Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Debatten
Dinsdag 9 maart 2010 - Straatsburg Uitgave PB

13. Vragenuur (vragen aan de Commissie)
Video van de redevoeringen
PV
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het vragenuur (B7-0017/2010). Tot mijn spijt zal dit vanavond wat korter duren dan de bedoeling was, omdat het vorige debat 25 minuten is uitgelopen wegens oponthoud eerder vandaag. We hebben tijd tot 19.30 uur of iets later. Ik zal strikt de hand houden aan de spreektijd: iedere spreker krijgt 30 seconden.

Wij behandelen een reeks vragen aan de Commissie.

Eerste deel

 
  
  

Vraag nr. 28 van Vilija Blinkevičiūtė (H-0063/10):

Betreft: Reglementering van private pensioenfondsen

Het vermogen van de private pensioenfondsen heeft de laatste jaren sterk aan waarde ingeboet, en de werkgroep op hoog niveau voor financieel toezicht onder leiding van Jacques de Larosière stelt met nadruk dat de sector aan strengere regelgeving onderworpen moet worden.

De financiële crisis maakt duidelijk hoezeer de lidstaten aan gevaren van zeer uiteenlopende aard blootstaan, die een onmiddellijke zorg vertegenwoordigen voor degenen die in dergelijke fondsen investeren, de stabiliteit en integriteit van de Europese financiële markten bedreigen, en in het algemeen de deelnemers op de financiële markten ten zeerste aanbelangen. In de lopende periode van economische onzekerheid zijn veel Europese burgers hun vertrouwen in de regelgeving op de private pensioenfondsen verloren.

Vindt de Commissie niet dat ze een algemene wettelijke regeling moet voorstellen die toezichtsnormen vastlegt om de private pensioenfondsen te reglementeren?

 
  
MPphoto
 

  Michel Barnier, lid van de Commissie.(FR) Mevrouw Blinkevičiūtě heeft een belangrijke vraag gesteld over pensioenhervorming, een onderwerp dat de nu volgende jaren steeds belangrijker zal worden, als je bedenkt voor welke uitdagingen we nu samen komen te staan: de vergrijzing van de bevolking, de duurzaamheid van de openbare financiën en de mobiliteit van werknemers – om alleen de belangrijkste factoren te noemen. Daar komt bij dat pensioenfondsen de belangrijkste institutionele beleggers zijn.

De financiële crisis heeft laten zien dat sommige pensioenregelingen zwakke punten bevatten, en daarom gaan wij, dames en heren, in aansluiting op het verslag-Larosière, een aantal initiatieven nemen. Voorzitter Barroso heeft in het Europees Parlement al een aantal richtsnoeren voor het beleid op dit gebied aangekondigd.

In de loop van 2010 zullen we een Groenboek over pensioenen presenteren met de bedoeling om een uitgebreide discussie op gang te brengen over de regulering van de particuliere pensioenfondsen. Het is mogelijk dat we in die context besluiten over te gaan tot een herziening van de richtlijn betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. De Commissie zal zich blijven inzetten voor het versterken van de interne markt op het gebied van pensioenfondsen. Bij die herziening van de richtlijn zal ook gekeken worden naar de solventieregels voor pensioenfondsen. Daarmee komen we tegemoet, mijnheer de Voorzitter, aan een verzoek dat het Europees Parlement bij de onderhandelingen over de Solventie II-richtlijn heeft gedaan.

Om elke ambiguïteit over dit onderwerp, dat voor de burgers van zulk belang is, te vermijden, wil ik hieraan toevoegen dat de Commissie gezien het subsidiariteitsbeginsel heel voorzichtig te werk zal gaan en de keuzes die veel lidstaten hebben gedaan – en dus ook hun optie voor pay-as-you-go-regelingen – zal respecteren.

 
  
MPphoto
 

  Vilija Blinkevičiūtė (S&D).(LT) Dank u voor uw antwoord, mijnheer de commissaris. We hopen beslist dat de Commissie zo spoedig mogelijk een Groenboek over pensioenen presenteert, want in de meeste lidstaten van de Europese Unie is deze zaak bijzonder dringend. In sommige lidstaten, zoals mijn land, Litouwen, zijn de kleine pensioenen nog verder verlaagd wegens de huidige economische en financiële toestand. Ik wil u echter vragen, mijnheer de commissaris, of u mij kunt zeggen waarom de Commissie in de EU 2020-strategie zo weinig aandacht besteedt aan de zekerheid en stabiliteit van pensioenen en aan pensioengaranties. Wij moeten immers rekening houden met de huidige situatie op de arbeidsmarkt, met de huidige bevolkingssamenstelling en zelfs – dit is een van de belangrijkste kwesties – met het soort pensioenen dat mensen over tien jaar zullen ontvangen.

 
  
MPphoto
 

  Michel Barnier, lid van de Commissie.(FR) Mevrouw de afgevaardigde, het spreekt voor zich dat dit document over de 2020-strategie, dat gaat over groene, eerlijke en inclusieve groei, deze onderwerpen niet allemaal kan behandelen. Er zijn andere instrumenten, gelegenheden en kaders die we kunnen gebruiken om onze verplichtingen jegens de burger na te komen en oplossingen te vinden voor fundamentele zaken zoals pensioenen en de afhankelijkheid van Europese burgers.

Ik heb zojuist al aangegeven, mevrouw Blinkevičiūtě, dat pensioenfondsen heel belangrijke institutionele beleggers zijn. Binnen het geheel aan pensioenregelingen spelen de verschillende regelingen op basis van een statutaire, vrijwillige of beroepsbijdrage tegenwoordig in een groot aantal lidstaten een steeds belangrijkere rol.

Ik herhaal dat we het subsidiariteitsbeginsel zullen respecteren en dus ook de pay-as-you-go-regelingen die in veel landen gelden. Met een aantal van die regelingen ben ik vrij goed bekend. Op die basis zullen we dit Groenboek samenstellen; het zou in de nu volgende weken of maanden – niet later – gereed moeten zijn. Ik hoop dat we dan met u en alle andere afgevaardigden die in dit onderwerp belang stellen een zo breed mogelijk debat kunnen voeren.

 
  
MPphoto
 

  Franz Obermayr (NI).(DE) Mijnheer de Voorzitter, in Oostenrijk, het land waar ik vandaan kom, wordt een private pensioenvoorziening met maximaal 210 euro per jaar gesubsidieerd, hoewel gebleken is dat speculaties met pensioenen een van de oorzaken is geweest van de financiële crash in de Verenigde Staten.

Naar mijn idee dient de Commissie zich af te vragen of pensioenvoorzieningen eigenlijk niet een van wezenlijke taken van de staat zijn en of wij dubieuze financiële speculanten op dit punt niet strak aan de teugel moeten houden. Dan is er ook nog de vraag of de Commissie niet van mening is dat het kortzichtig of zelfs nalatig is om zonder kwaliteitsnormen staatssubsidies te verstrekken in situaties waarin het risico bestaat dat de ontvangers van de pensioenen na deze enorme verliezen zelfs een nog grotere behoefte aan steun van de staat zullen hebben.

 
  
MPphoto
 

  Michel Barnier, lid van de Commissie.(FR) De heer Barroso heeft hier zojuist de gelegenheid gehad om antwoord te geven op een aantal vragen over belangrijke onderwerpen inzake het financiële verkeer.

U heeft het over speculatie gehad, mijnheer Obermayr. Als Europees commissaris voor Interne markt en Diensten ben ik verantwoordelijk voor regulering en toezicht, en ik kan u verzekeren dat geen product, markt of gebied zal worden uitgesloten van doordacht toezicht en doeltreffende regulering.

Dat betekent dat iedereen die zich met eender welk product op deze markten begeeft te maken zal krijgen met hetgeen we nu proberen te doen. Dat werk is reeds begonnen met het pakket voor toezicht, dat nu besproken wordt, en met de herziening van een aantal richtlijnen, inzonderheid de richtlijn betreffende instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen (IBPV). We zullen heel strikte regels voor beleggingen vastleggen.

Ik herhaal dat we geen enkel product en geen enkele markt zullen uitsluiten van toezicht op transparantie en een intelligente, doeltreffende regulering.

 
  
MPphoto
 

  Silvia-Adriana Ţicău (S&D).(RO) Ik geloof dat er een langetermijnstrategie moet worden bedacht voor de hervorming van de pensioenstelsels in zowel de particuliere als de publieke sector. Ik doel hier op het feit dat het geboortecijfer een hoge vlucht nam in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Over dertig jaar gaan de mensen die toen geboren zijn met pensioen, terwijl het geboortecijfer op dit moment heel laag is. Degenen die vandaag geboren worden vormen over dertig jaar de beroepsbevolking en zullen niet in staat zijn de middelen op te brengen die dan nodig zijn voor de pensioenen.

Daarom wil ik u vragen welke maatregelen u neemt om voor de lange termijn de pensioenstelsels duurzaam en ten gunste van de Europese burgers te hervormen?

 
  
MPphoto
 

  Michel Barnier, lid van de Commissie.(FR) Mevrouw Ţicău, in het eerste deel van mijn interventie van zojuist – die overeenkomstig de regels heel kort was – heb ik naast mobiliteit ook nog een andere grote uitdaging genoemd: de demografische uitdaging. Nu is het zo dat het bevolkings- en gezinsbeleid niet onder de belangrijkste Europese bevoegdheden valt, maar ik geloof toch dat we allemaal baat zullen ondervinden van een debat over dit onderwerp en het maken van vergelijkingen. En dat geldt, in verschillende gradaties, voor alle Europese landen. Ons werelddeel is één van de weinige continenten waar de bevolking zal afnemen, althans als het geboortecijfer niet aantrekt vergeleken bij dat van andere continenten.

U moet ons werk op het gebied van pensioenen en het vinden van oplossingen voor afhankelijkheid tegen deze extreem zorgwekkende achtergrond zien, mevrouw Ţicău. Het gaat dus om meer dan alleen maar pensioenen. Daarom geloof ik dat dit Groenboek een goed instrument is, en dat het precies op het juiste moment komt. U zult niet lang meer hoeven te wachten. We werken nu aan dit onderwerp en we zullen dat werk binnenkort afronden, en dan zullen wij al deze kwesties aanroeren. We zullen daarbij terdege rekening houden met de nationale verantwoordelijkheden op het gebied van pensioenen, en verder zien wat we op Europees niveau kunnen doen, en dan vooral met betrekking tot de particuliere pensioenregelingen die op Europese markten steeds talrijker worden.

Hoe dan ook, we zullen deze onderwerpen zonder uitzondering onderzoeken, en vervolgens in het Groenboek dat ik zojuist genoemd heb en dat binnenkort zal worden uitgebracht een aantal maatregelen en richtsnoeren voorstellen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Vraag nr. 29 van Seán Kelly (H-0068/10):

Betreft: Hoogwaterverzekeringsstelsels in de EU

De recente overstromingen hebben in Ierland in de particuliere en publieke infrastructuur voor ongeveer 500 miljoen euro schade aangericht. De Ierse regering heeft een aanvraag ingediend bij het solidariteitsfonds van de EU om een deel van de schade aan de publieke infrastructuur te vergoeden.

Veelal is er echter geen verhaal mogelijk voor particuliere huishoudens en ondernemingen als gevolg van de torenhoge kosten voor een particuliere hoogwaterverzekering. Een van de oorzaken voor de ongekende overstromingen was de ongecoördineerde planning van de ontwikkeling, waarbij in sommige gevallen in overstromingsgebieden werd gebouwd. Bovendien weigeren sommige verzekeraars particuliere huishoudens en ondernemingen te verzekeren.

Kan de Commissie met het oog hierop meedelen of zij wellicht voornemens is wetgevingsvoorstellen in te dienen om de hoogwaterverzekering in de EU te harmoniseren, rekening houdend met het feit dat de markt in sommige lidstaten verzuimd heeft een passende verzekering aan te bieden? Kan de Commissie, als zij dit niet van plan is, meedelen of zij programma's heeft ontwikkeld om beproefde praktijken op dit gebied tussen lidstaten uit te wisselen?

 
  
MPphoto
 

  Michel Barnier, lid van de Commissie.(FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de heer Kelly stelt hier een vraag over een recente tragische gebeurtenis: de ramp die Madeira en de Atlantische kust, en dan vooral de kust van mijn land, heeft getroffen. Daarbij zijn tientallen mensen omgekomen. Nu we het over deze ramp hebben, wil ik natuurlijk opnieuw mijn solidariteit met de slachtoffers betuigen. Mijn collega, commissaris Hahn, heeft aan allebei de door mij genoemde regio’s een bezoek gebracht.

Ook hier weer worden we geconfronteerd met dezelfde wereldwijde, door klimaatverandering veroorzaakte uitdaging. We zullen steeds vaker door natuurrampen worden getroffen. Er zullen zich trouwens ook steeds vaker rampen voordoen die geen natuurlijke oorzaak hebben, maar toch vergaande gevolgen hebben voor de mensen, het milieu en de economie. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan industriële rampen, branden en rampen op zee.

Ik houd me al geruime tijd bezig met dit onderwerp. Ik ben hier in 1999 als pas benoemd commissaris voor Regionaal Beleid voor dit Parlement verschenen om antwoord te geven op vragen van Griekse afgevaardigden die bezorgd waren over de gevolgen van de aardbeving die hun land net had getroffen.

Ik heb toen gepleit voor het opzetten van een Solidariteitsfonds en de oprichting van een Europese civiele bescherming. Pas in 2002, toen Duitsland, Oostenrijk en Slowakije door grote overstromingen werden getroffen, is de Commissie erin geslaagd om – binnen drie maanden – met steun van dit Parlement en de Raad het Solidariteitsfonds te creëren dat nu zal worden ingezet om Madeira en de regio’s langs de Atlantische kust een helpende hand te bieden, net zoals dat sinds 2002 bij een aantal ernstige rampen elders al is gebeurd.

Mijn collega, mevrouw Georgieva, werkt nu samen met Barones Ashton aan het opzetten van een Europese civiele bescherming. Ik hoop dat er niet eerst een nieuwe ramp hoeft te gebeuren voordat we in staat zullen blijken te zijn onze respons en onze hulpinspanningen te poolen en onder één Europese vlag te brengen om op die wijze hulp te bieden bij rampen zoals de aardbeving in Haïti of de tsunami.

De hier gestelde vraag ging over verzekeringskwesties. Er is immers niet alleen schade veroorzaakt aan onverzekerbare openbare goederen – de schade die door het Solidariteitfonds wordt gedekt. Ik geloof dat er nog een en andere moet worden gedaan met betrekking tot de risico’s die wel door verzekeringspolissen kunnen worden gedekt.

In het Witboek van 2009 over aanpassing aan de klimaatverandering wordt voorgesteld om waar geen verzekering bestaat met openbare middelen verzekeringen op te zetten. In de follow-up op dit Witboek wil ik graag onderzoeken welke rol verzekeringsproducten kunnen spelen bij het sluitend maken van zulke maatregelen. Ik ben van plan te beginnen met benchmarking en heb mijn diensten daarom gevraagd om te onderzoeken wat er in de lidstaten reeds bestaat. Voor gevallen van rampen met grensoverschrijdende gevolgen kan het nuttig zijn Europese verzekeringssystemen op te zetten in plaats van nationale.

Ik ben me bewust van de complexiteit van dit onderwerp, mijnheer Kelly. Ik zal daarom samenwerken met alle belanghebbenden, verzekeringsmaatschappijen, lidstaten en experts, om beste praktijken uit te wisselen en de prioriteiten te rangschikken. Ik ben ervan overtuigd dat we de Europese burgers beter kunnen beschermen tegen de steeds frequenter wordende natuurrampen. Daarom wil ik alle 27 lidstaten betrekken bij de benchmarking en de doorlichting van de verschillenden systemen voor verzekeringen tegen natuurrampen.

 
  
MPphoto
 

  Seán Kelly (PPE).(EN) We zijn uiteraard allemaal erg geschrokken van wat er in Madeira en Frankrijk is gebeurd. In mijn eigen land is gelukkig niemand om het leven gekomen maar stak wel al heel snel het verzekeringsprobleem de kop op. Veel huishoudens kunnen zich niet verzekeren en in één stad, Clonmel, waar een aantal jaren geleden overstromingen zijn geweest, is de verzekeringspremie verzesvoudigd. Dat is vanzelfsprekend een groot probleem en ik dank de commissaris dat hij zich erin gaat verdiepen.

Ik wil hem alleen nog iets vragen over landen en regeringen die de overstromingsrichtlijn niet ten uitvoer leggen. Overweegt hij voor hen eveneens sancties in welke vorm dan ook?

 
  
MPphoto
 

  Michel Barnier, lid van de Commissie.(FR) De richtlijn inzake overstromingsrisico’s dateert van 2007. In 2009 heeft de Commissie een mededeling uitgebracht over het voorkomen van natuurrampen of door mensen veroorzaakte rampen.

Mijnheer Kelly, u heeft het over betrekkelijk recente richtlijnen, maar ook met deze richtlijnen zal gebeuren wat er met andere richtlijnen gebeurt zodra ze van kracht worden: de Commissie moet nagaan – en dat doet ze ook – of de lidstaten de richtlijn in kwestie al dan niet nakomen, en zo ja, hoe. We hebben het nu over overstromingen Zoals u in Frankrijk en uw eigen land hebt kunnen zien, is het heel duidelijk wat er in termen van ruimtelijke ordening gebeurt als er zonder enige voorzorg wordt gebouwd in gebieden waar een overstromingsrisico bestaat. De Commissie zal hier optreden op dezelfde wijze als ze altijd doet – ze zal kijken wat de lidstaten doen en nalaten, en vervolgens de nodige actie ondernemen om ervoor te zorgen dat de richtlijnen worden nagekomen, indien nodig via een inbreukprocedure.

 
  
MPphoto
 

  Jim Higgins (PPE).(EN) Wat betreft de door de heer Kelly aan de orde gestelde zaak, de tenuitvoerlegging van de overstromingsrichtlijn, wil ik het volgende opmerken. Zoals u weet moet deze richtlijn dit jaar, in 2010, in alle 27 lidstaten zijn omgezet in nationale wetgeving. Ik dring er bij de Commissie op aan bij de tenuitvoerlegging de nationale autoriteiten in de gaten te houden. In 1995 had ik als minister in Ierland de verantwoordelijkheid voor overstromingen. We hebben destijds een rapport uitgebracht met als conclusie dat er geen nieuwe huizen meer mochten worden gebouwd in overstromingsgebieden. En toch zijn veel van de huizen waarvoor nu in delen van Ierland schadevergoeding wordt gevraagd, na die tijd gebouwd.

We zullen dus de overstromingsrichtlijn bijzonder streng moeten uitvoeren en sancties moeten opleggen aan de Ierse regering, aan lokale overheden en aan iedereen die de bepalingen van de overstromingsrichtlijn overtreedt.

 
  
MPphoto
 

  Janusz Władysław Zemke (S&D). - (PL) Mijnheer de commissaris, ik wil u een vraag stellen over iets anders. We hebben het over verzekeringstelsels, maar ik denk dat in het geval van rampen twee andere soorten maatregelen nodig zullen zijn. Hieromtrent zou ik u het volgende willen vragen: moet er niet sneller een Europees crisiscentrum komen? We hebben geen enkel centrum dat in het geval van een ramp een waarschuwing kan uitsturen. Ten tweede, moeten er niet meer inspanningen worden geleverd om een grotere civiele capaciteit te creëren (we hebben bijvoorbeeld geen transportvliegtuigen)? Met andere woorden, naast verzekeringen hebben we een centrum nodig en een grotere capaciteit om hulp te bieden.

 
  
MPphoto
 

  Michel Barnier, lid van de Commissie.(FR) Het gaat hier om twee verschillende vragen. Ik begin met de vraag over overstromingen. Ik ben hier als commissaris voor Interne Markt verschenen om een specifieke vraag te beantwoorden, mijnheer Kelly, en die vraag luidde als volgt: hoe kunnen we verzekeringen het best gebruiken, in de eerste plaats om mensen wier goederen schade hebben opgelopen schadeloos te stellen? Ik ga proberen een plaatje te krijgen van de uiteenlopende particuliere verzekeringsmechanismen zoals die, hetzij vrij eenvoudig, hetzij tamelijk gecompliceerd, in de verschillende lidstaten worden gebruikt. Er zijn lidstaten waar nauwelijks enige verzekering tegen dit soort rampen bestaat, en er zijn andere landen, waaronder Frankrijk, die een systeem hanteren dat bij natuurrampen de schade tot 100 procent vergoedt.

Overstromingen vallen niet onder mijn verantwoordelijkheid, mijnheer Kelly. Ik zal de heer Potočnik, mijn collega voor Milieuzaken, vragen om u een schriftelijk antwoord te doen geworden over de wijze waarop deze richtlijn al dan niet wordt toegepast. U heeft natuurlijk gelijk als u zegt dat het uiteindelijk de nationale – of regionale dan wel lokale – overheden zijn die beslissen waar wat gebouwd wordt en welke gebieden voor bebouwing geschikt zijn. Je kunt Brussel niet vragen overal zorg voor te dragen. Duidelijk is intussen wel dat er gebieden zijn waar je niet mag bouwen of doorgaan met bouwen. Ik heb in mijn land een wet opgesteld om huizen en fabrieken in gebieden die regelmatig overstromen te verplaatsen. Ik ben erin geslaagd die wet in 1995 goed te laten keuren, en de mensen ontvangen nu compensatie, zodat ze kunnen vertrekken voordat er zich een volgende ramp voordoet.

Dat zijn ideeën die ik graag nog eens zou willen bekijken voordat ik ze in de vorm van voorstellen inzake het verzekeringsvraagstuk aan u voorleg.

Tot slot wil ik graag iets zeggen over civiele bescherming, ook al valt dat onderwerp onder de bevoegdheid van andere commissarissen. Ik heb mij, zoals u weet, in 2006 op verzoek van voorzitter Barroso met dit onderwerp beziggehouden, en het werk dat ik toen heb verricht is in het Europees Parlement goed onthaald. Ik heb op basis van dat werk destijds voorgesteld om een Europese civiele bescherming op te zetten, afkomstig uit de lidstaten, en wel op vrijwillige basis. We zouden dan van onder af aan kunnen beginnen, met versterkte samenwerking, om zo een zekere routine te ontwikkelen bij het voorbereiden van een respons. Als er zich een tsunami voordoet, of een tragedie zoals in Haïti, dan is er nooit gebrek aan goede wil – waar het aan ontbreekt is coördinatie. Als Europese vrijwilligers hun respons zouden voorbereiden per ramptype, zouden er mensenlevens kunnen worden gered, en tijd en geld worden bespaard. En we zouden veel zichtbaarder zijn.

De reactie op een industrieramp kan natuurlijk nooit dezelfde zijn als die op een ramp zoals met de Erika, of de respons op overstromingen in Duitsland of Frankrijk, bosbranden in Griekenland, een tsunami, een pandemie of een terroristische aanslag zoals die van 11 september – want zo’n aanslag kan zich helaas ook in Europa voordoen.

Het idee waar mijn collega’s nu aan werken – en we zullen bij u terugkomen met een aantal concrete voorstellen – is gericht op het organiseren van een gemeenschappelijke, geplande respons. Ik blijf erg gehecht aan dit idee – ik heb er veel werk in gestoken en daarbij de steun van het Europees Parlement gekregen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Vraag nr. 30 van Silvia-Adriana Ţicău (H-0109/10):

Betreft: Europese maatregelen ter bestrijding van armoede

Volgens Eurostat waren in 2008 circa 85 miljoen Europese burgers, 20% van de kinderen en 19% van de burgers ouder dan 65 jaar, blootgesteld aan het risico van armoede. Op het niveau van de Europese Unie had 8% van de beroepsbevolking en 44% van de werklozen een inkomen dat onder de armoedegrens lag, en was het hebben van een baan nog geen garantie voor een fatsoenlijk bestaansniveau. De maatregelen van de lidstaten op het gebied van sociale bescherming hebben het risico van armoede voor de EU-bevolking met 32% verkleind. De economische crisis heeft het werkloosheidspercentage evenwel doen stijgen tot circa 10%, waardoor de sociale verschillen nog zijn toegenomen.

Kan de Commissie mededelen welke maatregelen zij van plan is te treffen om in de Europese Unie arbeidsplaatsen te creëren en in stand te houden, en alle EU-burgers een fatsoenlijk bestaansniveau te garanderen, via een adequaat en rechtvaardig systeem van sociale bescherming?

 
  
MPphoto
 

  László Andor, lid van de Commissie.(EN) Ik deel de zorgen die uit deze vraag spreken over de welvaart en het welzijn van Europeanen, over de kwesties van werkgelegenheid, sociale bescherming en armoedebestrijding.

Zoals u weet is 2010 het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting. De bedoeling hiervan is de bewustmaking van sociale problemen te bevorderen. Hopelijk zal dit jaar niet alleen de discussie over armoede op gang brengen, maar ons er ook toe brengen die armoede te willen bestrijden en deze politieke wil op EU-niveau en in de lidstaten te hernieuwen.

Teneinde dit hernieuwde engagement mogelijk te maken heeft de Commissie in de nieuwe EU 2020-strategie een kerndoel voor armoedevermindering opgenomen dat onze zorgen en de in de afgelopen decennia geleerde lessen weerspiegelt. Het doel is thans om de armoede tot 2020 met een kwart te verminderen.

Armoedebestrijding vergt welvaart, hoogwaardige werkgelegenheid voor iedereen die kan werken en zichzelf kan onderhouden, en solidariteit met hen die behoeftig zijn. Al deze elementen zijn aanwezig in de EU 2020-strategie. De realisering van het kerndoel inzake armoede wordt ondersteund met een speciaal kerninitiatief, het “Europees platform tegen armoede”. Er bestaan concrete instrumenten voor het behoud en scheppen van banen op Europees niveau via het Europees Sociaal Fonds, het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering en het recente initiatief voor microkrediet.

Ook de door afzonderlijke lidstaten genomen maatregelen zijn bijzonder belangrijk. Er moet nog meer worden gedaan om te waarborgen dat er überhaupt hoogwaardige banen voor iedereen beschikbaar zijn, maar armoedebestrijding dient verder te gaan dan kwesties van werkgelegenheid. Zoals wordt erkend in de mededeling over EU 2020, is doeltreffende, goed opgezette sociale bescherming onontbeerlijk voor de preventie en bestrijding van armoede en uitsluiting.

De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de financiering en organisatie van de stelsels voor sociale bescherming, en worden daarbij gesteund door de Commissie. De Commissie draagt als belangrijke partner in de sociale open coördinatiemethode bij tot het identificeren en bevorderen van heldere beleidsprioriteiten, verschaft een controlekader en maakt wederzijds leren mogelijk. Goede voorbeelden zijn tot nu toe het kader voor actieve integratie, de benchmarkexercitie met betrekking tot kinderarmoede en het monitoren van de sociale effecten van de crisis.

We zullen dit jaar nauw samenwerken met de twee voorzitterschappen: het Spaanse en het Belgische voorzitterschap. Ze nemen beide belangrijke initiatieven. Zo is er de eerste fase van de Roma-top, waarover enkele minuten geleden in dit Parlement is gesproken en die van zeer groot belang is voor de armoedebestrijding, terwijl we met het Belgische voorzitterschap een initiatief ter vermindering van kinderarmoede voorbereiden.

We moeten echter niet alleen samenwerken met regeringen, maar ook met NGO’s. Zonder NGO’s kunnen we geen programma’s maken die geheel succesvol zijn. NGO’s die zich bezighouden met armoede, en sociale bescherming in het algemeen, ontvangen steun uit het Progress-programma.

Dit zijn de hoofdzaken wat betreft de verschillende richtingen waarin de Commissie actief is bij de armoedevermindering.

 
  
MPphoto
 

  Silvia-Adriana Ţicău (S&D).(RO) Dank u voor uw antwoord. Toch had ik graag gehad dat wij ook discussieerden over het proces van de-industrialisatie dat in veel lidstaten gaande is en dat een van de oorzaken is van de economische en sociale crisis die we doormaken.

Een ambitieus en intelligent Europees industriebeleid versterkt niet alleen het concurrentievermogen van de Europese Unie, maar levert vooral ook nieuwe banen op. Vandaar mijn vraag: welke maatregelen worden in het kader van een Europees industriebeleid in het huidige werkprogramma van de Commissie opgenomen om het concurrentievermogen van de Europese Unie te vergroten maar vooral ook nieuwe banen te scheppen, zodat het mogelijk wordt Europese burgers een fatsoenlijk bestaan te garanderen?

Dank u.

 
  
MPphoto
 

  László Andor, lid van de Commissie.(EN) Het scheppen van meer en betere banen is inderdaad ook onderdeel van de EU 2020-strategie. Ik wil uw aandacht vestigen op nog twee kerninitiatieven, naast het al genoemde armoede-initiatief. Wat betreft de omvang en kwaliteit van de werkgelegenheid in Europa is er het kerninitiatief “Een agenda voor nieuwe vaardigheden en banen” en in het kader van de duurzaamheidspijler van Europa 2020 bestaat er een kerninitiatief “Industriebeleid in een tijd van mondialisering”.

Ik denk dat dit een cruciaal punt is in verband met deze vraag, omdat we moeten erkennen dat de instrumenten van de Europese Unie, zoals het fonds voor aanpassing aan de globalisering, niet alleen gericht moeten zijn op de gevolgen van het vertrek van bedrijven uit Europa. Dit besef speelt een heel belangrijke rol bij de preventie van armoede, de preventie van het verlies van inkomsten en vaardigheden wanneer ondernemingen besluiten hun activiteiten te verplaatsen naar buiten Europa. Voor het eerst in heel lange tijd komt er nu een kerninitiatief inzake het industriebeleid ten behoeve van een duurzame economie.

Ik denk dat hiermee wordt ingegaan op veel van de problemen rond de industriële ontwikkeling en op de kwestie van de vestigingslocatie. Ik ben het helemaal eens met de implicatie van de vraag, namelijk dat we armoede niet met succes kunnen bestrijden zonder een alomvattend economisch en werkgelegenheidsbeleid.

 
  
MPphoto
 

  Franz Obermayr (NI).(DE) In tijden van economische crisis is het risico op socialezekerheidsfraude extra groot. Is de Commissie zich ervan bewust dat er in Midden-Europa sprake is van socialezekerheidsfraude op grote schaal in landen met een grote sociale ongelijkheid? Zo zijn er door EU-burgers uit negen lidstaten bijvoorbeeld ten onrechte compensatievergoedingen voor minimumpensioenen geclaimd waarbij die compensatievergoedingen duidelijk hoger waren dan de feitelijke pensioenen.

Ik heb dan ook de volgende vraag: is de Commissie voornemens om de individuele lidstaten van instrumenten te voorzien waarmee zij dergelijke grootschalige socialezekerheidsfraude kunnen voorkomen?

 
  
MPphoto
 

  Nikolaos Chountis (GUE/NGL).(EL) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, in Griekenland leeft meer dan 20 procent van de bevolking onder de armoedegrens. 34 procent van deze in armoede levende mensen is werkloos en 14 procent werkt in armoede.

Het armoedeprobleem zoals dit door mijn collega in haar vraag over Europa werd beschreven en de gegevens die ik u over Griekenland heb gegeven, zijn naar mijn mening te wijten aan het mislukken van het neoliberaal economisch model dat door het Verdrag van Lissabon wordt bevorderd en dat ook in de tekst van de 2020-Strategie is opgenomen.

Graag zou ik u willen vragen of het mogelijk is het toenemende armoedeprobleem te bestrijden met gefragmenteerd beleid met elementen van liefdadigheid. Is er geen ander economisch beleid nodig, een beleid dat zich concentreert op fulltime banen, hetgeen zou inhouden dat u de tekst van de Europa 2020-Strategie moet herzien?

 
  
MPphoto
 

  László Andor, lid van de Commissie.(EN) Als u het niet erg vindt begin ik met de tweede vraag. Het is inderdaad heel belangrijk dat de macro-economische omgeving stabieler wordt.

In mijn vorige antwoord noemde ik het belang van een alomvattend economisch beleid voor het scheppen van een stabielere omgeving. De zogenoemde “neoliberale trend” van de laatste decennia moet beslist worden herzien. In Europa 2020 lanceren we een aantal initiatieven en ik wil met name wijzen op het hoofdstuk over financieel toezicht. Dit betekent een materiële verandering in vergelijking met het vorige regime. Deze verandering komt voort uit de wens om de macro-economische omgeving te stabiliseren en de druk te verlichten op de begrotingsstelsels waarmee de instandhouding van de stelsels voor sociale bescherming en de maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid moeten worden ondersteund.

Wat betreft misbruik en de doeltreffendheid van de stelsels voor sociale bescherming is de crisis zeker een test. Wat de Commissie kan doen is gebruikmaken van de open coördinatiemethode en de analyse- en verslagcapaciteit die haar ter beschikking staat om de lidstaten in staat te stellen zich nog beter te concentreren op de maatregelen voor sociale bescherming.

De uitdaging in tijden van crisis, waarnaar in de vraag wordt verwezen, maar ook in de komende periode waarin verschillende lidstaten zullen worden geconfronteerd met de noodzaak van budgettaire consolidatie, zal echt een test zijn. We zullen niet gemakkelijk méér middelen voor armoedebestrijding vinden. Daarom moeten we ervaringen uitwisselen om te zien hoe we onze instrumenten doeltreffender kunnen inzetten en kwetsbare groepen beter kunnen bereiken.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Vraag nr. 31 van Georgios Papanikolaou (H-0089/10):

Betreft: Beoordeling van het programma "Cultuur 2007-2013"

In het kader van de bevordering en de verspreiding van de Europese cultuur heeft de Europese Unie in 2007 het programma "Cultuur" ingesteld, dat loopt tot 2013 en over een totale begroting van ongeveer 400 miljoen euro beschikt.

Enkele van de doelstellingen zijn meer sensibilisatie voor culturele elementen die van belang zijn voor Europa en de bevordering van de mobiliteit tussen de lidstaten van werknemers uit de culturele sector.

Hoe beoordeelt de Commissie tot op heden de verwezenlijking van deze twee doelstellingen?

Vertonen de lidstaten belangstelling voor en nemen zij deel aan het programma "Cultuur", of is de Commissie van oordeel dat zij nieuwe, krachtigere initiatieven moet nemen om de doelstellingen tegen 2013 te halen?

 
  
MPphoto
 

  Androulla Vassiliou, lid van de Commissie.(EL) Voorzitter, zoals de heer Papanikolaou al zei heeft het Europees programma “Cultuur” tot doel de cultuurervaring van de Europese burgers te verrijken door middel van de promotie van ons gemeenschappelijk cultureel erfgoed. De Commissie bevordert de culturele samenwerking tussen scheppers, culturele instellingen en instituten van de landen die aan dit programma deelnemen om de ontwikkeling van een Europese nationaliteit te kunnen stimuleren.

Het programma “Cultuur” heeft in het bijzonder tot doel de grensoverschrijdende mobiliteit van culturele instellingen te bevorderen en grensoverschrijdende mobiliteit van artiesten en culturele projecten en producten te stimuleren, alsmede de interculturele dialoog te ondersteunen. In 2009 bijvoorbeeld zijn er in het kader van het programma “Cultuur” 749 aanvragen ingediend waarvan er 256 voor financiering zijn geselecteerd. Daarvan waren 127 hoofdzakelijk gericht op mobiliteit van culturele instellingen.

Volgens de rechtsgrondslag is een regelmatige, externe en onafhankelijke evaluatie van het programma vereist. In juli 2009 heeft de Commissie een onafhankelijke contractant ingeschakeld om een evaluatie uit te voeren van de eerste drie jaar van toepassing van het programma “Cultuur” 2007-2009, en – wat nog belangrijker is – van de consistentie tussen de doelstellingen, de eerste resultaten en de initiële impact van het programma.

De contractant maakt de evaluatie uitgaande van gegevens over projectresultaten, recente afzonderlijke evaluaties en onderzoeken en interviews met de begunstigden van die projecten evenals met de belanghebbende culturele instellingen. Zijn uiteindelijke rapport zal in de tweede helft van dit jaar worden ingediend. Op basis hiervan zal de Commissie een verslag maken over de toepassing van het programma en dit uiterlijk op 31 December 2010 bij het Europees Parlement indienen.

Het is belangrijk niet te vergeten dat het programma niet in eerste instantie is gericht op nationale autoriteiten, maar op culturele instellingen. De deelname van culturele instellingen aan projecten is redelijk gelijkmatig verspreid over de lidstaten. De nationale autoriteiten nemen deel aan deskundigengroepen op Europees niveau die vorm moeten geven aan het beleid voor de ontwikkeling van het programma.

Na twee rondes van pilootstudies naar de mobiliteit van artiesten die door het Europees Parlement op stapel waren gezet voor 2008 en 2009, beoordeelt de Commissie nu in dit stadium de tot op heden geboekte voortgang. Daarbij houdt zij rekening met de discussies die reeds gevoerd worden in het kader van de open coördinatiemethode en zoekt zij naar manieren om de toepassing van het huidige programma te verbeteren.

Later dit jaar zal de Commissie een openbare raadpleging starten, zodat de weg kan worden vrijgemaakt voor het nieuwe programma “Cultuur” voor de periode na 2014.

 
  
MPphoto
 

  Georgios Papanikolaou (PPE).(EL) Mevrouw de commissaris, ik dank u hartelijk voor uw antwoord. Het is denk ik de eerste keer dat u bij ons bent in het kader van deze procedure. Ik wil u in uw werk veel succes toewensen en bon courage.

Het is inderdaad erg belangrijk om de Europese burgers bewust te maken van de culturele elementen die voor Europa belangrijk zijn en die bakens zijn voor de Europese cultuur en voor onze gemeenschappelijke waarden. Ik denk zelfs dat dit punt de laatste tijd van speciaal belang is geworden voor Griekenland – staat u mij toe wat verder uit te wijden – waar culturele monumenten worden gebruikt voor doeleinden die niets met cultuur van doen hebben, om met mijn land de spot te drijven. Ik heb het nu over een artikel in het Duitse tijdschrift Focus waarin het beeld van de Venus van Milo is beklad; ik heb het over de internetpublicaties die de Akropolis weergeven als een ruïne.

Ik vrees dus dat deze praktijken niet langer een uitzondering zijn, en daarom vraag ik u, commissaris, of u dergelijke praktijken veroordeelt en of de Commissie, in het kader van het onderhavige programma – maar niet uitsluitend binnen dit kader – voornemens is om een vastberadener, een, als ik het zo mag zeggen, agressiever beleid te voeren voor de promotie van de culturele …

(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 

  Androulla Vassiliou, lid van de Commissie.(EL) Staat u mij toe op dit moment geen opmerkingen te plaatsen over artikelen in diverse bladen. Mijns inziens is het totaal zinloos om op dergelijke artikelen te reageren.

Wat ik wel kan zeggen is dat cultuurmonumenten, zoals de Akropolis en andere monumenten van Griekenland en andere lidstaten, een bron van inspiratie en interculturele rijkdom zijn. Uitgerekend vandaag heeft de Commissie een nieuw labelsysteem ingevoerd voor de grote cultuurmonumenten van de Europese Unie, waaronder de Akropolis.

Ik denk dat hieruit duidelijk blijkt hoe Europa over deze monumenten denkt.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Vraag nr. 32 van Liam Aylward (H-0090/10):

Betreft: Ondersteuning en financiering van massasport in de EU

Organisaties voor massasport zijn van bijzonder groot belang voor de Europese samenleving, cultuur en volksgezondheid. In het huidige economische klimaat hebben veel van deze organisaties met financiële problemen te kampen. Welke maatregelen overweegt de Commissie om massasport in de lidstaten te ondersteunen en te stimuleren?

De Commissie heeft haar openbare raadpleging over de financiering van massasport onlangs afgesloten. Kan zij nadere informatie verstrekken over de doelstellingen van deze raadpleging en kan zij aangeven wanneer nadere resultaten bekend zullen worden?

 
  
MPphoto
 

  Androulla Vassiliou, lid van de Commissie.(EN) De Commissie erkent ten volle de belangrijke rol van de massasport in de Europese samenleving.

In het in 2007 verschenen Witboek over sport lag daarom de nadruk op de maatschappelijke aspecten van sport en werd een aantal maatregelen voorgesteld, zoals de bevordering van gezonde lichamelijke activiteiten, de educatieve rol van sport voor sociale inclusie in en door de sport, en vrijwilligerswerk in de sport. Die maatregelen zijn of worden momenteel uitgevoerd.

De specifieke aard en de sociale en educatieve functie van de sector, alsmede zijn structuren op basis van vrijwilligerswerk, worden eveneens onderstreept door de nieuwe bevoegdheid van de EU op het gebied van sport die is vastgelegd in artikel 165.

Dit artikel verschaft een kader voor toekomstige maatregelen van de EU en geeft de richting aan voor het stimuleren van sportbeoefening in de hele EU en voor het ontwikkelen van de Europese dimensie in de sport.

De Commissie is van plan later dit jaar initiatieven te ontplooien voor de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Lissabon op het gebied van sport. Daarin zal rekening worden gehouden met de noodzaak om de massasportsector te versterken.

De geachte afgevaardigde wijst er verder terecht op dat de massasportorganisaties in het huidige economische klimaat voor grote uitdagingen staan. De lopende EU-studie naar de hinderpalen voor de financiering van de sport in de interne markt, die was aangekondigd in het Witboek en die gericht is op de financiering van massasport, gaat op dergelijke uitdagingen in. De studie moet een beschrijving geven van de belangrijkste financieringsbronnen, bekijken welke financieringsmodellen er in de lidstaten bestaan voor de verschillende takken van sport, en een analyse maken van de EU-wetgeving en nationale beleidsmaatregelen die gevolgen hebben voor de financiering van de sport.

Ten slotte dient de studie doelmatige bedrijfsmodellen te schetsen waarmee ook het hoofd kan worden geboden aan toekomstige uitdagingen, zoals het effect van de economische crisis op overheidsbudgetten of sponsoring, en manieren aan te geven waarop de ontwikkeling van de massasport in de hele Europese Unie kan worden versterkt.

De raadplegingen over de financiering van massasport waarnaar de geachte afgevaardigde verwijst, zijn uitgevoerd in het kader van deze studie. De eerste uitkomsten van die raadplegingen zijn aan de belanghebbenden gepresenteerd tijdens een conferentie over duurzame financieringsmodellen voor massasport in de interne markt, die op 16 februari in Brussel is georganiseerd door de contractant van de studie.

De uitkomsten van de conferentie worden binnenkort gepubliceerd op de website van het directoraat-generaal Interne Markt en Diensten.

 
  
MPphoto
 

  Liam Aylward (ALDE).(EN) Ik bedank de commissaris voor haar antwoord. Ik juich het door haar geschetste streven naar de ontwikkeling van massasport toe.

Ik ben blij met het feit dat de Europese Unie dankzij de ratificatie van het Verdrag van Lissabon nu bevoegdheden op sportgebied en een bijbehorende begroting heeft. Kan de Commissie ten eerste aangeven hoe zij vorm denkt te geven aan het Europese sportprogramma en ten tweede vertellen wanneer we daarover haar eerste mededeling kunnen verwachten?

 
  
MPphoto
 

  Androulla Vassiliou, lid van de Commissie.(EN) We zijn van plan de mededeling over sport deze zomer voor te leggen. Met andere woorden, de mededeling zal voor het zomerreces verschijnen. Deze moet een kader voor betere samenwerking, een nieuwe EU-agenda voor sport en een ontwerpbesluit over een tweejarig Europees sportprogramma voor 2012 en 2013 bevatten.

Uiteraard gaan intussen, zoals u heel goed weet, de lopende sportmaatregelen voor 2009, 2010 en 2011 gewoon door. Daarin ligt de nadruk op massasport en op de sociale aspecten van sport. De activiteiten voor 2009 zijn al goedgekeurd en moeten dit jaar worden uitgevoerd. We staan op het punt om de activiteiten voor 2010 goed te keuren, die ook over een paar maanden gereed zullen zijn.

Natuurlijk is de begroting voor 2010 helaas, zoals u heel goed weet, verlaagd van 6 miljoen naar 3 miljoen euro. Met de begroting voor 2011 krijgen we nieuwe activiteiten en nieuw testmateriaal, aan de hand waarvan we ons programma voor 2012 en 2013 kunnen formuleren.

 
  
MPphoto
 

  Piotr Borys (PPE). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, ik wil u van harte danken voor uw verklaring over de opzet van een nieuwe strategie op het vlak van sport, maar ik wil ook graag een idee voorstellen dat hiermee verband houdt en waar de Commissie cultuur en onderwijs ook over discussieert. Ik bedoel de nieuwe kernbevoegdheden, waartoe nu ook sportieve vaardigheden, kennis over cultuur en de Europese Unie kunnen worden gerekend. Mevrouw de commissaris, bent u van plan deel te nemen aan de discussie over het nieuwe en heel belangrijke aspect van de kernvaardigheden van de jeugd in de hele Europese Unie, om zo ook de kwesties van sport, kennis over de Europese Unie en cultuur, die zo cruciaal zijn voor de vorming van een Europese identiteit, te benadrukken en te beklemtonen?

 
  
MPphoto
 

  Androulla Vassiliou, lid van de Commissie.(EN) Wanneer ik spreek over de maatschappelijke rol van de sport, dan zijn daarin onderwijs- en opleidingszaken zeker heel belangrijk. Ik denk dat onderwijs zelfs nog belangrijker is voor onze gemeenschappelijke Europese identiteit. Hiermee wordt beslist rekening gehouden wanneer we ons meer definitieve programma ten aanzien van sport formuleren.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Vraag nr. 33 van Jim Higgins (H-0072/10):

Betreft: Verkeersdoden

Kan de Commissie meedelen hoe zij van plan is de drie belangrijkste oorzaken van dodelijke ongevallen (snel rijden, rijden onder invloed en een ontoereikende wegeninfrastructuur) aan te pakken?

 
  
MPphoto
 

  Siim Kallas, vicevoorzitter van de Commissie.(EN) In het kader van het derde Europese actieprogramma inzake verkeersveiligheid tot 2010 is een aantal acties uitgevoerd ter bestrijding van snelheidsovertredingen en rijden onder invloed en ter verbetering van de wegeninfrastructuur. Bij veel van die acties is het Europees Parlement betrokken geweest op grond van de medebeslissingsprocedure. Maar uiteraard zijn er meer inspanningen nodig.

De Commissie werkt momenteel aan de Europese verkeersveiligheidsstrategie voor de komende tien jaar. Daarin wordt het belang benadrukt van passende handhaving en sancties voor gevaarlijk gedrag, met name rijden onder invloed en overschrijding van de maximumsnelheid. De burgers van de lidstaten begrijpen niet waarom mensen uit andere EU-staten niet worden gestraft voor wetsovertredingen. Daarom moeten we dringend de discussie hervatten over het voorstel voor een richtlijn inzake grensoverschrijdende handhaving, dat de volledige steun van het Europees Parlement heeft ontvangen maar is geblokkeerd door de Raad. De Commissie is vastbesloten verder te gaan met dit voorstel.

Naast controle en sancties zijn ook voorlichting en bewustmaking gebieden waarop de Commissie sterk de nadruk zal leggen. Er moeten specifieke maatregelen worden voorgesteld ten aanzien van alcohol- en snelheidsovertredingen, zoals alcoholsloten in bepaalde voertuigen of strengere voorschriften voor beginnende bestuurders. Rijden onder invloed van drugs is een toenemend probleem. De Commissie verwacht dat het lopende DRUID-onderzoeksproject ideeën voor concrete actie zal opleveren. Wat de infrastructuur betreft hebben het Europees Parlement en de Raad wetgeving aangenomen inzake veilig beheer van en veiligheidsvoorschriften voor wegen en tunnels in het trans-Europese vervoersnet.

De Commissie zal natuurlijk de juiste tenuitvoerlegging door de lidstaten nauwgezet volgen, maar de veiligheid van de wegeninfrastructuur beperkt zich niet tot de hoofdwegen van het TEN-V, want 56 procent van de verkeersdoden valt op landwegen. Daarom zal de Commissie onderzoeken of de huidige wetgeving inzake veilig beheer niet moet worden uitgebreid naar het secundaire wegennet in de lidstaten. Ten slotte zal de Commissie erop toezien dat bij infrastructuurprojecten die steun of leningen uit EU-fondsen ontvangen, rekening wordt gehouden met de veiligheidsvoorschriften.

Ik moet ook onderstrepen dat verkeersveiligheid een gedeelde verantwoordelijkheid is van EU-instellingen, lidstaten, lokale en regionale instanties, belangenverenigingen en uiteraard burgers. Maximale effectiviteit is alleen mogelijk als met de oplossingen wordt gereageerd op concrete problemen in het veld. Op basis van dit beginsel zullen in de volgende Europese strategie inzake verkeersveiligheid maatregelen worden voorgesteld. Het hoofddoel daarvan is de totstandbrenging van een gemeenschappelijke Europese ruimte van verkeersveiligheid die deel uitmaakt van één Europese vervoersruimte waarin alle burgers van de EU in heel Europa profiteren van hetzelfde veiligheidsniveau.

 
  
MPphoto
 

  Jim Higgins (PPE). (GA) Mijnheer de Voorzitter, ook ik wil de commissaris bedanken. Als ik naar hem luister, stel ik vast dat er veel is gedaan in verband met hoge snelheden en alcohol als veroorzakers van verkeersongevallen. Het is echter ook duidelijk dat we in deze gevallen geen onderzoek doen naar het effect van drugs. Rijden onder invloed van alcohol of drugs is ieder jaar de hoofdoorzaak van bijna 25 procent van de verkeersongevallen in de Europese Unie. Ieder jaar vinden bij die ongevallen 10 000 mensen de dood.

We moeten meer doen in verband met drugs, omdat duidelijk is dat deze een belangrijke oorzaak van verkeerongevallen en van verkeersdoden zijn. Ik wil de commissaris duidelijk maken dat we veel meer moeten doen.

Ik juich het onderzoek toe maar we moeten veel meer doen om het beleid doeltreffend te maken.

 
  
MPphoto
 

  Siim Kallas, vicevoorzitter van de Commissie.(EN) Uiteraard kan ik uw zorgen alleen maar delen. Het probleem met drugs is, zoals u heel goed weet, dat we weliswaar betrekkelijk goed ontwikkelde technologie hebben voor het betrappen van bestuurders die onder invloed van alcohol zijn, maar dat het veel moeilijker is om de invloed van drugs te detecteren. We zullen echt onderzoek moeten doen naar de noodzakelijke technologie, want op het ogenblik hebben we alleen de visuele waarneming van de politie, die mensen vervolgens medisch laat onderzoeken, waarna pas echt duidelijk wordt of er een probleem is. Uiteraard hebben we meer nodig dan dat.

 
  
MPphoto
 

  Zigmantas Balčytis (S&D).(LT) Dank u voor de voorstellen die zijn gedaan om dit probleem op te lossen. Ik wil vragen of u het eens bent met de studies die aantonen dat het gebruik van mobiele telefoons onder het rijden tot een even grote vertraging van het reactievermogen van de bestuurder kan leiden als alcohol of drugs. Mijn andere vraag heeft betrekking op vrachtauto’s. Deze vormen een verhoogd risico, vooral in de donkere uren, en beschadigen bovendien zoals u weet de wegen, wat ook bijdraagt tot verhoging van het aantal ongevallen. Vindt u dat we het beleid om het goederenvervoer te verleggen van de weg naar het spoor moeten uitbreiden en maximaliseren?

 
  
MPphoto
 

  Nikolaos Chountis, (GUE/NGL).(EL) Commissaris, het onderwerp waar we het nu over hebben en wat reeds door mijn collega in zijn vraag werd aangekaart is uitermate ernstig. Wat wij “verkeersongevallen” noemen zijn naar mijn mening aanrijdingen waarvoor vele oorzaken zijn te vinden, en die inderdaad de oorzaak zijn van vele sterfgevallen in Europa.

Ik zou u dus twee specifieke vragen willen stellen:

Ten eerste, aangezien de meeste van deze aanrijdingen in de stad plaatsvinden en de meeste slachtoffers voetgangers en fietsers zijn, zou ik willen vragen welke initiatieven volgens u nodig zijn om een zogenaamd “Vision Zero”-beleid in te voeren, dat wil zeggen geen slachtoffers in steden, bijzondere aandacht voor scholen, fietspaden, enzovoort?

De tweede vraag is wat u van plan bent te doen om binnen het kader van dit beleid de slachtoffers en hun familieleden recht te doen wedervaren, zodat we met dit beleid ook verkeersongevallen kunnen voorkomen?

 
  
MPphoto
 

  Siim Kallas, vicevoorzitter van de Commissie.(EN) Natuurlijk heeft de verschuiving in modaliteit, zoals dat heet, dat wil zeggen de voorkeur voor het goederenvervoer per spoor, ook de duidelijke voorkeur van de Commissie, maar dat is al decennia het geval. We moeten nu de knelpunten aanwijzen en opheffen die verhinderen dat we optimaal profiteren van de spoorwegen. Er moet nog veel gedaan worden en ik denk dat we tijdens deze ambtsperiode van de Commissie een beetje vooruitgang kunnen boeken.

Ik wil erop wijzen dat het gebruik van mobiele telefoons onder het rijden in elk geval in een aantal landen – waaronder mijn eigen land – verboden is.

Wat betreft de maatregelen om het aantal doden en gewonden bij verkeersongevallen te verminderen, streefde deze Commissie met het actieplan naar een vermindering van het aantal doden met 50 procent, wat een ambitieuze doelstelling was. Die doelstelling is niet bereikt, maar de verlaging van het aantal dodelijke slachtoffers is aanmerkelijk.

Dit is uiteraard het gevolg van gemeenschappelijke inspanningen van de Europese instellingen en, bovenal, de lidstaten. In mijn eigen land is de daling van het aantal verkeersdoden de laatste tien jaar bijvoorbeeld nog opmerkelijker geweest – er zijn bijna drie keer minder doden, en er is nog ruimte voor verbetering. Ook al zullen we nooit uitkomen op nul ongevallen, kunnen we nog veel doen om het aantal slachtoffers te verminderen. Natuurlijk is dit een heel complexe kwestie die een heleboel zaken omvat: geen alcohol gebruiken, betere wegen, betere omstandigheden, voorlichting, opleiding – alles.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aangezien de volgende vragen over een soortgelijk onderwerp gaan, worden zij tezamen behandeld:

Vraag nr. 34 van Ivo Belet (H-0077/10):

Betreft: Treinongeval in Buizingen en elektronisch veiligheidssysteem

Het zware treinongeval in Buizingen (België) van 15 februari wordt in verband gebracht met het ontbreken van een elektronisch veiligheidssysteem, waarbij treinen automatisch worden afgeremd als ze een stoplicht passeren.

Naast de nationale systemen voor automatische treinbescherming (ATP) die in sommige Europese lidstaten al jarenlang bestaan, wordt in Europa volop werk gemaakt van de invoering van het ERTMS systeem (European Rail Traffic Management System).

In welke mate en sinds hoelang hebben de verschillende lidstaten hun spoorlijnen en treinstellen uitgerust met nationale systemen voor automatische treinbescherming?

Hoe staat het met de invoering van ERTMS in de verschillende lidstaten (zowel op het gebied van treinstellen als qua spoorlijnen)?

Is het voor lidstaten die nog geen nationale treinbescherming systemen hebben, zinvol hierin te investeren gezien de op gang zijnde invoering van ERTMS en de grote investering die een omschakeling met zich meebrengt?

Hoe wordt het gevaar vermeden dat de spoorinfrastructuur wel met ERTMS is uitgerust, maar de treinstellen niet of omgekeerd?

Doet dit probleem zich vandaag voor, bijvoorbeeld voor het IC-treinverkeer op de lijn Luik-Aken?

Welke lessen moeten we hier eventueel uit trekken met betrekking tot de vrijmaking van het spoorverkeer in Europa?

Vraag nr. 35 van Frieda Brepoels (H-0091/10):

Betreft: Oorzaken van de verschrikkelijke treincrash van maandag 15 februari in Buizingen

Kan de Commissie aangeven of de liberalisering invloed heeft gehad op de veiligheid?

In juni 2008 stelde de Commissie België in gebreke wegens de complexe drieledige NMBS-structuur. Werd intussen tegemoet gekomen aan de bezwaren van de Commissie? Hoe?

Sinds wanneer is de Europese ERTMS-standaard beschikbaar? Was er een vertraging ten opzichte van de vooropgestelde introductiedatum? Zo ja, wat zijn de oorzaken van deze vertraging en welke stappen heeft de Commissie ondernomen om deze te verhelpen?

Belette de discussie over de Europese standaard de spoorwegen een eigen systeem op te zetten om de veiligheid op binnenlandse verbindingen te garanderen? Sinds wanneer zijn de specificaties voor dergelijke nationale systemen beschikbaar? In hoeveel landen van de EU-27 bestaat al een nationaal systeem en sinds wanneer? Welke landen scoren het best?

Wat is de positie van België ten opzichte van de EU-27 inzake veiligheid van het spoornet?

 
  
MPphoto
 

  Siim Kallas, vicevoorzitter van de Commissie.(EN) Het treinongeluk in Buizingen van maandag 15 februari jongstleden was een tragedie die iedereen heeft geschokt. In de nasleep van dit ernstige ongeval kunnen verschillende technische en politieke vragen worden gesteld met betrekking tot de veiligheid op het spoor.

De oorzaken van het ongeval zijn nog niet volledig bekend en er is een technisch onderzoek ingesteld overeenkomstig de bepalingen van de EU-veiligheidsrichtlijn. Het Belgische onderzoeksorgaan is verantwoordelijk voor de uitvoering van dat onderzoek. Binnen enkele uren na het ongeval zijn twee onderzoekers van het Europees Spoorwegbureau toegevoegd aan het Belgische team dat belast is met het onderzoek.

Ik wil benadrukken dat het ongepast is om conclusies te trekken zolang de oorzaken van het ongeval niet zijn opgehelderd.

Zoals maar al te vaak gebeurt bij spoorwegongevallen, zijn er opmerkingen gemaakt waarin een verband wordt gelegd tussen het ongeval en de Europese regels of verordeningen. Allereerst wil ik heel duidelijk zijn over de liberalisering van de markt. Naast het openstellen van het goederenvervoer per spoor voor concurrentie en het vaststellen van voorschriften voor de verticale scheiding van infrastructuurbeheerders en spoorwegondernemingen, is een streng kader ingevoerd voor toezicht op de spoorwegveiligheid en interoperabiliteit. We hebben de liberalisering van de spoorwegsector zorgvuldig gemonitord om negatieve gevolgen voor de veiligheid op het spoor te voorkomen, en de indicatoren wijzen duidelijk uit dat van dergelijke gevolgen geen sprake is.

Ook zie ik geen verband tussen het ongeval en het met redenen omklede advies dat we in 2008 aan België hebben toegezonden wegens een gebrek aan onafhankelijkheid tussen infrastructuurbeheerders en spoorvervoerondernemingen.

Elke uitspraak waarin een verband wordt gelegd tussen de veiligheid van de spoorwegen en de liberalisering van de spoorwegmarkt is naar mijn mening slechts een excuus om het debat af te leiden van de werkelijke oorzaken van het ongeval.

De vraag over het naast elkaar bestaan van nationale en Europese treinbeïnvloedingssystemen kan in deze termen gesteld worden. Op het ogenblik zijn er in Europa meer dan twintig verschillende nationale systemen in gebruik die veilig treinverkeer moeten garanderen. De onverenigbaarheid van de verschillende nationale systemen is een groot probleem voor internationale treinen omdat de locomotieven ofwel bij elke grensovergang moeten worden gewisseld of moeten worden uitgerust met verschillende systemen.

Om deze reden is één systeem ontwikkeld dat op Europees niveau kan worden gebruikt en dat momenteel wordt geïnstalleerd op belangrijke internationale lijnen en treinen in Europa. Het systeem staat bekend als ERTMS (European Rail Traffic Management System).

Wat de tijdfactor betreft: de meeste nationale systemen zijn ontwikkeld in de vroege jaren tachtig, maar de invoering ervan is een langdurig en kostbaar proces. In de meeste landen met zo’n systeem is maar een deel van het nationale spoornet en locomotievenbestand ermee uitgerust; alleen al deze gedeeltelijke installatie heeft circa twintig jaar geduurd.

De ERTMS-specificaties zijn beschikbaar sinds 2000. Tussen 2000 en 2005 is een aantal proefprojecten uitgevoerd. Sinds 2005 zijn verschillende met ERTMS uitgeruste lijnen in gebruik genomen.

Op het ogenblik beschikken tien lidstaten over lijnen met ERTMS en zijn er projecten in uitvoering in bijna alle lidstaten. In België worden bijvoorbeeld de lijn Aken-Luik en de intercitytreinen die erop rijden met het systeem uitgerust.

ERTMS zal dus waarschijnlijk nog twintig jaar blijven bestaan naast nationale systemen. Sommige lidstaten zullen eerder van het Europese systeem profiteren dan andere. We zien bijvoorbeeld dat de hogesnelheidsnetten in Italië en Spanje er al bijna helemaal mee uitgerust zijn, net als het conventionele spoorwegnet van Luxemburg, maar dat er in vijftien lidstaten alleen nog maar proeflijnen en -projecten bestaan.

Ook moet opgemerkt worden dat systemen voor automatische treinbewaking maar één element vormen dat bijdraagt aan de veiligheid van het spoorwegnet. Juiste opleiding, goed onderhoud en betere bewaking van overwegen zijn andere belangrijke onderdelen van de beveiliging.

Als we een breder scala van veiligheidsindicatoren hanteren, wijzen de gegevens uit dat het veiligheidsniveau van de spoorwegen in Europa over het algemeen erg hoog is.

 
  
MPphoto
 

  Ivo Belet (PPE). - Voorzitter, commissaris, welke lessen we uit dit drama moeten trekken, dat is inderdaad een vraag voor de Belgische diensten, voor de Belgische overheid. Binnenkort gaat daarover in het Belgische parlement trouwens een speciale onderzoekscommissie aan het werk.

Nog één vraag voor u, commissaris. Hoe kijkt u aan tegen het sociale aspect, het aspect werkdruk voor het treinpersoneel, en met name voor de machinisten? Moeten we dat ook niet onderzoeken, en dringt zich daar geen Europese regeling op, met name omdat de concurrentie op het vlak van het reizigersvervoer de komende jaren toch ook zal toenemen?

 
  
MPphoto
 

  Frieda Brepoels (Verts/ALE). - Ik zou de commissaris van harte willen bedanken voor het antwoord dat hij gegeven heeft op een aantal heel precieze vragen. Op een vraag van mij heeft hij niet geantwoord, in verband met de ingebrekestelling van België door de Commissie reeds in 2008. In 2009 is er nog eens vastgesteld dat er een gebrek is aan onafhankelijkheid van Infrabel ten opzichte van de NMBS en de holding. Ik zou willen weten hoeveel tijd de Commissie nog aan de NMBS geeft om de noodzakelijke herstructureringen ook uit te voeren?

 
  
MPphoto
 

  Siim Kallas, vicevoorzitter van de Commissie.(EN) Eerst de vraag over de spoorwegexploitanten en de sociale kwesties. We kunnen daar uitvoerig naar kijken en de situatie analyseren, want als we meer concurrentie en intensiever verkeer hebben, moeten we op deze sociale aspecten natuurlijk ook heel serieus ingaan. Er bestaan al verschillende verordeningen, bijvoorbeeld voor gezagvoerders in de luchtvaart. U zult ook bekend zijn met de rijtijdenrichtlijn in het wegvervoer. Een soortgelijk toezicht op de rijtijden zou moeten gelden voor alle bestuurders, met inbegrip van treinmachinisten.

Ik denk dus dat we heel ernstig naar deze zaak moeten kijken. Er is altijd ook nationale wetgeving, en deze vragen betreffen in eerste instantie de nationale wetgeving, maar we zullen er zeker kijken.

Ik heb gezegd dat de Commissie in 2008 een met redenen omkleed advies aan België heeft toegezonden wegens een gebrek aan waarborgen voor de onafhankelijkheid van infrastructuurbeheerders ten opzichte van spoorwegondernemingen bij de uitvoering van wezenlijke taken, aanwijzing van sporen en facturering. De Belgische autoriteiten hebben hierop gereageerd en de diensten van de Commissie bestuderen thans hun antwoord met het oog op de volgende stap.

Maar om terug te keren naar het spoorwegongeval: dit was een tragische gebeurtenis die voorkomen had moeten worden. Toch zal het aantal ongevallen nooit ofte nimmer nul worden. Dit is een heel complex vraagstuk. Ik neem aan dat het onderzoek concrete antwoorden zal opleveren over de oorzaken van het ongeval. Vaak gaat het om een tragische combinatie van factoren, ook menselijke factoren. Sinds de negentiende eeuw is het duidelijk dat rood licht betekent dat er gestopt moet worden. Toch betekent dat niet dat we één simpel antwoord kunnen vinden op de vraag waarom dit ongeval heeft plaatsgevonden.

 
  
MPphoto
 

  Piotr Borys (PPE). - (PL) Mijnheer de commissaris, ik denk dat we uit deze tragedie conclusies moeten trekken. Uiteraard zal een zeer grondig onderzoek uitwijzen of het ongeval te wijten was aan een menselijke fout of aan de apparatuur, of dat het veroorzaakt werd door het feit dat de trein niet was uitgerust met een veiligheidssysteem. Hoe lang zal het volgens u duren voor het ERTMS-systeem wordt ingevoerd, en vindt u niet dat het systeem van duidelijke verificatie van de kwaliteit van diensten en apparatuur bij de liberalisering van zowel het personen- als het goederenvervoer over het spoor afzonderlijk moet worden gehouden van de nationale systemen?

 
  
MPphoto
 

  Siim Kallas, vicevoorzitter van de Commissie.(EN) Het plan is om ERTMS op de Europese hoofdspoorwegnetten in te voeren vóór 2015. Er is dus een datum waarop ons inziens het invoeringsplan zal zijn uitgevoerd, maar dat betekent niet dat alle lijnen, in het bijzonder regionale lijnen, zullen worden uitgerust met zulke hoogwaardige apparatuur. Er zullen altijd ook andere systemen moeten zijn. Het invoeringsplan bestaat, maar het betreft een kostbare operatie en een grote investering.

Een Europees systeem van kwaliteitsmeting is een goed idee. Wanneer ik spreek over het idee om het vervoer als geheel, als een eenheid voor Europa te ontwikkelen, mogelijk onder de naam “gemeenschappelijke Europese ruimte van vervoer”, dan betekent dit natuurlijk dat we ook de kwaliteitseisen moeten harmoniseren en dat de kwaliteit van de dienstverlening op een zeer hoog niveau moet worden gehouden.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Vraag nr. 36 van Jacek Włosowicz (H-0103/10):

Betreft: Zomer- en wintertijd

Wordt er onderzoek gedaan naar de omschakeling van zomer- op wintertijd die twee maal per jaar plaatsvindt en die het dagelijks leven van de burgers van de Unie in ernstige mate verstoort?

 
  
MPphoto
 

  Siim Kallas, vicevoorzitter van de Commissie.(EN) Er bestaat uiteraard een richtlijn sinds januari 2001, toen de Raad en het Parlement de huidige richtlijn betreffende de zomertijd in de Europese Unie aannamen. Deze richtlijn harmoniseert de kalender voor de toepassing van de zomertijd in de EU. De richtlijn was de negende over dit onderwerp sinds 1980, toen de eerste zomertijdrichtlijn werd ingevoerd.

Overeenkomstig de genoemde richtlijnen heeft de Commissie in 2007 een verslag over het effect van de huidige zomertijdregeling gepresenteerd. Daarin werd op basis van de beschikbare inlichtingen geconcludeerd dat de zomertijdregeling geen negatief effect had en enige energiebesparing opleverde. De huidige regeling vormt geen onderwerp van zorg in de lidstaten van de Europese Unie. Geen enkele lidstaat heeft sinds de publicatie van het verslag ooit verzocht om aanpassing van de huidige regeling.

De geachte afgevaardigde had deze vraag nauwelijks aan een geschikter persoon kunnen stellen, niet omdat ik verantwoordelijk ben voor vervoer maar omdat ik lid was van de Estse regering die precies heeft gedaan wat u eigenlijk wilt. Eerst besloten we in 1999 om met ingang van 2000 het vooruitzetten van de klok af te schaffen en in het vervolg één en dezelfde tijd aan te houden. In 2002 zijn we daar echter op teruggekomen en hebben we de zomertijd opnieuw ingevoerd. Ik heb dus heel persoonlijke ervaring met dit onderwerp.

Er gebeurden twee onplezierige dingen die de in 2000 genomen maatregel bijzonder onpopulair maakten. Het eerste was dat het daglicht ’s avonds verdween. De ochtend was licht maar aan het zonlicht in de ochtend heb je niets. ’s Avonds werd het te vroeg donker en als je na je werk nog even wilde joggen of met de kinderen buiten wilde spelen, was het duister al ingevallen. De mensen vonden het helemaal niks.

Ten tweede heerste er – zoals u zich zult kunnen voorstellen – totale verwarring over dienstregelingen en tijdschema’s voor reizen naar het buitenland. Daarom hebben we de bestaande zomertijdregeling in ere hersteld en verzetten we de klok weer twee keer per jaar. De mensen zijn er blij mee en de zaak is niet meer ter discussie gesteld.

 
  
MPphoto
 

  Jacek Włosowicz (ECR). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, ik heb toch een twijfel. Er zijn namelijk landen in Europa, zoals bijvoorbeeld Engeland, die een andere tijd dan continentaal Europa gebruiken zonder dat daardoor problemen ontstaan. Zou het louter vanuit het perspectief van transport echter niet voordelig zijn om voor heel Europa een standaardtijd in te voeren?

 
  
MPphoto
 

  Siim Kallas, vicevoorzitter van de Commissie.(EN) Zoals gezegd heb ik hier persoonlijke ervaring mee en zie ik geen enkele reden om weer een ander systeem te kiezen of een paar wijzigingen in dit systeem aan te brengen. Het kan alleen maar ingewikkelder worden.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Vraag nr. 37 van Gay Mitchell (H-0071/10):

Betreft: Het evenwicht tussen vrijheid en veiligheid

In veel landen in de Europese Unie heeft de paniek naar aanleiding van het terrorisme in de wereld geleid tot een schrikbarende uitholling van burgerlijke vrijheden. Een fundamenteel beginsel dat de basis vormt van het sociaal contract is dat een regering slechts inbreuk mag maken op de rechten van de burgers indien duidelijk en onomstotelijk kan worden aangetoond dat die inbreuk voor de algemene veiligheid van het land noodzakelijk is. Het lijkt er nu op dat de bewijslast verschoven is van de overheid die veiligheidsmaatregelen wil invoeren naar de burgers die eraan worden onderworpen.

Is de Commissie het eens met deze inschatting? Welke stappen wil de Commissie nemen om de onbalans tussen veiligheid en vrijheid aan te pakken?

 
  
MPphoto
 

  Viviane Reding, vicevoorzitter van de Commissie.(EN) De bescherming en bevordering van de grondrechten mag niet worden beschouwd als zijnde in tegenspraak met de maatregelen die zijn gericht tegen de permanente dreiging van het terrorisme: ze moeten juist samengaan. Antiterroristische activiteiten moeten worden uitgevoerd met volledige inachtneming van het beginsel van de rechtsstaat en met volledige eerbiediging van de grondrechten zoals die op het niveau van de Europese Unie zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten.

Dit is geen kwestie van compromissen of van het afwegen van de ene vereiste tegen de andere; beide moeten worden waargemaakt, uiteraard zonder concessies te doen op het gebied van de grondrechten.

Eerbiediging van de grondrechten betekent niet dat er geen doeltreffende veiligheidsmaatregelen kunnen worden genomen. Dit wordt ook erkend in het programma van Stockholm, waarmee de Europese instellingen worden opgeroepen ervoor te zorgen dat alle middelen die worden ingezet in de strijd tegen het terrorisme volledig in overeenstemming met de grondrechten zijn. Daarom geloof ik dat dit een kwestie van evenwicht is, en niet een kwestie van afwegen van het een tegen het ander.

 
  
MPphoto
 

  Gay Mitchell (PPE).(EN) Wat mij betreft mogen terroristen hard aangepakt worden, en mogen criminelen hard aangepakt worden – daarmee heb ik geen enkel probleem. Waar ik mij echter wel zorgen om maak is dat wij als parlementariërs noch in het Europees Parlement, noch in de lidstaten voldoende benadrukken dat we verwachten dat dit gebeurt op een wijze die gewone mensen beschermt in plaats van hen of hun privacy te schaden, dat gegevens worden beschermd, dat de persoonlijke levenssfeer wordt beschermd en dat onschuldige, oppassende burgers niet worden blootgesteld aan privacybreuk door de staat. Het is absoluut noodzakelijk dat deze voorwaarden ook worden genoemd.

 
  
MPphoto
 

  Viviane Reding, vicevoorzitter van de Commissie.(EN) Ik ben het helemaal met de geachte afgevaardigde eens. U hebt uit mijn hoorzitting en mijn eerdere optreden als commissaris voor telecommunicatie kunnen opmaken dat ik gegevensbescherming heel hoog op de agenda heb staan.

Ik heb toegezegd de richtlijn gegevensbescherming van 1995 te herzien en aan te passen aan de moderne technologie, maar ik heb ook heel duidelijk gemaakt dat we gegevens niet kunnen bekendmaken alleen omdat we de samenleving moeten beschermen. De privégegevens van de individuele burger mogen niet op het spel worden gezet door andere maatregelen.

Ik heb gezien hoe het Parlement heeft gediscussieerd en gestemd over het SWIFT-vraagstuk. De Commissie zal de visie van het Parlement in overweging nemen wanneer zij een nieuw mandaat opstelt voor het sluiten van een nieuwe SWIFT-overeenkomst met onze Amerikaanse partners. Dat zal een overeenkomst moeten zijn waarin het recht op privacy in balans is met de noodzaak om het terrorisme te bestrijden.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Vraag nr. 38 van Marian Harkin (H-0087/10):

Betreft: Groenboek over vrijwilligerswerk

Zou de Commissie, in samenhang met de voorgestelde initiatieven voor de viering van het Europees Jaar van het vrijwilligerswerk, overwegen om een alomvattend groenboek over vrijwilligerswerk op te stellen om het bewustzijn van de waarde van vrijwilligerswerk in de EU te verhogen, en om vrijwilligerswerk te vergemakkelijken, erkennen en van een toegevoegde waarde te voorzien?

Hecht de Commissie, naast de ontwikkeling van een dergelijk groenboek, belang aan de totstandbrenging van synergie met andere internationale organisaties, zoals de Internationale Arbeidsorganisatie en de Verenigde Naties, met het oog op het door de John Hopkins University en de Internationale Arbeidsorganisatie georganiseerde project voor het meten van vrijwilligerswerk en het handboek van de VN betreffende instellingen zonder winstoogmerk?

 
  
MPphoto
 

  Viviane Reding, vicevoorzitter van de Commissie.(EN) Het spijt me zeer, maar ik heb deze vraag niet. Ik heb hier veel vragen, maar deze niet.

(De Voorzitter stelt voor dat de vraag schriftelijk wordt beantwoord)

 
  
MPphoto
 

  Marian Harkin (ALDE).(EN) Ik heb er geen enkel bezwaar tegen om een schriftelijk antwoord van de commissaris te ontvangen.

 
  
MPphoto
 

  Viviane Reding, vicevoorzitter van de Commissie.(EN) Het spijt me. Er moet iets mis zijn gegaan in de organisatie.

 
  
MPphoto
 

  Marian Harkin (ALDE).(EN) Ik hoop dat de commissaris zorgvuldig wil kijken naar wat ik heb voorgesteld gezien de mogelijkheden van 2011 als Europees Jaar van het vrijwilligerswerk, en misschien ook naar de mogelijkheid van een groenboek naar aanleiding van dat jaar, na overleg met vrijwilligersgroepen en dergelijke. Ik hoop ook dat u het belang meeweegt van het gebruik van het ILO- of het VN-handboek om de hoeveelheid vrijwilligerswerk in de lidstaten te meten.

 
  
MPphoto
 

  Viviane Reding, vicevoorzitter van de Commissie.(EN) Ik kan de geachte afgevaardigde verzekeren dat zij wat betreft vrijwilligerswerk – een belangrijke kwestie waaraan de Commissie momenteel werkt – de juiste antwoorden krijgt op wat zij heeft gevraagd.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Vraag nr. 39 van Bernd Posselt (H-0088/10):

Betreft: Traditionele autochtone minderheden

Welke mogelijkheden ziet de Commissie in het Verdrag van Lissabon en het Europese Handvest van de grondrechten om een beleid te ontwikkelen ter bescherming en bevordering van traditionele autochtone bevolkingsgroepen en minderheden, en welke concrete stappen zijn er gepland?

 
  
MPphoto
 

  Viviane Reding, vicevoorzitter van de Commissie.(EN) Zoals u weet is een van de waarden waarop de Europese Unie is gegrondvest de eerbiediging van de rechten van mensen die tot een minderheid behoren. Dit wordt sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon uitdrukkelijk genoemd in artikel 2 van het Verdrag. Artikel 21 van het Handvest van de grondrechten verbiedt uitdrukkelijk elke vorm van discriminatie op grond van taal of lidmaatschap van een nationale minderheid. De Commissie garandeert binnen de reikwijdte van haar mandaat dat deze grondrechten worden geëerbiedigd in het EU-recht, ook wanneer de lidstaten het EU-recht ten uitvoer leggen.

Er zijn ook stukken EU-wetgeving en EU-programma’s die kunnen bijdragen tot de verbetering van de situatie van de mensen die tot een minderheid behoren. De Commissie is van plan deze instrumenten te bundelen om bepaalde problemen aan te pakken, zoals discriminatoire handelingen die waarschijnlijk leden van minderheidsgroepen zullen treffen.

U zult ook bekend zijn met de bestaande antidiscriminatiewetgeving van de EU, die wordt gebruikt om gelijke behandeling te garanderen van mensen die tot een minderheid behoren. De Commissie heeft een nieuwe ontwerprichtlijn goedgekeurd – die momenteel in behandeling is – waarmee de bescherming tegen discriminatie op grond van godsdienst en levensovertuiging, handicap, leeftijd en seksuele gerichtheid wordt uitgebreid tot andere terreinen dan arbeid en beroep.

Het kaderbesluit van de Raad betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht moet er ook toe leiden dat haat zaaien en haatmisdaden op grond van ras, huidskleur, godsdienst, afkomst en nationaliteit of etniciteit worden bestraft in alle lidstaten. Momenteel ziet de Commissie zo nauwgezet mogelijk toe op de tenuitvoerlegging van dit kaderbesluit. Daarvoor is een groep van nationale deskundigen ingesteld.

Ook hebben wij het Europees Bureau voor de grondrechten dat een belangrijke rol speelt in de ondersteuning van de Commissie bij de handhaving van haar taken, en daarnaast het Handvest voor regionale talen of talen van minderheden van de Raad van Europa en het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden.

Ik zou de geachte afgevaardigde willen zeggen dat ik hoop dat meer lidstaten het voorbeeld zullen volgen van de lidstaten die deze belangrijke handvesten en verdragen al ondertekend en geratificeerd hebben.

 
  
MPphoto
 

  Bernd Posselt (PPE).(DE) Commissaris, dat laatste punt is nu precies waar ik mij zorgen over maak. Sta mij toe om mijn vraag nogmaals te stellen: zijn er instrumenten beschikbaar voor een positieve discriminatie van traditionele nationale minderheden? Wij zouden voor deze mensen op dezelfde manier strategieën moeten ontwikkelen als voor andere groepen.

In de tweede plaats: is het Bureau voor de grondrechten in Wenen hier ook verantwoordelijk voor en hoe komt het in contact met de maatschappelijke groeperingen? Op dit moment loopt dat proces uiteraard, maar worden ook de traditionele minderheden hierbij betrokken? Er is niets zo oneerlijk als een gelijke behandeling van ongelijke groepen.

 
  
MPphoto
 

  Viviane Reding, vicevoorzitter van de Commissie.(EN) Ik ben het met de geachte afgevaardigde eens. Niets is onbillijker dan ongelijke groepen op dezelfde manier behandelen.

We moeten echt overwegen hoe we de schaarse middelen die we hebben op een heel actieve en intelligente manier kunnen benutten.

Het Europees Bureau voor de grondrechten heeft natuurlijk bepaalde functies te vervullen, maar als het Parlement of de Commissie het Bureau vraagt een bepaalde taak uit te voeren, zal het Bureau dat zeker doen.

Daarom wil ik de geachte afgevaardigde verzoeken mij de vragen te overhandigen die hij aan het Europees Bureau voor de grondrechten zou willen voorleggen. Dan zal ik zien wat er op een positieve manier mogelijk is.

 
  
MPphoto
 

  Marc Tarabella (S&D).(FR) Mijnheer de Voorzitter, ik begrijp heel goed wat de eisen betreffende spreektijd inhouden. Ik wil alleen maar benadrukken hoe belangrijk het is dat we een jaar speciaal aan geweld tegen vrouwen wijden, aangezien dit onderwerp nog steeds met een enorm taboe omgeven is.

Teveel vrouwen zijn het slachtoffer van geweld – vaak is dat natuurlijk fysiek geweld, maar het kan ook verbaal of psychologisch geweld zijn. En dan ook nog eens vaak binnen de gezinssfeer. Vrouwen voelen daarom teveel schaamte om het bestaan van dit soort geweld toe te geven. Maar het is beslist zo dat als we een jaar aan dit probleem wijden, dit tot gevolg heeft dat dit verschijnsel – waar nog steeds een taboe op rust – afneemt. En zo dragen we bij tot het bestrijden van geweld tegen vrouwen.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Vragen die bij gebrek aan tijd niet aan bod gekomen zijn, zullen schriftelijk worden beantwoord (zie bijlage).

Het vragenuur is gesloten.

(De vergadering wordt om 19.50 uur onderbroken en om 21.00 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: PÁL SCHMITT
Ondervoorzitter

 
Laatst bijgewerkt op: 4 juni 2010Juridische mededeling