Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2010/2528(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

B7-0126/2010

Debatten :

PV 24/02/2010 - 16
CRE 24/02/2010 - 16

Stemmingen :

PV 25/02/2010 - 7.3
CRE 25/02/2010 - 7.3

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0036

Debatten
Waarschuwing
Woensdag 24 februari 2010 - Brussel Uitgave PB

16. Prioriteiten van het EP met het oog op de bijeenkomst van de VN-Raad voor de mensenrechten (Genève, 1-26 maart 2010) (voortzetting van het debat)
Video van de redevoeringen
PV
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde zijn de verklaringen van de Raad en de Commissie: Prioriteiten van het EP met het oog op de bijeenkomst van de VN-Raad voor de mensenrechten (Genève, 1-26 maart 2010).

 
  
MPphoto
 

  Vittorio Prodi (S&D). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de dertiende vergadering van de VN-Raad voor de mensenrechten is een extreem belangrijke gelegenheid.

Ik wil slechts enkele zaken onder de aandacht brengen waar niet vaak over gesproken wordt. Met name wat gevangenissen betreft, maar niet die voor terroristen, wil ik graag wijzen op de werkelijk onmenselijke omstandigheden in de gevangenissen van Rwanda en Libië, waar volstrekt onschuldige gevangenen ter dood worden veroordeeld.

Ook wil ik graag wijzen op de situatie van de Sahariaanse bevolking die al zo lang op een beslissing wacht, en verder wil ik graag wijzen op de rechten van klimaatvluchtelingen die van hun land worden verdreven door grote klimaatveranderingen. Dit zijn allemaal zaken waar wij aandacht aan moeten schenken, omdat ze de fundamenten vormen van onze samenleving.

 
  
MPphoto
 

  Alexander Graf Lambsdorff (ALDE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, de Verenigde Naties hebben zichzelf voor hun verjaardag twee nieuwe structuren gegeven: de Peace Building Commission en de Mensenrechtenraad. Terwijl de Peace Building Commission haar werk relatief effectief verricht en ruimschoots aan de verwachtingen heeft voldaan, kan men dat met de beste wil van de wereld niet van de Mensenrechtenraad zeggen. Er is hier gezegd – en dit is ook in de resolutie tot uitdrukking gekomen – dat een herziening absoluut noodzakelijk is. Het werk van de Mensenrechtenraad is te eenzijdig – collega’s hebben daarop gewezen. Er wordt bijvoorbeeld vanuit één standpunt naar Israël gekeken. Ik ben er eerlijk gezegd niet blij mee dat het voorzitterschap hier als enige grote thema het rapport-Goldstone benadrukt heeft. Dit is zeker een onderwerp waarover gediscussieerd kan worden, maar niet het belangrijkste.

Wanneer collega Howitt zegt dat de kandidatuur van Iran – mocht deze slagen – de doodsteek voor de Mensenrechtenraad is, wil ik graag weten wat dat betekent. Ik wil dan graag een gemeenschappelijk standpunt van onze lidstaten en ook van de Europese dienst voor extern optreden. Als het zo verdergaat, moeten wij mijns inziens namelijk serieus overwegen om het zwaartepunt van ons mensenrechtenwerk in de Verenigde Naties weer bij de Derde Commissie te leggen. Daar is tenminste universele vertegenwoordiging en die heeft meer legitimiteit.

 
  
MPphoto
 

  Daniël van der Stoep (NI). - U weet het, wij weten het, de Raad voor de mensenrechten van de Verenigde Naties is een grote farce. Deze raad wordt gegijzeld door de organisatie van de Islamitische Conferentie, die bestaat uit landen die elkaar allemaal beschermen en als doel hebben om de mooie staat Israël te treiteren en valselijk te beschuldigen.

Voorzitter, deze zogenaamde Raad voor de mensenrechten strijdt tegen alles waar mensenrechten voor staan en de vrijheid van meningsuiting in het bijzonder. Het is schandelijk en abject dat dit Parlement deze verschrikkelijke raad serieus neemt. Voorzitter, als dit Parlement echt voor mensenrechten staat, dan veroordeelt het de continue stroom van resoluties die de vrijheid van meningsuiting willen vermoorden, alsmede de flagrante schending van mensenrechten door de landen die de Raad voor de mensenrechten vormen. Voorzitter, naast landen als Saoedi-Arabië, Pakistan, Indonesië en Egypte, die behoren tot de grootste schenders van mensenrechten ter wereld, wil nu ook Iran lid worden van de Raad voor de mensenrechten. Wel ja, alleen nog Noord-Korea erbij en wij hebben zo'n beetje alle schurkenstaten gezellig bij elkaar.

Voorzitter, voor mijn partij is het duidelijk: de VN-Raad voor de mensenrechten is een afschuwelijk orgaan en mag niet serieus genomen worden. Dit Parlement moet ogenblikkelijk en direct afstand nemen van de Raad voor de mensenrechten en absoluut niet in gesprek gaan met een stelletje boeven.

 
  
MPphoto
 

  Cristian Dan Preda (PPE).(RO) Als eerste wil ik u er graag aan herinneren dat de Mensenrechtenraad, toen die werd opgericht als een uniek orgaan gewijd aan de mensenrechten binnen het stelsel van de Verenigde Naties, hoop gaf, namelijk hoop op toenemende bescherming van de grondrechten op een wereldwijd niveau.

De introductie van de universele periodieke doorlichting, de belangrijkste innovatie met betrekking tot de inmiddels afgeschafte VN-Mensenrechtencommissie, was bedoeld om de relevante problemen op te lossen: de overmatige politisering en selectieve benadering bij het behandelen van gevallen van ernstige mensenrechtenschendingen. Dit instrument is essentieel om ervoor te zorgen dat de Mensenrechtenraad zijn taak zo goed mogelijk kan vervullen. Er moet echter worden benadrukt dat de oude demonen niet volledig zijn verdwenen en dat overmatige politisering het werk van dit orgaan blijft bemoeilijken. Aan de andere kant moeten we zeggen dat de universele periodieke doorlichting niet voldoende is om effectieve bescherming van de mensenrechten te garanderen.

Als de Raad niet alert genoeg reageert, zoals in het geval van Guinee, om maar een voorbeeld te noemen, heeft dat zeer ernstige gevolgen. Dat kan de plegers van mensenrechtenschendingen het idee geven dat ze zich geen zorgen hoeven te maken. De geloofwaardigheid van deze Raad is dus afhankelijk van zijn vermogen om krachtig en snel op te treden als er ernstige schendingen van de mensenrechten worden gepleegd.

In dat verband is het belangrijk dat de Europese Unie zich inzet voor de instelling van mechanismen op het niveau van de Mensenrechtenraad die specifiek zijn ontwikkeld om te reageren op crises zoals die, om een paar recente voorbeelden te noemen, in Afghanistan, Guinee-Conakry, Iran, Jemen en Irak. Ik ben van mening dat het in het belang van het Europees Parlement is dat dit orgaan, de Mensenrechtenraad, zo machtig en effectief mogelijk is, want ik denk dat we een geloofwaardige partner nodig hebben in de dialoog over de mensenrechten.

 
  
MPphoto
 

  Corina Creţu (S&D).(RO) Ik wil het hebben over de situatie in de Gazastrook, die zoals u weet een constante bron van zorg is als het gaat om respect voor de mensenrechten, met name na de verslechtering van de omstandigheden als gevolg van de conflicten afgelopen winter. Ik denk niet dat we kunnen vaststellen wie er meer geleden heeft onder dit conflict. Militaire acties door beide partijen hebben helaas vooral de burgerbevolking leed bezorgd. Het is echter in de context van de situatie ter plaatse uiterst moeilijk om onderscheid te maken tussen soldaten en burgers onder de Palestijnen. Aan de andere kant hebben de raketaanvallen van Hamas Israëlische burgers geterroriseerd.

Ik heb het gebied tijdens het conflict bezocht en ik heb de problemen en angsten van beide partijen gezien. Ik ben van mening dat elke poging om de schuld van de gebeurtenissen bij een van de partijen neer te leggen onrealistisch is. De bloedige gevechten in de Gazastrook en de tragische humanitaire gevolgen zijn een pijnlijke roep om geconcentreerd optreden in alle probleemgebieden van de wereld, in het bijzonder tegen de factoren die weerloze burgers laten lijden en voor uitgebreidere en effectievere betrokkenheid van internationale organisaties om de vredesdialoog een impuls te geven. Dit is een terrein waar de Europese Unie niet alleen de noodzakelijke capaciteit en geloofwaardigheid heeft, maar ook de plicht om wereldwijd krachtiger op te treden.

 
  
MPphoto
 

  Tunne Kelam (PPE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, een parlementaire prioriteit is ook de aanpak van de alarmerende situatie van politisering die is ontstaan door de activiteiten van de Raad voor de mensenrechten. Het is daarom van het allergrootste belang dat de EU-delegaties zich sterk maken voor de vaststelling van criteria voor lidmaatschap van de Raad voor de mensenrechten. Dit is in het bijzonder van toepassing op de minimumeisen voor samenwerking met “speciale procedures”, en het niet gebruiken van “no action”-moties, waardoor werd verhinderd dat resoluties werden aangenomen over staten die erg graag kritiek op hun mensenrechtenbeleid wilden vermijden.

Ik zou naar twee andere parlementaire prioriteiten willen verwijzen. Ten eerste Belarus. De situatie op het gebied van de mensenrechten is in tegenstelling tot de verwachting niet verbeterd maar juist verslechterd. Ik zou vandaag de boodschap van de heer Milinkevitsj willen benadrukken. De EU heeft nu echt de mogelijkheid om het regime van Loekasjenko onder druk te zetten, zodat hij echte verbetering tot stand brengt als voorwaarde voor verdere economische hulp van en samenwerking met de EU.

Ten tweede zou ik graag om steun willen vragen voor de publieke oproep van de 18 Russische mensenrechtenactivisten van vorige week, onder wie de winnaar van de Sacharov-prijs Kovalev, die buitengewoon bezorgd zijn over een verdere inperking van onafhankelijke satellietinformatie in de Russische taal, wat het Kremlin door druk uit te oefenen voor elkaar heeft gekregen.

Het is echt schadelijk voor de waarden van de EU om voorvechters van de mensenrechten als Kovalev te prijzen en tegelijkertijd te capituleren voor beweringen van de heer Poetin dat het uitzenden van alternatieve informatie in de Russische taal door Europese satellieten iets vijandigs is.

 
  
MPphoto
 

  Elena Băsescu (PPE).(RO) Ik wil in het debat van vandaag uw aandacht vragen voor het geval van de Israëlische soldaat Ghilad Shalit die in juni 2006 werd ontvoerd in Kerem Shalom, op slechts negentienjarige leeftijd. Afgelopen week maakte ik deel uit van de officiële delegatie van het Europees Parlement in Israël en een van de ontmoetingen was met de vader van Ghilad Shalit, Noam Shalit. Ondanks de artikelen 13, 23 en 126 van de Conventie van Genève over de rechten van krijgsgevangenen, worden de rechten van Ghilad, die ook de Franse nationaliteit heeft, niet gerespecteerd als het gaat om het recht op bezoek van zijn familie en het Internationale Rode Kruis, een humane behandeling en bekendmaking van de precieze locatie waar hij gevangen wordt gehouden. Ik moet benadrukken dat zelfs artikel 77 van het rapport van de commissie Goldstone, dat verder kritisch tegenover Israël staat, aanbeveelt dat Ghilad Shalit de rechten moet krijgen die worden gegarandeerd door de Conventie van Genève. Aan de andere kant respecteert Israël de rechten van gevangenen.

 
  
MPphoto
 

  Csaba Sógor (PPE). (HU) De EU moet op de bijeenkomst van de VN-Mensenrechtenraad in maart ondubbelzinnig verklaren dat de internationale gemeenschap behalve de schendingen van mensenrechten in de derde wereld ook de misstanden in ontwikkelde landen aan de kaak moet stellen. De Verklaring over de rechten van personen behorende tot nationale, etnische, godsdienstige of taalkundige minderheden, die de Algemene Vergadering van de VN op 18 december 1992 heeft aangenomen, geldt net zo goed voor ontwikkelde landen als voor ontwikkelingslanden, dus ook voor EU-lidstaten. Artikel 2, lid 1 van de verklaring stelt dat personen die tot een nationale minderheid behoren, zonder enige inmenging van buitenaf of discriminatie hun moedertaal mogen gebruiken, zowel in de privésfeer als in het openbaar. Dit artikel wordt momenteel ook in EU-lidstaten met voeten getreden. De EU kan pas geloofwaardig zijn als zij een oplossing vindt waarmee de wantoestanden die op het grondgebied van de Europese Unie op het vlak van rechten van minderheden voorkomen, worden aangepakt op een manier die als voorbeeld kan dienen voor de hele wereld.

 
  
MPphoto
 

  Georgios Papanikolaou (PPE).(EL) Mijnheer de Voorzitter, de komende twee jaar zullen van cruciaal belang zijn voor de verduidelijking van de rol van de VN op het gebied van de mensenrechten, omdat zoals u weet, de intergouvernementele doorlichting van de Raad voor de mensenrechten in 2011 bekend wordt gemaakt.

Het gevaar bestaat dat de reeds door mij voorgangers genoemde landen, die hier niet bijzonder veel waarde aan hechten, in deze periode de rol van de VN willen beperken.

Ik wil graag het volgende toevoegen aan hetgeen reeds is gezegd. Aangezien, ten eerste, de Europese Unie een van de belangrijkste voorvechters van de mensenrechten is - en dat hopelijk ook blijft - moeten wij er onder meer voor zorgen dat we internationaal met één stem spreken en waar mogelijk onenigheid vermijden.

Ten tweede moeten we de samenwerking met de Verenigde Staten bij de bescherming van de mensenrechten intensiveren.

Ten derde, en daarmee wil ik eindigen, moet het Europees Parlement - en dat kan het ook - zorgvuldig de specifieke procedures in de gaten houden die in verband met de universele periodieke doorlichting van de Raad zullen volgen, zodat wij daadwerkelijk een substantiële bijdrage leveren aan de bevordering van de mensenrechten in alle lidstaten van de Verenigde Naties.

 
  
MPphoto
 

  Mariya Nedelcheva (PPE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw Georgieva, mijnheer López Garrido, ik zou uw aandacht willen vestigen op paragraaf 13 van deze ontwerpresolutie die betrekking heeft op de kandidatuur van Iran voor lidmaatschap van de Raad voor de mensenrechten van de VN.

Op 15 februari is Iran onderworpen aan een universele periodieke doorlichting, waarbij de situatie ten aanzien van de bescherming en de bevordering van de mensenrechten in het land wordt beoordeeld. Het Iraanse bewind heeft verklaard dat de eerbiediging van de mensenrechten in het land gewaarborgd is. Ik zou verscheidene feiten willen onderstrepen met betrekking tot deze beweringen van het huidige bewind.

Mevrouw Radjavi heeft ons gisteren in dit Parlement nog een overzicht gegeven van de willekeurige arrestaties en folteringen waarvan Iraanse vrouwen en regimetegenstanders het slachtoffer zijn. Daarnaast betreuren wij de politieke omstandigheden waarin de gevangenen verkeren, en kamp Ashraf is het symbool geworden van niet-naleving van de mensenrechten. Tijdens de vergaderperiode van januari hebben mijn collega's verscheidene ooggetuigenverslagen gegeven.

Wij kunnen er momenteel niet mee instemmen dat Iran lid wordt van het hoogste orgaan voor de bescherming van de mensenrechten. Ik vraag mij dan ook af welk signaal wij zullen afgeven aan andere staten die daadwerkelijk de mensenrechten eerbiedigen. Europa moet met één stem spreken en laten zien dat het consequent is. Ik stel dan ook voor om, net als mevrouw Ashton in haar verklaringen, te zeggen dat de kandidatuur van Iran in dit stadium ondenkbaar is.

 
  
MPphoto
 

  Alf Svensson (PPE). - (SV) Mijnheer de Voorzitter, wat de gezamenlijke resolutie van onze fractie over de VN-Raad voor de mensenrechten betreft ben ik vooral blij met de paragrafen 6 en 25, waarin wij nog eens de grote steun van de Europese Unie voor landspecifieke resoluties onderstrepen. In gevallen waarin de mensenrechten systematisch worden geschonden, zijn landspecifieke resoluties zowel in de Raad voor de mensenrechten als in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties een uitermate belangrijk instrument. In veel gevallen waarin de regering van een land lange tijd heeft nagelaten deel te nemen aan dialogen of programma’s om de betreffende situatie te verbeteren, zijn landspecifieke resoluties de enig overblijvende mogelijkheid van de internationale gemeenschap om tegen deze schendingen op te treden.

Het gaat niet om naming and shaming, zoals sommige critici menen, en het is ook niet zo dat wij ons in Europa zo graag met de interne aangelegenheden van andere landen bemoeien. Het gaat er gewoon om kenbaar te maken dat wij de systematische schendingen door een regime en de onderdrukking van de eigen bevolking niet kunnen accepteren. Het gaat erom te laten zien dat wij aan de kant van de vrijheid staan en niet aan de kant van onderdrukking. Het is daarom belangrijk dat de Europese Unie zich blijft inzetten voor landspecifieke resoluties van de Verenigde Naties.

 
  
MPphoto
 

  Andrew Henry William Brons (NI).(EN) Mijnheer de Voorzitter, de landen van de Europese Unie zouden eerst hun eigen huis op orde moeten brengen voordat zij met de vinger naar andere landen kunnen wijzen. Vele leden van de Europese Unie vervolgen mensen en nemen hen gevangen vanwege de niet-gewelddadige uitoefening van de vrijheid van meningsuiting. In het bijzonder proberen ze van alle verzet tegen immigratie een misdrijf te maken. Boekverbranding is springlevend. Politieke partijen worden verboden, zoals in België, of men probeert ze te verbieden op basis van verzonnen bewijs, zoals in Duitsland, of men probeert ze via de achterdeur te verbieden, zoals in het Verenigd Koninkrijk, waar het mijn eigen partij, via een beschikking van de rechter op verzoek van de regering, voor onbepaalde tijd verboden is om nieuwe leden aan te nemen.

Het is niet genoeg dat landen zich democratisch noemen: zij moeten ook de vrijheid van meningsuiting respecteren, zij moeten de vrijheid van vereniging respecteren en zij moeten vrije verkiezingen respecteren.

 
  
MPphoto
 

  Diego López Garrido , fungerend voorzitter van de Raad.(ES) Mijnheer de Voorzitter, ik waardeer de toespraken die de leden van het Europees Parlement hebben gehouden over deze essentiële en cruciale kwestie, die – zoals ik ook al tijdens mij eerste spreekbeurt zei – een van de kernelementen van de Europese Unie vormt, namelijk de verdediging van de mensenrechten.

In dat verband menen wij dat de Europese Unie het standpunt moet blijven innemen dat deelname aan de VN-Raad voor de mensenrechten en steun aan het bestaan van deze Raad wenselijk is. Zoals al eerder is gezegd heeft de Europese Unie altijd gepleit voor de instelling van een Raad voor de mensenrechten die de voormalige commissie zou vervangen. Dit zou bovendien een instrument moeten zijn waarmee de mensenrechtensituatie in de hele wereld op een adequate manier kan worden aangepakt, en dan doel ik op situaties die vereisen dat de Verenigde Naties en haar leden actief worden, een standpunt innemen of een passende verklaring afleggen.

Het voorzitterschap van de Europese Unie, het voorzitterschap van de Raad, heeft altijd, stelselmatig, deelgenomen aan de discussies tijdens de verschillende zittingsperioden van de Raad voor de mensenrechten en heeft daarbij de Europese Unie vertegenwoordigd, en dat zal zo blijven. Het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie zal ook aan de volgende zittingsperioden van de Raad voor de mensenrechten deelnemen als vertegenwoordiger van de Raad van de Europese Unie. Uiteraard zal dat gebeuren op een manier die volledig in overeenstemming is met de verklaringen en standpunten van elk van de lidstaten van de Unie en met die van de Europese Commissie, een andere instelling van de Europese Unie.

Wij zijn daarom voorstander van het bestaan van dit orgaan en zijn van mening dat alle mogelijkheden die het biedt, benut moeten worden. Soms lukt dat, en soms niet. Het is immers voor de handliggend dat er situaties zijn waarin, als gevolg van de stemmingen die plaatsvinden, de Europese Unie en haar lidstaten niet al hun doelen kunnen bereiken. Er zijn zeer positieve voorbeelden, zoals het standpunt ten opzichte van Somalië, een gebied waarin de mensenrechten worden geschonden, maar er zijn ook gevallen waarin dat niet gelukt is. Toch zijn er in dit opzicht altijd meer positieve dan negatieve voorbeelden.

Ik wil erop wijzen dat we deze middag zullen spreken over de situatie in enkele van de landen die genoemd zijn tijdens de verschillende toespraken.

Ik wil het wel hebben over Iran, omdat er verschillende keren is gerefereerd aan het vraagstuk in verband met de kandidatuur van Iran. Zoals u weet worden hierover voordurend verklaringen afgelegd. Hier voor mij liggen drie verklaringen die de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Catherine Ashton, alleen al dit jaar heeft afgelegd over de situatie in Iran. In deze verklaringen veroordeelt en spreekt zij haar bezorgdheid uit over een aantal gevallen van schendingen van de mensenrechten en executies die in Iran hebben plaatsgevonden.

Wat betreft het vraagstuk van de kandidatuur van Iran willen we er ten eerste op wijzen dat het standpunt ten aanzien van kandidaturen voor de Raad voor de mensenrechten op dit moment nog steeds onder de nationale bevoegdheid valt. Hoe dan ook, wat betreft de mensenrechten in Iran, de schendingen van deze rechten, en daarmee de eventuele aanvaarding of niet van de kandidatuur van Iran voor de Raad voor de mensenrechten, moet een voorzichtig beleid gevoerd worden om te voorkomen dat het tegenovergestelde effect bereikt wordt van wat wenselijk is. Daarom is het onze mening dat Europese Unie op dit vlak moet proberen om een zo gecoördineerd mogelijk standpunt in te nemen, en dat is waar op dit moment aan wordt gewerkt. Daarbij dienen de nationale bevoegdheden gerespecteerd te worden en moet, zoals ik zei, behoedzaam te werk gegaan worden.

Kortom, mijnheer de Voorzitter, wij beschouwen de Raad voor de mensenrechten als een plek waar wij de standpunten van de Europese Unie moeten verdedigen; wij beschouwen deze als de juiste plaats om dat te doen. Bovendien was onze inzet in de Raad er altijd op gericht ervoor te zorgen dat we geen stappen terug deden, dat er geen terugval was in de universele beweging van de verdediging van de mensenrechten, en vooral, dat er geen stappen achteruit gezet werden in de verworvenheden van de mensheid. Dat laatste houdt in dat de mensenrechten als een universele waarde beschouwd moeten worden, als een universele waarde die verdedigd moet worden over de grenzen heen, die verheven is boven alle tradities en diversiteit. Vrijheid is namelijk verbonden met het diepste wezen van de mens.

 
  
MPphoto
 

  Kristalina Georgieva, lid van de Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, hartelijke dank aan alle leden van het Parlement voor de aanbevelingen die zij hebben gedaan. Wij zullen deze met de hoge vertegenwoordiger bespreken.

Ik zou vier opmerkingen willen maken als antwoord op enkele specifieke vragen en opmerkingen.

Ten eerste Iran en de kandidatuur van Iran. Ik steun de opvatting die door het Spaanse voorzitterschap onder woorden is gebracht ten zeerste. Ik kan slechts onderstrepen dat van elk gekozen lid van de Raad wordt verwacht dat het zich in de praktijk met alle middelen inzet voor de bescherming en bevordering van de mensenrechten.

Wat betreft het trieste geval van het verlies van een mensenleven op Cuba - de dood van de heer Orlando Zapata - zou ik de deelneming van de Commissie aan zijn familie willen betuigen en haar veroordeling willen uitspreken over de gevangenneming van meer dan tweehonderd politieke dissidenten op Cuba evenals over andere uitingen van minachting voor de fundamentele mensenrechten. De Commissie roept Cuba op om zijn politiek te veranderen en zijn verplichtingen krachtens het internationaal recht na te komen. Wij zullen in de dialoog met Cuba en de autoriteiten daar de problemen op het gebied van de mensenrechten blijven aankaarten, en wij zullen deze dialoog gebruiken als voertuig om druk uit te oefenen inzake de kwestie van de mensenrechten.

Wat betreft de oproep van velen dat de EU met één mond spreekt over mensenrechtenkwesties, moet ik u zeggen dat de Commissie dat ten zeerste steunt.

Het vierde punt betreft Gaza. Ik denk echter dat het gepaster zou zijn dit punt op te nemen in het volgende debat over het rapport-Goldstone.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Tot besluit van het debat zijn zes ontwerpresoluties ingediend(1), overeenkomstig artikel 110, lid 4 van het Reglement.

Het debat is gesloten.

Schriftelijke verklaringen (artikel 149)

 
  
MPphoto
 
 

  Mara Bizzotto (EFD), schriftelijk. – (IT) Ik heb nogal wat bedenkingen bij de geloofwaardigheid van de UNHRC. Ik hoop hoe dan ook dat de aanwezigheid van de Subcommissie mensenrechten bij de volgende vergadering van de Raad de communautaire instellingen de kans zal bieden het urgente probleem van de christianofobie onder de aandacht te brengen. We weten heel goed dat we de klok niet ver terug hoeven te draaien om gevallen van ernstige vervolging van christenen te vinden. We hebben het dan ook niet over het verleden, maar over het heden en helaas waarschijnlijk ook over de toekomst, omdat we uit de hele wereld dagelijks zorgelijke en dramatische berichten ontvangen over agressie tegen, discriminatie van en moorden op gelovige christenen. We weten ook dat het een gevoelig thema is dat tot op heden niet adequaat is aangepakt, niet alleen vanwege het diplomatieke evenwicht dat betrokken partijen moeten behouden in vergaderingen als die van de UNHRC, maar blijkbaar ook vanwege het antichristelijke beleid van landen die weliswaar geen vijanden zijn van het christendom, maar meestal wel antichristelijke handelingen tolereren.

Dit betekent dat het de taak van de EU en dit Parlement is om op deze gelegenheid, waarop de spotlights van de mondiale politiek gericht zijn, binnen de internationale gemeenschap een nieuwe aanpak van het probleem van christianofobie te promoten, zodat het universeel en onmiddellijk wordt erkend als een ernstige schending van de mensenrechten en van de vrijheid van godsdienst, en om ervoor te zorgen dat de gemeenschap optreedt om de zorgelijke verspreiding ervan tegen te houden.

 
  
MPphoto
 
 

  Proinsias De Rossa (S&D), schriftelijk. – (EN) Ik steun deze resolutie waarin onder andere de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid en de lidstaten worden opgeroepen te werken aan een stevig gemeenschappelijk standpunt over de follow-up van het rapport-Goldstone en wordt aangedrongen op de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen en het afleggen van verantwoording voor alle schendingen van het internationaal recht, waaronder vermeende oorlogsmisdaden, en waarin alle partijen worden aangespoord om onderzoeken te doen die voldoen aan de internationale normen van onafhankelijkheid, onpartijdigheid, transparantie, snelheid en doeltreffendheid, overeenkomstig resolutie A/64/L.11 van de Algemene Vergadering van Verenigde Naties. Hierin wordt verder benadrukt dat de eerbiediging van de internationale mensenrechtenwetgeving en het internationaal humanitair recht door alle partijen en onder alle omstandigheden een essentiële voorwaarde is voor het tot stand brengen van een eerlijke en duurzame vrede in het Midden-Oosten. De resolutie roept de hoge vertegenwoordiger en lidstaten van de EU ook op om actief toezicht uit te oefenen op de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van het rapport-Goldstone door middel van raadpleging van externe missies van de EU en ngo’s ter plaatse en dringt erop aan de aanbevelingen en gerelateerde opmerkingen ter sprake te brengen in de dialogen die de EU met alle partijen voert, en deze door te laten wegen in de standpunten van de EU in multilaterale fora.

 
  

(1)Zie notulen.

Laatst bijgewerkt op: 28 mei 2010Juridische mededeling