ hebben opgeleverd, maar het valt me op dat ze alleen referenda met een negatieve uitslag noemen. Ze hebben het nooit over het Spaanse referendum, het referendum in Luxemburg. In de geschiedenis van de Europese integratie hebben, als ik me goed herinner, in de loop der jaren in de lidstaten ongeveer 32 referenda plaatsgevonden, waarbij in 26 of 27 gevallen een ‘ja’ en slechts in een paar gevallen een ‘nee’ uit de bus kwam. Maar altijd als de uitslag ‘nee’ was, kon daaraan niet worden voorbijgegaan, maar moest tegemoet worden gekomen aan de geuite zorgen en moest het land in kwestie worden gevraagd of het de zaak wilde heroverwegen en eventueel bereid was van mening te veranderen.
Ik vind het in democratische zin volledig in orde dat we deze Unie, waar we al meer dan een halve eeuw aan werken, geleidelijk aan, stap voor stap, opbouwen met de instemming van alle lidstaten. We kunnen trots zijn op deze Unie, op het feit dat 27 landen samenwerken op dit continent, dat, zoals de geschiedenis heeft uitgewezen, vaak genoeg in stukken werd gereten door de nationale gezindheid die sommigen weer tot leven proberen te wekken.
Anne E. Jensen (ALDE). - (DA) Mijnheer de Voorzitter, het is voor mij een heel bijzondere ervaring om vanavond aan het debat deel te nemen. Gedurende vijf jaar heb ik nauw samengewerkt met Catherine Guy-Quint. Wij zijn allebei begrotingscoördinator voor onze respectieve politieke fracties geweest. We hebben in de loop der tijd onderling wel enige meningsverschillen gehad, maar voor het merendeel hebben wij zij aan zij gestreden in de geest van samenwerking die zo kenmerkend is voor het werk binnen de Begrotingscommissie.
U houdt er nu mee op, Catherine, en daarom wil ik van deze gelegenheid gebruik maken om u op meer officiële wijze te bedanken voor de tijd die we samen hebben doorgebracht. Ik heb er een hele hoop van geleerd. Mijn Frans is beter geworden en ik heb ook veel van uw stijl geleerd, die ik heb leren respecteren. U bent directer dan ik, maar dat is soms ook nodig.
Vanavond gaat het om de overdracht van het vertrekkende Parlement aan het nieuwe Parlement, dat van 4 tot 7 juni verkozen wordt. Als de Ierse kiezers in oktober ja stemmen en het Verdrag van Lissabon aan het eind van het jaar in werking treedt, moet er snel worden gehandeld, aangezien de consequenties voor het werk in het Parlement groot zijn, niet in het minst op begrotingsgebied. Dit is goed en duidelijk beschreven in het verslag van Catherine Guy-Quint. Uw werk heeft uitmuntende resultaten opgeleverd om over te dragen aan de nieuwe leden van het Europees Parlement.
Het Parlement wordt formeel wel bij de vaststelling van de meerjarige begrotingskaders betrokken, maar we zijn er nog altijd niet in geslaagd om de duur van deze kaders te wijzigen van zeven in vijf jaar, overeenkomstig de zittingsperiode van de Commissie en het Parlement. Dit zou ons in staat stellen om deze kaders mede te bepalen. Het Parlement zou in dat geval volledige invloed op de gehele begroting hebben, waaronder ook de landbouwbegroting. Ik ben van mening dat het goed zou zijn voor de landbouwers en burgers van de EU, als de besprekingen over het landbouwbeleid daardoor werkelijk in openheid plaatsvinden en dat de achterkamertjespolitiek wordt vervangen door een open en democratisch debat. Niemand kan op voorhand zeggen wat dit zal betekenen voor de omvang van de landbouwuitgaven, maar het zal in ieder geval voorkomen dat men doorgaat met regelingen te ontwikkelen die niet op een duidelijke en logische manier aan de burgers kunnen worden uitgelegd.
De jaarlijkse begrotingsprocedure wordt gewijzigd en vorig jaar hebben we een proef uitgevoerd met de nieuwe eisen die aan het werk binnen de Begrotingscommissie van het Parlement worden gesteld. Met slechts één lezing en daarna onderhandelingen om overeenstemming te bereiken zijn we genoodzaakt ons eerder en veel grondiger voor te bereiden. In wezen is dat echter geen slecht idee. Ik ben van mening dat de vorig jaar gehouden generale repetitie voor de nieuwe discipline goede resultaten heeft opgeleverd.
Het Verdrag van Lissabon geeft het Parlement nieuwe begrotingsbevoegdheden en nieuwe werkmethoden, en het door mevrouw Guy-Quint opgestelde verslag geeft het Parlement een uitstekende basis voor dit werk. Ik hoop, en ik vertrouw erop, dat we erin zullen slagen het Verdrag van Lissabon aangenomen te krijgen en er zo voor te zorgen dat het werk van de EU opener en effectiever wordt.
Michael Henry Nattrass (IND/DEM). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, sinds de jaren zeventig zweren Britse politici telkens weer dat de EU niets te maken heeft met politieke overheersing en geen verlies van soevereiniteit met zich meebrengt, en toch verklaren de voorzitters van de EU dat we onze soevereiniteit gebundeld hebben en een Europees imperium vormen, dat inmiddels 75 procent van onze wetgeving bepaalt.
Door dit verdrag verliezen we de mogelijkheid onszelf te regeren, hoewel volgens een enquête van de BBC 84 procent van de Britten niet wil dat er nog meer bevoegdheden worden overgedragen. De Britse burgers worden aan hun lot overgelaten en moeten alles maar slikken. De Britse Conservatieven hebben, via de PPE-DE-Fractie, hun toelagen aan de ja-campagne in Ierland geschonken, om vervolgens geniepig te beloven een referendum te zullen toestaan – maar alleen als Ierland opnieuw tegen stemt. Achter de rug van de Britse burgers om en zonder dat zij over enig mandaat beschikken, hebben de partijen in Westminster hun land verkocht, terwijl volgens peilingen 55 procent van de bevolking uit de EU wil stappen. Nog nooit eerder zijn in de politiek zo velen door zo weinigen in de luren gelegd.
Roberto Fiore (NI). – (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega's, miljoenen Europeanen – Britten, Italianen en Fransen – zitten niet te wachten op een Europa met een politiek correcte houding, op een laissez-faire en asociale visie, zoals we hebben gezien met het Bolkestein-ontwerp, op een totalitaire en jakobijnse centralisatiepolitiek, of op een amateuristische, vrijmetselaars- en nep-marxistische visie.
Ik denk dat de Europeanen zeer geïnteresseerd zijn in echte sociale vrijheden, in de vrijheden die gezinnen, gemeenschappen en sociale organen de gelegenheid bieden om echte vooruitgang te boeken, en in een Europa dat gegrondvest is op subsidiariteit en juist op sociale organen en een diepgewortelde christelijke en rooms-katholieke kijk op de geschiedenis. Dit Europa staat lijnrecht tegenover het Europa in het Verdrag van Lissabon, waar de sterke mogendheden en de lobby's naar streven die in feite de situatie radicaal willen centraliseren.
Wij zijn van mening dat de Europeanen eindelijk moeten stemmen en dit verdrag overboord moeten gooien.
Paul Rübig (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, dames en heren, ik geloof dat dit een bijzonder belangrijk debat is, omdat we vandaag van meerdere kanten hebben gehoord dat er bevoegdheden worden overgedragen aan Europa. Vanuit het standpunt van de lidstaten is dat wel juist, maar het is ook een feit dat de lidstaten daardoor ook de mogelijkheid krijgen om in de andere 26 lidstaten voor dezelfde rechtsregels te zorgen. Europa betekent dat we niet in 27 lidstaten volledig verschillende rechtsstelsels hebben, maar dat we proberen om een gezamenlijk rechtsstelsel te creëren. Dat is een project dat leidt tot een rationele organisatie, dat is een enorme vooruitgang en biedt onze ministers, maar ook onze afgevaardigden, veel meer rechten en mogelijkheden om zich in te zetten voor de Europese burgers.
Ik hoor ook vanuit de rangen van het Parlement vaak gemor, en hoewel de grote meerderheid van de tegenstanders niet deelneemt aan dit debat – wanneer ik achter me kijk zie ik dat ze niet in de zaal zitten – moet ik toch vaststellen dat ook wij natuurlijk kritiek hebben op de instellingen, en verbeteringen wensen. Juist over die verbeteringen hebben we in de afgelopen acht jaar intensief gediscussieerd. Wij willen er gewoon voor zorgen dat de relaties tussen de instellingen en de burgers beter worden. Je kunt vandaag niet het woord vragen en zeggen dat een hervormingsproces dat al acht jaar duurt moet worden stopgezet zonder ook maar enig alternatief te bieden – dat is het eigenlijke schandaal in dit debat!
Het is vooral belangrijk dat we duidelijk te horen krijgen waar het in dit verdrag om gaat. Dit verdrag geeft ons nieuwe doelstellingen. Eindelijk krijgen we door het burgerinitiatief een representatieve en participerende democratie, we krijgen nieuwe bevoegdheden voor de bescherming van milieu en klimaat. Denkt nu echt iemand dat een lidstaat deze problemen alleen kan oplossen? Juist wanneer het gaat om bijvoorbeeld lucht of water is dat volkomen onmogelijk. We moeten ons samen ook bezighouden met vrijheid, veiligheid en volledige werkgelegenheid. Juist met het oog op de crisis is het bijzonder belangrijk dat de Europese Unie daarvoor bevoegd is.
Gezien de kritieke situatie bij de energievoorziening is een nieuwe rechtsgrondslag voor het energiebeleid belangrijk. Wanneer we ons bezig houden met de internationale handel zien we dat we ook in het handelsbeleid in het belang van onze burgers dringend goede oplossingen moeten bedenken, en dan heb ik het nog niet over de ruimtevaart en intellectuele eigendom. Voor onze tegenstanders is het misschien ook niet onbelangrijk dat er een clausule voor de uittreding komt. Ik denk dat de nieuwe controlebevoegdheden en procedures de rol van dit Parlement zullen versterken, en ik vind dat we dit debat nog veel intensiever moeten voeren, omdat velen nog steeds niet hebben begrepen welke kansen dit nieuwe Europa te bieden heeft.
Libor Rouček (PSE). - (CS) Dames en heren, als parlementslid uit Tsjechië doet het mij extra deugd dat nu wij hier vandaag over de gevolgen van het Verdrag van Lissabon spreken, de Tsjechische senaat met een overweldigende meerderheid van 54 tegen 20 stemmen voor het Verdrag van Lissabon heeft gestemd. Uit deze stemmingsuitslag blijkt dat de Tsjechen het Verdrag van Lissabon volmondig omarmen. Per slot van rekening heeft het huis van afgevaardigden van het Tsjechisch parlement daar al eerder blijk van gegeven. Desondanks stond er direct iemand op, de president van de Republiek, om deze wil van het volk, deze duidelijke uitspraken van het huis van afgevaardigden en de senaat, in twijfel te trekken.
Václav Klaus, de president van Tsjechië, verwoordde dit als volgt: ”Ik ben uitermate teleurgesteld over het feit dat een aantal senatoren ondanks de ongekende politieke en mediale druk in zowel binnen- als buitenland hun tot voor kort openlijk beleden standpunten verloochend heeft – en daarmee ook hun politieke en persoonlijke integriteit – door in te stemmen met ratificatie van het Verdrag van Lissabon. Zij hebben de langetermijnbelangen van Tsjechië de rug toegekeerd en zij hebben deze ondergeschikt gemaakt aan de kortetermijnbelangen van de huidige politieke vertegenwoordiging en die van henzelf. Het is een zoveelste droevig blijk van falen van een groot deel van onze politieke elite. Ik wacht nu verder af of een groep senatoren, zoals een aantal van hen heeft aangekondigd, inderdaad het Constitutioneel Hof zal verzoeken om het Verdrag van Lissabon te toetsen aan onze grondwet. Indien het inderdaad zover komt, zal ik mijn besluit om het Verdrag van Lissabon al dan niet te ratificeren pas nemen na uitspraak door het Constitutioneel Hof.”
Het is de bedoeling dat we hier spreken over de gevolgen van het Verdrag van Lissabon op de ontwikkeling van het institutioneel evenwicht van de Europese Unie. Ik denk echter dat wij hier – en de leden van het Tsjechische huis van afgevaardigden en de Tsjechische senaat evenzeer – het maar beter kunnen hebben over het institutionele evenwicht in Tsjechië. Tsjechië is een parlementaire democratie. Desondanks heeft Tsjechië een president die ingaat tegen de wil van het huis van afgevaardigden, ingaat tegen de wil van de senaat en zich gedraagt als een absolutistisch monarch, als een dictator uit het land dat hij zo vaak bekritiseert, waar hij zo vaak in kritische bewoordingen op terugkijkt, namelijk de voormalige Sovjet-Unie. Goed, tot zover, om onze eurosceptici er even op te wijzen hoe het met de democratie in Europa gesteld is. Hoe het gesteld is met de democratie in ons land. Welk gedrag de president die u zozeer bewondert wel niet tentoonspreidt.
Kyösti Virrankoski (ALDE). - (FI) Mijnheer de Voorzitter, het Verdrag van Lissabon zal de begrotingsprocedure van de Europese Unie drastisch hervormen. Het meerjarig financieel kader zal verplicht worden, de verdeling van uitgaven in verplichte en niet-verplichte uitgaven zal verdwijnen en de begrotingsbehandelingen zullen korter worden.
Ik sta achter het vijfjarig financieel kader voor de ambtstermijnen van het Europees Parlement en de Commissie. Het zal het werk efficiënter maken en de instellingen de mogelijkheid bieden hun eigen beleidsstrategieën te bepalen.
Het opstellen van de begroting wordt een lastig proces. Je vraagt je af wie een zodanig ingewikkeld systeem heeft bedacht. Tot nu toe was het duidelijk welke instelling de definitieve bedragen voor de begroting bepaalt, maar nu moet er consensus zijn over elk detail, wat zeer intensieve onderhandelingen in het bemiddelingscomité kan inhouden.
Voor het Parlement vereist de nieuwe procedure een versterking van zijn beschikbare personeel. Anders zal het zijn mandaat niet volledig kunnen uitoefenen bij het opstellen van de begroting in het algemeen of bij de administratie van de Europese Unie in het bijzonder.
Tot slot wil ik de rapporteurs, vooral mevrouw Catherine Guy-Quint, bedanken voor hun uitstekende verslagen en, meer in het algemeen, voor hun uitstekende samenwerking in de loop der jaren.
Elmar Brok, rapporteur. − (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik dank u dat u mij de kans geeft om mijn opmerkingen wat eerder te maken.
Uit dit debat is wel gebleken dat in alle fracties en in alle lidstaten een grote meerderheid achter dit project staat, en dat ons beleid het juiste is voor de toekomst van Europa. Wanneer ik luister naar een aantal zeer kritische sprekers uit het Angelsaksische gebied dan denk ik eraan terug dat juist uit die hoek in de afgelopen maanden bijzonder veel om hulp is geroepen om de financiële crisis samen aan te pakken. Ik weet zeker dat die heren vroeger of later ook zullen begrijpen dat zij stellingen verdedigen die gebaseerd zijn op een visie waar Winston Churchill al zestig jaar geleden van af is gestapt.
Nu komen we in een werkelijk beslissende fase terecht. Na de besluiten die we in het Europees Parlement en in Praag met zo’n grote meerderheid hebben genomen mogen we nu niet de fout maken om al een triomf te vieren. Het is namelijk onze taak, en het is belangrijk, dat we in alle bescheidenheid het Ierse volk de mogelijkheid geven om vrij en soeverein zijn keuze te maken – met een verantwoordelijkheid voor het hele continent. Ik denk dat wij ertoe moeten bijdragen om dit mogelijk te maken. Ik hoop dat de Europese Raad eind juni de voorwaarden zal creëren om ook die laatste stap te kunnen zetten en dat de Ieren de kans krijgen om zich nog eens over deze kwestie te buigen.
Proinsias De Rossa (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ben verheugd over dit debat. Een tijd lang zag het ernaar uit dat het niet zou plaatsvinden. Ik ben blij dat het nu plaatsvindt, dankzij de vasthoudendheid van mijn collega’s. Het is zeer op zijn plaats dat dit Huis op verantwoorde en redelijke wijze de overgang na de mogelijke ratificatie van het Verdrag van Lissabon bespreekt. Het zou stom zijn om dat niet te doen. Ik zal er in de tweede helft van dit jaar hard aan werken dat er een ‘ja’ komt, of ik herkozen wordt of niet – en ik betreur dat een aantal van mijn vrienden er dan niet meer zullen zijn. Ik zal hen missen.
Vandaag wil ik echter in het bijzonder het Tsjechische voorzitterschap feliciteren met het feit dat zij ‘ja’ hebben gestemd, omdat zij zich vandaag voor de toekomst hebben uitgesproken. Het is enorm belangrijk dat deze boodschap aankomt: dat het bij de eenwording van Europa en de totstandbrenging van een verenigd Europa om de toekomst van de burgers van Europa gaat.
Nergens anders in de wereld dan in Europa zijn er 27 soevereine staten die een gezamenlijke besluitvorming op grensoverschrijdende basis hebben opgebouwd in het gemeenschappelijk belang van hun bevolking. Nergens anders dienen onafhankelijke staten hun collectieve besluiten ter goedkeuring en wijziging in bij een rechtstreeks gekozen multinationaal parlement. Deze Unie van ons is uniek. Het is een uniek democratisch experiment, dat niet helemaal zonder mankementen is. De Unie is aan een hervorming toe, en de hervormingen van het Verdrag van Lissabon zijn de hervormingen waarover we het op dit tijdstip eens kunnen worden. Ongetwijfeld zullen toekomstige Parlementen – en ook toekomstige Raden – nieuwe hervormingen voorstellen en overeenkomen.
Europa moet echter ook een nieuwe weg inslaan. Het moet zijn toewijding aan het sociale welzijn van onze volkeren opnieuw tentoonspreiden en een tegenwicht bieden tegen de vrijwel uitsluitende gerichtheid op de liberalisering van de markt, waarvan de afgelopen tien jaar sprake was. Er moet rekening worden gehouden met het feit dat de politieke, sociale en economische richting van deze Unie wordt aangegeven door de keuzes van het electoraat bij nationale verkiezingen, bij Europese verkiezingen en in de commissies die we gezamenlijk hebben opgezet en benoemd. Binnen de Europese Unie worden geschillen opgelost, die vroeger werden beslecht door jonge mannen in loopgraven. Het is mij een grote eer om deel te hebben aan dit Parlement, waarin we de macht van wapens hebben vervangen door de macht van het argument.
We mogen niet toelaten dat de eurosceptici de klok terugdraaien. Dat de beslissing van één lidstaat, die minder dan één procent van de Europese bevolking vertegenwoordigt, de hele Unie kan stilleggen, laat zien hoe fragiel onze constructie is. Maar het is ook typerend voor de kracht van de Unie dat we de volkeren van Europa zelf kunnen laten beslissen en toch kunnen overleven. Ik ben van mening dat we de Europese droom weer tot leven wekken bij onze burgers. We moeten ons niet laten demoraliseren door de oude mannen die in de achterste rijen daar helemaal rechts staan en die ons toeschreeuwen en ons vertellen hoe ondemocratisch we zijn, want dit is het parlement dat door de burgers van Europa is gekozen om besluiten te nemen voor de burgers van Europa.
Costas Botopoulos (PSE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, dit is inderdaad een plechtige dag: het Lissabon-pakket – zoals wij het noemen – wordt eindelijk behandeld door het Parlement; de Tsjechische senaat heeft ons een sprankje hoop gegeven; velen voeren voor de laatste keer het woord, de emoties zijn voelbaar; wij zijn deze zittingsperiode van het Parlement aan het afsluiten, en velen onder ons zijn emotioneel. Er heerst werkelijk een historische atmosfeer tijdens deze nachtelijke vergadering van het Parlement.
Als afgevaardigde met een janusgezicht, die lid is van zowel de Commissie constitutionele zaken als de Begrotingscommissie, zou ik vandaag graag een beetje dieper willen ingaan op het verslag van mevrouw Guy-Quint over het nieuwe begrotingssysteem en de gevolgen die het Verdrag van Lissabon zal hebben op dit nieuwe systeem. Zoals reeds gezegd, is dit systeem vooral democratischer. Voortaan worden alle uitgaven – de gehele begroting – aangenomen via de medebeslissingsprocedure tussen de Raad en het Parlement.
Deze begroting is tevens, en dat is nog belangrijker, een meer politieke begroting, omdat er sprake is van een – zoals mevrouw Guy-Quint het noemt – strategische interinstitutionele planning, dat wil zeggen dat alle organen van de Europese Unie overeenstemming bereiken over de begroting. Er kleven echter nog steeds onzekerheden aan dit systeem.
Zal het Parlement bijvoorbeeld werkelijk zijn rol vervullen, die in theorie wordt versterkt? Zal het profiteren van deze nieuwe macht, gezien het feit dat er tevens problemen zijn? Wij hebben minder tijd; er vindt slechts één lezing plaats. Het is derhalve aan het Parlement deze gelegenheid te grijpen – een uitdaging an sich – om zijn rol te vervullen. Zal de vijfjarige begrotingsperiode samenvallen met of worden benadrukt door de vijfjarige zittingsperiode van het Parlement? Dat is niet zeker. Wij moeten ook op dit gebied een inspanning leveren.
Wij hebben ook kansen gemist. Wij hebben de kans gemist ons te voorzien van meer eigen middelen, wij hebben de kans gemist – geeft u mij nog tien seconden omdat dit een formele nachtelijke vergadering is – een nieuwe begrotingsfilosofie te implementeren.
Tot slot wil ik onderstrepen dat wij voor uitdagingen staan: de uitdaging van de overgang – het is niet gemakkelijk om rechtstreeks over te gaan op een ander systeem – en de uitdaging van de flexibiliteit – wij moeten flexibeler zijn om het hoofd te kunnen bieden aan de crises.
Ik sluit af met de wens dat dit allemaal wordt voortgezet met de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Lissabon.
De Voorzitter. - Aangezien ik zelf met een janusgezicht in dezelfde commissie als u zit, mijnheer Botopoulos, kon ik niet anders dan u deze 40 seconden te geven.
Justas Vincas Paleckis (PSE). – (LT) Ik denk dat iedereen die hier vanavond bij deze late vergadering aanwezig is zich deze bijeenkomst nog lang zal herinneren en dat we hiermee iets te vertellen hebben aan onze kinderen en kleinkinderen. Zelfs vanavond kunnen we allemaal de klappen voelen die door de stormen van de financiële crisis aan het Europese schip worden toegebracht. Het is duidelijk dat de aandrijving van het schip, het mechanisme van de verdragen, te zwak is en per direct vervangen dient te worden.
Het Verdrag van Lissabon vormt de sterkere motor die we nodig hebben om de crisis te lijf te gaan. Daarom ga ik akkoord met de verslagen die momenteel worden besproken en ik ben het eens met mijn collega's die benadrukken dat het niet erg democratisch is als de rots van één referendum het gehele Europese schip doet vergaan en als een staatshoofd zich kan inbeelden dat hij als enige in de maat loopt en dat de mening van de andere 26 landen er niet toe doet. Ik denk dat de Ierse stemmers hun eigen conclusies zullen trekken over wat er in Europa en de rest van de wereld gebeurt.
Avril Doyle (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ben vanavond de laatste van de sprekerslijst voor de http://www.epp-ed.euen als Ierse afgevaardigde veronderstel ik dat dit niet zonder reden is.
Graag wil ik allereerst alle rapporteurs van de vijf verslagen bedanken. Ik ben zeer verheugd dat we ze kunnen bespreken en net als andere Ierse collega’s heb ik via mijn Ierse fractie gevraagd om hier vanavond deze situatie tot stand te brengen, waarin we over vijf zeer belangrijke verslagen kunnen spreken.
Ik wil graag om te beginnen heel duidelijk maken dat wat ik vanavond in dit debat ga zeggen volledig berust op het volgende: het zou niet gepast zijn en het is ook niet mijn bedoeling om op enigerlei wijze vooruit te lopen op of uit te gaan van het besluit van het Ierse volk bij het komende tweede referendum over het Verdrag van Lissabon, dat net, eerder deze week, door onze premier Brian Cowen is aangekondigd.
In de conclusies van de Europese Raad van afgelopen december is een pakket maatregelen opgenomen dat is voortgekomen uit onderzoek na ons referendum in juni: maatregelen die worden genomen in reactie op de zorgen van de Ierse ‘nee’-stemmers, zoals onze premier ze in december voor de bijeenkomst van de Raad heeft verwoord, samen met een routekaart die uitvoering van het verdrag tegen het eind van 2009 mogelijk moet maken.
In dit pakket zit het behoud van het principe van één commissaris per lidstaat, de bevestiging van het belang dat de Unie hecht aan de rechten van werknemers en andere sociale kwesties en een reeks wettelijke garanties inzake de neutraliteit van het belastingstelsel en de voorschriften van de Ierse grondwet met betrekking tot het recht op leven, onderwijs en het gezin.
Op de Europese Raad in het voorjaar heeft onze premier de partners geïnformeerd dat nu volgens het in december afgesproken tijdsschema aan de uitvoering van deze afspraken wordt gewerkt en dat dit werk halverwege 2009 afgerond zou moeten zijn.
Indien onze regering helemaal tevreden is over de uitkomst, zal de premier, zoals hij heeft toegezegd, tot ratificatie van het verdrag overgaan tegen het eind van de zittingsperiode van de huidige Commissie, wat naar ik heb begrepen aan het eind van oktober zal zijn. Ik hoop werkelijk dat de belofte dat er in het begin van het najaar een referendum wordt gehouden, betekent dat dit op zijn laatst begin oktober zal plaatsvinden.
Aangezien de macht van het Europees Parlement krachtens het Verdrag van Lissabon toeneemt, is het begrijpelijk dat de Parlementsleden zich buigen over de institutionele en procedurele gevolgen van het verdrag. Daarom houden we vanavond dit debat over de vijf verslagen.
De bespreking van deze kwestie door het Europees Parlement vindt vanavond plaats op een moment dat vier lidstaten – Ierland, Tsjechië, Duitsland en Polen – volgens mijn draaiboek voor vanavond het ratificatieproces nog moeten afronden. Technisch gezien klopt dat, maar ik wil graag vanavond Tsjechië feliciteren – en dan in het bijzonder de Tsjechische senaat – voor de volledige goedkeuring die het Tsjechische parlement heeft gegeven waardoor de president, hopelijk, het verdrag namens het Tsjechische volk kan ratificeren. Ik heb begrepen dat er nog een juridische controle moet plaatsvinden. Ik hoop dat dit niet meer dan een technisch uitstel is.
Natuurlijk moeten alle landen het verdrag ratificeren voordat het in werking treedt en er kan inderdaad worden gezegd dat 26 Europese parlementen – de parlementen van 26 lidstaten – er ‘ja’ tegen hebben gezegd en dat nu alleen nog de Ieren dat moeten doen.
De wens van het Parlement om de in deze documenten en verslagen opgeworpen kwesties te onderzoeken, respecteer ik volledig. Daarbij mag de nog niet afgeronde ratificatieprocedure geen belemmering zijn en mogen we niet anticiperen op een mogelijke uitkomst van deze procedure.
Sta mij toe te zeggen dat ik bezwaar maak tegen het opportunistische gemekker van enkele eurosceptische conservatieven in ons Parlement. Wat ze zeggen moet worden gezien voor wat het is. Mijn boodschap voor hen is duidelijk: bemoei je niet met een autonome Ierse beslissing, want niemand kan de Ierse kiezers vertellen wat ze moeten doen.
Dit is mijn laatste bijdrage hier in het Parlement en ik wil u graag bedanken, alle voorzitters van het Parlement, de Commissie, het Tsjechische voorzitterschap en alle collega’s, voor wat voor mij als lid van het Europees Parlement tien bijzonder waardevolle jaren zijn geweest. Ik kijk uit naar een ‘ja’ van het Ierse volk bij ons tweede referendum in oktober.
Mairead McGuinness (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, het is tegenwoordig prettig om de eerste te zijn op de lijst van wie dan ook. Ik wil Avril, nu zij klaar is en afscheid van het Europees Parlement neemt, graag het allerbeste wensen. We kunnen van haar zeggen dat ze na het referendum in Ierland over het Verdrag van Lissabon de ‘fossielen’ er echt flink van langs heeft gegeven en dat haar fantastische spreekstijl ons nog lang zal heugen. Ik wens je het beste Avril, en ik hoop dat je, ook als je gepensioneerd bent, nog aan de ‘ja’-campagne voor Lissabon zult deelnemen.
Dit was een zeer interessant debat. Mijn lichaam en geest wilden naar huis om te slapen, maar het was zo goed dat ik het niet had willen missen en het was ook te belangrijk – omdat ik Ierse ben – om weg te kunnen gaan. Ik wil graag dit zeggen – en hierbij richt ik me tot de kiezers: u bepaalt welke kant we op gaan. De keuze is aan u. U kunt stemmen voor de standpunten van een paar boze oude mannen – en dan bedoel ik mannen en vrouwen, maar toch voornamelijk mannen – van extreemrechts en extreemlinks in dit Parlement en in deze Europese Unie. Dat doet veel stof opwaaien en levert veel krantenkoppen en foto’s op, maar in dit Parlement wordt er dan niets tot stand gebracht. Of u kunt, zowel bij de parlementsverkiezingen als wat Lissabon betreft, uw stem geven aan positieve, hardwerkende mensen, die niet de krantenkoppen halen maar die hier nuttig werk verrichten.
Ik denk dat het Ierse volk weet dat de situatie nu anders is. In het vorige debat zijn ze om de tuin geleid. We hebben sinds de ‘nee’-stem een betere discussie gevoerd en ik verzoek hen dringend om ‘ja’ te stemmen voor hun eigen toekomst, voor de toekomst van mijn kinderen en voor de toekomst van de Europese Unie.
Siiri Oviir (ALDE). – (ET) Wij blijven hier vanavond – eigenlijk is het al nacht – om te debatteren over de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Lissabon. Het voorbereiden van de inwerkingtreding van het verdrag en het feit dat dit op tijd gebeurt is een teken van verantwoordelijkheid. Een goede voorbereiding van de tenuitvoerlegging van een dergelijk belangrijk verdrag geeft het vertrouwen dat de Europese Unie goed functioneert en daarmee kan zij de taken, waarvan de burgers van de Europese Unie verwachten dat hun gekozen vertegenwoordigers ze oplossen, doeltreffender uitvoeren.
Misschien zijn de stappen die worden gedaan niet groot genoeg. Sommige burgers geloven dat het Handvest van de grondrechten te retorisch is, maar het Verdrag van Lissabon is toch een serieuze stap vooruit. Het is een antwoord op de veranderde behoeften van de Europese Unie. Door hun steun aan het verdrag te geven, hebben de door burgers gekozen parlementen van 26 lidstaten dit antwoord gegeven.
De verslagen van vandaag tonen aan dat de Europese Unie op creatief gebied zelfverzekerd is door de overgangsfase pragmatisch voor te bereiden. Wij kunnen niets nieuws creëren door pessimisme en vertragingstactieken. Ik bedank de rapporteurs voor hun moed en hun vermogen om de benodigde documenten op te stellen.
Zita Pleštinská (PPE-DE). – (SK) Geachte collega's, we kunnen niet beweren dat het Verdrag van Lissabon het beste is waar iedere lidstaat van de EU-27 op hoopte, maar het is het hoogst haalbare voor de EU-27. Tot op heden kwamen alle verdragen voort uit de EU-15 en om die reden wil ik de politieke boodschap onderstrepen van het Verdrag van Lissabon, dat een beginpunt markeert voor de EU-27, zodat we in de toekomst eindelijk de EU niet langer opsplitsen in oude en nieuwe lidstaten.
Het Europees Parlement heeft laten zien in staat te zijn om operationele besluiten te nemen en daarom is het terecht dat het Verdrag van Lissabon meer macht toekent aan de gekozen vertegenwoordigers van de Europese burgers. Als het Verdrag van Lissabon van kracht gaat in alle EU-lidstaten zullen er veel veranderingen optreden. Zo zal er een eind komen aan het huidige roulatiesysteem van het voorzitterschap in de Raad. Wat nog veel belangrijker is, is dat de EU over een gemeenschappelijk energiebeleid zal beschikken dat met name ten tijde van de gascrisis bewezen heeft noodzakelijk te zijn.
Ik juich de beslissing van vandaag van de Tsjechische senaat om het Verdrag van Lissabon goed te keuren, toe. Dit is een zeer belangrijk signaal dat het Tsjechisch parlement uitzendt aan de EU tijdens het Tsjechisch voorzitterschap.
Daniel Hannan (NI). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb de afgelopen zestien maanden in dit Parlement 77 keer het woord gevoerd en ik heb aan het eind van elke interventie een oproep gedaan om het Verdrag van Lissabon in een referendum aan het volk voor te leggen: Pactio Olisipio censenda est.
Ik deed dit als eerbetoon aan Cato de Oude, die erom bekend stond dat hij elke toespraak eindigde met een oproep voor de verwoesting van Carthago. Soms kostte het me enige moeite om vanuit een ander onderwerp bij dat einde uit te komen, maar vanavond niet.
Het is opmerkelijk wat je te horen krijgt, als je naar sommige bijdragen luistert. Dat geldt niet voor alle bijdragen. Er zijn enkele respectabele en democratische pro-Europeanen in dit Parlement, maar sommige toespraken getuigen van een dusdanige verachting, een dusdanige arrogantie, een dusdanige minachting van de publieke opinie, dat – nu de EU en de lidstaten zich bewust beginnen te worden van de politieke waarde van YouTube – dit hele debat het beste als verkiezingsuitzending voor de verschillende ‘nee’-campagnes op YouTube gezet zou kunnen worden.
Ik moest denken aan die angstaanjagende woorden van Bertolt Brecht: zou het in dat geval niet gemakkelijker zijn om het volk weg te sturen en een nieuw volk te kiezen? En alle sprekers blijven maar herhalen dat de parlementen geratificeerd hebben. Ze laten alleen maar duidelijk zien hoe groot de kloof tussen de politiek en de burgers in elke lidstaat is.
Cato de Oude werd bespot en uitgescholden en de andere senatoren deden zijn stem na, maar uiteindelijk hebben ze toch maar mooi gedaan wat hij heeft gezegd.
Paul Rübig (PPE-DE). − (DE) Mijnheer de Voorzitter, de vorige spreker heeft net aangetoond hoe moeizaam de verdere ontwikkeling van de democratie in Europa is. In Ierland heeft de helft van de bevolking niet deelgenomen aan het referendum, omdat het een bijzonder complexe materie is, en niet iedereen heeft constitutioneel recht gestudeerd. En de helft van degenen die wel hebben deelgenomen heeft tegen gestemd omdat ze het verdrag niet hadden gelezen. Hoe kunnen we in Europa ooit een hervorming doorvoeren wanneer we er niet in slagen om de politici ertoe te brengen om hun verantwoordelijkheid ook werkelijk op zich te nemen?
In dat verband spelen commissaris Wallström en haar team een heel bijzondere rol. We moeten de Europese bevolking informeren, we moeten degenen die hier belangstelling voor hebben toegang tot alle informatie bieden, zodat we met kennis van zaken kunnen discussiëren. We moeten veel vaker contact zoeken met de Europese publieke opinie, we moeten informatie verstrekken en duidelijk maken hoe belangrijk de hervorming is voor de verdere ontwikkeling van ons Europa. Dat zijn we met elkaar eens.
Richard Corbett (PSE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag even horen waarom ratificatie door nationale parlementen niet wettig zou zijn. Indien dat zo is, wil ik graag het voorbeeld van mijn eigen land aanhalen, dat in zijn hele geschiedenis nog nooit een internationaal verdrag door middel van een referendum heeft geratificeerd.
In dat geval, indien ratificatie van een verdrag door nationale parlementen onwettig is, geldt dit ook voor het NAVO-verdrag, het VN-verdrag, de Wereldhandelsorganisatie, kortom iedere overeenkomst die Groot-Brittannië ooit door middel van een internationaal verdrag is aangegaan. Ik begrijp daarom dit argument niet, dat ratificatie door nationale parlementen om de een of andere reden ondemocratisch zou zijn.
Bernard Wojciechowski (IND/DEM). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, in Polen zal waarschijnlijk slechts 13 procent van de kiezers zijn stem uitbrengen voor de Europese verkiezingen. Dit zal allicht ook de laagste opkomst in de hele Europese Unie zijn. Waarom? Kijkt u eens goed om zich heen. In dit halfrond is tijdens een zo belangrijk debat geen enkele vertegenwoordiger van de twee belangrijkste Poolse politieke partijen aanwezig. Deze gang van zaken geeft een duidelijk beeld van de houding van deze partijen ten aanzien van de verkiezingen en de Europese aangelegenheden: een totaal gebrek aan betrokkenheid.
Het debat over Europa, dat nochtans een ernstige kwestie is, wordt in Polen niet gevoerd. Hoe kan er ook sprake zijn van een dergelijk debat indien – ik benadruk het nogmaals – er tijdens dit debat in het Europees Parlement niet eens vertegenwoordigers van de Poolse regerings- en oppositiepartijen aanwezig zijn? Ik krijg stilaan de indruk dat het toonaangevende deel van de Poolse politieke klasse geen belangstelling heeft voor Europese kwesties. Dat is ook de indruk die de kiezers hebben. Dat is de mening van vele jonge mensen in Polen met wie ik heb gepraat en die zich bijvoorbeeld wel interesseren voor het Verdrag van Lissabon. Helaas laat de Poolse politieke klasse het op dit gebied afweten.
Ewa Tomaszewska (UEN). – (PL) Het spijt me, maar ik moet protest aantekenen tegen deze woorden! Ik ben lid van de Partij voor Recht en Rechtvaardigheid, de grootste oppositiepartij. De bewering dat hier niemand aanwezig is van die partij is dus niet correct.
Syed Kamall (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, dank u wel dat ik hier het woord kan voeren. Ik denk dat dit een interessant debat is geweest, hoe men ook over het Europese project en het Verdrag van Lissabon denkt.
Er is veel verwezen naar oude mannen en oude fossielen, maar ik wil graag iets zeggen vanuit mijn standpunt. Ik zie hier een oudere generatie politici die vasthoudt aan opvattingen uit de jaren vijftig – die krampachtig vasthoudt aan een oplossing voor de problemen en uitdagingen in de wereld die stamt uit de jaren vijftig. Als je hier in het Parlement om je heen kijkt, zie je veel oudere mensen die allemaal voor het Verdrag van Lissabon pleiten en die allemaal de mensen uit Ierland en andere landen die ‘nee’ hebben gezegd tegen de oorspronkelijke grondwet en het Verdrag van Lissabon, veroordelen. We zien zelfs oude veteranen die nu spreken over het neerleggen van de wapens en die uit naam van de vrede spreken.
Ja, in de jaren vijftig was dat een naoorlogse oplossing voor wat er daarvoor was gebeurd, maar we moeten met de wereld meedraaien. Als het om democratische verantwoording gaat, moeten we één ding niet vergeten. Toen we met de grondwet begonnen, gold de regel dat ieder land moest ratificeren en dat hij anders werd afgewezen. Toen we met het Verdrag van Lissabon begonnen, gold dezelfde regel: ieder land moest het ratificeren en anders werd het verworpen. Laten we dus niet verdergaan met het Verdrag van Lissabon totdat alle landen hebben geratificeerd. Als we een werkelijk democratisch debat willen, bied het Britse volk dan een keuze. Steunen ze het standpunt van de heer Corbett, van een federaal Verenigde Staten van Europa, of willen ze het lossere Europa van de vrijhandel, waar mijn fractie voorstander van is?
Margot Wallström, vicevoorzitter van de Commissie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de geachte afgevaardigden graag bedanken voor dit interessante debat waarbij ten dele op een aantal punten consensus bestond, dat ten dele een herhaling was van bekende argumenten voor en tegen het verdrag en ten dele een zeer interessant debat over het wezen van democratie. Ik hoor hier voor het eerst over totalitaire systemen waarbij in een aantal lidstaten steeds opnieuw referenda worden toegestaan, en waarom de resultaten van sommige referenda zijn vergeten of niet meetellen – vooral die waarbij de uitslag een ‘ja’ zou betekenen.
Dit debat ging ook over legitimiteit. Ik vind het nog steeds vreemd – en ik heb dit eerder gezegd – dat een Parlement als dit zou kunnen zeggen dat een beslissing van een nationaal parlement antidemocratisch of onwettig zou zijn of niet zou tellen. De Commissie heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat ieder systeem dat men kiest – stemmen via een referendum of door een besluit van het nationale parlement – democratisch is. Ik zie niet in hoe een ander standpunt te verdedigen valt.
Iedere Europese burger die naar dit debat luistert, zou willen dat wij weer naar deze verslagen kijken, waarin enkele ernstige zorgen zijn verwoord over de manier waarop wij beslissingen nemen, over de regels, over de vraag hoe we deze Europese Unie democratischer kunnen laten werken, en de vraag hoe we de begroting op een juiste manier kunnen gebruiken om middelen voor onze politieke prioriteiten beschikbaar te stellen. Al deze kwesties worden in deze belangrijke verslagen behandeld.
Het gaat hier ook om de vraag hoe we op een effectieve en hopelijk snellere manier beslissingen kunnen nemen. Ik vond wat mijnheer Lundgren zei ronduit verbijsterend. Denken we echt dat we alles moeten vertragen en dat de besluitvorming minder snel moet verlopen, terwijl we met een economische crisis van deze omvang worden geconfronteerd? Mensen verwachten van ons dat we actie ondernemen om banen en groei veilig te stellen, om klimaatverandering en de energiecrisis aan te pakken en om de problemen te bestrijden die samenhangen met immigratie en veiligheid – al die dingen. Dat vormt de basis, ook voor deze verslagen. Daarom zitten we hier en op die manier krijgen we democratische legitimiteit – als we laten zien dat we daden kunnen stellen en dat we snel daden kunnen stellen. Ik denk dat arrogante, snobistische interventies, waarin ons een lesje over het een of ander wordt geleerd, ook niet helpen. Het gaat echt om de aanpak van deze problemen, wat tegenwoordig geen nationale problemen zijn. Het zijn Europese en internationale problemen en we hebben moderne regels nodig.
We hebben een democratischer Unie nodig, die het de burgers toestaat om het initiatief te nemen. Daar horen we nooit iets over van de tegenstanders. We horen ze nooit iets zeggen over de democratische kracht in het Verdrag van Lissabon, daar ontbreekt het hier aan. Deze verslagen bieden ons een goed fundament en een goed platform om onze werkwijze te hervormen. Van de kant van de Commissie zijn we natuurlijk bereid om hiermee verder te gaan en alle details uit te werken om ervoor te zorgen dat we dit snel kunnen uitvoeren.
Als laatste wil ik met betrekking tot Ierland zeggen dat na dit ‘ja’ van de Tsjechische senaat alle ogen natuurlijk weer op Ierland zijn gericht en op de mogelijkheid van ratificatie aan het eind van het jaar. De kwestie van de juridische garanties is hier natuurlijk van essentieel belang, en zowel de inhoud als de timing zijn zeer belangrijk. Wij als Commissie vertrouwen erop dat de Raad van de Europese Unie deze kwestie kan oplossen. Ik weet ook dat er momenteel grondige voorbereidingen worden getroffen en, indien mogelijk, zullen wij van de kant van de Commissie ook een bijdrage leveren.
Hartelijk dank en ik ben u ook dankbaar dat dit ook een sociale gebeurtenis is, waarbij mensen elkaar bedanken voor de goede samenwerking en al degenen die afscheid nemen succes wensen. Ik neem aan dat we elkaar allemaal in de verkiezingscampagne op een of andere manier weer zullen treffen.
(Applaus)
De Voorzitter. – Geachte commissaris, aangezien dit de laatste avondzitting is, kan ik u namens het Parlement zeggen dat wij ons zeer wel bewust zijn geweest van de uitstekende kwaliteit van onze verslagen gedurende deze zittingsperiode. Ik dank u nogmaals.
Jo Leinen, rapporteur. − (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de vicevoorzitter, ik zou mevrouw Doyle willen bedanken voor haar bijdrage vanuit een Iers standpunt, waar ik volledig achter sta. De Ierse bevolking moet autonoom en zonder druk van buitenaf beslissen – heel waarschijnlijk in oktober – of de garanties waarover nu tijdens de top in juni wordt onderhandeld hun grootste bezwaren tegen dit verdrag uit de weg kunnen ruimen, en of ze zich onder die omstandigheden kunnen aansluiten bij de andere 26 landen, en ook de stap kunnen zetten op weg naar een hervorming van de Europese Unie.
Ik hoop dat ook de grote buurman Groot-Brittannië de onafhankelijke opinievorming in Ierland zal respecteren. Tijdens de campagne voor het eerste referendum zijn namelijk allerlei Britse tegenstanders van het verdrag Ierland afgereisd, en vooral de eurofobe Britse boulevardpers heeft ertoe bijgedragen dat de Ierse bevolking begon te twijfelen. Dat wil ik ook wel eens zeggen, dat deze mensen bij het tweede referendum respect moeten hebben voor een autonome opinievorming van de Ierse bevolking!
Dit was een groot debat, een belangrijk debat! Na het resultaat van vandaag hebben dus de parlementen in 26 landen ja gezegd. Inderdaad hebben 350 volksvertegenwoordigers nee gezegd, maar meer dan 7 800 volksvertegenwoordigers in die 26 landen zijn van mening dat dit een goed verdrag is, dat ons iets oplevert. Dat kunnen toch niet allemaal domoren en warhoofden zijn? Zo slecht als ook sommige leden van dit Parlement aan de hand van stereotypen telkens weer beweren kan dit verdrag volgens mij toch niet zijn! Wie zegt dat dit een militaire unie is beseft niet wat het eerste doel van de EU is, namelijk de vrede te dienen – op ons continent en overal ter wereld. En wie zegt dat er door dit verdrag een neoliberale economische orde wordt gecreëerd heeft het verdrag niet gelezen. Dit is het meest sociale Europese verdrag dat er ooit is geweest!
Ik dank iedereen, ook mevrouw de vicevoorzitter, en ook de collega’s. En ik hoop dat het nieuwe Parlement zal doen wat er in de verslagen staat, en het verdrag dus zal toepassen en implementeren. Ik dank u hartelijk!
Jean-Luc Dehaene, rapporteur. − Voorzitter, collega's, ik denk inderdaad dat we vanavond een goed debat gehad hebben, dat ook aantoont dat het Europees Parlement klaar is voor de implementatie van het Verdrag van Lissabon en waarbij in generlei mate wordt vooruit gelopen op wat de beslissing van het Ierse volk zal zijn. Maar ik denk dat het ook van belang is dat het Parlement aan de vooravond van de verkiezingen een duidelijk en zodanig standpunt inneemt dat het in een sterke positie verder over dit verdrag kan onderhandelen.
Ik dank alle collega's voor de steun, en ik wil ook benadrukken hoe complementair de vijf verslagen zijn en dat ze inderdaad op dat vlak een eenheid vormen die de positie van het Parlement vastlegt. Ik wil tot slot eindigen waar ik bij mijn eerste tussenkomst geëindigd ben: ik blijf bezorgd over de situatie na de verkiezingen, over de overgang tussen het Verdrag van Nice naar het Verdrag van Lissabon.
Ik blijf ervoor pleiten dat we moeten proberen daar vóór de verkiezingen tussen Raad en Parlement een aantal afspraken over te maken. Zo niet, dan vrees ik dat wij na de verkiezingen in een vrij verwarde positie terechtkomen waar niemand iets bij te winnen heeft. Die afspraken moeten zó duidelijk zijn, dat Parlement en Raad weten waaraan zij zich in die moeilijke overgangsperiode moeten houden.
Catherine Guy-Quint, rapporteur. − (FR) Mijnheer de Voorzitter, dit debat was zeer interessant en heftig. Staat u mij echter toe een humoristische blik te werpen op hetgeen de heer Kamall zojuist heeft gezegd, omdat het werkelijk kostelijk is ons oudjes te noemen – dus fossielen –, nu wij met pensioen gaan en plaats maken voor de jongeren.
Ik wil echter het volgende zeggen tegen allen die de vloer hebben aangeveegd met dit ontwerpverdrag: verwar democratie niet met demagogie! Sinds acht jaar maken wij in dit Parlement, in geheel Europa, geen psychologisch drama mee, maar een politieke tragedie waarin Europa verstrikt is geraakt, en wij kunnen duidelijk zien dat wij de actuele problemen aan het omzeilen zijn.
Dit debat sterkt mij in mijn overtuiging dat dit verdrag ten uitvoer moet worden gelegd, ondanks alle moeilijkheden die zijn genoemd, omdat het dankzij zijn inhoud transparantie teweegbrengt. Het zal democratie teweegbrengen, en die democratische schok hebben wij allen nodig om het Europese project weer te richten op de politiek, en de politiek van de eenentwintigste eeuw toegepast op de wereld van vandaag.
De begroting is in dit opzicht slechts een instrument, maar hiermee kunnen wij ervoor zorgen dat de instellingen weer in evenwicht worden gebracht. En dankzij die transparantie kunnen wij het standpunt van het Parlement, van de Commissie en met name van de Raad leren kennen. Deze politieke wil is absoluut noodzakelijk. Deze transparantie is absoluut noodzakelijk in de strijd tegen de kanker van het nationale egoïsme, die al zo veel jaren het Europese politieke project aantast.
Ik hoop dat deze transparantie alle Europese burgers weer vertrouwen zal inboezemen en dat zij ons in staat zal stellen informatie beter te ontwikkelen, omdat dit zeer moeilijk is. Mevrouw Wallström, u houdt zich reeds jaren hiermee bezig, u begint vooruitgang te boeken; u moet volharden.
Dit alles vergt vertrouwen, tijd en vooral politieke moed, die wij missen. Wij moeten die politieke moed en dat utopisme hervinden, het utopisme van de grondleggers van de Europese Unie, van hen die geloofden dat vrede kon voortkomen uit oorlog. Wij moeten thans, in de 21e eeuw, op onze eigen wijze deze uitdaging aangaan, en een van de instrumenten die ons hierbij zullen helpen, is het Verdrag van Lissabon. Laten we de utopie weer tot leven wekken, de utopie voor de vrede!
De Voorzitter. – De gecombineerde behandeling is gesloten.
De stemming vindt morgen om 12.00 uur plaats.
Schriftelijke verklaringen (artikel 142)
Sebastian Valentin Bodu (PPE-DE), schriftelijk. – (RO) Er hoeft nog maar een kleine stap genomen te worden richting de goedkeuring van het Verdrag van Lissabon dat, als het eenmaal van kracht is, de Europese Unie en haar 500 miljoen inwoners een stuk nader tot elkaar brengt. Roemenië, het land dat ik vertegenwoordig hier in het Europees Parlement, was een van de eerste landen die het verdrag ratificeerde, omdat alle beleidsvormers in dit land geloven in Europese integratie.
De verkiezingen van het Europees Parlement worden niet in overeenstemming met het Verdrag van Lissabon georganiseerd, maar zelfs dit benadrukt hoe democratisch en representatief deze instelling van de Europese Gemeenschap is en hoe belangrijk alle afzonderlijke lidstaten zijn.
De Europese instellingen, inclusief het Parlement, zijn op dit moment veel te abstract voor de burgers van de Gemeenschap. Het belang van het Parlement in het besluitvormingsproces van de EU is met ieder Europees verdrag toegenomen. Het Verdrag van Lissabon vormt hier geen uitzondering op, omdat het een parlement tot stand brengt waarvan de betrokkenheid bij het wetgevingsproces duidelijk groter is.
Het verdrag brengt de EU dichter bij haar burgers. We weten allemaal hoe moeilijk het is om de problemen van de Gemeenschap onder de aandacht te brengen van de burgers in de landen waar we vandaan komen. Het feit dat de afgevaardigden, die direct door iedere lidstaat worden gekozen, meer macht krijgen, is op dit moment de perfecte oplossing om een in de wereld unieke instelling dichter bij haar mensen te brengen.
Cristian Silviu Buşoi (ALDE), schriftelijk. – (RO) Allereerst juich ik de stem voor het Verdrag van Lissabon door de Tsjechische senaat toe, waardoor het gehele ratificatieproces een stap vooruit maakt. Ik denk dat het wenselijk is om dit verdrag zo snel mogelijk in te voeren, omdat dit tot meer doeltreffendheid, meer transparantie en met name meer democratie zal leiden.
Ik ben het eens met de conclusies van de rapporteur over de reorganisatie van het Europees Parlement en ik hoop dat de bevindingen van de werkgroep parlementaire hervorming de uitgebreide rol van het Parlement zullen weerspiegelen, zoals vastgelegd in het verdrag.
Ik wil graag enkele opmerkingen plaatsen over de benoemingsprocedure van de Europese Commissie. In principe ben ik het eens met de voorgestelde tijdsplanning voor de benoeming van de Commissie, maar naar mijn idee kunnen bepaalde fasen vermoedelijk worden ingekort zodat de Europese instellingen niet maandenlang stilliggen zodra we Europese verkiezingen hebben. Aangezien het Verdrag van Lissabon niet op tijd geratificeerd is, is het wenselijk dat na de verkiezingen van 2009 een procedure wordt gebruikt voor het maken van afspraken die veel dichter bij de procedure ligt die in het Verdrag van Lissabon is opgenomen. Het probleem blijft echter complex, omdat, tot op het moment dat we de uitslag van de Ierse stemming weten, we in ons achterhoofd moeten houden dat we ons moeten voegen naar het Verdrag van Nice dat momenteel van kracht is.
Dushana Zdravkova (PPE-DE), schriftelijk. – (BG) Dames en heren, volgens mijn collega, Elmar Brok, geeft het verslag over de betrekkingen met de nationale parlementen een uitstekend overzicht van de taken die het Europees Parlement te doen staan na de definitieve bekrachtiging van het Verdrag van Lissabon door alle lidstaten. Het versterken van de rol van de nationale parlementen in het wetgevingsproces van de Europese Unie zal niet alleen de omzetting van Europese wetgeving in nationale wetgeving versnellen, ook zullen EU-burgers weer een nieuw middel hebben om aan de regering deel te nemen.
De positieve resultaten die tot dusver zijn behaald door de samenwerking in de COSAC moeten als basis dienen voor een vergrote deelname van parlementsleden uit alle lidstaten. Ik denk dat het van essentieel belang is om ook vertegenwoordigers van de parlementen van de kandidaat-lidstaten voor toetreding tot de Europese Unie daarin te betrekken. Zo kunnen we ervoor zorgen dat hun toetreding tot de EU een eenvoudiger en soepeler verloop heeft. Deze kwestie is in het verslag en in de Verdrag van Lissabon niet onderzocht, maar ik heb er vertrouwen in dat het Parlement mechanismen zal vinden om deze alsnog te onderzoeken.
Tot slot zou ik willen benadrukken dat de nationale parlementen hun bestuurscapaciteit zullen moeten vergroten en ervoor zorgen dat er voldoende financiële middelen zijn zodat ze hun nieuwe bevoegdheden volledig kunnen uitoefenen.