De Voorzitter. − Aan de orde zijn de verklaringen van de Raad en de Commissie: Geweld in de Democratische Republiek Congo.
Cecilia Malmström, fungerend voorzitter van de Raad. − (SV) Mijnheer de Voorzitter, het voorzitterschap vindt het erg belangrijk om de uiterst problematische situatie in de Democratische Republiek Congo met het Europees Parlement te bespreken. Mensenrechtenschendingen, met name het toenemende seksuele geweld en het geweld op grond van geslacht zijn ontzettend problematisch. Het is de hoogste tijd dat we de situatie in het land bespreken, met name in het licht van het onlangs gepubliceerde verslag van de Verenigde Naties. In het rapport beklemtoont de groep VN-deskundigen dat verschillende bewapende milities die in het land actief zijn, gesteund worden door een goed georganiseerd netwerk dat ten dele vanuit de Europese Unie opereert.
Ik hoef u niet te herinneren aan de langetermijnverbintenis van de EU ten aanzien van de Democratische Republiek Congo en de hele regio van de Grote Meren. De EU heeft allang geprobeerd vrede en stabiliteit tot stand te brengen in het land. Het is belangrijk dat we dat engagement voortzetten, zowel op politiek niveau als op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Ik ben er zeker van dat de Commissie daar straks meer over zal zeggen.
Onze steun blijkt onder andere uit het feit dat de eerste speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de regio al in 1994 werd benoemd. We hebben zowel militaire instrumenten als civiele instrumenten van het Europees veiligheids- en defensiebeleid ingezet: operatie Artemis in de provincie Ituri, de tijdelijke troepenmacht in het kader van de EUFOR-operatie voor de verkiezingen van 2006 en EUSEC RD Congo voor hervorming van de veiligheidssector en EUPOL RD Congo voor hervorming van de politie. Met dat alles als achtergrond zijn er tekenen van positieve en negatieve ontwikkelingen. Tussen de Democratische Republiek Congo en Rwanda zijn diplomatieke betrekkingen hervat. Daar zijn we mee ingenomen. In 2008 en 2009 werd met de meeste gewapende milities in het oosten van het land vredesakkoorden ondertekend. Nu moeten die worden uitgevoerd.
De situatie is in vele opzichten instabiel. Veel van de gewapende milities in het oosten worden momenteel in het leger geïntegreerd en de integratie wordt gekenmerkt door onzekerheid. Militaire operaties tegen andere gewapende milities, onder andere tegen de Democratische Strijdkrachten voor de bevrijding van Rwanda (FDLR) en het Oegandese Verzetsleger van de Heer, worden voortgezet. Die milities zijn rechtstreeks verantwoordelijk voor burgerslachtoffers en enorm menselijk lijden. Tezelfdertijd steken gewapende milities in andere delen van het land weer de kop op. Het oosten van het land blijft een gebied waar het internationaal recht en de mensenrechten met de voeten worden getreden. Er vinden veel moorden, verkrachtingen en seksueel geweld plaats. Die misdrijven verspreiden zich in alarmerende omvang over het hele land, hoewel president Kabila een zogenaamd nultolerantiebeleid aangekondigd heeft.
De illegale exploitatie van natuurlijke rijkdommen is een ander groot probleem. Het is belangrijk dat de rijke mineraallagen van het land onder nationale, legitieme controle worden gebracht, zowel als bron van broodnodige inkomsten voor de staat als om de financiële steun aan illegale gewapende milities af te snijden. De Raad maakt zich ook zorgen over de voorbereidende werkzaamheden en regelingen voor de geplande lokale verkiezingen. Problemen op leidinggevend niveau, gebrek aan transparantie en schendingen van burgerrechten en politieke rechten vormen ernstige hinderpalen voor het democratiseringsproces.
Doordat er veel grote problemen zijn die nog altijd aanleiding geven tot diepe bezorgdheid, heeft de Raad een harde houding aangenomen met betrekking tot de ernstige schendingen van het internationaal recht en de mensenrechten in Noord- en Zuid-Kivu. In zijn conclusies heeft de Raad onlangs die handelingen veroordeeld en beklemtoond dat de regering van de Democratische Republiek Congo zonder uitzondering moet verzekeren dat de verantwoordelijken gerechtelijk worden vervolgd.
De EU is vastbesloten om te blijven bijdragen tot het tot stand brengen van vrede, stabiliteit en ontwikkeling voor de bevolking van het land. In dat verband is een hervorming van de veiligheidssector cruciaal voor de stabilisatie van het land. Alle actoren in die sector, ook de Congolese autoriteiten, moeten ernaar streven om het gemeenschappelijke belang bij een hervorming van de veiligheidssector echt te verzekeren. We moeten ook verdere en concrete verbetering van de regionale betrekkingen bevorderen door sterkere politieke en economische partnerschappen tussen de landen in de regio.
Ik kan u verzekeren dat de Raad en de Europese Unie vasthouden aan hun verbintenis ten aanzien van de Democratische Republiek Congo en zich zorgen maken over de toekomst van het land. We zullen ons brede engagement in het land voortzetten en klare taal blijven spreken wanneer het internationaal recht en de mensenrechten worden geschonden. We zijn wat dat betreft zeer dankbaar voor de constructieve en standvastige rol die het Europees Parlement speelt en ik zie ernaar uit om uw standpunten in dit debat te horen.
Karel De Gucht, lid van de Commissie. − (FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ongeveer een jaar terug was de situatie in Goma, de stad die werd belegerd door de troepen van het CNDP onder aanvoering van Laurent Nkunda, de voornaamste zorg van de Congolese autoriteiten en de internationale gemeenschap.
Alles is in het werk gesteld om erger te voorkomen. Dankzij het politieke akkoord tussen de DRC en Rwanda, en daarna tussen de Congolese regering, het CNDP en de andere gewapende groeperingen, kon de lont uit het kruitvat worden gehaald en een onmiddellijke geweldsuitbarsting worden voorkomen, maar het evenwicht blijft uiterst wankel. Wankel omdat er niets structureels aan de onderliggende oorzaken is gedaan, en men zich slechts door de politieke noden van de korte termijn heeft laten leiden. De internationale gemeenschap heeft van louter slechte oplossingen de minst slechte gekozen; dit is niet bedoeld als kritiek, het is slechts een constatering van de feiten.
De internationale gemeenschap en de Europese Unie konden het niet eens worden over het zenden van een beschermingsmacht. De versterking van MONUC waar nu al ruim een jaar om gevraagd wordt, begint mondjesmaat op gang te komen. In het recente rapport van de groep van onafhankelijke VN-experts en dat van Human Rights Watch wordt een ontluisterend beeld geschetst van de huidige situatie, waar niet stilzwijgend aan voorbij kan worden gegaan.
Het is tijd om op deze dieper liggende oorzaken in te gaan en daar iets aan te doen, om er duurzame oplossingen voor te vinden. Daar is echter ieders medewerking voor nodig, in de eerste plaats van de Congolese en Rwandese regering, maar ook van MONUC en de Verenigde Naties, de rest van de internationale gemeenschap en de Europese Unie.
Niemand twijfelt eraan dat politieke en diplomatieke toenadering tussen Rwanda en de DRC positief zal uitpakken voor de stabiliteit in de regio en, mits bij beide partijen de wil daartoe bestaat, kan leiden tot vreedzame co-existentie en tot een voor beide landen profijtelijke samenwerking binnen een weer tot leven gewekte Economische Gemeenschap van de Landen van de Grote Meren (CEPGL).
Dit zijn echter niet meer dan de allereerste stappen op een weg die nog lang is en geplaveid met hindernissen. Bij deze problematiek en alle andere afgeleide problemen, die de zaak nog verder compliceren, zijn de FDLR steeds de spil waar het om draait: de illegale exploitatie van natuurlijke hulpbronnen; het gebrek aan bescherming van minderheden; de straffeloosheid in een uitgestrekt gebied waar het overheidsgezag ontbreekt, waar de overheid niet alleen onmachtig is om gezag over het gebied uit te oefenen, maar haar vertegenwoordigers in veel gevallen zelfs een deel van het probleem vormen.
Dankzij het akkoord tussen Rwanda en de DRC is er tijdelijk een halt toegeroepen aan het CNDP en de onaanvaardbare eisen van Laurent Nkunda. Het akkoord heeft geleid tot de vervanging van Nkunda door de meer inschikkelijke en tot elk compromis bereide Bosco Ntaganda, in ruil voor het verlenen van immuniteit in strijd met alle internationale afspraken op het gebied van misdaden tegen de menselijkheid, waar Rwanda noch de DRC het recht toe hadden, en waarvoor ze evenmin in de positie verkeerden.
Het overhaast opgaan van het CNDP in FARDC, een inefficiënt leger dat gebukt gaat onder anarchie; het feit dat Bosco Ntaganda steeds meer autonome macht naar zich toetrekt doordat binnen het regeringsleger FARDC steeds duidelijker de contouren zichtbaar worden van een parallelle commandostructuur, waarvoor de onregelmatige betaling van de militairen en het ontbreken van enige vorm van discipline en hiërarchie een goede voedingsbodem vormen; de steun van MONUC aan de militaire operaties tegen de FDLR, waarbij het ontbreekt aan voldoende kader en fijnafstemming, en het uitblijven van een passend antwoord op de eisen van de Rwandees-sprekende minderheden: evenzovele factoren die op dit moment problemen dreigen te veroorzaken die nog ernstiger zijn dan die van een jaar terug – problemen die Rwanda en de DRC niet meer zelf zullen kunnen oplossen.
Tegen deze achtergrond is de situatie er nauwelijks op vooruit gegaan: de humanitaire crisis duurt voort zonder duidelijke tekenen van verbetering, net zoals de schendingen van de mensenrechten, het gruwelijke geweld, al dan niet van seksuele aard, de straffeloosheid voor allerlei vergrijpen, de plundering van de natuurlijke hulpbronnen. We hoeven de rapporten van de Verenigde Naties en de organisatie Human Rights Watch die ik noemde, maar na te lezen om een beeld te krijgen van de omvang van deze eindeloze tragedie. Het is duidelijk dat de acties om de FDLR onschadelijk te maken moeten doorgaan, maar niet tegen elke prijs, niet zonder eerst alles gedaan te hebben om de risico’s van de militaire druk voor onschuldige burgers zoveel mogelijk te beperken.
Dat vereist een betere planning, een verschuiving in de prioriteiten en een sterkere MONUC die de bevolking beter kan beschermen, de voornaamste taak binnen haar mandaat. Dit vereist ook dat MONUC kan opereren binnen een helder en ondubbelzinnig kader. Er kan geen sprake zijn van een terugtrekking of verminderde inzet van MONUC. Een overhaast vertrek van MONUC zou rampzalig uitpakken omdat dit een nóg grotere leegte zou achterlaten: de recente gebeurtenissen in Ecuador, die overigens in het niet vallen vergeleken bij de Congolese misère, laten dit zien.
Uiteraard moet er ook een eind komen aan de politieke en economische voordeeltjes die de FDLR blijven genieten in de regio en elders in de wereld, ook in onze lidstaten. De strijd van de FDLR is geen politieke, maar een criminele strijd waarvan de Congolese bevolking het voornaamste slachtoffer is, en zowel die strijd als al diegenen die zich daar direct of indirect achter scharen, moeten ook als zodanig worden behandeld. Daarom moet er krachtiger worden opgetreden tegen allerlei handels- en geldstromen. Afgezien van het proces van demobilisatie, ontwapening, hervestiging, re-integratie en repatriëring (DDRRR) is daarnaast bij de Rwandese en Congolese autoriteiten een grotere helderheid van geest op zijn plaats ten aanzien van personen die niet per definitie criminelen zijn.
De oplossing van het probleem moet echter ook voor een groot deel in de DRC worden gevonden. Daarbij denk ik uiteraard aan de lokale wortels van het conflict. Wat dat aangaat moeten de akkoorden van 23 maart onverkort worden toegepast, anders krijgen de frustraties van de plaatselijke bevolkingsgroepen vroeg of laat de overhand. Deze conditio sine qua non moet worden vervuld, willen de stabilisatiepogingen en de wil om de economische activiteit in de Kivu weer op gang te brengen enige kans van slagen hebben. Alleen dan kan de internationale gemeenschap een echte rol gaan spelen.
Naast de Kivu denk ik ook aan de enorme janboel, de puinhoop die de DRC de afgelopen twintig jaar geworden is – een land waar bijna alles opnieuw moet worden opgebouwd, eerst en vooral de staat, omdat het ontbreken daarvan de kern is van alle problemen.
Hierbij zijn een paar zaken cruciaal. Ten eerste moet de democratie worden versterkt. Ik doel natuurlijk op de plaatselijke, parlements- en presidentsverkiezingen die voor 2011 op de agenda staan. Verkiezingen vormen een bestanddeel van democratie, maar we mogen niet vergeten dat we de instellingen en politieke krachten moeten blijven steunen binnen een kader van dialoog met de oppositie, daar er anders geen sprake is van een echt open politiek systeem.
Ten tweede is het absoluut noodzaak om verdere stappen te zetten op het vlak van behoorlijk bestuur. Hoewel de DRC gezien de omvang van de problematiek niet alles tegelijk kan doen, is het duidelijk dat er onvoorwaardelijke politieke wil nodig is om enige kans van slagen te hebben. Het Parlement heeft de straffeloosheid genoemd. Dat is een goed voorbeeld, omdat dit een zaak van politieke wil is die de hele kwestie van de bevestiging van de rechtsstaat omspant. Het probleem is dat het een niet los van het ander kan worden gedaan. De rechtsstaat vereist tevens een hervorming van de veiligheidssector en reële vooruitgang in het economisch beheer.
Gezien de omvang van de uitdagingen moet er een beleid voor de lange termijn worden geformuleerd. Dat mag echter geen excuus zijn om op korte(re) termijn maar niets meer te doen. Ik denk vooral aan de kwestie van het seksueel geweld en de mensenrechten die nadrukkelijk door het Parlement aan de orde is gesteld. Politieke wil kan daar een doorslaggevende rol in spelen, en de toezegging van president Kabila om op dit vlak een zerotolerancebeleid te voeren, verdient een warm onthaal. Nu moet die toezegging nog in de praktijk worden waargemaakt.
De Commissie, die overigens al veel doet op dit gebied (ondersteuning van justitie, slachtofferhulp), is bereid de steun aan de DRC voort te zetten. Ik heb in dit verband tevens de wens uitgesproken dat er op het vlak van de bestrijding van seksueel geweld nauwer ter plaatse zal worden samengewerkt door het Internationaal Strafhof en de Commissie.
Versterking van het democratisch systeem, goed bestuur en politieke wil: deze vormen het fundament waarop wij ons partnerschap met de DRC op voet van gelijkheid willen bouwen.
Filip Kaczmarek, namens de PPE-Fractie. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, bijna elke journalist die over Afrika schrijft, zou de opvolger van Joseph Conrad willen worden. Daarom concentreren journalisten zich vaak op de negatieve aspecten, omdat ze op zoek zijn naar het hart der duisternis.
Maar Congo hoeft toch geen hart der duisternis te zijn. Het kan een normaal land zijn. In Afrika zijn er normale landen, waar de natuurlijke rijkdommen benut worden ten voordele van de bewoners, waar de autoriteiten zorgen voor het algemene welzijn, waar kinderen naar school gaan, en seks wordt geassocieerd met liefde, en niet met verkrachting en geweld. Ik ben ervan overtuigd dat de kwaliteit van het bestuur de sleutel tot succes is in de Kivu en in heel Congo. Zonder een democratisch, rechtvaardig, eerlijk en doeltreffend bestuur kan er geen vrede en rechtvaardigheid bereikt worden. Zonder verantwoordelijke autoriteiten genieten slechts weinigen van de rijkdom, hebben de leiders enkel oog voor zichzelf, zijn de scholen leeg, en is verkrachting aan de orde van de dag.
Ik herinner me het optimisme van 2006. Ik was toen zelf waarnemer tijdens de verkiezingen en iedereen verheugde zich erover dat er na veertig jaar in dit grote en belangrijk land democratische verkiezingen gehouden werden. Maar ons optimisme bleek voorbarig. Men kan moeilijk de vraag ontwijken waarom dit gebeurde, waarom deze verkiezingen Congo niet naar een beter leven leidden. Volgens mij is het een kwestie van geld, waarover mevrouw Malmström en mijnheer De Gucht het hadden. Het gaat om illegaal gebruik van rijkdommen, waarmee wapens gefinancierd worden. En hierdoor blijven conflicten duren of escaleren ze. Als het lukt om dit te doorbreken, zullen we dichter bij ons doel zijn.
Michael Cashman, namens de S&D-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, mijn dank aan de commissaris voor zijn verklaring, die mij zeker geruststelt.
Mag ik zeggen, commissaris, dat ik het geheel en al met u eens ben: we kunnen ons niet terugtrekken; we kunnen geen vacuüm laten ontstaan, omdat er daar al een vacuüm bestaat en wel een vacuüm van politieke onwil, en er is politiek leiderschap nodig om dit in overeenstemming met internationale verplichtingen en de beginselen van de rechtsstaat op te lossen.
Laat me kort de harde cijfers noemen. In het conflict hebben sinds 1998 meer dan 5 000 400 mensen het leven gelaten en iedere maand sterven er, door directe en indirecte oorzaken, nog eens 45 000 mensen.
Naar verluidt zijn er 1 460 000 binnenlandse ontheemden, van wie de meesten te maken hebben met geweld, en laat mij dan spreken namens hen die geen stem hebben, hen die zo te lijden hebben onder het geweld. De gewapende partijen in de Democratische Republiek Congo (DRC) hebben zich schuldig gemaakt aan verschillende vormen van gendergebonden geweld, waaronder seksuele slavernij, ontvoering, gedwongen rekrutering, gedwongen prostitutie en verkrachting. Onder de Congolese slachtoffers van seksueel geweld bevinden zich vrouwen, mannen en jongens die ook te maken hebben gehad met verkrachting, seksuele vernedering en verminking van de genitaliën.
We hebben resolutie na resolutie voorbij zien komen. Het wordt nu tijd om op het internationale toneel een eind aan deze gruweldaden te eisen.
Louis Michel, namens de ALDE-Fractie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw Malmström, commissaris, dames en heren, zoals u weet heb ik de gebeurtenissen in het oosten van de DRC altijd zeer aandachtig gevolgd. Ondanks de veelbelovende stap voorwaarts dankzij de recente toenadering tussen Rwanda en de DRC – zonder welke er geen oplossing komt in het oosten en die we dus moeten bevorderen – en ondanks de door de commissaris genoemde akkoorden van 23 maart tussen Kinshasa en de Congolese rebellenbeweging, blijft de situatie in het oosten uiterst zorgwekkend.
Ik wil zeven punten onder de aandacht brengen. Ten eerste zal er waarschijnlijk geen vrede in het oosten van Congo mogelijk zijn zolang de FDLR niet onschadelijk gemaakt zijn. Het eerste slachtoffer van de militaire druk die de DRC momenteel uitoefent en die bedoeld is om deze extremisten af te snijden van hun bases en financieringsbronnen, is helaas de burgerbevolking, die niet alleen het slachtoffer wordt van bijkomende schade, maar ook van het aan de schandpaal nagelen door de ene partij en de gewelddadigheden van de andere partij.
Dit risico was te voorzien en zoals de commissaris al zei, had MONUC al meteen behoefte aan versterking; ook nu zijn haar middelen nog bij lange na niet berekend op alle taken waarvoor de missie zich gesteld ziet, waarbij moet worden aangetekend dat haar eigen organisatie ter plaatse ook niet altijd vlekkeloos is.
Een betere coördinatie en een effectievere en bredere aanwezigheid ter plaatse zijn inderdaad vereist, maar het zou riskant zijn om uitspraken over MONUC te doen die bepaalde negatieve krachten argumenten in handen zouden spelen om de missie te demoniseren. En dat zou uiteraard nog veel ernstiger zijn.
Een ander punt betreft de gewelddadigheden van FARDC. De oorlog vormt natuurlijk geen enkel excuus voor dit gedrag, en ik juich wat dat betreft het besluit van de Verenigde Naties toe om de Congolese eenheden die de mensenrechten met voeten treden, niet langer te steunen op logistiek gebied. Het behoeft geen betoog dat het onlangs door president Kabila ingevoerde zerotolerancebeleid eveneens een warm onthaal verdient. Dit moet alleen nog wel worden geëerbiedigd en in de praktijk gebracht.
Door de tekortkomingen van het Congolese gerechtelijke bestel heerst vrijwel alom een gevoel van straffeloosheid. Daarom sta ik positief tegenover de inspanningen die de Commissie zich in nauwe samenwerking met een aantal EU-lidstaten getroost om het gerechtelijk bestel weer op te bouwen, ook in het oosten.
En tot slot: wat ook nog steeds opgebouwd moet worden in Congo, is een rechtsstaat met echt overheidsgezag, dat op dit moment schittert door totale afwezigheid en daarmee voor een bijzonder ernstig vacuüm zorgt.
Isabelle Durant, namens de Verts/ALE-Fractie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw Malmström, commissaris, de situatie in de Kivu – u heb het beiden gezegd – is uiterst zorgwekkend ondanks de aanwezigheid van bijna 20 000 soldaten van MONUC.
De gewone burgers, en met name vrouwen, zijn het eerste slachtoffer van de oorlogsstrategie van de gewapende groepen en, naar verluidt, zelfs van sommige eenheden van het Congolese leger, die van stelselmatige verkrachting een oorlogswapen hebben gemaakt. Vorige maand was hier nog een groep Congolese vrouwen die ons daar terecht op wees, om ons te mobiliseren tegen deze schandalige praktijk.
Zoals u al zei commissaris, is de plundering van hulpbronnen ook een factor die dit conflict verscherpt. Ik ben het eens met wat zojuist is gezegd: het is buitengewoon gevaarlijk om MONUC in diskrediet te brengen, om de missie op een zinloze manier in diskrediet te brengen, om haar in de ogen van de bevolking die aan het eind van haar Latijn is door zoveel jaren oorlog en zoveel bloedbaden, alléén verantwoordelijk te stellen voor de situatie.
Ik ben het er helemaal mee eens dat het mandaat van MONUC niet aangepast hoeft te worden en dat niet om haar terugtrekking moet worden gevraagd. Wat wél aangepast moet worden zijn de regels voor het inzetten van MONUC, de operationele richtlijnen, en wel zo dat MONUC op geen enkele manier kan worden geassocieerd met of ondersteuning kan bieden aan een Congolese eenheid die mannen in haar midden zou hebben die de mensenrechten schenden of gewelddadigheden begaan.
De Congolese autoriteiten dragen ook een zware verantwoordelijkheid in deze strijd tegen de straffeloosheid op het gebied van seksueel geweld, waarbij het overigens om misdaden gaat die voor het Internationaal Strafhof gebracht zouden moeten worden. Diezelfde autoriteiten moeten er ook op toezien dat de militairen zich zo snel mogelijk terugtrekken in hun kazernes. Met de militairen in de kazernes zouden de zaken waarschijnlijk anders lopen.
Tot slot denk ik dat we weer terug moeten grijpen op het Amani-programma, dat de mogelijkheid biedt om overal te werken aan dialoog en pacificatie, de enige waarborg voor duurzame wederopbouw. Hoe dan ook juich ik uw tussenkomst toe, waar ik grotendeels achter sta, en ik hoop dat de Europese Unie actief zal blijven. Dat is onontbeerlijk, ook al heeft zij tot mijn spijt geen eigen troepenmacht gevormd. Iets minder dan een jaar terug had dat nog gekund. Hoe het ook zij, het optreden van de Europese Unie is volgens mij onmisbaar.
Sabine Lösing, namens de GUE/NGL-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, in geen enkel ander land ter wereld zijn er tot dusver meer operaties in het kader van het Europees veiligheids- en defensiebeleid uitgevoerd dan in de Democratische Republiek Congo. Zoals altijd rijst de vraag wiens veiligheid er eigenlijk wordt verdedigd. De veiligheid van de Congolese burgerbevolking, de vrouwen en kinderen? De VN-missie MONUC kon niet voorkomen dat duizenden mensen werden gedood, gemarteld en verkracht en dat honderdduizenden mensen werden verdreven - wreedheden waarbij ook de door de EU ondersteunde regeringstroepen betrokken waren.
Wat wordt er nu dus in Congo verdedigd? De menselijkheid? Of beschermen wij een regime dat tussen 2003 en 2006 bijvoorbeeld 61 overeenkomsten met internationale mijnbouwbedrijven heeft gesloten, waarvan er volgens internationale ngo's geen enkele aanvaardbaar was met het oog op de Congolese bevolking? President Kabila veranderde kortstondig zijn koers en sloot minder overeenkomsten ten gunste van westerse bedrijven. Deze verandering werd echter weer tenietgedaan toen de oorlog opnieuw oplaaide. Mijn vraag is nu, waarom bestaat het vermoeden dat de degenen die de touwtjes in handen hebben bij de grootste groep achter de moorden in Oost-Congo - de FDLR - zich in Duitsland bevinden? Ik verwijs hierbij naar de resolutie die ik namens de Confederale Fractie Europees Unitair Links/Noords Groen Links heb ingediend.
Andreas Mölzer (NI). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, de verdrijving van miljoenen mensen, duizenden verkrachtingen en honderden moorden mag niet het trieste resultaat zijn van de grootste VN-vredesmissie ter wereld. Tien jaar geleden werd het besluit voor de inzet in Congo genomen, maar er is niet veel bereikt. Milities plunderen nog steeds de rijke voorraad grondstoffen, terroriseren de inwoners en begaan misdaden tegen de menselijkheid.
Embargo's hebben tot op heden geen effect gesorteerd. Rebellen lopen eenvoudigweg over en plegen hun misdaden in het veilige uniform van Congolese soldaten. Twee oorlogsmisdadigers zijn onlangs voor het oorlogstribunaal in Den Haag gebracht en er konden ontwikkelingsprojecten en verkiezingen plaatsvinden - in ieder geval een gedeeltelijk succes.
We zijn er eveneens in geslaagd om het wereldwijde netwerk van de Democratische Strijdkrachten voor de Bevrijding van Rwanda (FDLR) een kleine slag toe te brengen. We hebben echter nog geen einde kunnen maken aan de gruwelijke burgeroorlog. De fronten veranderen alleen voortdurend.
Het is bijzonder verontrustend als beschuldigingen tegen de VN-missie waar blijken te zijn. Blauwhelmen mogen niet lijdzaam toekijken hoe gruwelijkheden worden begaan en, nog belangrijker, de logistieke ondersteuning van het leger mag niet geassocieerd worden met ondersteuning van schendingen van de mensenrechten. De Congo-missie mag simpelweg geen Vietnam voor Europa worden.
In wezen hebben we een gecoördineerd Europees veiligheidsbeleid en vredesoperaties nodig, maar met name in gebieden rond Europa, niet in het verre Afrika, waar de etnische fronten onduidelijk zijn. Mijns inziens moet de EU haar vredesoperaties voornamelijk richten op crisisregio's in haar eigen achtertuin, zoals de Balkan of de Kaukasus. We zouden daarom wellicht EU-deelname aan de VN-missie in Afrika moeten beëindigen.
Gay Mitchell (PPE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, dat de situatie in de Democratische Republiek Congo (DRC) abominabel is en dat de gevolgen van het conflict voor de mensen daar tragisch zijn, behoeft geen betoog.
Er zijn echter enkele belangrijke punten die hier moeten worden herhaald en in onze gezamenlijke ontwerpresolutie moeten terugkeren. We moeten in gedachten houden dat het geweld in de DRC, zoals dat het geval is bij zoveel van dit soort conflicten, veelal voortkomt uit hebzucht, maar ook geworteld is in en gevoed wordt door armoede. Gevechten over grondgebied, etniciteit, grondstoffen of politiek zijn allemaal takken aan dezelfde verrotte boom der behoeftigheid.
Vergroot iemands voorspoed en geef hem een doel, en je vermindert zijn zucht om te doden of gedood te worden. Dat is de ontwikkelingsuitdaging voor dit Parlement.
Verder moeten we ervoor zorgen dat iedere militaire aanwezigheid in het buitenland zodanig vorm wordt gegeven en ten uitvoer gebracht dat het lijden en geweld er door afnemen en de situatie er niet door verslechtert. We moeten pal staan tegen straffeloosheid en deze niet bevorderen.
Wanneer er aanwijzingen zijn dat westelijke missies niet aan deze norm voldoen, moeten zij dringend worden heroverwogen en moet hun manier van werken worden herzien.
Ten slotte: de geschiedenis leert dat bij bittere interne conflicten als die in de DRC, de enige hoop op vrede ligt in een politieke oplossing. Dialoog en betrokkenheid zijn de enige wegen naar zo’n oplossing.
Nu na Lissabon een Europese dienst voor extern optreden in het leven is geroepen, moet de Europese Unie op het internationale podium veel meer proactief de dialoog bevorderen en voor vrede ijveren.
Corina Creţu (S&D). – (RO) Zoals hiervoor al is benadrukt, zijn er opzettelijk miljoenen burgers gedood tijdens militaire operaties in het oostelijk deel van de Democratische Republiek Congo. Er is een risico dat dit soort nieuws routine wordt vanwege de nog nooit vertoonde schaal waarop het geweld in dit land plaatsvindt. Onder de slachtoffers zijn kinderen, jonge meisjes en vrouwen, om niet te spreken over mensenrechtenactivisten en journalisten.
De humanitaire crisis wordt iedere dag ernstiger. Het gebrek aan veiligheid in het gebied betekent dat humanitaire organisaties niet langer hun werk kunnen doen. Alleen al in de eerste negen maanden van dit jaar zijn meer dan 7 500 gevallen van verkrachting en seksueel geweld geregistreerd, meer dan in het gehele afgelopen jaar. Al deze incidenten vinden plaats tegen een achtergrond van hongersnood en extreme armoede, waardoor miljoenen mensen worden getroffen. Zowel het Congolese leger als de Rwandese rebellen zijn verantwoordelijk voor deze tragedie. Er zijn helaas ook aanwijzingen dat de VN-troepen in Congo voor een groot deel verantwoordelijk zijn, aangezien zij ernstige mensenrechtenschendingen toelaten. Daarom ben ik van mening dat de Europese Unie op zeer korte termijn moet bespreken hoe de VN-troepen in Congo de meegekregen opdracht kunnen gaan vervullen.
Er zijn ook maatregelen benodigd om een eind te maken aan de witwaspraktijken en de wapen- en goudsmokkel. Ieder jaar wordt meer dan 37 ton goud uit Congo gesmokkeld, met een waarde van meer dan een miljard euro. De opbrengst hiervan wordt gebruikt voor wapens en het stimuleren van criminaliteit in dit land.
Sophia in 't Veld (ALDE). - Voorzitter, ik luisterde net naar de bijdrage van collega Mölzer die inmiddels weer weg is, die eigenlijk zegt: het is zo hopeloos, laten we het maar opgeven en ons op onze eigen buren concentreren. Ik moet zeggen dat, als je inderdaad naar de situatie kijkt, je er bijna het bijltje bij zou neergooien. Maar dan denk ik aan de groep van vrouwen die hier vorige maand op bezoek was, waar mevrouw Durant ook aan refereerde en dan denk ik, kunnen wij die mensen in de ogen kijken en zeggen, we geven het maar op, of we maken er geen prioriteit van, of, ach, we nemen maar weer eens een resolutie aan en daarmee hebben we eigenlijk onze plicht wel gedaan. Ik denk aan die vrouwen en ik denk aan hun wanhoop en hun bitterheid en het gevoel dat ze in de steek gelaten waren en dan vind ik het heel erg moeilijk om op die manier te debatteren.
Er staan heel veel goede dingen in de resolutie en ik hoop dat we die ook echt met daden kracht gaan bijzetten, maar ik wou één aspect toch even onderstrepen. We hebben het heel vaak over verkrachting, seksueel geweld, en dat zijn eigenlijk termen die bijna de lading niet meer dekken als je kijkt naar wat de werkelijkheid is; de vrouwen met wie wij gesproken hebben, zeggen dat het veel verder gaat dan een aanval op een individueel persoon. Het is geen individueel geweld, het is een aanval op de gemeenschap, doelgericht om het weefsel van de gemeenschap kapot te maken. Dus ik denk dat we nu echt heel dringend niet alleen actie moeten ondernemen, niet alleen maar de straffeloosheid moeten eindigen en niet alleen maar boter bij de vis moeten doen en de middelen moeten leveren bij de acties die we hebben aangekondigd, maar dat we ook moeten laten zien dat we een hand uitsteken en dat we solidair zijn met de mensen daar en dat we ze niet in de steek laten, dat we onze morele verantwoordelijkheid nemen.
Cristian Dan Preda (PPE). – (RO) Terwijl de Verenigde Naties gaan aankondigen dat het mandaat van MONUC wordt verlengd, moeten wij nadenken over hoe de internationale gemeenschap moet handelen met betrekking tot de situatie in de Democratische Republiek Congo, die helaas steeds slechter wordt. Zoals ook blijkt uit de ervaring met operatie Kimia II, geleid door het Congolese leger met steun van MONUC, is militair succes onvoldoende als het verlies aan mensenlevens en het lijden van de Congolese burgerbevolking groot zijn.
Ik ben van oordeel dat de recente militaire operaties tegen de FDLR desastreuze gevolgen hebben gehad, waar wij ons van bewust moeten zijn: mensenrechtenschendingen op grote schaal en een steeds ernstiger wordende humanitaire crisis. Bovendien is de bestaande straffeloosheid een uitnodiging om deze misdaden steeds opnieuw te begaan. Ik ben van mening dat bescherming van de burgerbevolking de hoogste prioriteit moet hebben. Het Europees Parlement moet een duidelijk standpunt innemen dat gewelddadigheden, voornamelijk seksueel geweld, en mensenrechtenschendingen in het algemeen, inclusief de misdaden die in de Kivu zijn begaan, onmiddellijk moeten ophouden, evenals het klimaat van straffeloosheid.
Luis Yáñez-Barnuevo García (S&D). - Mijnheer de Voorzitter, andere afgevaardigden hebben al gesproken over de tragische situatie in de Democratische Republiek Congo. Ze hebben het gehad over de miljoenen doden, verkrachtingen en gevallen van misbruik van de burgerbevolking. Ook is er gesproken over de missie van de Verenigde Naties – de MONUC – en de deelname van de Europese Commissie in het veld hieraan. Misschien is er echter nog te weinig gesproken over de noodzaak om de stroom illegale grondstoffen zoals diamanten, goud en andere producten naar de rest van de wereld te controleren. Deze producten worden in onze lidstaten of de Verenigde Staten witgewassen middels rekeningen of bedrijven die wel legaal zijn.
Hier ligt een belangrijke taak voor mevrouw Ashton. Door de autoriteit die ze krijgt door het Verdrag van Lissabon en met de steun van de 27 lidstaten en dit Parlement zou ze een actieprogramma op kunnen stellen om te voorkomen dat de aanstichters van deze slachtingen en verkrachtingen – de krijgsheren – zich verrijken.
Anne Delvaux (PPE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, gezien de recente alarmerende berichten uit Noord- en Zuid-Kivu, het extreem gewelddadige karakter van de aanvallen op burgers en meer in het bijzonder op vrouwen, kinderen en bejaarden, krijgt de urgentie, die in verband met Congo al zo vaak is genoemd door de Europese Unie en de gehele internationale gemeenschap, nu wel een zeer acuut karakter. Alles moet in het werk worden gesteld om de burgerbevolking te beschermen. Het mandaat van MONUC ter plaatse zal waarschijnlijk worden verlengd, maar het moet ook absoluut tegen het licht worden gehouden en worden versterkt om deze geweldsexplosie in te dammen.
De internationale gemeenschap, ngo’s en Congolese vrouwen doen al jaren hun uiterste best om de strijd aan te binden met het gebruik van seksueel geweld als oorlogswapen, een wapen dat momenteel stelselmatig, op wijdverbreide schaal en altijd tegen een achtergrond van totale straffeloosheid wordt ingezet in de gevechtsvrije zones. Ik ben verheugd over de vastberadenheid die de Congolese autoriteiten sinds kort aan de dag leggen om een eind te maken aan die straffeloosheid, maar dit zerotolerancebeleid moet dan wel ambitieus en echt effectief zijn – al diegenen die wandaden hebben begaan zullen verantwoording moeten afleggen, niemand uitgezonderd.
De opening van de eerste processen voor het Internationaal Strafhof tegen de vermeende daders van de seksuele misdrijven binnen de context van een gewapend conflict moet ertoe leiden dat het Hof alle verantwoordelijken zal kunnen identificeren, opdat die zo snel mogelijk kunnen worden berecht.
Tot slot moet dit alles uiteraard gepaard gaan met de versterking van de staatsstructuren, de handhaving van de orde, de bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen en de bescherming van de mensenrechten en dus van vrouwen en kinderen, waarvan de waardigheid, het kind-zijn en de onschuld vaak worden geofferd op het altaar van een andere vernedering: die van de onverschilligheid.
Michèle Striffler (PPE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, de humanitaire situatie in het oosten van de Democratische Republiek Congo, en met name in de oostelijke provincie en de Kivu, is rampzalig, dat weten we nu. De veiligheidssituatie van de burgerbevolking is vooral verslechterd door de gezamenlijke militaire operaties van de Congolese strijdkrachten en de Oegandese en Rwandese troepen tegen al deze gewapende rebellengroepen, met alle massale slachtpartijen en mensenrechtenschendingen van dien.
Seksueel geweld is een uitermate verontrustend en op grote schaal voorkomend verschijnsel, waar inmiddels al geen enkele Congolees meer van opkijkt. Bovendien worden veel van die gewelddaden begaan tegen medewerkers van humanitaire organisaties.
Volgens de officiële cijfers zijn er in het oosten van de Democratische Republiek Congo zo’n 2 113 000 personen van huis en haard verdreven. Sinds 1 januari 2009 zijn er in de Kivu meer dan 775 000, en in de oostelijke districten van de oostelijke provincie 165 000 van deze ontheemden bijgekomen.
Op dit moment hebben naar schatting zo’n 350 000 kwetsbare personen humanitaire hulp nodig: kinderen, weduwen en slachtoffers van seksueel geweld. De Gemeenschap moet dan ook snel in actie komen.
Marc Tarabella (S&D). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, alle sprekers hebben terecht gehamerd op de verschrikkelijke situatie van de Congolezen, en dan vooral de vrouwen onder hen, in het oosten van het land. Zij hebben gesproken over de verkrachtingen en barbaarse daden die deze vrouwen moeten ondergaan, en de moordpartijen waarvan zij het slachtoffer worden. Maar beter dan erover te praten is het om naar de sites van Unicef en V-Day te gaan, die in dit verband niets aan duidelijkheid te wensen overlaten.
Ik ga het vandaag hebben over de concrete gevolgen van deze barbaarse daden voor Congo, over fysiek en psychisch beschadigde vrouwen die hulp behoeven, over vermoorde vrouwen, die niet meer zullen kunnen bijdragen aan de economische ontwikkeling van Congo, net zoals hun kinderen die nooit geboren zullen worden. Ik wil ook wat zeggen over de verspreiding van aids, een trauma waar de hele Congolese bevolking onder gebukt gaat en dat bij de internationale gemeenschap voor het negatieve imago zorgt, het beeld dat Congo steeds verder wegzakt.
Stabiele vrede en economische ontwikkeling in Congo zijn alleen maar mogelijk als de Congolese regering en de VN efficiënt de strijd aanbinden met het seksueel geweld tegen Congolese vrouwen en, in een breder verband, waken over de invoering van de echte rechtsstaat in dit land.
Frédérique Ries (ALDE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, minister, commissaris, ook ik wil op mijn beurt ingaan op de tragedie van het seksueel geweld waarvan de vrouwen slachtoffer worden in de DRC, met name in het oosten. Dit is echter geen nieuw fenomeen. Het is uiterst complex en heeft talrijke facetten. Het fysieke en psychische lijden van de slachtoffers wordt nog eens verergerd door de sociale uitsluiting, die hun tragedie verscherpt. Het zerotolerancebeleid van president Kabila werpt inmiddels voorzichtig zijn eerste vruchten af, maar iedereen weet dat deze plaag alleen duurzaam bestreden kan worden met een alomvattende strategie.
Commissaris, ik weet dat de Commissie al actief is via tal van projecten en ook de nodige financiële bijdragen levert. Maar staan wij hier niet in ons recht om vraagtekens te zetten bij deze strategie, gelet op de cijfers en de vreselijke en gruwelijke getuigenissen die hier te beluisteren zijn? Commissaris, vrouwen vormen de belangrijkste factor voor de vrede en de wederopbouw in een land. Zij zijn de toekomst van Congo. Hoe denkt u het beter en sneller te gaan doen?
Raül Romeva i Rueda (Verts/ALE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, ook ik wil mij mengen in dit debat, omdat het om een onderwerp gaat dat ik allang volg. Gezien het niet-aflatende geweld en de mensenrechtenschendingen in het oosten van de DRC moeten we helaas opnieuw onze diepe bedroefdheid uitspreken over de slachtingen, de misdaden tegen de menselijkheid en het seksueel geweld tegen deze vrouwen en jonge meisjes, dat alsmaar doorgaat in de oostelijke provincie.
Daarom sluit ik me aan bij mijn collega’s om alle bevoegde instanties te verzoeken onmiddellijk in te grijpen en de daders van deze misdrijven voor de rechter te brengen, en om de VN-Veiligheidsraad opnieuw te verzoeken zo spoedig mogelijk alle maatregelen te treffen waarmee daadwerkelijk verhinderd kan worden dat de burgerbevolking in de oostelijke provincie van de DRC door wie dan ook nog wordt aangevallen.
Ook roep ik alle betrokkenen op om intensiever de strijd aan te binden met de straffeloosheid en ervoor te zorgen dat de rechtsstaat wordt geëerbiedigd, door vooral de verkrachting van vrouwen en jonge meisjes en het ronselen van kindsoldaten aan te pakken.
Franz Obermayr (NI). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, in november 2009 vond er een uitwisseling van ambassadeurs plaats tussen Rwanda en de Democratische Republiek Congo - een klein lichtpuntje voor dit verwoeste land en zijn geteisterde bevolking. Verder is de leider van de Democratische Strijdkrachten voor de Bevrijding van Rwanda gearresteerd. Dit zijn allebei tekenen van verbetering in de situatie in Oost-Congo. Mijn vraag aan de Commissie luidt nu: welke maatregelen denkt u te nemen teneinde verdere toenadering tussen Congo en Rwanda te bewerkstelligen?
Met betrekking tot het VN-mandaat het volgende: hier is vandaag het een en ander opgemerkt over het nemen van diverse maatregelen. Laten we eerlijk zijn: als er een VN-mandaat komt, moet dit duidelijk voor de bescherming van de mensen zijn die worden onderdrukt, gemarteld, misbruikt en mishandeld, met name de vrouwen en kinderen in dit land. Laat één ding heel duidelijk zijn in dit verband. Als er een VN-mandaat wordt afgegeven - en wij Oostenrijkers zijn tamelijk restrictief op dit gebied - dan moet er consequent worden opgetreden en moeten de mensen in het veld indien nodig gewapend zijn - ook ter bescherming van de onderdrukte bevolking.
Seán Kelly (PPE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, het is betreurenswaardig dat we het in deze kersttijd twee dagen lang hebben gehad over geweld in de wereld: in Tsjetsjenië, in Afghanistan en nu in Congo. Maar dat is wel hoe het is.
Tegelijk moeten we de kerstboodschap van vrede en goede wil uitdragen en, zoals collega Mitchell betoogde, ijveren voor vrede. En dit is een geweldige gelegenheid voor de hoge vertegenwoordiger, Lady Ashton, om de vermogens en ondersteuning van de Europese Unie in te zetten op een manier die eerder niet mogelijk was, om deze landen in het gareel te brengen en te proberen het vreselijke lijden op deze plekken te verminderen.
De langetermijnoplossing zal echter niet gevonden worden in economische vooruitgang, maar in scholing, en daarom moeten we ons inspannen voor gratis toegang tot onderwijs in deze landen, omdat daarin op de lange termijn echt de weg naar vrede gelegen is.
Jim Higgins (PPE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, in 1960 vroeg de Zweedse secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Dag Hammarskjöld, het Ierse leger op te treden als vredesmacht in wat toen nog Belgisch Congo heette en later Congo werd. Het heeft daar geweldig werk verricht.
Ik maak me grote zorgen over de huidige rol van de VN-troepen in Congo: de Marokkanen, de Pakistani en de Indiërs. We hebben het over verkrachting, geweld, handel en dergelijke, maar de VN-troepen verrichten niet bepaald gloriedaden en berokkenen zelfs schade.
Ik ben het geheel eens met de heer Mitchell dat de Europese Unie fermer moet optreden. We zijn een Europese Unie, werkelijk verenigd. We hebben fantastisch werk gedaan in Tsjaad. We moeten onze eigen vredestroepen sturen en ons niet verlaten op de Verenigde Naties. Het is zo dat we te maken hebben met geweldige mensen, die slachtoffer zijn van de Europese kolonisatie, slachtoffer van tribale conflicten, slachtoffer van internationale blindheid, en we mogen onze ogen niet langer sluiten. We moeten er domweg naar toe om die mensen te redden.
Alf Svensson (PPE). – (SV) Mijnheer de Voorzitter, het is bijna onmogelijk om de verschrikkelijk statistische gegevens te bevatten die hier worden vermeld, en toch weten we dat ze kloppen. Niettemin is er een gevoel, dat misschien door velen wordt gedeeld, dat het engagement niet zo sterk en zo concreet is als het zou moeten zijn wanneer het om de armste der arme landen ten zuiden van de Sahara gaat. Er is hier verwezen naar militaire macht. Ik denk dat we allemaal beseffen dat we armoede en corruptie moeten bestrijden als we de situatie van de inwoners van een land die tot dusver zo verschrikkelijk hebben geleden, enigszins draaglijker willen maken en verbeteren.
We hebben het graag over Afghanistan en vaak over de terreur daar en, terecht, over wat de taliban daar aanrichten. Maar hier gaat het ook om een volk dat geleden heeft en lijdt onder de verschrikkelijkste omstandigheden. Ik wil graag onderstrepen dat er niet-gouvernementele organisaties zijn die werkzaamheden uit kunnen voeren als ze staatssteun en steun van de EU krijgen, maar dat blijkt vaak ontzettend moeilijk te zijn.
Cecilia Malmström, fungerend voorzitter van de Raad. − (SV) Mijnheer de Voorzitter, zoals uit het debat is gebleken, zijn er ontzettend goede redenen om ons engagement in de Democratische Republiek Congo voort te zetten. De EU zet zich al sterk in om op lange termijn stabiliteit, veiligheid en ontwikkeling tot stand te brengen in het land. Commissaris De Gucht gaf een lange uiteenzetting van de inspanningen van de EU.
De EU is, door de bijdragen van zowel de lidstaten als de Commissie, een van de grootste donoren in de regio, en daarom hebben we de mogelijkheid om invloed uit te oefenen. Om de stabiliteit in de Democratische Republiek Congo en in de regio in stand te kunnen houden, is het echter van het allergrootste belang dat de levensstandaard van de Congolese bevolking wordt verbeterd, dat de mensenrechten worden beschermd en dat krachtdadig wordt opgetreden tegen corruptie om een samenleving te creëren die op de beginselen van de rechtsstaat gebaseerd is.
Het verschrikkelijke seksuele geweld waarover veel Parlementsleden hier getuigenis hebben afgelegd en waar we helaas in te veel verslagen met onze neus op worden gedrukt, is natuurlijk volkomen onaanvaardbaar. De daders mogen hun straf niet ontlopen. Ze moeten voor het gerecht worden gedaagd. De Congolese regering heeft een grote verantwoordelijkheid om te verzekeren dat dit gebeurt en dat het nultolerantiebeleid van president Kabila geen loze woorden zijn maar daadwerkelijk tot actie leidt.
De Raad heeft het mandaat van de beide EVDB-missies na de onderzoeksmissie in de Democratische Republiek Congo in het begin van 2009 herzien om bij te dragen tot de strijd tegen dit soort seksueel geweld. Als gevolg daarvan zal EUPOL in Congo twee multidisciplinaire teams met verschillende soorten expertise, bijvoorbeeld op het gebied van het onderzoek van misdaden en de bestrijding van seksueel geweld, naar de provincies Noord- en Zuid-Kivu sturen met een mandaat dat het hele land zal beslaan. Momenteel worden mensen gerekruteerd voor die teams.
Dat is natuurlijk slechts een kleine bijdrage. Ze is bescheiden in een zo uitgestrekt land. Toch is ze belangrijk en het nieuwe gespecialiseerde personeel zal kunnen helpen om seksueel geweld correct te onderzoeken, met name wanneer de daders een uniform dragen.
Zo meteen beginnen we aan het vragenuur, maar dit is mijn laatste debat als vertegenwoordigster van het Zweedse voorzitterschap hier in het Parlement. Ik wil u bedanken voor de vele goede debatten, de vele aangename momenten en de uitstekende samenwerking met de leden van het Europees Parlement en met u, mijnheer de Voorzitter.
De Voorzitter. − Ook ik wil u namens al mijn collega-afgevaardigden hartelijk bedanken voor uw efficiëntie en uw inzet die ons zo veel genoegen heeft gedaan.
Karel De Gucht, lid van de Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, allereerst wil ik de afgevaardigden bedanken voor hun bijdragen aan dit debat. Ik ga nu niet mijn eerdere woorden herhalen, maar zal me concentreren op drie zaken.
Ten eerste doet de Europese Commissie veel op het gebied van humanitaire hulp en programma’s voor herstel van de rechtsstaat. We hebben het dan over tientallen miljoenen en in eerste instantie zelfs meer dan 100 miljoen euro. Maar de vraag is natuurlijk hoe doelmatig dit allemaal is, als je geen passende partnerorganisatie in de politieke arena hebt.
Ten tweede wil ik graag iets zeggen over het mandaat van MONUC, omdat ik denk dat het –ondanks het feit dat MONUC bekritiseerd mag worden, en móet worden, vanwege de recente gebeurtenissen – een grote vergissing zou zijn hun te vragen de DRC te verlaten. Dat is een van de ergste dingen die je je kunt voorstellen.
Ik zal u enkele passages voorlezen uit het mandaat zoals dat begin vorig jaar door de VN Veiligheidsraad is vastgesteld. Hierin staat dat “de Raad ook heeft besloten dat MONUC vanaf het moment dat deze resolutie word aangenomen, het mandaat heeft om, in de hier aangegeven volgorde van prioriteiten, in nauwe samenwerking met de regering van de DRC te zorgen voor de bescherming van burgers, humanitair personeel en VN-medewerkers en -inrichtingen; de veiligheid van burgers, met inbegrip van humanitair personeel, te garanderen wanneer er fysiek geweld dreigt, met name wanneer dit geweld afkomstig is van een van de partijen in het conflict.”
Een andere zeer relevante paragraaf is paragraaf G betreffende de gecoördineerde operaties. Hierin gaat het over “operaties coördineren met door de FARDC (het leger) in het oostelijke deel van de Democratische Republiek Congo ingezette geïntegreerde brigades en operaties ondersteunen die onder verantwoordelijkheid van deze brigades worden uitgevoerd en samen met hen zijn gepland, in overeenstemming met het internationale humanitaire recht, de mensenrechten en het vluchtelingenrecht, met de bedoeling om...”, et cetera.
Het mandaat is dus zeer duidelijk en alleen de rules of engagement zouden ter discussie moeten staan. Het is in feite aan MONUC zelf om naar de eigen rules of engagement te kijken, omdat het aan hen is te besluiten hoe ze het verder zullen aanpakken.
Ten slotte is er ook veel kritiek op het idee van internationaal strafrecht. Er wordt betwijfeld of dit te verenigen is met politiek. Is het mogelijk aan de ene kant internationaal strafrecht te hebben en tegelijk aan de andere kant een goede politieke aanpak van een crisis? Dat is een heel interessante vraag.
In Congo is een van de antwoorden te zien. We hebben, ondanks het feit dat er een opsporingsbevel tegen hem is uitgevaardigd, toegestaan dat Bosco Ntaganda de leiding van het CNDP overnam van Laurent NKunda, en kijk eens wat er gebeurt. Je krijgt niets voor niets. Je kunt niet kiezen tussen enerzijds de aanpak van een politieke crisis en anderzijds het in praktijk brengen van het internationale strafrecht. Ik ben van mening dat voor ons, als Europees Parlement en als Europese Commissie, de toepassing van het internationale strafrecht de voorrang moet krijgen.
De Voorzitter . Tot besluit van het debat zijn er zes ontwerpresoluties(1) ingediend, overeenkomstig artikel 103, lid 2, van het Reglement.
Het debat is gesloten.
De stemming vindt donderdag 17 december 2009 plaats.