De Voorzitter. − Aan de orde is het debat over de mondelinge vraag (O-0088/2009) van Eva Joly, namens de Commissie ontwikkelingssamenwerking, aan de Commissie: De gevolgen van de wereldwijde financiële en economische crisis voor ontwikkelingslanden en ontwikkelingssamenwerking (B7-0209/2009).
Eva Joly, auteur. − (FR) Mijnheer de Voorzitter, commissarissen, dames en heren, ik heb het genoegen u vandaag deze mondelinge vraag te kunnen stellen namens de Commissie ontwikkelingssamenwerking, maar het spijt me dat ik u niet de resolutie over dit onderwerp kan voorleggen, die met eenparigheid van stemmen door die commissie is aangenomen.
Mijn collega’s van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en ikzelf hebben alles op alles gezet om ervoor te zorgen dat die resolutie in de commissie zou worden aangenomen en tijdens de plenaire vergadering zou worden besproken vóór de G20-Top in Pittsburgh.
Buiten de Verts/ALE-Fractie, mijn eigen fractie dus, en de GUE/NGL-Fractie heeft geen enkele andere fractie ons verzoek gesteund om deze resolutie op de agenda te zetten, hoewel we daar toch echt niet buiten kunnen als we willen dat het Europees Parlement een grotere rol gaat spelen bij de vaststelling van het buitenlands beleid van de Europese Unie en een instantie wordt waarvan de voorstellen er echt toe doen.
Dames en heren, welk belang zullen wij hebben bij het aannemen van deze resolutie, waarin bepaalde verzoeken en de voorstellen van het Europees Parlement aan de leden van de G20 zijn geformuleerd, met name aan de EU-lidstaten die daar deel van uitmaken, maar ook aan de Europese Commissie, in de plenaire zitting van oktober, dus na de Top van Pittsburgh?
Afgezien van het feit dat dit ook afbreuk zou doen aan de geleverde inspanningen, kunnen wij ons niet tevredenstellen met de rol van commentator op de actualiteit. Dat is niet onze taak. Dat moeten we overlaten aan degenen die dat voor hun beroep doen, met de nodige professionaliteit: de journalisten.
De ontwikkelingslanden hebben ons harder nodig dan ooit. Hoewel onze medeburgers niet worden gespaard, zal de economische en financiële crisis zich veel langer doen voelen voor de bevolkingen van de ontwikkelingslanden. Deze zijn echter niet de voornaamste begunstigden van de noodleningen van de financiële instellingen, omdat maar een paar van die landen voldoen aan de voorwaarden.
Zo is er van de leningen van het IMF sinds de laatste vergadering van de G20 in Londen en de verhoging van de middelen van het Fonds slechts 1,6 procent naar de Afrikaanse landen gegaan. De rest ging naar de ontwikkelde, met name Europese, landen.
Het klopt dat het Europese economische systeem hoe dan ook overeind moest blijven, maar dat wil nog niet zeggen dat we geen oog meer hoeven te hebben voor de ellende die woedt aan onze grenzen, een situatie die nog wordt versterkt door een crisis waarvan wij de hoofdschuldigen zijn.
De officiële ontwikkelingshulp moet snel worden verhoogd. De meeste lidstaten voldoen niet aan de voorwaarden waar de OESO al sinds 1970 op hamert, wij worden geconfronteerd met nieuwe noden maar hebben geen nieuwe middelen. Wij moeten dus nieuwe financiële bronnen aanboren, met name door het huidige systeem te hervormen.
De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt u in actie te komen om het misbruik van de belastingparadijzen, de belastingvlucht en de illegale kapitaalstromen uit ontwikkelingslanden uit te bannen.
Volgens de geverifieerde cijfers van een in juni verschenen Noors rapport zijn de illegale stromen uit de ontwikkelingslanden tienmaal zo omvangrijk als onze ontwikkelingshulp. Hier blijkt al uit hoe groot deze uitdaging is.
Er moet een nieuw en dwingend financieel akkoord komen dat multinationals verplicht om per land aangifte te doen van de winsten die zij binnenhalen en de belastingen die zij betalen, om helder te krijgen wat zij precies betalen in elk land waar zij actief zijn.
Verder moet het systeem radicaal worden omgegooid, wat vooral moet gebeuren via nieuwe, democratische en transparante regelgeving voor de handel en de internationale financiële systemen.
De verantwoordelijkheid is zwaar, de uitdagingen zijn talrijk en het karwei is lastig, maar de Europese Unie moet meer dan ooit het voortouw nemen bij deze hervormingen.
Karel De Gucht, lid van de Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, als vertegenwoordiger van de EU in de G20 – samen met het voorzitterschap – is de Commissie een krachtig pleitbezorger voor meer steun aan lage-inkomenslanden, met name de armste, als een van de hoofdprioriteiten voor de toezeggingen van de G20.
In dit verband is het belangrijk dat lage-inkomenslanden voldoende financiële middelen ontvangen om te kunnen voldoen aan met name die behoeften die als gevolg van de financiële crisis ontstaan. Daarom pleiten we voor een betere toegang van arme en kwetsbare landen – vaak zonder institutionele bestuurscapaciteiten – tot de faciliteiten en kredieten van de internationale financiële instellingen en donorlanden.
Ik zal deze aanpak zelf verdedigen tijdens de vergadering van de Raad Ontwikkelingszaken van november, en de mondiale financiële crisis zal de komende weken in het middelpunt van mijn belangstelling staan. Ik hoop dat ik daarbij voortdurend op uw steun kan rekenen.
In dit verband is met name ons instrument Vulnerability FLEX van belang. De Commissie heeft samen met de Wereldbank en het IMF vastgesteld welke landen het meest kwetsbaar zijn voor de crisis en hoe de hulp die deze twee instellingen in de vorm van leningen verstrekken, kan worden aangevuld met tijdige en gerichte niet-terugvorderbare hulp uit hoofde van dat instrument.
Tussen 2009 en 2010 zal maximaal 500 miljoen euro worden uitgegeven voor ACS-landen die om hulp vragen voor de financiering van prioritaire overheidsuitgaven, onder meer in de sociale sector. Ik kan u verzekeren dat “frontloading” van begrotingssteun via het Vulnerability FLEX-mechanisme niet zal leiden tot een financieringsgat, omdat de Commissie niet-geoormerkte reserves gebruikt.
Landen die niet in aanmerking komen voor steun uit hoofde van Vulnerability FLEX zullen wel profiteren van de andere maatregelen die de Commissie in haar mededeling van april voorstelt, zoals de herallocatie van middelen naar aanleiding van ad-hoclandenevaluaties en de vooruitgeschoven tussentijdse evaluatie, steun uit hoofde van het traditionele FLEX-instrument, waar mogelijk “frontloading”, enzovoorts.
Wat betreft de doelgerichtheid waarmee de begrotingssteun wordt verleend, ben ik ervan overtuigd dat de inherente flexibiliteit van dit instrument de begunstigde landen al in staat stelt de middelen op een wijze te besteden waarvan zij denken dat dat het beste bijdraagt aan de oplossing van economische en sociale problemen.
Daarnaast biedt de vooruitgeschoven tussentijdse evaluatie van het 10e EOF een goede gelegenheid om na te gaan of sprake is van nieuwe behoeften en te beoordelen of daar beter met algemene of met sectorale begrotingssteun op kan worden gereageerd.
De vooruitgeschoven tussentijdse evaluatie biedt ook een extra gelegenheid om nog eens naar de begrotingssteunprofielen van de afzonderlijke ACS-landen te kijken en na te denken over wijzigingen, herallocaties of extra middelen uit de reserve.
Wat de hervorming van de Bretton-Woodsinstellingen betreft, is onze rol natuurlijk beperkt. De kwestie van stemrecht en vertegenwoordiging zal in oktober worden besproken tijdens de jaarvergaderingen van het IMF en de Wereldbank in Istanboel, die commissaris Almunia en ik zullen bijwonen. In dit verband zijn we blij met de toevoeging van een extra zetel in de raad van bestuur van de Wereldbank voor de Afrikaanse landen beneden de Sahara, en kijken we met belangstelling naar de voorliggende hervormingsvoorstellen.
Wat illegale financiële stromen betreft, kan ik mevrouw Joly geruststellen: ik heb de Commissiediensten al opdracht gegeven om in de strijd tegen illegale financiële stromen naar manieren te kijken om de fiscale en financiële governance in ontwikkelingslanden te verbeteren. Deze crisis heeft ook duidelijk gemaakt dat de mechanismen voor het verstrekken van officiële ontwikkelingshulp (ODA) moeten worden verbeterd.
De “agenda voor de doeltreffendheid van internationale hulp” die in de Verklaring van Parijs en de Actieagenda van Accra is verankerd, is nu belangrijker dan ooit. In deze moeilijke economische tijden hebben we een bijzondere verantwoordelijkheid ten opzichte van de armen van de wereld, namelijk ervoor zorgen dat onze hulp op de plaats van bestemming aankomt.
In haar mededeling van 8 april onderstreepte de Commissie ook de nuttige bijdrage van innovatieve financieringsmechanismen als aanvulling en versterking van ODA. We hebben er bij de lidstaten op aangedrongen gebruik te maken van alle beschikbare instrumenten, en ODA als hefboom voor non-ODA te gebruiken, bijvoorbeeld door voort te bouwen op bestaande vrijwillige solidariteitstoeslagen op bijvoorbeeld vliegtickets voor de financiering van gezondheidsprogramma’s. Hierover zal op hoog niveau worden overlegd. Zo organiseren de Fransen voor 2010 een grote conferentie, waarbij de Commissie al in het voorstadium zal worden betrokken.
Enrique Guerrero Salom, namens de S&D-Fractie. – (ES) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, het is vandaag precies een jaar geleden dat we getuige waren van het faillissement van de financiële instelling Lehman Brothers. Volgens deskundigen was de ineenstorting van het financiële stelsel nabij, en waren we aan de vooravond van een nieuwe, ernstige depressie.
De financiële crisis werd steeds erger en breidde zich uit tot de reële economie. De afgelopen periode heeft een negatieve economische groei te zien gegeven, evenals een vernietiging van de werkgelegenheid.
De ontwikkelde landen beginnen de crisis echter te boven te komen. Dat is bijvoorbeeld het geval in Frankrijk en Duitsland, en net vandaag heeft de Commissie haar economische vooruitzichten gepresenteerd, waaruit blijkt dat de Europese Unie in de tweede helft van het jaar uit de recessie zal komen.
De minder ontwikkelde landen echter zitten middenin de crisis en zullen daar gedurende lange tijd in blijven. Ofschoon zij de crisis niet hebben veroorzaakt, hebben ze meer dan wie ook te lijden onder de gevolgen. Ze hebben te lijden onder een afnemende groei, toenemende werkloosheid, minder directe investeringen, minder buitenlands krediet, minder overmakingen door emigranten en minder officiële ontwikkelingshulp, maar ze krijgen wel te maken met meer handelsbeperkingen.
Voor ons is de afgelopen periode een tijd geweest waarin onze stabiliteit, onze gunstige situatie gedurende bepaalde tijd een achteruitging te zien gaf, maar de minder ontwikkelde landen lopen het gevaar een heel decennium achterop te raken bij de armoedebestrijding, en een verloren decennium betekent een hele verloren generatie.
Wij kunnen daar heel wat voor hen doen in vele opzichten, en ik zou de aandacht met name willen vestigen op de confrontatie met het protectionisme. De afgelopen week heeft de Commissie haar vierde verslag over handelsbeperkende maatregelen uitgebracht, waaruit blijkt dat tal van landen nieuwe beperkende maatregelen aan het nemen zijn, wat rampzalig is voor de ontwikkelingslanden.
Daarbij komt dat veel ontwikkelde landen zich niet houden aan hun afspraken over het verstrekken van officiële ontwikkelingshulp, en dat precies in een tijd dat er meer dan ooit nieuwe middelen nodig zijn voor het bestrijden van deze ernstige crisis.
Ik stel dan ook voor dat we de coördinatie van deze ontwikkelingshulp uitbreiden met een breder akkoord tussen de donorlanden, de financiële instanties en de partners, en dat we het op een meer efficiënte en transparante wijze beheren, zodat het geen kosten genereert en geen bureaucratische last wordt.
Ik dring er bij de Commissie op aan, ik dring er bij de commissaris op aan om het plan dat zij ons heeft voorgelegd, ten uitvoer te brengen, iets waarmee commissaris Almunia het vast en zeker eens is.
Louis Michel, namens de ALDE-Fractie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, mevrouw Joly, ik ben me er uiteraard terdege van bewust dat je in een debat als dit welhaast onvermijdelijk in herhaling valt. Maar dat weerhoudt me er niet van te zeggen wat ik te zeggen heb. Ik denk dat het belangrijk is dat er steeds weer op gehamerd wordt dat het Europees Parlement het aan zichzelf verplicht is om, samen met de Commissie trouwens, toe te werken naar een gedegen consensus. Dit, omdat alle deskundigen het er inmiddels toch over eens zijn en erkennen dat de financiële crisis wel degelijk rampzalige gevolgen zal hebben voor de meeste ontwikkelingslanden, nadat ze eerst beweerden dat die landen daar nauwelijks hinder van zouden ondervinden.
In de arme landen zullen alle maatschappelijke sectoren te maken krijgen met een belangrijke stijging van de sociale behoeften en de dienstverlening, terwijl de groei scherp zal afnemen. Wat dat aangaat heb ik het overigens zeer gewaardeerd, commissaris, dat u hebt aangestipt dat er veel flexibeler op deze behoeften moet worden ingespeeld, en zoals u denk ik wel weet ben ik, waar mogelijk en uiteraard alleen als er qua controle voldoende waarborgen zijn, altijd een groot voorstander geweest van overheidshulp en directe steun, rechtstreeks of per sector, maar in elk geval van begrotingssteun. Ik denk dat er sprake is van bereidheid om geld uit te trekken, en ook – en misschien nog wel veel meer – van respect, wat de lidstaten de middelen in handen geeft.
Desondanks stel ik vast dat de G20 niet een hervorming van de internationale financiële instellingen – ik denk daarbij aan het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank – in gang heeft gezet die beter rekening houdt met de belangen van de arme landen in het Zuiden.
Zoals mevrouw Joly al zei, is 80 procent van de recente leningen van het IMF naar Europese landen gegaan, en slechts 1,6 procent naar, bijvoorbeeld, Afrikaanse landen. De middelen die in het pakket van de G20 aan de ontwikkelingslanden zijn toegezegd, zullen ontoereikend zijn – dat weten we – en onvoldoende gericht op de zwakste landen. En wat nog erger is: ze zullen ook niet op tijd komen.
Commissaris, u hebt het goed begrepen, de echte uitdaging is nu natuurlijk om de lidstaten te dwingen hun beloften uit 2005 na te komen. Er is geen enkele rechtvaardiging voor een verlaging van de officiële ontwikkelingshulp. We hebben al gehoord dat diverse Europese landen zeer forse bezuinigingen hebben aangekondigd. Ik denk aan Ierland (– 10 procent), maar vooral aan Italië (– 50 procent) en bovenal aan Letland (– 100 procent). Het is duidelijk dat deze houding volstrekt onacceptabel is, en bovendien nog onverantwoord ook.
Ik zou graag horen hoe u tegen een aantal suggesties aankijkt. Ik heb uw positieve reactie gehoord over het kwetsbaarheidsfonds dat de Wereldbank wil instellen. U hebt ook uw instemming betuigd met de strijd tegen de belastingparadijzen. De zuidelijke landen verliezen jaarlijks 1 000 miljard dollar, die illegaal naar het noorden worden gesluisd, waarvan 350 miljard via belastingparadijzen.
Over de internationale governance hebben we het al gehad.
Een ander punt waar we volgens mij ook de nadruk op moeten leggen, is natuurlijk de handelssteun. Anders dan sommigen, ik weet het, ben ik een warm voorstander van economische partnerschapsovereenkomsten, mits uiteraard rekening wordt gehouden met de specifieke situatie en er overgangsperiodes worden gehanteerd, maar vooral op voorwaarde dat de Europese landen zich houden aan hun belofte van die fameuze miljard euro per jaar aan handelssteun. Het is al gezegd, en dat lijkt me uiteraard belangrijk.
Wat we ook moeten doen is het tegenstrijdige verhaal van bepaalde lidstaten aan de kaak stellen, die vol lof zijn over de ontwikkelingslanden en heel veel beloven, maar tegelijkertijd heel cynisch hun ontwikkelingshulp verlagen.
Gabriele Zimmer, namens de GUE/NGL-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, de vraag die mevrouw Joly namens de Commissie ontwikkelingssamenwerking heeft gesteld maakt heel duidelijk waar het volgens ons als beleidsmakers eigenlijk om gaat in deze discussie.
De beloftes die tijdens de afgelopen vergaderingen van de G8 en de G20 zijn gedaan zijn uiteindelijk niet ingelost. Die beloftes worden keer op keer herhaald, maar hebben nooit tot adequate en concrete hulp geleid. Daarom begrijp ik helemaal niet waarom we de resolutie van het Europees Parlement niet voor Pittsburgh kunnen behandelen, om aldus de nodige politieke druk uit te oefenen. Gezien de rake analyse van de commissaris en gezien het betoog van Louis Michel lijkt het me wel duidelijk dat we best weten waar het aan ligt. We zijn echter niet in staat om politieke druk uit te oefenen om de lidstaten ertoe te dwingen om voor hun beleid eindelijk een ander motto te kiezen dan “het hemd is nader dan de rok”. Dat is volgens mij het grote gevaar, ook met het oog op Pittsburgh. Wanneer we er niet in slagen om druk uit te oefenen, en duidelijk te maken dat we nieuwe instellingen nodig hebben om juist de armste landen op onze planeet te steunen, dan zitten we hier na Pittsburgh weer en stellen vast dat er eigenlijk helemaal niets is veranderd!
Daarom doe ik ook op u een beroep, mijnheer de commissaris. Ik zou u willen verzoeken om hier in het Parlement meteen weer concreet te in te gaan op de gebeurtenissen. Kom ons vertellen welke eisen u met de steun van welke lidstaten op tafel heeft kunnen leggen, en hoever u daarmee gekomen bent.
We moeten de hand aan de ploeg slaan, voor onze ogen sterven er mensen, en wel om redenen waarvoor wij mede verantwoordelijk zijn. Daarom moeten we één lijn trekken!
Corina Creţu (S&D). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, de bijdragen uit noodhulpfondsen voor de humanitaire crises in de armste landen zijn zoals u weet met 4,8 miljard euro gedaald. Dit is het grootste gat ooit tussen benodigde middelen en daadwerkelijk van donorlanden ontvangen geld sinds deze gegevens worden geregistreerd. Als ik naar de bewuste cijfers kijk, moet ik denken aan de enorme bedragen die aan de redding van de banken zijn uitgegeven.
Het is waar dat de verantwoordelijkheid voor het oplossen van de problemen van hun land, uiteindelijk bij de regeringen zelf ligt. Maar tegelijkertijd is het oneerlijk en onfatsoenlijk om voorbij te gaan aan het feit dat de ontwikkelingslanden het zwaarste door de economische crisis worden getroffen, terwijl ze er de minste schuld aan dragen.
De ervaring leert dat je niet te veel moet verwachten van humanitaire oproepen, zeker niet tijdens een recessie. Maar aan de verwaarlozing van ontwikkelingslanden is ook een risico voor onszelf verbonden. Dat heeft namelijk een boemerangeffect: de armoede zal in nog sneller tempo groeien, waardoor de interne spanningen verder zullen toenemen, nog meer bloedige conflicten en humanitaire tragedies zullen ontstaan en de massale migratie verder zal stijgen, waarover voor de zoveelste keer door de geïndustrialiseerde landen wordt gedebatteerd. Ik denk dat het onze verantwoordelijkheid is om desnoods eenzijdig stappen te ondernemen. Daarvoor is veel meer en ook een veel efficiëntere hulp van de internationale gemeenschap nodig.
Ik geloof ook dat we ons bij enkele van de begunstigden moeten concentreren op het verlagen van hun afhankelijkheid van humanitaire hulp. Ik zou de commissaris ook willen vragen – mede naar aanleiding van wat voormalig commissaris Michel heeft gezegd over de noodzaak van een grotere betrokkenheid van de Wereldbank en het IMF – of hij van plan is om voor de Top in Istanboel met een voorstel te komen.
Ik wil mijn rede niet eindigen zonder mijn waardering uit te spreken voor de wijze waarop u uw mandaat bij de Commissie bent begonnen. Dan denk ik aan de Top EU-Zuid-Afrika, uw bezoek aan Zimbabwe eind deze week, en de noodhulp die recent is verstrekt aan de honderdduizend slachtoffers van de overstromingen in West-Afrika. Tegelijkertijd wil ik erop wijzen dat niet alleen Burkina Faso door natuurrampen wordt getroffen en internationale hulp nodig heeft, maar ook Niger, zij het dat in het laatste geval mensen niet in hun bestaan worden bedreigd door overstromingen, maar door permanente droogte. Ook waardeer ik het dat u vorige week 53 miljoen euro heeft toegewezen voor hulpprogramma’s tegen de gevolgen van de droogte in de landen beneden de Sahara. Dit zijn bemoedigende stappen waarvan ik hoop dat ze van invloed zullen zijn op de besprekingen van de G20 in Pittsburgh en op de conferentie van Kopenhagen, omdat deze bijeenkomsten van cruciaal belang zijn nu de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling dreigen te mislukken.
Zuzana Roithová (PPE). - (CS) Geachte commissaris, ik wil eveneens mijn verontrusting uitspreken over het feit dat de toezeggingen van de G20 met betrekking tot de hulp aan de allerarmste landen in deze tijden van economische crisis naar het zich laat aanzien helemaal niet serieus bedoeld waren. Feit is in ieder geval dat de financiële hulp van het Internationaal Monetair Fonds tot nog toe uitermate mager was. Ik wil tevens oproepen tot een dusdanige hervorming van het besluitvormingsproces dat de allerarmste landen een grotere vinger in de pap krijgen en dan met name in het stelsel van Bretton Woods. Tevens zou ik u, mijnheer de commissaris, willen vragen of het lukt om in de ACS-landen toch op z'n minst gelijksoortige gezondheidszorg en onderwijs te verstrekken als voor de crisis. Ik vraag dat met name vanwege het feit dat een groot aantal landen, waaronder Europese, drastisch gesnoeid heeft in hun financiële steunverlening. Voor de rest, mijnheer de commissaris, zou ik u alle succes willen toewensen bij uw nieuwe werkzaamheden.
Anna Záborská (PPE). – (SK) Commissaris, de kwestie die wij aan het bespreken zijn is uiterst belangrijk en actueel, niet alleen omdat de EU op dit moment een duidelijk beeld nodig heeft van ontwikkelingsbeleid, maar ook omdat wij het duidelijk en begrijpelijk moeten uitleggen aan onze medeburgers. Meer dan ooit tevoren, kan het niveau van ontwikkelingshulp van invloed zijn op illegale migratie, openbare orde, epidemieën en ook – zoals het IMF onder de aandacht heeft gebracht – de toename van schulden van de private sector in ontwikkelingslanden.
Ik zou de nadruk willen leggen op de regelmatige financiële controle door zowel degenen die financiële steun verlenen als door degenen die deze ontvangen. Ieder in zijn eigen land hoort kritiek op het ontwikkelingsbeleid van de EU. De consensus in het Europees Parlement waarover de heer Michel sprak, is in de landen van de EU niet altijd even evident. Alleen met doeltreffende en transparante ontwikkelingshulp kunnen wij mensen ervan overtuigen dat het gerechtvaardigd is en zo bezuinigingen vermijden.
Sari Essayah (PPE). – (FI) Mijnheer de Voorzitter, het is uitermate belangrijk dat Europa in deze fase moreel leiderschap toont en dat de lidstaten vasthouden aan al hun verplichtingen, met inbegrip van de millennium- ontwikkelingsdoelen. Wij lijden in de huidige economische crisis natuurlijk onder relatieve armoede, maar wij moeten beseffen dat men in de ontwikkelingslanden onder absolute armoede lijdt en dat daar mensen doodgaan door honger en ziekten. Meer dan tien lidstaten in de Europese Unie hebben echter aangegeven dat zij hun financiële bijdragen aan ontwikkelingssamenwerking gaan verlagen of minder laten stijgen. Wij mogen natuurlijk niet vergeten dat het niet alleen belangrijk is de bedragen te verhogen, maar dat wij ook moeten waarborgen dat die doeltreffender worden gebruikt. Er bestaan al verscheidene instrumenten voor het coördineren van hulp. Een daarvan is het ODA-computerprogramma, dat in Mozambique met veel succes wordt uitgeprobeerd en ik hoop dat er vooral in dit soort coördinatie wordt geïnvesteerd. Op die manier is het voor ons heel gemakkelijk om ons succes te vergroten in een situatie waarin de beschikbare hoeveelheid steun afneemt.
Karel De Gucht, lid van de Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, de armste landen in de wereld worden getroffen door een crisis en er is feitelijk niet veel wat wij daaraan kunnen doen. We kunnen alleen over maatregelen praten om ze weer op het goede spoor te brengen, en dat zal langer duren dan in de geïndustrialiseerde wereld, omdat de mechanismen voor hernieuwde economische groei in die landen natuurlijk veel minder zijn ontwikkeld.
Verscheidene afgevaardigden hebben opgemerkt dat veel lidstaten feitelijk terugkomen op hun ODA-toezeggingen. De lidstaten zijn in 2005 een minimum aan officiële ontwikkelingshulp per lidstaat overeengekomen van 0,51 procent/bni voor de EU-15 en 0,17 procent/bni voor de EU-12, dat door de nieuwe lidstaten in 2010 moet zijn gerealiseerd, en van respectievelijk 0,7 en 0,33 procent in 2015.
De landen waarvan het percentage op dat moment al hoger was dan het streefpercentage, beloofden dat hogere percentage te handhaven. Op basis van alle gedane toezeggingen zouden de lidstaten in 2010 gemiddeld 0,56 procent/bni aan officiële ontwikkelingshulp moeten geven.
De crisis mag geen excuus zijn om terug te komen op hulptoezeggingen. Ik zal er derhalve zowel bij de lidstaten als bij andere donorlanden op aandringen dat ze hun toezeggingen ten aanzien van de hoeveelheid hulp die wordt verstrekt, nakomen.
De totale ODA van alle EU-lidstaten samen is in 2008 met ongeveer 4 miljard euro gestegen tot 0,4 procent en zal naar verwachting verder stijgen.
Op basis van informatie van de lidstaten verwachten we dat de totale ODA van de EU zal stijgen tot 53,4 miljard euro, ofwel 0,44 procent, in 2009 en 58,7 miljard euro, ofwel 0,48 procent, in 2010.
Dit betekent dat wanneer de lidstaten geen aanvullende maatregelen nemen om hun individuele streefpercentages te realiseren, de collectieve doelstellingen voor 2010 niet worden gehaald. De voorspelde stijgende trend voor ODA-uitgaven op EU-niveau, is afhankelijk van die lidstaten die hun toezeggingen proberen na te komen, maar er zijn inspanningen vereist van alle lidstaten en ik zal daar bij de desbetreffende lidstaten op blijven aandringen. Het is hun verantwoordelijkheid, want zij hebben die verplichting op zich genomen. De crisis mag niet als excuus worden gebruikt om die verplichting niet na te komen. Ik zou zelfs willen zeggen dat ze zich niet alleen tegenover de ontwikkelingslanden hebben verplicht, maar ook tegenover zichzelf.
Ook hebben diverse afgevaardigden aangedrongen op hervorming van de internationale financiële instellingen. Dat is een streven dat ik volledig onderschrijf. De G20 heeft een gedetailleerd tijdschema vastgesteld voor bestuurshervormingen bij de Bretton-Woodsinstellingen en dringt er bij die instellingen op aan hun eigen hervormingsplannen, die nog stammen van vóór de Top in Londen, sneller uit te voeren. De eerste resultaten worden al in april volgend jaar verwacht en ik vertrouw erop dat voor uitstaande kwesties een oplossing zal worden gevonden.
Gezien het huidige momentum dat de G20 voor de hervorming van het IMF heeft gecreëerd, onderstreept de Commissie het belang van het maken van vorderingen met de tweede fase van de hervormingen bij de Wereldbank, zodat deze in het voorjaar van 2010 worden afgerond.
De Top die op 2 april 2009 in Londen werd gehouden, zal de geschiedenis van de G20 ingaan als de Top waarop ontwikkelingsvraagstukken voor het eerst los van andere kwesties en in aanwezigheid van vertegenwoordigers van ontwikkelingslanden werden behandeld. In de voorbereidingen op de volgende G20-Top, is de met de follow-up belaste instelling de afgelopen maanden bijzonder actief geweest.
In augustus gaf de raad van bestuur van het IMF zijn goedkeuring aan een algemene toewijzing van speciale trekkingsrechten voor een bedrag van 250 miljard US-dollar, waarvan 18 miljard voor lage-inkomenslanden. Het IMF zal in Pittsburgh ter verantwoording worden geroepen over de andere maatregelen voor lage-inkomenslanden. Dat is denk ik een positieve ontwikkeling.
Ook mijn voorganger, Louis Michel, heeft aangedrongen op flexibiliteit, en gesteld dat het mechanisme voor begrotingssteun het meest flexibele mechanisme is dat we hebben. Dat is natuurlijk absoluut waar, maar het betekent ook dat we bij de ontwikkelingslanden een counterpart moeten hebben, in de gelegenheid moeten zijn tot het voeren van een politieke dialoog en over monitoringmechanismen moeten beschikken. Het veronderstelt dus een zekere samenwerking van hun kant. Maar zodra die samenwerking vorm heeft gekregen, geloof ik dat met name sectorale begrotingssteun een zeer adequaat middel is.
Ik begrijp niet goed waarom de resolutie die door de Commissie ontwikkelingssamenwerking is ingediend en die betrekking heeft op de bijeenkomst van de G20 in Pittsburgh, niet vóór die Top in stemming wordt gebracht. Dat begrijp ik echt niet. Er zal wel een of andere technische verklaring voor zijn, maar ik denk dat dit pas gekozen Parlement het verkeerde signaal afgeeft als het deze resolutie pas behandelt na afloop van de Top in Pittsburgh die, als ik me goed herinner, wordt gehouden van 22 tot 24 september, dus vóór onze volgende vergadering in Straatsburg, in oktober.
Ik ga er niet over, maar ik moet zeggen dat ik het samen met de initiatiefnemers van deze resolutie zeer betreur dat we niet in staat zijn gebleken er tijdens deze vergaderperiode over te stemmen.
De Voorzitter. − Ik wil erop wijzen dat de beslissing om tijdens de eerste plenaire vergadering in oktober door de Conferentie van voorzitters is genomen omdat tijdens die vergadering ook een debat over de G20-bijeenkomst zal worden gehouden. Dat is mijn antwoord op uw vraag.
Het debat is gesloten. De stemming vindt tijdens de eerste plenaire vergadering in oktober plaats.