Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2009/2240(INI)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

A7-0131/2010

Debatten :

PV 18/05/2010 - 6
CRE 18/05/2010 - 6

Stemmingen :

PV 18/05/2010 - 8.7
Stemverklaringen
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0163

Debatten
Dinsdag 18 mei 2010 - Straatsburg Uitgave PB

9. Stemverklaringen
Video van de redevoeringen
PV
  

Mondelinge stemverklaringen

 
  
  

Verslag-Tavares (A7-0125/2010)

 
  
MPphoto
 

  Philip Claeys (NI). - Ik heb tegen het verslag Tavares gestemd, omdat de invoering van een gemeenschappelijk hervestigingsprogramma de zoveelste stap is naar een volledig geuniformiseerd Europees asielbeleid.

Men hoeft geen helderziende te zijn om nu al te kunnen voorspellen dat men met zo'n geuniformiseerd beleid zal komen tot een grote toename van het aantal asielzoekers in de lidstaten. Bijzonder stuitend is de overweging in het verslag dat de invoering van een gemeenschappelijk hervestigingsprogramma de illegale immigratie minder aantrekkelijk zou maken. Dit hypocriete pseudo-argument komt keer op keer terug wanneer er in dit Parlement over teksten wordt gestemd inzake immigratie of asiel. De mensen wordt hiermee een rad voor ogen gedraaid. Illegale immigratie gebeurt in landen als België gewoon door mensen die na hun asielprocedure in de illegaliteit duiken en daarna beloond worden met een regularisatie.

Dat soort zaken moet worden tegengegaan en een gemeenschappelijk hervestigingsprogramma biedt daarvoor geen enkele oplossing.

 
  
MPphoto
 

  Zuzana Roithová (PPE). - (CS) We hebben hier een richtlijn goedgekeurd die ongetwijfeld nieuwe deuren openen zal voor het onderzoek naar energiezuinige gebouwen en middels de isolatie van gebouwen zal bijdragen aan besparingen op het energieverbruik. Het grootste probleem ligt echter bij de oude gebouwen - en dan niet alleen bij de uit panelen opgebouwde flatgebouwen. Gisteren had de heer Marian-Jean Marinescu het over een speciaal fonds. In deze tijden van crisis heb ik grote twijfels ten aanzien van de financiering ervan. Ik denk dan ook dat er een beter gebruik dient te worden gemaakt van de huidige middelen - 4 procent voor 2010 tot en met 2014.

 
  
  

Verslag-Coelho (A7-0126/2010)

 
  
MPphoto
 

  Zuzana Roithová (PPE). - (CS) Ik heb het woord gevraagd omdat ik graag nog iets zeggen wilde over het Vluchtelingenfonds. De stemapparatuur gaf aan dat ik mij onthouden had van stemming terzake, maar bij deze wil ik te kennen geven dat ik voorstander ben van communautaire verantwoordelijkheid voor een waardigere omgang met legale asielzoekers en dat ik dus wel degelijk voor was. Uiteraard dienen we wel streng op te treden tegen illegale migratie.

Nu graag iets over Schengen, als dat even kan. Vandaag hebben we voor verdere stappen ten behoeve van de ingebruikname van versie twee van het Schengeninformatiesysteem gestemd. Dankzij dit geactualiseerde systeem worden de veiligheidsgaranties voor alle in het binnengrensloze Schengengebied levende Europeanen versterkt.

Helaas echter komt de hele achterliggende gedachte van Schengen en het Europese kosmopolitisme onder grote druk te staan door de praktijken van de Duitse en Oostenrijkse politie. Zij hebben reeds talloze Tsjechische burgers gedwongen allerlei overbodige, verregaande en de menselijke waardigheid miskennende controles te ondergaan aan de binnengrenzen. Reeds twee jaar geleden heb ik al eens - en ook daarna - de Europese Commissie hier in het Europees Parlement op dit alles gewezen, maar nog altijd is er geen bevredigende oplossing voor gevonden. Dat heeft tot gevolg dat de regelgeving met voeten getreden wordt en dat de Tsjechische burgers, waaronder ondernemers en werknemers, gehinderd worden in hun vrije verkeer, toch een van de fundamentele vrijheden die mede gewaarborgd worden door niets minder dan het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

 
  
  

Verslag-Tavares (A7-0131/2010)

 
  
MPphoto
 

  Clemente Mastella (PPE).(IT) Een eerste vereiste, mevrouw de Voorzitter, voor een migratiebeleid dat beoogt billijk en realistisch te zijn, is noodzakelijkerwijs dat er gedeelde Europese asielwetgeving wordt aangenomen en dat ook voorzien wordt in een doeltreffend, degelijk en duurzaam hervestigingsprogramma. Ik wil hier benadrukken dat met hervestiging niet alleen een humanitair doel wordt nagestreefd, maar ook het politieke en economische doel derde landen die grote aantallen vluchtelingen moeten opvangen, te ontlasten en de kosten en financiële verantwoordelijkheden – een niet minder zware last – te delen.

Wij zijn echter de mening toegedaan dat één begrotingslijn en één vorm van financiële ondersteuning niet voldoende zijn. Daarom dringen we er bij de lidstaten op aan om de oprichting van aanvullende private financieringsmechanismen aan te moedigen en publiek-private samenwerking met ngo's en overige sociale partners zoals religieuze en etnische organisaties te stimuleren, om bij te dragen tot de bevordering van vrijwilligerswerk op dit gebied. Wat de nieuwe financiële doelstellingen betreft, lijkt het ons een goed idee om bijvoorbeeld te voorzien in een specifieke financiële ad-hocbijdrage, wellicht middels een nieuw fonds dat speciaal voor dit doel in het leven wordt geroepen.

Tot slot pleiten wij ervoor dat alle betrokkenen zich sterk inspannen om vluchtelingen, en met name de meest kwetsbaren onder hen, toegang te bieden tot huisvesting, onderwijs en taalcursussen, gezondheidszorg, psychologische bijstand, alsook toegang tot de arbeidsmarkt, wat van essentieel belang is voor een geslaagde integratie.

 
  
  

Aanbeveling voor de tweede lezing-Lulling (A7-0146/2010)

 
  
MPphoto
 

  Zuzana Roithová (PPE). - (CS) Het doet mij deugd dat het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid vandaag bij de stemming zo’n brede steun gekregen heeft. Ik ben me terdege bewust van het feit dat het aan de lidstaten is ervoor te zorgen dat zelfstandig werkzame vrouwen vergelijkbare arbeidsrechten krijgen als vrouwen met een vaste arbeidsbetrekking. Dat neemt niet weg dat met dit verslag het speelveld van de lidstaten duidelijk wordt afgebakend. In mijn ogen vormt dit in geen geval een schending van het subsidiariteitsbeginsel, maar als iemand daar zo zijn twijfels over heeft, staat het hem of haar uiteraard vrij een onderzoek te initiëren hiernaar. Dankzij het Verdrag van Lissabon hebben de nationale parlementen deze mogelijkheid nu ook. Ik ben benieuwd of critici er daadwerkelijk gebruik van zullen maken of dat ze alleen maar tot in het oneindige zullen zitten te jeremiëren zonder daadwerkelijk iets te doen.

 
  
MPphoto
 

  Laima Liucija Andrikienė (PPE).(LT) Ik heb voor dit verslag gestemd en ik vind het belangrijk om te benadrukken dat vrouwen in de Europese Unie gemiddeld nog steeds minder betaald krijgen per uur dat ze werken – 17,4 procent minder dan mannen. Deze ongelijkheid is de afgelopen vijftien jaar maar in zeer beperkte mate afgenomen en is in enkele landen zelfs groter geworden. Ik ben het eens met het Parlement dat er regelmatig verslagen moeten worden opgesteld over de beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen in de Europese Unie en ik steun alle maatregelen die de discriminatie van vrouwen in de Europese Unie helpen verminderen.

 
  
  

Verslag-Manders (A7-0122/2010)

 
  
MPphoto
 

  Zuzana Roithová (PPE). - (CS) Ik heb voor het controversiële voorstel gestemd, aangezien onze Commissie interne markt en consumentenbescherming dit had uitgebreid en verrijkt met de aanduiding van het land van oorsprong binnen de Europese Unie, bovenop die van buiten de Unie. Een aantal Italiaanse collega’s heeft vandaag tijdens de vergadering een aantal aanvullende voorstellen gedaan, onder meer ten aanzien van uitbreiding van de verordening naar schoeisel. Ik ben al zeer lange tijd een fervent voorstander van deze gedachte, met dien verstande dat de Commissie dit alles dan wel kwalitatief hoogstaand dient uit te werken. Het gaat hier namelijk om de definitieve uitwerking van technische definities, iets dat het Parlement niet in zijn eentje doen kan. Daarom heb ik niet voor gestemd, hetgeen niet wegneemt dat ik de Commissie zou willen verzoeken onverwijld aan de slag te gaan en een voorstel uit te werken.

 
  
MPphoto
 

  Morten Løkkegaard (ALDE). - (DA) Mevrouw de Voorzitter, ik wil alleen maar zeggen dat ik tegen de delen van het verslag heb gestemd die betrekking hebben op de regels voor de herkomstaanduiding "Made in", aangezien niets naar mijn oordeel erop wijst dat de voordelen groter zijn dan de nadelen. Ik ben van mening dat hier sprake is van een tendens naar protectionisme en ik heb er moeite mee om daar voor te stemmen. Derhalve heb ik tegen de delen in kwestie gestemd.

 
  
  

Verslag-Alves (A7-0054/2010)

 
  
MPphoto
 

  Marek Józef Gróbarczyk (ECR). - (PL) Mevrouw de Voorzitter, ik heb besloten om dit initiatief, dat bepaalde gebieden in Europa ontwikkelingskansen geeft, te steunen. We moeten wel rekening houden met het feit dat ook bepaalde gebieden binnen Europa vanuit economisch oogpunt zo’n perifere gebieden zijn. Daarom hebben dergelijke programma’s ook tot doel om gebieden binnen Europa te ontwikkelen. Ik hoop dat deze ontwikkeling in het bijzonder via de landbouw en de visserij gestimuleerd zal worden.

 
  
MPphoto
 

  Laima Liucija Andrikienė (PPE). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik wil mijn bezorgdheid uitspreken over de situatie van bananenproducenten op de Canarische Eilanden, Guadeloupe, Martinique en Madeira, enkele van de ultraperifere gebieden waarvoor het Verdrag geldt.

Hun situatie is vooral moeilijker geworden sinds de EU, binnen de Wereldhandelsorganisatie, een overeenkomst heeft gesloten met Latijns-Amerikaanse landen over verlaging van de invoerrechten voor bananen uit die regio. Ik wil uw aandacht vragen voor het feit dat de EU in 2006 haar gemeenschappelijke marktordening voor bananen heeft hervormd. Zij heeft middelen uit de begroting beschikbaar gesteld voor steun aan bananenproducenten in deze regio’s. Sinds de hervorming heeft de EU jaarlijks 208 miljoen euro uitgetrokken voor steun aan bananenproducenten op de Canarische Eilanden, de Franse Antillen, Madeira en, in mindere mate, de Azoren.

Hoewel we blij moeten zijn met zulke steun, is deze voor veel bananenproducenten niet voldoende. Daarom wil ik de bevoegde instanties met klem verzoeken de noodzakelijke maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat deze traditionele takken van de economie in de EU niet het slachtoffer worden van meer strategische handelsdoelen.

 
  
MPphoto
 

  Mairead McGuinness (PPE). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik steun dit verslag omdat het de kwestie van diversiteit en ons landbouwbeleid tussen de regio’s aanpakt. Ik wil echter iets zeggen over de slotopmerkingen van commissaris Cioloş. Hij reageerde op zorgen over de hervatting van besprekingen met de landen van Mercosur en hoewel zijn woorden de luisteraars enigszins gerust hebben gesteld – omdat hij zei dat hij ervoor zou zorgen dat de belangen van de landbouw in de EU en het EU-landbouwmodel beschermd zouden worden – vrees ik dat ik zelf niet gerustgesteld ben.

Uit de eigen documenten van de Commissie blijkt heel duidelijk dat de rundvee-, pluimvee- en varkenshouders in de Europese Unie nadeel zullen ondervinden als de overeenkomst wordt gesloten. Het hervatten van de besprekingen vindt plaats op het moment dat we het landbouwbeleid hervormen. De begroting staat onder druk. We hebben mogelijk onvoldoende budget, terwijl een verdere verstoring van de landbouwprijzen en -inkomsten dreigt. Dat klopt niet en ik hoop dat de commissaris kennisneemt van deze standpunten.

 
  
  

Verslag-Ashworth (A7-0051/2010)

 
  
MPphoto
 

  Krisztina Morvai (NI). (HU) Ik steun dit verslag aangezien het de enorme administratieve en bureaucratische last verlicht die momenteel op de schouders van de boeren rust. Ik vertrouw er zeer op dat er naar aanleiding van het verslag een nieuw soort relatie ontstaat tussen de ambtenaren die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in de lidstaten, in het bijzonder in de postcommunistische landen zoals Hongarije, en de boeren. Tevens vertrouw ik erop dat er een einde komt aan de gewoonte die tot nu toe bestond dat boeren systematisch werden gestraft, beboet en geterroriseerd, en dat er eindelijk een vorm van samenwerking tot stand komt tussen ambtenaren en klanten. Ik acht het van cruciaal belang dat de verantwoordelijkheid niet alleen bij de boeren ligt, die tot nu toe voor elk wissewasje boetes moesten betalen, maar dat ook de staat verantwoordelijkheid draagt als de instantie bijvoorbeeld boeren het hun verschuldigde bedrag te laat uitkeert. Vorderingen voor zulke betalingen moeten ook langs gerechtelijke weg kunnen worden ingediend, zowel door boeren als klanten.

 
  
MPphoto
 

  Alfredo Antoniozzi (PPE).(IT) Ik heb voor het verslag-Ashworth gestemd, omdat ik van mening ben dat het vereenvoudigen en terugdringen van de administratieve procedures in verband met het GLB, het gemeenschappelijk landbouwbeleid, niet alleen wenselijk, maar noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat Europese boeren er ten volle van kunnen profiteren, en dat ze niet, zoals zo vaak gebeurt, op administratieve problemen en vertragingen stuiten.

Ik denk ook dat het de wens van velen is ervoor te zorgen dat enerzijds wetgeving duidelijker en begrijpelijker is, zowel voor de verantwoordelijke autoriteiten als voor de boeren, dat anderzijds korte metten wordt gemaakt met alle overtollige wetgeving, en dat ten slotte de uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten en lokale overheden wordt bevorderd.

 
  
MPphoto
 

  Peter Jahr (PPE). - (DE) Mevrouw de Voorzitter, het gemeenschappelijk landbouwbeleid moet voortdurend op concrete uitvoerbaarheid worden beoordeeld, want onnodige bureaucratische regels kosten ons en met name onze boeren veel tijd en geld. Zaken die niet zinvol en geschikt zijn, moeten afgebouwd en vereenvoudigd worden. Dat geldt in het bijzonder voor de dikwijls uiterst gecompliceerde en omstreden voorschriften inzake cross-compliance.

Wij streven ernaar om het landbouwbeleid eenvoudiger en transparanter te maken. De boeren in de Europese Unie moeten weer meer tijd op het land dan achter het bureau kunnen doorbrengen. Ik hoop van harte dat de Commissie deze belangrijke boodschap uit ons verslag oppikt en stappen onderneemt om deze te realiseren.

 
  
MPphoto
 

  Diane Dodds (NI). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik heb voor dit verslag gestemd, zoals veel anderen die actief betrokken zijn bij landbouwers in hun regio. Een van de belangrijkste dingen waarover we voortdurend horen is de bureaucratie in de branche. Een belangrijk aspect van het nieuwe GLB moet daarom een vermindering van de bureaucratie zijn. De wetgeving moet zinnig zijn voor landbouwers en we mogen de landbouwers niet afhouden van de voedselproductie. Niet alleen de stroomlijning van de wetgeving is echter belangrijk, maar ook de flexibiliteit van de lidstaten en vooral van de Commissie en de Europese Rekenkamer.

De Europese Rekenkamer heeft tot nu toe weinig tot geen flexibiliteit, of zelfs maar gezond verstand, getoond bij het opleggen van boetes. Deze wetgeving heeft dringend aandacht en meer gezond verstand nodig. Er is ook een financiële evaluatie nodig om een overzicht te krijgen van de kosten van inspecties van landbouwbedrijven en de bedragen die worden teruggevorderd door middel van boetes, om te zien of de belastingbetaler daadwerkelijk waar voor zijn geld krijgt.

 
  
MPphoto
 

  Mairead McGuinness (PPE). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik denk dat weinigen van ons zich bij de introductie van de loskoppeling hebben gerealiseerd wat de gevolgen zouden zijn als cross-compliance deel ging uitmaken van het pakket, namelijk dat landbouwers zich nu moeten houden aan, als ik mij niet vergis, 17 verschillende richtlijnen. Misschien moeten we ons in dit Parlement afvragen hoe goed wij onze wetgeving afstemmen op vereenvoudiging.

Er is echter een bepaald onderwerp waarover ik wil spreken, namelijk dat van de inspecties. We hebben de overkoepelende inspectie voor cross-compliance door de bevoegde autoriteiten, maar de landbouwers krijgen in toenemende mate te maken met andere niveaus en lagen van inspecties van verwerkende bedrijven, van winkelbedrijven, van allerlei groepen; we hebben een beetje coördinatie nodig en geen dubbele inspecties. Ze voegen geen waarde en geen extra veiligheid toe voor het eindproduct, maar ze voegen wel een heleboel bureaucratie en frustratie toe voor de producenten die al deze inspecteurs moeten ontvangen. Ik ben blij met dit verslag.

 
  
MPphoto
 

  Hannu Takkula (ALDE). (FI) Mevrouw de Voorzitter, allereerst wil ik de rapporteur, de heer Ashworth, bedanken voor zijn uitstekende verslag. Het is naar mijn mening zeer hard nodig onze aandacht te richten op ons vermogen om de landbouwprocessen in de Europese Unie te vereenvoudigen. Je zou kunnen zeggen dat er momenteel sprake is van een zodanige subsidiejungle dat een gewone boer in Noord- of Oost-Finland, of waar dan ook in Europa, er geen wijs uit kan worden. Daarom hebben wij duidelijke, begrijpelijke en werkbare modellen nodig. Om vooruitgang te kunnen boeken, hebben wij ook vertrouwen tussen de landbouwbevolking en de overheid nodig.

Momenteel is het communautair landbouwbeleid zo’n warboel, met 27 verschillende landen en 27 verschillende culturen, dat het moeilijk is een heldere toekomst te zien, behalve als wij de systemen vereenvoudigen en verduidelijken. Dit verslag van de heer Ashworth is een goede stap in die richting en ik hoop dat wij op deze weg voort kunnen gaan: duidelijke, eenvoudige voorschriften en richtsnoeren voor de landbouw, nu en in de toekomst.

 
  
MPphoto
 

  Seán Kelly (PPE). - Mevrouw de Voorzitter, ik vind het verfrissend dat we vandaag in dit Parlement een verslag behandelen dat begint met het woord ‘vereenvoudiging’. Dat zou natuurlijk op zich niet nodig moeten zijn, maar het geeft aan dat het tot nu toe te ingewikkeld was.

Een educatieve benadering van een bepaald onderwerp zou altijd vereenvoudiging moeten inhouden en geen complicering. We hebben tot nu toe te veel complicering gehad, zoals iedereen die bijeenkomsten van landbouwers heeft bijgewoond weet. Landbouwers worden helemaal gek van de hoeveelheid formulieren die ze moeten invullen en van de opdringerige inspecties waarmee ze te maken hebben.

Daarom ben ik blij met dit voorstel. Natuurlijk moet ook gezegd worden dat wat je met formulieren doet niet bepaalt hoe je je land bewerkt. Het is de manier waarop de landbouwers hun dieren behandelen en hun land bewerken die ons de traceerbaarheid, verantwoordingsplicht en voedselveiligheid en -kwaliteit geeft die we nodig hebben.

Dit is dus een stap in de goede richting. Ik hoop dat er nog vele zullen volgen en dat het uiteindelijk niet meer nodig zal zijn om het woord ‘vereenvoudiging’ te gebruiken, omdat dat vanzelfsprekend is.

 
  
  

Verslag-Trüpel (A7-0134/2010)

 
  
MPphoto
 

  Anneli Jäätteenmäki (ALDE). (FI) Mevrouw de Voorzitter, ik heb vóór het verslag gestemd, maar wat het belangrijke artikel 34 betreft, onder amendement 5, heb ik verkeerd gestemd. Het is zeer belangrijk dat wij de omvang van deze koolstofvoetafdruk vaststellen, evenals de kosten ervan. Het is de hoogste tijd dat het Europees Parlement slechts één vergaderplaats krijgt en ik ben zeer blij dat de nieuwe regering van Groot-Brittannië heeft besloten dat deze kwestie als onderdeel van haar programma moet worden behandeld. Ik hoop dat ook de andere lidstaten hier aandacht aan zullen besteden. Het gaat om het milieu en om kosten. Zolang het Europees Parlement zoveel geld aan een dergelijke rally kan besteden als nu gebeurt, negeren wij de economische crisis volkomen.

 
  
  

Aanbeveling voor de tweede lezing-Ţicău (A7-0124/2010)

 
  
MPphoto
 

  Sonia Alfano (ALDE).(IT) Wat het verslag-Ţicău betreft: ik heb voor het gemeenschappelijk standpunt inzake het bijwerken van de richtlijn betreffende de energieprestaties van gebouwen gestemd, omdat het doel ervan is dat vanaf het einde van 2020 alle nieuwe gebouwen energieneutraal zijn. De Europese instellingen moeten alles in het werk stellen om die doelstelling te verwezenlijken. Europa heeft een gedeelde verplichting en is er rotsvast van overtuigd dat in de nabije toekomst niet meer energie moet worden geproduceerd, maar dat de energie die al geproduceerd wordt beter benut moet worden.

Energiebesparing en energie-efficiëntie vormen een bron van energieproductie. We hoeven niet tien jaar te wachten om stappen in deze richting te ondernemen. Integendeel, de lidstaten moeten zich nú committeren aan doelstellingen voor de energie-efficiëntie en gebruikmaken van financiële middelen die tot op heden zijn ingezet om grotere hoeveelheden energie te produceren.

Ik herinner u in dit verband aan de ronduit misdadige start van het nucleair programma in Italië, dat ten koste gaat van en een risico vormt voor de gezondheid van burgers en het milieu. Er is voor dit programma een enorme hoeveelheid publiek geld over de balk gesmeten om in niet minder dan twintig jaar een hoeveelheid energie te produceren die we niet nodig zouden hebben als we dezelfde financiële middelen nu zouden investeren in energie-efficiëntie. Groene investeringen voor onze kinderen, geen radioactief afval!

Dan kom ik nu op mijn stemverklaring aangaande het verslag-Rühle.

 
  
  

Verslag-Rühle (A7-0151/2010)

 
  
MPphoto
 

  Sonia Alfano (ALDE).(IT) Ik heb voorgestemd, omdat het mijns inziens belangrijk is dat het Parlement het eenvoudiger en efficiënter maken van de wetgeving inzake overheidsopdrachten steunt. Dit zal het werk van zowel bestuursorganen als bedrijven vergemakkelijken, vooral kleine en middelgrote ondernemingen, waarvoor het gemakkelijker wordt om deel te nemen aan aanbestedingen.

Ik vind het van fundamenteel belang dat verwezen wordt naar het gebruik van openbare aanbestedingen als een instrument om duurzame ontwikkeling te bevorderen, door sociale en milieucriteria op te nemen in aanbestedingen. Ik ben ook van mening dat het de plicht is van dit Parlement en van de Europese instellingen te blijven hameren op een in alle opzichten transparant gebruik van overheidsgeld, met name ten aanzien van overheidsaanbestedingen, en dat daarbij alle mogelijke middelen, en in het bijzonder internet, moeten worden benut.

Controle door de burger draagt fundamenteel bij aan het gebruik van publieke middelen op een wijze die werkelijk in het collectief belang is en, zoals de Commissie regionale ontwikkeling ons in herinnering brengt, aan de bestrijding van de wijdverbreide corruptie binnen lokale en regionale overheden.

 
  
MPphoto
 

  Zuzana Roithová (PPE). - (CS) De schrijnendste voorbeelden van corruptie zien we helaas maar al te vaak juist bij overheidsopdrachten. Ik heb dan ook met genoegen voor het verslag van mevrouw Heide Rühle gestemd, waarin gepleit wordt voor vereenvoudiging van de openbareaanbestedingsprocedures. Tegelijkertijd wil ik erop wijzen dat indien de Europese Commissie geen openbaar portaal inricht met informatie over verdachte, uit EU-fondsen gefinancierde opdrachten, die vereenvoudiging niet veel zoden aan de dijk zal zetten; zonder dit portaal blijft een doeltreffende, eerlijke en toegankelijke mededinging voor het midden- en kleinbedrijf een utopie. Ik wil pleiten voor toezicht en analyses, voor referentieprijzen van bijvoorbeeld één kilometer snelweg, voor publicatie van de werkelijke eigenaren van het bedrijf dat een overheidsopdracht heeft binnengehaald, met inbegrip van de dochteronderneming van de holding, alsook de namen van entiteiten die herhaaldelijk bepaalde overheidsopdrachten binnenhalen, dit alles opdat de media en het publiek een oogje in het zeil kunnen houden.

 
  
  

Verslag-Keller (A7-0140/2010)

 
  
MPphoto
 

  Mairead McGuinness (PPE). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik wilde het ook hebben over energie-efficiëntie, maar blijkbaar is het de regel dat er geen mondelinge verklaring mag worden gegeven als er geen amendementen zijn,, dus ik zal een schriftelijke indienen.

Met betrekking tot het verslag van mevrouw Keller wil ik heel duidelijk zeggen dat ik dit verwerp op basis van de paragrafen 44 en 45 en overweging I. Ik vind paragraaf 44 ernstig verontrustend.

Ook vraag ik mij af wat het standpunt van dit Parlement is. Vorig jaar en het jaar daarvoor hebben we er bij de Commissie op aangedrongen dat er maatregelen moesten worden genomen om zuivelboeren in de Europese Unie, die zich in een zeer moeilijke situatie bevonden, te helpen. De Commissie reageerde hierop met uitvoerrestituties als noodmaatregel. De enige mensen die hierover tegen mij hebben geklaagd, kwamen uit Nieuw-Zeeland, dat geen ontwikkelingsland is. Ik denk dat het opnemen van deze paragrafen in het verder goede verslag dit Parlement en onze producenten in verschillende delen van de Europese Unie, die het moeilijk hebben, een slechte dienst bewijst. We verkleinen de productie in Europa. Dat heeft gevolgen voor de ontwikkelingslanden. Daar moeten we aandacht voor hebben.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Mevrouw McGuinness, u had volkomen gelijk wat het Reglement betreft. Ik dacht dat mevrouw Alfano in dezelfde geest verder zou gaan als mevrouw Jäätteenmäki, maar eigenlijk had dat verslag geen enkele stemverklaring moeten krijgen. U hebt gelijk.

 
  
MPphoto
 

  Seán Kelly (PPE). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik wil alleen maar zeggen dat ik het eens ben met mijn collega mevrouw McGuinness. We hadden problemen met enkele van de voorstellen hier en daarom hebben we de lijn van de PPE niet gevolgd, zoals we normaal wel graag doen. Ik denk dat mevrouw McGuinness heeft uitgelegd waarom. Ik begrijp volledig wat zij heeft gezegd en ik sluit me erbij aan, dus ik hoop dat de PPE dit ook begrijpt.

 
  
  

Verslag-Ranner (A7-0130/2010)

 
  
MPphoto
 

  Peter van Dalen (ECR). - Voorzitter, ik heb het verslag Ranner gesteund, omdat het een goede oplossing biedt voor de problematiek van de rij- en rusttijden in het wegvervoer. Die oplossing ligt in het harmoniseren van de wetgeving en in de interpretatie daarvan. Dat vindt u terug in paragraaf 17 zoals die is geamendeerd.

De Europese Commissie moet in samenwerking met Corte, Tispol en Euro Contrôle Route werken aan een artikelsgewijze handhavingsinterpretatie van de wetgeving. Ook moet deze interpretatie duidelijk en bekend worden bij alle handhavers op de Europese wegen.

Voorts benader ik graag de geamendeerde paragraaf nr. 27. Ik roep alle chauffeurs op gebruik te maken van het meldpunt disproportionele handhaving bij Euro Contrôle Route. Chauffeurs, het moet anders in Europa op het gebied van de rij- en rusttijden en dus moet daar bewijs voor worden geleverd. Meldt derhalve uw klachten bij het loket van Euro Contrôle Route.

 
  
MPphoto
 

  Alfredo Antoniozzi (PPE).(IT) Mevrouw de Voorzitter, zoals mijn collega in haar verslag nauwkeurig aangeeft, bestaan er nog altijd opmerkelijke discrepanties tussen de manieren waarop in de verschillende lidstaten wordt omgegaan met ernstige inbreuken op sociale voorschriften voor het wegvervoer. Ik ben dan ook voorstander van de voorgestelde maatregelen om strafbare feiten en de bijbehorende Europese sancties te harmoniseren en gelijk te schakelen. Ook het eventueel creëren van een coördinatie-instrument op het niveau van de Europese Unie heeft mijn instemming.

 
  
  

Schriftelijke stemverklaringen

 
  
  

Verzoek om raadpleging van het Europees Economisch en Sociaal Comité - Naar een Europese ruimte voor veilig wegvervoer: strategische richtsnoeren voor de verkeersveiligheid tot 2020

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI), schriftelijk. (DE) Er gebeuren nog steeds veel te veel ongevallen op de Europese wegen. Dat is het gevolg van het toenemende verkeer, maar ook van het feit dat verkeersdeelnemers overbelast zijn door werk- of privéstress, oververmoeidheid of eenvoudigweg door een wirwar van verkeersborden en reclamebillboards, enz. We mogen evenmin vergeten dat met name bij ongevallen met dodelijke of zwaar gewonde slachtoffers zwaar verkeer een negatieve rol speelt.

Ten aanzien van het milieu moeten we eindelijk ideeën ten uitvoer leggen waaraan alleen lippendienst wordt bewezen, zoals het goederenvervoer verplaatsen naar het spoor, maar er moeten eveneens intelligente verkeersregelingen zoals verkeerslichtfasen worden geïmplementeerd. Verkeersluwe zones, rijverboden in binnensteden, enz. zijn nog onvoldoende onderzocht en moeten daarom nog niet op grote schaal worden ingevoerd. Verschillende problemen zijn in dit verslag gewoonweg nog niet voldoende uitgediept en daarom heb ik tegen gestemd.

 
  
  

Aanbeveling voor de tweede lezing-Lambert (A7-0118/2010)

 
  
MPphoto
 
 

  Carlos Coelho (PPE), schriftelijk. (PT) Dit voorstel maakt deel uit van de wetgevingsinspanningen van de Unie om een Europees asielstelsel tot stand te brengen. Het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken heeft tot doel deskundige bijstand te verlenen aan de lidstaten om bij te dragen aan een coherent en kwalitatief hoogwaardig gemeenschappelijk Europees asielbeleid.

De oprichting van dit nieuwe bureau zal ongetwijfeld toegevoegde waarde hebben waar het gaat om het vergroten van het wederzijds vertrouwen en het delen van de verantwoordelijkheden tussen de lidstaten. Het moet faciliterend werken bij de uitwisseling van informatie, analyses en ervaringen en concrete samenwerkingsvormen opzetten tussen de instanties die belast zijn met de behandeling van asielverzoeken. Het is van belang dat wezenlijke verschillen tussen de 27 lidstaten bij de besluitvorming over aanvragen voor internationale bescherming worden aangepakt en dat er een zekere convergentie wordt bereikt tussen de lidstaten met betrekking tot de behandeling van die verzoeken.

Ik sta achter het voorstel van de rapporteur om steunverlening bij hervestiging in de verordening op te nemen. Ik ben het ermee eens dat de financiering van dit nieuwe agentschap in eerste instantie plaatsvindt via de noodzakelijke budgettaire wijzigingen van het Europees Vluchtelingenfonds.

 
  
MPphoto
 
 

  Diogo Feio (PPE), schriftelijk. (PT) Kwesties in verband met immigratie en in het bijzonder met het recht op asiel liggen buitengewoon gevoelig. Het al of niet verlenen van het recht op asiel aan burgers uit derde landen kan dramatische gevolgen hebben voor deze personen. Daarom is een serieuze, attente en vooral humane aanpak van belang. Ik geloof dat het van elementair gezond verstand getuigt om zowel het beleid van open deuren, zonder criteria om de toegang tot de Unie te beperken, als het beleid dat de toegang volledig verbiedt, als onaanvaardbaar aan te merken. Een juist evenwicht is nodig om de legitieme belangen en zorgen van de onderdanen van de lidstaten te kunnen verenigen met de noden van asielzoekers.

In dat opzicht kan de oprichting van een Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken een belangrijke stap zijn om te komen tot betere praktijken, versterking van het wederzijds vertrouwen tussen de staten en betere uitwisseling van informatie.

Desalniettemin moet ik onderstrepen dat de lidstaten de vrijheid moeten behouden om asielzoekers al dan niet tot hun land toe te laten, en dat EU niet moet verdoezelen dat de lidstaten absoluut geen convergerende belangen hebben op dit vlak.

 
  
MPphoto
 
 

  José Manuel Fernandes (PPE), schriftelijk. (PT) Het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken heeft als doel deskundige bijstand te verlenen om bij te dragen aan de totstandkoming van een coherent en kwalitatief hoogwaardig gemeenschappelijk Europees asielbeleid. Dit bureau zal het mogelijk maken wederzijds vertrouwen op te bouwen en verantwoordelijkheden te delen. Het zal verantwoordelijk zijn voor de coördinatie van de gegevensuitwisseling en andere maatregelen betreffende hervestiging die de lidstaten nemen. De Europese Unie bevordert de menselijke waardigheid, die de basis vormt voor vrijheid, democratie en sociaaleconomische ontwikkeling. Daarom moet de Europese Unie in de context van de huidige situatie in de wereld ook op het vlak van asiel een pioniers- en voorbeeldrol vervullen. De oprichting van een Europees Ondersteuningsbureau voor de lidstaten op dit beleidsterrein dat burgers van derde landen betreft, zal beslissend zijn voor de toepassing van een gemeenschappelijk Europees asielbeleid. De medeverantwoordelijkheid en de solidariteit van de lidstaten worden erdoor versterkt op basis van een samenhangend optreden dat spoort met de waarden en beginselen van het gemeenschappelijk Europees project. Ik doe een oproep snel zekerheid te verschaffen over de noodzakelijke mechanismen en middelen voor het realiseren van het Ondersteuningsbureau.

 
  
MPphoto
 
 

  Sylvie Guillaume (S&D), schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór de oprichting van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken gestemd in de hoop dat dit zal leiden tot een opwaardering van een Europees asielstelsel dat momenteel grote tekortkomingen heeft. Natuurlijk had ik liever gezien dat het mandaat van dit bureau ambitieuzer was en dat het het instrument zou zijn dat eindelijk een verplichte solidariteit tussen de lidstaten zou brengen, die een einde zou maken aan de loterij van het asielrecht. Zolang er geen gemeenschappelijke asielprocedures zijn aangenomen, zal dat een vrome wens blijven. Dit bureau zal ten minste de verdienste hebben, althans dat hoop ik, bij te dragen tot een beter zicht op de uitdagingen en problemen die bij asielzaken een rol spelen, teneinde mensen die het slachtoffer zijn van vervolging en in onze landen een toevluchtsoord zoeken, de best mogelijke bescherming te bieden.

 
  
MPphoto
 
 

  Petru Constantin Luhan (PPE), schriftelijk. – (RO) Ik heb gestemd voor het opzetten van een Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken. Bij lidstaten waarvan het asielstelsel onder druk staat, kan het bureau ondersteuning bieden aan de tenuitvoerlegging van solidariteitsmechanismen ter bevordering van een betere hervestiging van begunstigden van internationale bescherming, van zulke lidstaten naar andere, zonder dat er misbruik wordt gemaakt van asielstelsels. Ik juich het toe dat het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken de gemeenschappelijke hulpmaatregelen van lidstaten in specifieke situaties coördineert, zoals de grote toestroom van onderdanen van derde landen die internationale bescherming nodig hebben.

Het is van essentieel belang dat we zowel onze asielwetgeving als –praktijken harmoniseren. Het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken zal bepalen wat goede praktijken zijn, cursussen op Europees niveau organiseren en toegang tot exacte informatie over de landen van herkomst verbeteren. Verder meen ik dat het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken ook richtsnoeren moet opstellen voor een eerlijker beoordeling van asielaanvragen, alsmede voor toezicht op de naleving en handhaving van de relevante communautaire wetgeving.

 
  
MPphoto
 
 

  Clemente Mastella (PPE), schriftelijk. (IT) Wij zijn overtuigd van de toegevoegde waarde die het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken zal hebben voor de ontwikkeling van wederzijds vertrouwen en voor de verdeling van politieke en financiële verantwoordelijkheden. De EU-lidstaten moeten nog definitieve overeenstemming bereiken over de wijze waarop met vluchtelingen moet worden omgegaan en over het profiel van de personen waaraan de vluchtelingenstatus moet worden verleend, en bovenal moeten ze de bezwaren van een aantal regeringen ten aanzien van de mogelijke kosten uit de weg ruimen.

Dit bureau zal tot taak hebben gespecialiseerde bijstand te verlenen. Zijn rol zal coördinatie, informatie-uitwisseling en hervestigingswerkzaamheden omvatten. Het zal opleidingsprogramma’s organiseren voor diegenen in elk land die verantwoordelijk zijn op dit gebied, en zo bijdragen aan een grotere harmonisatie van de verschillende nationale praktijken. Wij behouden ons als Europees Parlement het fundamentele recht voor de uitvoerend directeur van het bureau te benoemen.

Ik acht het mijn plicht nadrukkelijk te wijzen op onze oproep de noodzakelijke wijzigingen aan te brengen zodat het Europees Vluchtelingenfonds adequate financiering ontvangt. Het grootste politieke vraagstuk blijft de verhouding tussen menselijke solidariteit en de verdelingen van financiële lasten: de EU wordt opgeroepen doeltreffende ondersteuning te bieden aan de landen die het meest getroffen worden door migratiestromen en door een groot aantal asielzoekers, en die een specifieke en vaak buitenproportionele druk ervaren als gevolg van hun relatief geringe omvang.

 
  
MPphoto
 
 

  Nuno Melo (PPE), schriftelijk. (PT) Het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken beweegt zich op een zeer gevoelig terrein dat verbonden is met mensenrechten. De oprichting van het bureau is belangrijk om ervoor te zorgen dat er op het niveau van de EU deskundige bijstand verleend kan worden als bijdrage aan de totstandkoming van een coherent gemeenschappelijk Europees asielbeleid van kwaliteit. Daarom heb ik voorgestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI), schriftelijk. (DE) Het Ondersteuningsbureau voor asielzaken zou zonder meer een zinvolle instelling kunnen worden, zeker als het een coördinerende rol zou gaan spelen bij de terugkeer van vluchtelingen en zodoende de terugkeermaatregelen zou bespoedigen. Dan zou ook de ondersteuning bij hervestiging zinvol zijn. In het onderhavige verslag wordt deze doelstelling, die mijns inziens zeer belangrijk is, echter als een ondergeschikte aangelegenheid behandeld. In plaats daarvan bevat het verslag talloze bureaucratische voorstellen die zullen leiden tot een opgeblazen apparaat en een trage tenuitvoerlegging van de maatregelen. Daarom heb ik mij van stemming onthouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Alfredo Pallone (PPE), schriftelijk.(IT) Ik schaar mij achter het voorstel om een Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken op te richten. Dit bureau, dat in eerste instantie uit het Europees Vluchtelingenfonds zal worden gefinancierd, zal tot taak hebben de deskundige bijstand te verlenen die nodig is om een gemeenschappelijk asielbeleid tot uitvoering te brengen. Ook zal het verantwoordelijk zijn voor de coördinatie van gegevensuitwisseling en maatregelen in verband met de hervestiging van vluchtelingen. Conform de beginselen van transparantie en democratische controle, komt het Europees Parlement het recht toe de uitvoerend directeur van het bureau te benoemen. Met betrekking tot intracommunautaire solidariteit dient overeenstemming te bestaan tussen de lidstaten met instemming van de betrokkene. Ik juich voorts de instelling van een raadgevend forum toe, die het gevolg is van de druk die wij als leden van het Parlement hebben uitgeoefend. Dit forum zal zorg dragen voor een nauwe dialoog tussen het Ondersteuningsbureau en de diverse belanghebbenden.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Papanikolaou (PPE), schriftelijk. – (EL) Vandaag hebben wij het licht op groen gezet voor de oprichting van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken. De voordelen zijn velerlei. Het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken zal op een beslissende manier bijdragen tot een Europese gemeenschappelijke ruimte voor asielverlening. Het zal snel een orgaan in werking stellen dat de lidstaten zal coördineren en hun samenwerking bevorderen over asielkwesties, door de praktijken die in de verschillende landen worden gehanteerd dichter bij elkaar te brengen. De dienst zal ook bijdragen tot een convergentie van de regelgevingen die in de EU van kracht zijn op het gebied van het recht op asiel. Gelet op al die voordelen, maar ook op de instemming van zowel de lidstaten als de Europese instellingen met de oprichting van het Europees bureau, heb ik met genoegen vóór het voorstel tot de oprichting ervan gestemd.

 
  
  

Aanbeveling voor de tweede lezing-Ţicău (A7-0124/2010)

 
  
MPphoto
 
 

  Alfredo Antoniozzi (PPE), schriftelijk.(IT) De aanneming van dit verslag is slechts een formaliteit, aangezien de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon enkele aanpassingen noodzakelijk maakte wat betreft de rechtsgrond en gedelegeerde handelingen. Desalniettemin zou ik de aandacht willen vestigen op het belang van energie-efficiëntie in de bouwsector voor het verwezenlijken van de doelstelling van de EU om voor 2020 het energieverbruik en de CO2-uitstoot met 20 procent te verminderen en het percentage van de verbruikte energie die afkomstig is uit hernieuwbare bronnen tot 20 procent te verhogen. Zoals bekend is het bereiken van energie-efficiëntie en emissieverlaging in stedelijke centra hoofdzakelijk afhankelijk van het verbeteren van de energie-efficiëntie van bestaande en in aanbouw zijnde gebouwen.

Ik vind echter nog steeds dat de richtlijn wel erg ambitieuze doelen stelt, die de lokale overheden slechts met grote moeite zullen kunnen halen tenzij zij financiële ondersteuning krijgen – ook van de EU. Ik denk hierbij met name aan de enorme hoeveelheid werk die nodig is om energie te besparen in bestaande gebouwen, bijvoorbeeld in de sociale woningbouw: daar zou renovatie met het oog op energiebesparing (wat gezinnen zou helpen hun energierekening omlaag te brengen) een aanzienlijke financiële inspanning van de lokale overheden vergen.

 
  
MPphoto
 
 

  Sophie Auconie (PPE), schriftelijk. – (FR) Deze ambitieuze tekst beoogt de bouw/renovatie van gebouwen te bevorderen volgens normen die milieuvriendelijker zijn, omdat ze helpen energie te besparen. Ik heb vol overtuiging voor het aannemen ervan gestemd. Door dit soort initiatieven benadrukt de Europese Unie haar leidende rol op het gebied van duurzame ontwikkeling. Deze richtlijn is een goed compromis tussen stimulering en dwang als het gaat om in milieuopzicht verstandig bouwen.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Da Graça Carvalho (PPE), schriftelijk. (PT) De bouwsector is verantwoordelijk voor 40 procent van het energieverbruik en voor 35 procent van de totale emissies in de EU. De huidige wetgeving bepaalt dat in 2020 nieuwe gebouwen bijna energieneutraal moeten zijn en bestaande gerenoveerde gebouwen aan minimumvoorwaarden voldoen betreffende energieprestaties. Deze richtlijn zal bijdragen aan de vermindering van de energieafhankelijkheid van Europa, het terugdringen van de CO2-uitstoot, de verbetering van de kwaliteit van de binnen- en buitenlucht en de vergroting van het welzijn in de steden. Het stimuleren van betere energieprestaties van gebouwen is ook een kans om onze steden te vernieuwen en een bijdrage te leveren aan het toerisme, het scheppen van werkgelegenheid en duurzame economische groei in de EU. Stadsvernieuwing vereist evenwel meer overheids- en particuliere investeringen. Het gaat om directe overheidsinvesteringen met onmiddellijke effecten voor de werkgelegenheid en de activiteiten van kleine en middelgrote bedrijven. Een programma voor stadsvernieuwing zal een adequaat programma voor economisch herstel zijn. Daarom roep ik de Commissie en de lidstaten op structuurfondsgelden te gebruiken voor het verbeteren van de milieu- en energieprestaties van gebouwen, waarvoor particuliere financiering als katalysator gebruikt kan worden, en gezamenlijk een adequaat financieringsmodel uit te werken voor het renoveren van bestaande gebouwen.

 
  
MPphoto
 
 

  Marielle De Sarnez (ALDE), schriftelijk. – (FR) We brengen 50 procent van ons leven in onze woning door. Op het ogenblik is 30 procent van de bestaande woningen in Europa ongezond, al bestaat er op dit gebied grote ongelijkheid tussen de verschillende lidstaten. Het is dan ook van belang niet alleen duurzame nieuwbouw te bevorderen, maar ook duurzaam te renoveren. Ik verwelkom deze nieuwe wetgeving, die enerzijds consumenten zal helpen hun energierekening te verlagen en anderzijds de EU als geheel om haar klimaatdoelstelling van 20 procent minder energieverbruik in tien jaar te realiseren. De lidstaten zullen hun bouwvoorschriften moeten aanpassen om ervoor te zorgen dat alle gebouwen die vanaf 2020 worden gebouwd, aan hoge energienormen voldoen. Bestaande gebouwen zullen zoveel mogelijk moeten worden verbeterd. Voor de Democratische Beweging is de kwestie van huisvesting ook die van urbanisme en kwaliteit van de gebouwde omgeving. We dienen prioriteit te geven aan de wijze waarop onze woonplekken worden ontworpen. Daarom moeten we herstel van het woningbestand bevorderen, bijvoorbeeld door de grondbelasting te wijzigen en die afhankelijk te stellen van de energieprestaties van gebouwen. We roepen de lidstaten dan ook op hun belastingstelsel zodanig aan te passen dat alle betrokkenen ertoe worden aangezet zich in milieuopzicht verstandiger te gedragen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ioan Enciu (S&D), schriftelijk. (RO) Ik beschouw dit verslag als bevorderlijk voor de toekomst van de energiesector van de Europese Unie, zolang de doelstellingen die erin staan beschreven haalbaar zijn en verenigbaar met de financiële situatie in alle lidstaten. Ik ben ingenomen met de doelstellingen die de Raad op 14 april 2010 heeft goedgekeurd met betrekking tot de noodzaak de voornaamste verschillen tussen lidstaten op het gebied van een doelmatig warmtegebruik in gebouwen terug te dringen, alsmede het voorgestelde doel dat alle gebouwen per 31 december 2020 een neutraal energieverbruik hebben, dat de lidstaten in 2015 en 2018 stapsgewijs moeten invoeren. De Commissie en de Raad dienen te beseffen dat veel lidstaten nog altijd met een ernstige economische recessie kampen en financiële en logistieke steun nodig hebben om de voorgestelde doelstellingen te verwezenlijken. De Commissie moet in de toekomst overwegen een financieel interventieplan op te stellen voor steun aan lidstaten die niet in staat zijn de benodigde middelen vrij te maken, met name voor renovatiewerkzaamheden. Deze maatregel moet worden gezien als voordelig voor gewone burgers, aangezien zij een deel van de renovatiekosten betalen.

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (S&D), schriftelijk. (PT) Ik heb voor de aanbeveling betreffende de energieprestaties van gebouwen gestemd, daar er ambitieuze en uitvoerbare voorstellen in staan om in 2020 het energieverbruik en de CO2-emissies met 20 procent terug te dringen in sectoren die niet onder het stelsel van emissierechtenhandel vallen. Deze richtlijn zal directe gevolgen hebben voor het leven van de Europese burgers, aangezien het voorstel de consument helpt zijn uitgaven voor energieverbruik te verlagen terwijl tegelijkertijd de investeringen voor de verbetering van de energie-efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energie miljoenen arbeidsplaatsen kunnen scheppen in heel de EU.

 
  
MPphoto
 
 

  Diogo Feio (PPE), schriftelijk. (PT) In 2008 heeft Europa zich ertoe verbonden uiterlijk in 2020 het energieverbruik met 20 procent te verminderen en ervoor te zorgen dat 20 procent van de verbruikte energie afkomstig is uit hernieuwbare bronnen. Verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen is de effectiefste manier om het energieverbruik en de emissies in de sectoren die niet onder het stelsel van emissierechtenhandel vallen met 20 procent terug te dringen. Bovendien verbruiken energie-efficiënte gebouwen gemiddeld 30 procent minder energie dan conventionele gebouwen.

Op 13 november 2008 heeft de Commissie haar voorstel tot wijziging van Richtlijn 2002/91/EG betreffende de energieprestaties van gebouwen gepresenteerd. Deze wijzigingen zullen aanzienlijke gevolgen hebben voor het leven van de burgers, omdat de richtlijn direct invloed zal hebben op de gebouwen die zij bewonen en onderzoek en ontwikkeling van efficiëntere technologieën in de bouwsector nodig maakt. Bovendien zal deze strategie leiden tot het scheppen van werkgelegenheid en bijdragen tot duurzame groei. Daar de huidige tekst van het voorstel gebaseerd is op het akkoord dat het Europees Parlement en de Raad in november 2009 hebben bereikt, steun ik het voorstel van de rapporteur.

 
  
MPphoto
 
 

  José Manuel Fernandes (PPE), schriftelijk. (PT) De goedkeuring van deze richtlijn betreffende de energieprestaties van gebouwen is een belangrijke stap op weg naar minder CO2-uitstoot en geringere energieafhankelijkheid van Europa. Die factoren zijn steeds belangrijker voor de kwaliteit van leven van de Europese burgers en voor het concurrentievermogen van onze economie en onze samenleving. De bouwsector is verantwoordelijk voor 40 procent van het energieverbruik en voor 35 procent van de totale CO2-emissies. Daarom zijn energieneutrale nieuwe gebouwen en de verbetering van de energieprestaties van gerenoveerde gebouwen van doorslaggevende betekenis om ervoor te zorgen dat de Europese Unie in 2020 het doel kan halen om het energieverbruik met 20 procent terug te dringen en het verbruik van energie afkomstig uit hernieuwbare bronnen en de energie-efficiëntie met 20 procent te verhogen. Die maatregelen helpen de particuliere consument en de openbare diensten de uitgaven voor energie te verlagen. Bovendien wordt verwacht dat de toepassing van deze richtlijn een bijdrage levert aan het bestrijden van de crisis in de civiele bouw en het ontwikkelen van beleid voor stadsvernieuwing met positieve effecten voor de levenskwaliteit en het welzijn van de burgers.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Betere energieprestaties van gebouwen zijn bijzonder belangrijk voor de verbetering van de algehele energie-efficiëntie in de Europese Unie en het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen. Indien de EU de voorgestelde doelen voor 2020, 20 procent minder energieverbruik, 20 procent van de verbruikte energie opgewekt met hernieuwbare bronnen en 20 procent meer energie-efficiëntie, wil realiseren, dan moet de Unie flink inzetten op de verbetering van de energieprestaties van gebouwen.

Het politieke akkoord tussen het Parlement en de Raad zorgt voor verduidelijking van de technische aspecten, minimumeisen voor de energieprestaties op basis van de leeftijd van gebouwen, die al of niet gerenoveerd zijn, een grotere rol voor de plaatselijke en regionale overheden en voor steun aan de overheidsinstanties bij de toepassing van de aanbevelingen.

We hebben echter nog wel wat zorgen met betrekking tot de versterkte rol van de Commissie bij de beoordeling van de nationale plannen en de inspectieverslagen en de aanpassingen aan het Verdrag van Lissabon, waardoor meer bevoegdheden bij de Commissie komen te liggen via de zogenaamde gedelegeerde handelingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Adam Gierek (S&D), schriftelijk. − (PL) De basisfactoren die van invloed zijn op de energieprestatie, zijn: 1. Omzetting van één soort energie in een andere soort zodat die een concrete gebruiksfunctie kan vervullen. Hoe langer de omzettingsketen, hoe groter de verliezen. In de praktijk gaat het hoofdzakelijk om de stroom duurzame warmte-energie die uit primaire energiebronnen gewonnen wordt. Een groot deel hiervan gaat verloren in de omgeving. Dit effect kan verminderd worden in cogeneratieprocessen, die zelfs een efficiëntie van ongeveer 90 procent kunnen halen. 2. De elektrische weerstand, de zogenaamde weerstand van Ohm, is van groot belang bij de transmissie van elektriciteit. 3. Warmteweerstand. Lage weerstand is van belang bij warmtewisselaars, terwijl hoge weerstand belangrijk is wegens de lage warmtegeleiding van isolatiematerialen. Het gebruik van deze isolatiematerialen (bijvoorbeeld piepschuim, mineraalwol, cellenbeton) vermindert de vraag naar warmte-energie in woningen aanzienlijk. Momenteel is deze vraag erg groot en beslaat zij ongeveer 40 procent van het totale energieverbruik. 4. Wrijving in antifrictieprocessen, bijvoorbeeld in lagers, of in frictieprocessen, bijvoorbeeld in remsystemen. Dit geldt voornamelijk voor voertuigen en vliegtuigen (turbulentie). Door wrijving gaat ongeveer 30 procent van de totale energie verloren.

Ik stemde voor de regelgeving zonder de amendementen, omdat de energieverliezen in woningen, naast de omzettingsverliezen, het grootste zijn, en besparingen arme mensen zullen helpen. In het geval van Polen kan isolatie, naast cogeneratie, economische, sociale en milieuvoordelen met zich meebrengen. Bij de uitvoering moeten op dit gebied bepaalde prioriteiten gesteld worden, want nieuwe regelgeving belemmert vaak de toepassing van reeds bestaande regels.

 
  
MPphoto
 
 

  Sylvie Guillaume (S&D), schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór het ontwerp voor de herziening van de richtlijn betreffende de energieprestaties van gebouwen gestemd, omdat ik van mening ben dat op nieuwe gebouwen het beginsel van energiebesparing van toepassing dient te zijn en dat op dit gebied verplichte normen moeten gelden, zodat er overal daadwerkelijk aan wordt voldaan. Openbare gebouwen zullen vanaf 2018 het goede voorbeeld geven, waardoor de voorlichtingscampagnes van de overheid in de ogen van de burgers meer gewicht en legitimiteit krijgen. Deze teksten bepalen tevens dat energiebesparing een fundamentele rol moet spelen bij de renovatie van gebouwen. Ik zou dan ook graag zien dat deze maatregelen kleine en middelgrote ondernemingen een nieuwe impuls geven en dat de lidstaten de opleidingsprogramma’s voor personeel dat zich bezighoudt met het energie-efficiënt maken van gebouwen, versterken. Bovendien acht ik het voor wat betreft de energie-etikettering van energieverbruikende producten noodzakelijk dat consumenten op de hoogte zijn van de energie-eigenschappen van de producten die ze kopen.

 
  
MPphoto
 
 

  Nuno Melo (PPE), schriftelijk. − (PT) Het vraagstuk van de energie-efficiëntie speelt een beslissende rol in het kader van de Europa 2020-strategie. De aanneming van deze tekst betekent een uitermate belangrijke stap op weg naar de vermindering van het energieverbruik tijdens de komende jaren. Doel is te waarborgen dat de gebouwen in 2020 bijna energieneutraal zijn. Er moet niet alleen naar energie-efficiëntie worden gestreefd bij de bouw van nieuwe gebouwen, maar ook in bestaande gebouwen die een ingrijpende renovatie ondergaan. Het is tevens van essentieel belang dat in overheidsgebouwen het goede voorbeeld wordt gegeven. Daarom heb ik voor gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI), schriftelijk. (DE) Eenvoudig te realiseren energiebesparende maatregelen zijn de afgelopen jaren veelvuldig doorgevoerd en het is lastig in te schatten hoe hoog het eenvoudig - met andere woorden zonder extreem uitgebreide renovaties - te bereiken potentieel aan energiebesparingen daadwerkelijk is. Dit alles mag er in elk geval niet toe leiden dat gebouwen die ingrijpend zijn gerenoveerd met het oog op energiebesparingen, leeg staan omdat de huur de pan uit rijst. Algemeen gesproken mogen we zelfs in het belang van de bescherming van het klimaat niet op onaanvaardbare wijze ingrijpen in de eigendomsrechten van burgers als het gaat om renovaties.

Energiebesparingsmaatregelen brengen deels bijzonder hoge kosten met zich mee en zijn niet altijd volledig uitontwikkeld, dus in het licht daarvan mogen we niet zomaar voorschriften invoeren; we moeten impulsen geven door middel van financiële steun. Gezien de aanstaande bezuinigingen op lonen en in de sociale zekerheid moeten we dubbel, drievoudig controleren of de nieuwe voorschriften eenvoudige huizenbouwers en huiseigenaren in de afgrond storten. De gevolgen van de energie-eisen zijn niet duidelijk te overzien, reden waarom ik tegen het verslag heb gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Justas Vincas Paleckis (S&D), schriftelijk. – (LT) De bouwsector is door de EU aangemerkt als een van de markten met het hoogste energiebesparingspotentieel. Energie-efficiënte gebouwen verbruiken gemiddeld 30 procent minder energie dan conventionele gebouwen. In de nieuwe EU-lidstaten, waaronder Litouwen, wordt in veel appartementenblokken ongeveer 60 procent van de thermische energie verspild. Alleen Litouwen al heeft 35 000 appartementenblokken. De bewoners daarvan betalen niet alleen veel geld voor de verwarming, maar zijn ook verantwoordelijk voor tonnen aan CO2-emissies. Het lukt de conservatieve regering van Litouwen niet om een begin te maken met het isoleren van gebouwen. Na bijna twee jaar van beloften dat de renovatie van gebouwen binnenkort van start zal gaan, is er niet één gebouw gerenoveerd.

Ik heb voor deze aanbeveling betreffende de energieprestaties van gebouwen gestemd omdat de doelstelling om uiteindelijk energieneutrale gebouwen te krijgen ermee wordt bevorderd. Dit zal garanderen dat gebouwen in de EU op een gegeven moment duurzaam worden vanuit energieoogpunt. Door deze richtlijn ten uitvoer te leggen zullen we een begin maken met het proces om het energieverbruik in de EU tegen het jaar 2020 met een vijfde terug te dringen. De investeringen om de energie-efficiëntie te verbeteren zullen miljoenen banen creëren en bijdragen aan de groei van de economie van de EU.

 
  
MPphoto
 
 

  Alfredo Pallone (PPE), schriftelijk. – (IT) Ik schaar mij achter de aanbeveling de energie-efficiëntie van gebouwen te verbeteren. Energie-efficiëntie betekent niet alleen het besparen van energie, maar ook het verminderen van de uitstoot van CO2 en broeikasgassen. Om dit doel te bereiken, zou men de energieverspilling op het gebied van onroerend goed moeten beperken, die onder meer is toegenomen vanwege technologie waardoor de energiekosten zijn verschoven van de bouw naar het beheer van de gebouwen. Onderzoek in de bouwsector richt zich op “duurzaam bouwen”.

Vandaag de dag zijn de belangrijkste projecten geconcentreerd op het grondgebied van landen met een gematigd klimaat. Daar maakt de verspreiding van deze technologieën het reeds mogelijk om, binnen afzienbare termijn, uit te gaan van “duurzame steden”. In de landen rond de Middellandse Zee verspreiden deze technologieën zich echter minder snel. Ook al is het probleem van warmteverlies in deze regio’s minder relevant, de gebouwen zijn er niet minder belastend voor het milieu.

Het toenemende gebruik van airconditioningsystemen, die in huishoudens steeds gewoner worden, vergt in feite zeer veel energie. De Europese Unie moet daarom voorlichtingscampagnes op touw zetten en actie ondernemen, gebruikmakend van communautaire middelen, financiële prikkels en voorlichtingscampagnes. Ook moet ze nieuwe productietechnologieën onderzoeken en toepassen.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Papanikolaou (PPE), schriftelijk. – (EL) Om in 2020 de doelstelling 20-20-20 te kunnen bereiken, dat wil zeggen een vermindering met 20 procent van energieverbruik, een stijging van het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in het totale energieverbruik tot 20 procent en een stijging van de energie-efficiëntie met 20 procent, zijn gecoördineerde en gerichte acties nodig, zowel van de EU als van de lidstaten. In het bijzonder de verhoging van de energie-efficiëntie van gebouwen is een doeltreffende manier om het energieverbruik met 20 procent te doen dalen, alsook de uitstoot in de sectoren buiten het systeem van de CO2-emissiehandel. In energie-efficiënte gebouwen kan gemiddeld 30 procent meer energie worden bespaard dan in conventionele. Bovendien gebruiken energie-efficiënte gebouwen minder water en hebben ze lagere kosten voor onderhoud en nutsvoorzieningen. Ik heb dan ook vóór de richtlijn over de energieprestaties van gebouwen gestemd, omdat die naar verwachting een aanzienlijke positieve weerslag zal hebben op de Europese burgers, aangezien zij rechtstreeks van invloed is op de gebouwen waarin zij wonen en die zij gebruiken. Bovendien zullen de investeringen voor de verbetering van de energie-efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen miljoenen arbeidsplaatsen creëren die zullen bijdragen tot de economische ontwikkeling van de EU. Tegelijkertijd zullen zij ook bijdragen tot een besparing op de vereiste economische middelen die momenteel worden verkwist aan het onderhoud van energie-intensieve gebouwen.

 
  
MPphoto
 
 

  Rovana Plumb (S&D), schriftelijk. (RO) Gebouwen zijn verantwoordelijk voor bijna de helft van de CO2-emissies die geen deel uitmaken van het EU-systeem van certificaten voor de emissiehandel, zodat er een groot potentieel bestaat deze emissies terug te dringen tegen negatieve of lage reductiekosten. In de nieuwe richtlijn betreffende de energieprestaties van gebouwen is een reeks minimum indicatoren/vereisten opgenomen voor de energieprestaties van nieuwe gebouwen, waardoor hun energieverbruik tegen 2020 vrijwel nihil is en een groot deel van de energie uit hernieuwbare bronnen wordt gewonnen. Dit houdt ook in dat bestaande gebouwen aan deze vereisten moeten voldoen.

Het is essentieel burgers goed te informeren over deze vereisten en hen aan te moedigen om zelfs bij de renovatie van gebouwen slimme metersystemen te gebruiken (vervanging van de warmwater- en klimaatbeheersingssystemen door energie-efficiënte systemen, zoals omkeerbare warmtepompen). De financiering zal voor een gedeelte uit de EU-begroting worden geput om energie-efficiënte maatregelen aan te moedigen. Lidstaten moeten passende maatregelen treffen om deze richtlijn snel ten uitvoer te kunnen leggen. Ik heb voor dit verslag gestemd, aangezien de nieuwe wetgeving consumenten zal helpen hun energierekening omlaag te brengen, waardoor de EU haar doelstelling van een reductie met 20 procent in het energieverbruik in 2020 zal kunnen verwezenlijken.

 
  
MPphoto
 
 

  Teresa Riera Madurell (S&D), schriftelijk. – (ES) Mijn stem voor deze belangrijke richtlijn is te danken aan de noodzaak om de energieprestaties van gebouwen te verbeteren. Dat is een van de gebieden die het meest kunnen bijdragen aan het verwezenlijken van de algemene doelstellingen van de EU om de energie-efficiëntie met 20 procent te verhogen in 2020. Volgens de tekst, die tot stand is gekomen na onderhandelingen tussen het Europees Parlement en de Raad, moeten alle nieuwe gebouwen uiterlijk in 2020 energieneutrale gebouwen zijn, dat wil zeggen dat ze evenveel energie produceren als ze verbruiken. Openbare gebouwen zullen het goede voorbeeld moeten geven door voor 31 december 2013 aan deze norm te voldoen. Een deel van de kosten van de hervormingen wordt uit de begroting van de EU gefinancierd. Bovendien moeten bestaande gebouwen aan hogere normen ten aanzien van energie-efficiëntie voldoen, die door de lidstaten worden berekend op basis van een gemeenschappelijk kader dat in de richtlijn wordt vastgesteld. De energieprestatie-indicator van gebouwen moet wordt vermeld in advertenties voor verkoop of verhuur. Een andere belangrijk nieuw element is de eis om intelligente en daardoor energiebesparende metersystemen en controle- en beheersystemen in te voeren. De richtlijn zal in 2017 worden herzien.

 
  
MPphoto
 
 

  Raül Romeva i Rueda (Verts/ALE), schriftelijk. – (FR) De stemming van vandaag over de regels van de Europese Unie voor de energieprestaties van gebouwen betekent een grote stap vooruit op het gebied van energie-efficiëntie. Maar we betreuren het zeer dat de wetgeving geen rekening houdt met de eisen voor de renovatie van bestaande gebouwen, die toch verantwoordelijk zijn voor 40 procent van het energieverbruik en 36 procent van de totale broeikasgasemissies in Europa. In plaats van een ambitieus beleid voor energie-efficiëntie tot stand te brengen door op grote schaal te investeren in de renovatie van gebouwen, richt de EU zich uitsluitend op nieuwbouw. Ze laat zo de gelegenheid voorbijgaan om miljoenen banen te scheppen, om onze energieafhankelijkheid van onze buurlanden te verminderen en om een belangrijke bijdrage te leveren in de strijd tegen klimaatverandering.

 
  
MPphoto
 
 

  Bart Staes (Verts/ALE), schriftelijk. − De bouwsector is een sector met een enorm potentieel aan mogelijkheden voor energiebesparing. De sector is verantwoordelijk voor 40% van het energieverbruik en 35% van het totaal aan broeikasgasemissies.

Verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen is de meest effectieve manier om het energieverbruik en de emissie-uitstoot te verminderen.

Het akkoord dat voorligt verdient onze volle steun. Uiterlijk op 31 december 2020 moeten alle nieuwe gebouwen bijna energieneutraal zijn. Alle overheidsgebouwen zelfs al twee jaar eerder. Ook bij de renovatie van oudere gebouwen gelden voortaan minimumeisen inzake energieprestaties. Bijna energieneutrale gebouwen zijn gebouwen met een zeer hoge energieprestatie. De dicht bij nul liggende of zeer lage hoeveelheid energie die zij verbruiken, dient daarenboven in zeer aanzienlijke mate geleverd te worden uit hernieuwbare energiebronnen.

Het is een goede zaak dat de richtlijn aandacht besteedt aan het verschaffen van financieringsinstrumenten om deze overgang te bewerkstelligen. De lidstaten moeten uiterlijk op 30 juni 2011 een lijst opstellen met maatregelen om de doelstellingen van deze richtlijn te verwezenlijken. Tenslotte moet de Commissie de werking van de richtlijn tijdig evalueren. Dat gebeurt uiterlijk op 1 januari 2017. Deze richtlijn betekent een belangrijke bijdrage in de strijd tegen klimaatverandering.

 
  
  

Verslag-Tavares (A7-0125/2010)

 
  
MPphoto
 
 

  Vilija Blinkevičiūtė (S&D), schriftelijk. (LT) Het Stockholmprogramma voorziet in het uitwerken van een betrouwbaar en duurzaam gemeenschappelijk asielbeleid in de Europese Unie. Om de doelstellingen van dat asielbeleid te kunnen verwezenlijken moeten de lidstaten worden aangemoedigd om vrijwillig deel te nemen aan het gemeenschappelijke hervestigingsprogramma van de EU. Daarom streeft het Europees Parlement ernaar om zo veel mogelijk lidstaten de mogelijkheid te bieden om aan hervestigingsprogramma’s van de EU deel te nemen. Het Europees Parlement steunt het voorstel van de Commissie en is van mening dat de hervestiging van vluchtelingen een centrale rol moet spelen in het externe asielbeleid van de EU. Dat beleid moet door de EU verder worden ontwikkeld en worden uitgebouwd tot een effectief beschermingsinstrument.

 
  
MPphoto
 
 

  Vito Bonsignore (PPE), schriftelijk.(IT) Door dit verslag aan te nemen, heeft Europa een gemeenschappelijk asielbeleid een stap dichterbij gebracht. Daarmee zal het mogelijk zijn mensenrechten effectiever te beschermen en tegelijkertijd illegale immigratie te beperken.

De EU moet zich luid en duidelijk uitspreken over migratie en integratie, en het op zich nemen Europese regels vast te stellen. Ook moet de EU de kosten van de EU-landen die te maken hebben met migratiestromen, helpen opvangen. Het kan en mag echter niet zo zijn dat hervestiging wordt losgekoppeld van een gezamenlijke aanpak van de illegale immigratie. Voor een dergelijke aanpak is niet alleen de instemming van grenslanden vereist, maar ook van de landen die het vertrekpunt zullen zijn van toekomstige illegale immigranten.

 
  
MPphoto
 
 

  David Casa (PPE), schriftelijk. − (EN) Hervestiging van vluchtelingen is een proces waarin het mogelijk is deze personen te hervestigen op verzoek van de UNHCR indien men van mening is dat deze personen internationale bescherming nodig hebben. Dit is een van de ontvankelijkheidscriteria voor het EVF. Deze procedure kan een ideale oplossing zijn voor die personen wier veiligheid onvoldoende kan worden gegarandeerd door de eerste landen van asiel.

Ik ben het eens met de conclusies van de rapporteur en heb daarom besloten voor dit verslag te stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Carlos Coelho (PPE), schriftelijk. (PT) Zonder een gemeenschappelijk asielbeleid en een gemeenschappelijk hervestigingsprogramma kunnen wij in de Europese Unie geen echt mensenrechtenbeleid tot stand brengen. Hervestiging is ongetwijfeld een van de duurzame oplossingen voor vluchtelingen wier bescherming niet gegarandeerd kan worden in het eerste land van asiel. Het is belangrijk dat hiervoor voldoende middelen worden vrijgemaakt, al is een begrotingslijn alleen ontoereikend om van een echt hervestigingsbeleid te spreken.

Het lijdt geen twijfel dat deze wijziging van het Europees Vluchtelingenfonds van uitzonderlijk belang is om de leemte op te vullen die op dit vlak in diverse lidstaten bestaat en de opvangcapaciteit van deze landen te verbeteren. Ik stel met voldoening vast dat het aantal lidstaten dat aan dit programma deelneemt, de laatste jaren is toegenomen. Wij moeten ervoor zorgen dat ook de overige lidstaten hun medewerking verlenen. De Europese Unie moet dit hervestigingsinstrument verder ontwikkelen en uitbreiden om een zo doeltreffend mogelijke bescherming te waarborgen.

Het voorstel geeft de Commissie de bevoegdheid om jaarlijks de gemeenschappelijke EU-prioriteiten vast te stellen voor te hervestigen personen. Deze jaarlijkse prioriteiten kunnen betrekking hebben op geografische regio's, nationaliteiten of specifieke categorieën van op te vangen vluchtelingen, maar tegelijkertijd moet de nodige flexibiliteit blijven bestaan om op noodgevallen te kunnen reageren.

 
  
MPphoto
 
 

  Corina Creţu (S&D), schriftelijk. (RO) De druk van migratiestromen neemt toe en de zorgen over dit verschijnsel van een aantal landen die gewild zijn bij migranten, verdienen begrip. Daarom is het belangrijk dat het hervestigingsprogramma wordt uitgevoerd, aangezien het een eerlijke verdeling mogelijk maakt van de verantwoordelijkheid tot naleving van de internationale verplichtingen tot bescherming van vluchtelingen, en de last zal verlichten voor landen die grote aantallen vluchtelingen herbergen.

Een positieve stap zou zijn als het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken in de loop van dit jaar met zijn werkzaamheden zou kunnen beginnen. Het kan lidstaten ondersteunen bij het ontplooien van hervestigingsinitiatieven. In welk ander land vluchtelingen ook zullen worden ondergebracht, het belangrijkste is dat zij onmiddellijk toegang krijgen tot taal- en cultuurlessen over het desbetreffende land, alsmede tot voorzieningen van godsdienstige aard en psychologische hulp, indien nodig.

Ik meen dat een dergelijke programma duurzaam moet zijn. De begrotingsvooruitzichten op de langere termijn zijn gewaarborgd als gevolg van dit besluit. De begunstigden zijn al getraumatiseerd door de breuk met de cultuur en de tradities van hun land van herkomst. Ze moeten een nieuwe identiteit voor zichzelf scheppen, wat een traumatisch proces is dat niet hoeft te worden verergerd door een precaire en onzekere toekomst.

 
  
MPphoto
 
 

  Diogo Feio (PPE), schriftelijk. (PT) In een Europa dat zich niet wil afsluiten van de buitenwereld en niet blind wil zijn voor wat zich buiten zijn grenzen afspeelt, wordt hervestiging van vluchtelingen steeds noodzakelijker en belangrijker. Opvang van en solidariteit met degenen die het meest lijden, zijn twee christelijk geïnspireerde Europese kenmerken die ten volle in ere moeten worden hersteld, zonder evenwel de door de lidstaten vastgestelde wettelijke beperkingen te veronachtzamen. Bij het vaststellen van de gemeenschappelijke jaarlijkse EU-prioriteiten in termen van geografische regio’s en specifieke categorieën van op te vangen vluchtelingen moet tevens rekening worden gehouden met de behoeften van de lidstaten en hun specifieke omstandigheden. De lidstaten moeten worden aangemoedigd om deel te nemen aan hervestigingsacties.

 
  
MPphoto
 
 

  José Manuel Fernandes (PPE), schriftelijk. (PT) Een van de "in aanmerking komende acties" van het Europees Vluchtelingenfonds (EVF) is hervestiging. In het programma van Stockholm wordt duidelijk gesteld dat de Europese Unie in partnerschap moet handelen en samenwerken met derde landen die grote vluchtelingenpopulaties herbergen. De Europese Commissie stelt jaarlijks de gemeenschappelijke EU-prioriteiten vast voor te hervestigen personen, waarbij de nodige flexibiliteit moet blijven bestaan om op noodgevallen te kunnen reageren. Er dient met name aandacht te worden besteed aan slachtoffers van buitengewoon repressieve en discriminerende culturele, sociale en politieke systemen. Steeds meer lidstaten nemen deel aan de hervestigingsprogramma’s van de Europese Unie. Wij moeten ervoor zorgen dat deze programma’s worden uitgebreid naar een zo groot mogelijk aantal landen van de Unie. Ik onderstreep het positieve effect van de trapsgewijze toekenning van de financiële middelen die beschikbaar worden gesteld voor de ondersteuning van het hervestigingsbeleid. Het is een goede zaak dat in het eerste en het tweede jaar van het proces een hoger bedrag wordt toegekend, omdat aan de oprichting van de mechanismen en structuren aanzienlijke kosten verbonden zijn. Het is tevens belangrijk de voorwaarden te scheppen die nodig zijn om de duurzaamheid en de kwaliteit van het hervestigingsproces van vluchtelingen te waarborgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Sylvie Guillaume (S&D), schriftelijk. – (FR) Gezien zijn zeer magere prestaties dient Europa een grotere bijdrage te leveren aan de hervestiging van vluchtelingen wier leven in gevaar is in de landen die hen hebben opgenomen. Om de lidstaten ertoe aan te zetten zich bij deze collectieve solidariteitsbeweging aan te sluiten, heb ik vóór dit verslag gestemd, dat beoogt de opvang en hervestiging van vluchtelingen in Europa te stimuleren. Goede bedoelingen zijn niet meer genoeg, we moeten woorden omzetten in daden en met name voorrang geven aan vrouwen en kinderen die met geweld of uitbuiting worden bedreigd, aan niet-begeleide minderjarigen, aan overlevenden van marteling en aan personen met ernstige medische problemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Nuno Melo (PPE), schriftelijk. (PT) Thans staan slechts tien lidstaten van de Europese Unie, waaronder Portugal, open voor hervestiging van vluchtelingen. Onder hervestiging wordt verstaan het proces waarbij op verzoek van de UNHCR, op basis van de behoefte van een persoon aan internationale bescherming, onderdanen van derde landen of staatlozen vanuit een derde land worden overgebracht naar een lidstaat. De aanneming van dit voorstel moet ertoe leiden dat meer lidstaten deelnemen aan het hervestigingsprogramma voor vluchtelingen. Daarom zullen lidstaten die voor het eerst vluchtelingen hervestigen, tijdens de eerste twee jaar extra financiële steun ontvangen. Er moet prioritaire aandacht worden besteed aan kinderen en vrouwen die gevaar lopen en met name met psychologisch, fysiek of seksueel geweld of uitbuiting worden bedreigd, niet-begeleide minderjarigen, personen met speciale medische problemen, overlevenden van geweld en martelingen en personen die om juridische en beschermingsredenen een dringende of spoedeisende hervestiging nodig hebben, ongeacht de geografische prioriteiten die de Europese Unie voor een bepaalde periode heeft vastgesteld.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI), schriftelijk. (DE) Tot de maatregelen van het Europees Vluchtelingenfonds (EVF) die voor steun in aanmerking komen, behoort onder andere de hervestiging van vluchtelingen uit derde landen. De term 'hervestiging' staat voor het proces waarbij onderdanen van derde landen en staatlozen op verzoek van de vluchtelingenorganisatie van de VN, de UNHCR, gebaseerd op de behoefte van de betrokkene aan internationale bescherming, vanuit een derde land naar een lidstaat worden overgebracht waarin betrokkene a) als vluchteling of b) met een status die hem volgens nationale en communautaire wetgeving dezelfde rechten en voordelen geeft als de vluchtelingenstatus, mag verblijven.

De maatregelen die in het verslag worden voorgesteld, zullen ertoe leiden dat de EU - die nu al te kampen heeft met het probleem van massale immigratie - nog aantrekkelijker wordt voor migranten. Dit wordt bevestigd door cijfers van de UNHCR. Terwijl er in 2008 circa 5 000 personen werden gehervestigd door de EU, zijn er op dit moment wereldwijd 750 000 mensen met deze behoefte. Ik heb derhalve tegen het verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Franz Obermayr (NI), schriftelijk. (DE) In vele lidstaten, waaronder Oostenrijk waar ik vandaan kom, zijn de capaciteiten voor het opnemen van vluchtelingen al compleet overbelast en de bevolking verzet zich terecht tegen nieuwe opvangcentra voor asielzoekers en soortgelijke instellingen. Des te onbegrijpelijker is het verslag over het Europees Vluchtelingenfonds, waarin wordt aangedrongen op steun voor de hervestiging van vluchtelingen in de EU. Ik heb daarom tegen het verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Alfredo Pallone (PPE), schriftelijk.(IT) Het vluchtelingenprobleem is een Europees probleem dat niet kan worden overgelaten aan nationale staten, ook gezien hun geografische en economische verschillen. Ik steun daarom de oprichting van een fonds op Europees niveau.

De oprichting van een dergelijk fonds moet een tweeledige functie hebben: het moet enerzijds steun bieden aan vluchtelingen die in onze landen aankomen, vaak aan onze kusten, op zoek naar hulp, en anderzijds ook aan die landen die als gevolg van hun geografische ligging de grootste aantallen van deze wanhopige mensen ontvangen. Het probleem is een Europees probleem, en dat moet het ook zijn, en we kunnen het aanpakken ervan niet aan een paar landen overlaten. Ik hoop dat het fonds slechts het begin zal zijn van een ontwikkeling naar een meer Europese en solidaire benadering van dit hele vraagstuk.

 
  
MPphoto
 
 

  Czesław Adam Siekierski (PPE), schriftelijk. − (PL) De vluchtelingen binnen Europa dienen geholpen te worden en daarom vind ik het besluit van het Europees Parlement in deze kwestie van groot belang. Het fonds heeft als hoofddoel de maatregelen van de verschillende lidstaten te ondersteunen. Deze maatregelen vragen vaak om aanvullende financiële middelen. Ze moeten vluchtelingen waardige levensomstandigheden bieden en ook hun verblijf op Europees grondgebied wettelijk regelen. Ik ben van mening dat de landen die zich engageren bij de hulp aan vluchtelingen, meer financiële steun moeten ontvangen.

We moeten elke mogelijke kritiek dat we onszelf als hoogontwikkelde landen tegen de toevloed van vluchtelingen beschermen in plaats van hén tot elke prijs te beschermen, de wind uit de zeilen nemen. Vluchtelingen die Europa binnenkomen uit derdewereldlanden hebben vaak te kampen met enorme problemen zoals geweld, gebrek aan bestaansmiddelen en gebrek aan toegang tot medische zorg. Ze moeten door de lidstaten omringd worden met goed georganiseerde hulp.

 
  
MPphoto
 
 

  Anna Záborská (PPE), schriftelijk. (SK) Dames en heren, in de commissie zijn meerdere wijzigingsvoorstellen ter stemming voorgelegd, waarin werd gewezen op de betekenis van kerken en religieuze organisaties bij het oplossen van de vluchtelingenproblematiek. Al deze wijzigingsvoorstellen zijn afgewezen. Als liberale en linkse politici beweren dat in het dagelijkse werk met vluchtelingen voldoende kan worden voorzien door niet-gouvernementele organisaties en gebruik van overheidsmiddelen, getuigt dat van kortzichtig cynisme en hypocrisie. In werkelijkheid is exact het omgekeerde het geval. Is het niet zo dat regeringen vaak onderwerp van kritiek zijn vanwege het feit dat de toestanden in vluchtelingenkampen veelal mensonterend zijn? Is het niet op zijn plaats om openlijk de hypocrisie van landen als Duitsland, Spanje, Frankrijk, Italië of Malta te bekritiseren? Regeringen falen bij de toelating van vluchtelingen en de zorg voor hen. De armoede van de allerarmsten is het rijke Europa te pijnlijk en daarom sturen we hen terug. Uit politieke correctheid negeren we dat in de allerergste armoede van vluchtelingenkampen, daar waar politiek correcte non-gouvernementele organisaties de strijd al lang hebben opgegeven, alleen een enkele onopvallende katholieke non nog met toewijding haar werk doet. Dankzij de Orde van Malta, Jesuit Refugee Service en vele christelijke organisaties worden regeringen zich bewust van hun verplichting om zich het lot van vluchtelingen aan te trekken. De christelijke organisaties zijn een doorn in het oog van ons geweten. Daarvoor moeten wij hun dankbaar zijn - ook nu de financiering vanuit de EU zeer beperkt is en er zelfs met geen woord van hen wordt gerept in het initiatiefverslag over dit thema.

 
  
  

Verslag-Coelho (A7-0126/2010)

 
  
MPphoto
 
 

  Sophie Auconie (PPE), schriftelijk. – (FR) Het verslag over het Schengeninformatiesysteem en de modernisering ervan betekent opnieuw een geweldige stap vooruit op het gebied van vrij verkeer binnen Europa. In het licht van het toenemende verkeer van personen tussen de lidstaten die tot het Schengengebied behoren, alsmede de uitbreiding ervan, is het noodzakelijk de verwerking van gegevens te verbeteren om er zeker van te zijn dat uitoefening van deze vrijheid in alle veiligheid kan plaatsvinden. Het verslag-Coelho draagt bij aan het streven naar een grotere doeltreffendheid van de verspreiding van informatie, maar ook aan de noodzakelijke eerbiediging van de individuele vrijheden waarvoor de Europese Unie garant staat. Ik heb logischerwijze vóór dit verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Vilija Blinkevičiūtė (S&D), schriftelijk. (LT) Het doel van dit voorstel is de migratie van het Schengeninformatiesysteem (SIS 1+) naar het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II). Het is betreurenswaardig dat het operationeel worden van dit systeem vertraagd is. Het Europees Parlement heeft gedaan wat het kon om ervoor te zorgen dat dit systeem zo spoedig mogelijk operationeel zou worden en dat de implementatie van SIS II volledig transparant zou verlopen. Alle instellingen moeten daar echter hun goedkeuring aan hechten. Benadrukt moet worden dat de Commissie voor een alternatief programma moet zorgen als het SIS II-project mislukt en dat het Parlement betrokken moet worden bij de besluitvorming over de migratie. Voordat er wordt overgeschakeld op het nieuwe SIS II-systeem moet het Parlement door de Commissie volledig worden geïnformeerd over de testresultaten en moet het Parlement de mogelijkheid krijgen advies uit te brengen.

 
  
MPphoto
 
 

  David Casa (PPE), schriftelijk. − (EN) Vóór de migratie naar het nieuwe SIS is het noodzakelijk dat er passende tests worden uitgevoerd en dat de noodzakelijke veiligheidsmaatregelen worden genomen. Hoewel ik van mening ben dat dit op een professionele en grondige wijze dient te gebeuren, deel ik de teleurstelling van de rapporteur over de toenemende vertragingen die de migratie naar het nieuwe systeem belemmeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Mário David (PPE), schriftelijk. (PT) Ik heb over het algemeen voor de amendementen op de verordening gestemd. De migratiefase is de laatste taak die in het kader van het ontwikkelingsmandaat voor SIS II moet worden uitgevoerd. Daarom moet de Europese Commissie over een geldig mandaat beschikken om SIS II te ontwikkelen totdat SIS II van start kan gaan. Gelet op de aanzienlijke vertraging die reeds is opgelopen en de hoge kosten die aan het SIS II-project verbonden zijn, ben ik van oordeel dat de vervalbepaling behouden moet blijven. Het nieuwe mandaat van de Commissie moet worden afgestemd op de datum waarop SIS II naar verwachting van start zal gaan. Volgens de prognoses is dat eind 2011.

De Commissie moet wel over een zekere mate van flexibiliteit kunnen beschikken om de vooropgestelde data via de comitologieprocedure te wijzigen, zodat het rechtskader, indien het SIS II-project mislukt, kan worden aangepast aan een alternatief scenario. Het is onaanvaardbaar dat de Commissie niet in staat is bij benadering aan te geven wanneer SIS II in werking zal treden, aangezien dit cruciaal is om de veiligheid, vrijheid en rechtvaardigheid in de Europese ruimte beter te waarborgen. Deze houding doet vermoeden dat het beheer van het proces niet echt op transparante wijze verloopt.

 
  
MPphoto
 
 

  Diogo Feio (PPE), schriftelijk. (PT) Aangezien het hier om een bijzonder gevoelige kwestie gaat, is dit verslag terecht toevertrouwd aan een van de leden van dit Parlement die het meest met dit vraagstuk vertrouwd zijn, namelijk mijn collega, de heer Coelho, die ik van harte feliciteer met het verrichte werk. Ik betreur het dat dit proces vertraging heeft opgelopen. Ik deel de reserves van de rapporteur met betrekking tot het welslagen van het migratieproces en ben het met hem eens dat het Parlement het recht heeft om over de ontwikkelingen te worden ingelicht.

 
  
MPphoto
 
 

  Sylvie Guillaume (S&D), schriftelijk. – (FR) Het "feuilleton" van de migratie van SIS I naar SIS II is al veel te lang doorgegaan. Daarom heb ik vóór dit verslag gestemd: om te wijzen op de noodzaak de vastgestelde termijnen in acht te nemen en een einde te maken aan wat als broddelwerk kan worden beschouwd, na vele vruchteloze pogingen en gezien de middelen die, tot dusverre zonder succes, zijn aangewend om de doelstelling van de migratie te bereiken. Weliswaar is de Commissie nu aan zet, maar het Europees Parlement moet zijn bevoegdheden als begrotingsautoriteit gebruiken en zich het recht voorbehouden de Europese Rekenkamer te vragen een uitgebreide audit uit te voeren inzake het beheer van het project en de financiële gevolgen van een mislukking voor de communautaire begroting.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Luc Mélenchon (GUE/NGL), schriftelijk. – (FR) Ik zie kleine stapjes voorwaarts in de amendementen van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken in dit verslag. Het verslag vraagt inderdaad om betrokkenheid van het Europees Parlement bij de besluitvorming en geeft aan dat een gunstig advies van het Parlement noodzakelijk is, voordat er sprake kan zijn van migratie naar de tweede versie van het Schengeninformatiesysteem. Desalniettemin is dit verslag onaanvaardbaar. We kunnen niet ongestraft de mogelijkheid van migratie naar SIS II – het nieuwe instrument om "totale veiligheid" te realiseren – ondersteunen.

Met dit systeem zullen steeds meer persoonsgegevens verzameld kunnen worden om redenen waarvan de geldigheid aan interpretatie onderhevig is. Hoe kan de verdenking van de wil een terroristische aanslag te plegen als geldig worden beschouwd? En wat nog erger is, de Verenigde Staten zouden toegang tot deze gegevens kunnen krijgen! Midden in crisistijd gaat de aan de macht zijnde eurocratie maar door met het bouwen aan een Europa dat wordt gekenmerkt door concurrentie en een overdreven nadruk op orde en gezag. Het is echter meer dan ooit tijd om te bouwen aan het Europa van solidariteit en samenwerking dat we zo nodig hebben.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI), schriftelijk. (DE) We hebben een Schengeninformatiesysteem dat functioneert en geschikt is voor uitbreiding en we hebben een prestigeproject dat miljoenen kost en waarschijnlijk op een complete mislukking zal uitdraaien. Het wordt tijd dat we stoppen met nog meer geld in deze bodemloze put te stoppen en dat we redden wat er te redden valt. Als de EU daadwerkelijk nog meer miljoenen wil uitgeven, dan moeten deze middelen worden besteed aan beveiliging van de grenzen of ten goede komen aan autochtone gezinnen. In plaats van eenvoudigweg een 'beloning' te betalen voor het opnemen van vluchtelingen, zou het verstandiger zijn om het Verdrag van Genève inzake de status van vluchtelingen nu eindelijk eens adequaat te gaan toepassen, welke kwalificatie uiteraard niet van toepassing is op de grote massa economische vluchtelingen.

Ten slotte hebben we geen nieuw ondersteuningsbureau voor asielzaken nodig, dat leidt tot een verdere uitbreiding van het asieloerwoud en de wirwar van EU-agentschappen die miljoenen kosten. Zolang we nog geen goed functionerend Schengeninformatiesysteem hebben, mag het Schengengebied niet verder worden uitgebreid. De nieuwe voorstellen zijn niet alleen slecht doordacht, maar zelfs contraproductief. Daarom heb ik mij van stemming onthouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Alfredo Pallone (PPE), schriftelijk.(IT) Ik sta volledig achter het verslag van de heer Coelho. Het Schengeninformatiesysteem is een uitstekend en waardevol instrument gebleken voor beheer en controle binnen de Europese Unie. In de loop van de ontwikkeling van het systeem, en ook vanwege verdere behoeften die gaandeweg duidelijk werden, is het echter noodzakelijk geworden het een en ander bij te stellen en aan te passen.

Het voorstel van de rapporteur komt sterk overeen met dit gezichtspunt: de migratie naar de tweede generatie van het systeem kan niet langer worden uitgesteld of opgeschort. We hebben effectieve en efficiënte instrumenten nodig om informatie over personen die het Schengengebied binnenkomen en erin rondreizen, te coördineren en om die personen te controleren. Daarom wijs ik er, net als de rapporteur, met klem op dat de Commissie het nieuwe Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie zo snel mogelijk moet invoeren.

 
  
  

Verslag-Coelho (A7-0127/2010)

 
  
MPphoto
 
 

  David Casa (PPE), schriftelijk. − (EN) Vóór de migratie naar het nieuwe SIS is het noodzakelijk dat er passende tests worden uitgevoerd en dat de noodzakelijke veiligheidsmaatregelen worden genomen. Hoewel ik van mening ben dat dit op een professionele en grondige wijze dient te gebeuren, deel ik de teleurstelling van de rapporteur over de toenemende vertragingen die de migratie naar het nieuwe systeem belemmeren.

Daarnaast ben ik van mening dat de Rekenkamer moet worden gevraagd het beheer van dit project grondig onder de loep te nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Diogo Feio (PPE), schriftelijk. (PT) De toename van het aantal lidstaten heeft het overgangs- en migratieproces tussen het Schengeninformatiesysteem en het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie aanzienlijk bemoeilijkt. Het Parlement verzoekt terecht om nauwkeurige en bijgewerkte informatie over de ontwikkeling van dit dossier. Ik hoop dat de migratie zo doeltreffend mogelijk zal verlopen, dat de Europese veiligheid op geen enkel moment in gevaar wordt gebracht en dat het gewenste effect wordt bereikt.

 
  
  

Verslag-Tavares (A7-0131/2010)

 
  
MPphoto
 
 

  Zigmantas Balčytis (S&D), schriftelijk. (LT) Ik heb voor dit verslag gestemd omdat het probleem van de vluchtelingen in de Gemeenschap nog steeds zeer relevant is. Op dit moment wordt de hervestiging van vluchtelingen in de Europese Unie niet goed gecoördineerd en nemen jaarlijks niet meer dan tien lidstaten deel aan de hervestiging van vluchtelingen, waardoor er te weinig strategisch gebruik wordt gemaakt van hervestiging als instrument van het externe asielbeleid van de EU. Ik verwelkom het besluit van de Commissie om het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken op te richten. Dit bureau zal ondersteuning geven aan de lidstaten bij het uitvoeren van hervestigingsinitiatieven en zal het beleid binnen de EU coördineren.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Luc Bennahmias (ALDE), schriftelijk. – (FR) De EU doet veel minder dan de Verenigde Staten of Canada aan de opvang en hervestiging van vluchtelingen uit derde landen. Ik heb vóór het initiatiefverslag van het Europees Parlement over de vaststelling van een gemeenschappelijk hervestigingsprogramma van de EU gestemd. Dit verslag vraagt om de vaststelling van een ambitieus en duurzaam EU-hervestigingsprogramma en stelt financiële steun in het vooruitzicht voor lidstaten die bereid zijn eraan deel te nemen.

Dit verslag geeft tegelijkertijd aan dat wij de visie van de Raad niet delen. De Raad wil zich hoofdzakelijk baseren op de nationaliteit van vluchtelingen om te besluiten wie met voorrang voor hervestiging in aanmerking komt. Wij willen dat er naast de geografische herkomst van vluchtelingen een categorie "kwetsbare vluchtelingen" wordt onderscheiden (kinderen en vrouwen die door geweld en uitbuiting worden bedreigd, niet-begeleide minderjarigen, personen met ernstige medische problemen, overlevenden van marteling, enzovoort). Deze laatsten moeten altijd voorrang krijgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Da Graça Carvalho (PPE), schriftelijk. (PT) Het is fundamenteel dat de Europese Unie over een rechtvaardig en realistisch migratiebeleid beschikt. Daarom ben ik ingenomen met dit voorstel voor een doeltreffend, hoogwaardig en duurzaam hervestigingsprogramma dat voorziet in een duurzame oplossing voor vluchtelingen die niet naar hun land van herkomst kunnen terugkeren. Het hervestigingsprogramma kan er mede voor zorgen dat illegale immigratie minder aantrekkelijk wordt voor vluchtelingen die de Europese Unie proberen binnen te komen. Om het welslagen van dit initiatief voor doeltreffende hervestiging te waarborgen, moeten wij ervoor zorgen dat de volwassenen toegang hebben tot de arbeidsmarkt en de minderjarigen onmiddellijk naar school gaan. Daarom is het fundamenteel dat deze mensen gemakkelijk een beroep kunnen doen op diensten voor school- en beroepskeuzebegeleiding. De begeleidende maatregelen moeten ten uitvoer worden gelegd door diverse instanties uit de publieke sector (bijvoorbeeld de gemeente) en het maatschappelijk middenveld, bijvoorbeeld ngo’s, liefdadigheidsinstellingen, scholen en sociale diensten. Het is van essentieel belang om de samenwerking tussen deze instanties te bevorderen. Ik roep de lidstaten op om de ontwikkeling van private financieringsmechanismen en meer algemene publiek-private initiatieven te stimuleren ter ondersteuning van het Europese hervestigingsprogramma.

 
  
MPphoto
 
 

  Carlos Coelho (PPE), schriftelijk. (PT) Het is een goede zaak dat de laatste jaren steeds meer lidstaten aan deze hervestigingsprogramma’s deelnemen. Toch zijn er slechts tien lidstaten die jaarlijks een aantal vluchtelingen hervestigen. Er is op dit vlak geen sprake van onderlinge coördinatie en er bestaat geen gemeenschappelijke EU-strategie voor hervestiging. Het is belangrijk dat de lidstaten solidair zijn met elkaar en de verantwoordelijkheden met betrekking tot de naleving van de internationale verplichtingen op rechtvaardige wijze verdelen.

Een doeltreffend en duurzaam Europees hervestigingsprogramma zal gunstige gevolgen hebben voor de gehervestigde vluchtelingen, voor de lidstaten en ook voor de Europese Unie zelf, die hiermee wereldwijd een belangrijke rol toebedeeld zal krijgen op humanitair vlak. De voorkeur dient uit te gaan naar een multilaterale aanpak waarbij alle relevante actoren op lokaal en internationaal niveau betrokken zijn, zonder de fundamentele rol van de UNHCR uit het oog te verliezen.

Een doeltreffend Europees hervestigingsprogramma moet voorzien in bescherming en duurzame oplossingen en in de oprichting van mechanismen voor samenwerking en coördinatie tussen lidstaten. Bovendien moet het de mogelijkheid bieden om beste praktijken uit te wisselen, een gemeenschappelijke strategie in het leven te roepen en de kosten van de hervestigingsacties te beperken. Ik feliciteer de rapporteur, de heer Tavares, met dit uitstekende verslag en ik onderschrijf zijn voorstel om een hervestigingseenheid op te richten ter bevordering van de coördinatie en het hervestigingsproces.

 
  
MPphoto
 
 

  Robert Dušek (S&D), schriftelijk. − (CS) De ontwerpverordening over de vaststelling van een gemeenschappelijk hervestigingsprogramma van de EU gaat met name over het met voorrang huisvesten van vluchtelingen en aanpassing aan de nieuwe omgeving. Humanitaire catastrofes of andere onvoorziene gebeurtenissen kunnen een ware golf aan vluchtelingen op de been brengen, waar we binnen het kader van de EU gemeenschappelijk op zouden moeten kunnen reageren. Politiek asiel binnen het kader van de Europese Unie wijs ik echter categorisch van de hand. Ik kan mij namelijk onmogelijk voorstellen dat het in lidstaten van de EU juridisch mogelijk is burgers om politieke motieven te vervolgen. De deelname van lokale overheden, alsook die van de nationale overheden aan het hervestigingsprogramma, dient in ieder geval gebaseerd te zijn op vrijwilligheid.

In sommige lidstaten maken buitenlanders al jarenlang een beduidend aandeel uit van de totale bevolking, maar voor andere lidstaten is dit een geheel nieuw fenomeen. Om te voorkomen dat sommige lidstaten of regio's ten prooi vallen aan allerhande onredelijke angsten en vreemdelingenhaat, dient hun belangstelling of juist hun gebrek aan belangstelling om deel te nemen, te worden gerespecteerd. Verder zou het om redenen van uniformiteit en complementariteit van het EU-hervestigingsprogramma met het overige EU-beleid op asielgebied goed zijn het programma te coördineren via het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken. Ondanks alle genoemde voorbehouden heeft het verslag als geheel echter mijn steun.

 
  
MPphoto
 
 

  Diogo Feio (PPE), schriftelijk. (PT) Hervestiging van vluchtelingen blijkt noodzakelijk wanneer in de derde landen die hen opvangen niet de nodige voorwaarden aanwezig zijn om te waarborgen dat deze mensen in veiligheid kunnen leven en in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Daarom voelen de diverse instanties die op dit vlak actief zijn de noodzaak om dit probleem op Europees niveau aan te pakken. Het voorstel voor een gemeenschappelijk hervestigingsprogramma van de Commissie is wellicht een passend middel om een oplossing voor dit vraagstuk aan te reiken. Ongeacht het model waar uiteindelijk voor wordt gekozen, moet de coördinatie tussen de lidstaten en de landen die de vluchtelingen aanvankelijk opvangen dringend worden geïntensiveerd. Alleen zo kunnen wij op dit ernstige humanitaire probleem een doeltreffend, duurzaam en gestructureerd antwoord geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch (NI), schriftelijk. – (FR) De Europese burgers moeten zich niet laten misleiden door de titel van dit verslag: bij hervestiging gaat het niet om een steunpakket voor de repatriëring van immigranten, maar om de opvang, op het grondgebied van de EU, op aanbeveling van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen, van personen die al een eerste opvang hebben gevonden in een derde land, waarbij het eerste land van opvang of van toevlucht hun of de Verenigde Naties om de een of andere reden niet aanstaat. Dat is opnieuw een ongelooflijke nieuwe stimulans voor sociaaleconomische immigratie, onder het mom van een verzoek om internationale bescherming, terwijl een Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken steeds vaker zal worden ingezet om nolens volens asielzoekers over de EU te verdelen. Hoe kunnen we het aan de VN en de eerste landen van opvang overlaten om zo´n controle te organiseren? Hoe kunnen we toestaan dat een Europees bureau lidstaten voorschrijft wie ze op hun grondgebied moeten toelaten, en met welke status? Volgens de UNHCR zijn er in de wereld 750 000 personen die aanspraak zouden kunnen maken op hervestiging. Moeten we die in opdracht van deze organisatie allemaal in onze landen opvangen? Dat is werkelijk onverantwoord!

 
  
MPphoto
 
 

  Nuno Melo (PPE), schriftelijk. (PT) Thans staan slechts tien lidstaten van de Europese Unie, waaronder Portugal, open voor hervestiging van vluchtelingen. In deze situatie moet verandering komen. Wij moeten oplossingen en stimuleringsmaatregelen ontwikkelen om te waarborgen dat steeds meer lidstaten vluchtelingen kunnen hervestigen. Het opzetten van dit programma is een belangrijke stap in die richting. Bovendien zal het ook de deelname van de Europese Unie aan de hervestiging op wereldschaal versterken. Het zal met andere woorden gunstig uitpakken voor de ambitie van de Europese Unie om wereldwijd een voortrekkersrol te spelen op humanitair vlak en op het wereldtoneel in het algemeen.

 
  
MPphoto
 
 

  Alfredo Pallone (PPE), schriftelijk. − (IT) Ik wil graag mijn steun uitspreken voor het verslag van de heer Tavares. Zoals ik heb onderstreept in mijn interventie over de oprichting van een Europees Vluchtelingenfonds, hebben we Europese maatregelen en een Europese aanpak van het probleem nodig.

Ik acht een harmonisering van de procedures voor het verlenen van een vluchtelingenstatus dan ook hard nodig. Er mogen op Europees niveau geen verschillen zijn in de definitie van ‘vluchteling’. Een gemeenschappelijke definitie zou niet alleen de ‘migratie’ van vluchtelingen binnen de landen van de Europese Unie voorkomen, maar ook voor een passender afhandeling zorgen. Naar mijn mening is een gemeenschappelijk programma dan ook een stap in de juiste richting. Tenslotte dient een Europees hervestigingsprogramma bescherming en duurzame oplossingen te bieden, niet alleen voor langdurige vluchtelingensituaties, maar ook voor de noodzaak van snelle en passende oplossingen in nood- en onvoorziene situaties.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Papanikolaou (PPE), schriftelijk. (EL) De goedkeuring van het Europees hervestigingsprogramma voor vluchtelingen uit derde landen in lidstaten van de EU is een stap in de goede richting en ik heb dan ook vóór het verslag gestemd, waarvan ik ook rapporteur was voor de Fractie van de Europese Volkspartij (Christendemocraten). Het is zeer belangrijk de solidariteit tussen de EU en derde landen in vluchtelingenkwesties naar een hoger plan te tillen. Wij moeten echter ook de moed hebben om snel diezelfde solidariteit te tonen binnen de EU, met het opzetten van een programma voor interne verplaatsing van vluchtelingen om de disproportionele druk af te vlakken die bepaalde lidstaten ondervinden in vergelijking tot andere. Het pilotprogramma in Malta is een zeer goed voorbeeld in die richting.

 
  
MPphoto
 
 

  Czesław Adam Siekierski (PPE), schriftelijk. − (PL) Het is goed dat er een gemeenschappelijk hervestigingsprogramma van de EU vastgesteld is. Het aantal te hervestigen vluchtelingen stijgt, in tegenstelling tot het aantal beschikbare opvangplaatsen. Tegelijkertijd zijn de gastlanden waar de vluchtelingen verblijven, vaak de armste landen die niet over de nodige middelen beschikken om zo’n groot aantal mensen op te vangen. Hervestiging moet als een laatste redmiddel beschouwd worden indien de vluchteling niet naar zijn vaderland kan terugkeren of geen veilig toevluchtsoord kan vinden in een derde land. De lidstaten moeten een ambitieuzer programma opstellen om de kwaliteit en doeltreffendheid van hervestiging te verzekeren.

We moeten het opzetten van mechanismen voor private financiering en het nemen van meer overheidsinitiatieven steunen om het Europese hervestigingsprogramma te versterken. We moeten bijzondere aandacht besteden aan de human resources die in het huidige en toekomstige hervestigingsprogramma van de EU nodig zijn, zodat een procedure ingevoerd kan worden die goede praktijken met betrekking tot de aanpassing en integratie van vluchtelingen in het gastland mogelijk maakt.

Het gemeenschappelijke hervestigingsprogramma van de EU moet zo worden ingericht dat het aantal hervestigingen verhoogd wordt en de situatie van de gehervestigde personen in de EU verbetert dankzij een nauwere samenwerking tussen de regeringen van de lidstaten. We moeten de EU-lidstaten ertoe aanzetten om deel te nemen aan het hervestigingsprogramma, dat het begin vormt van politieke en praktische samenwerking tussen de lidstaten ten behoeve van een permanente bescherming van vreemdelingen.

 
  
  

Verslagen-Tavares (A7-0125/2010 - A7-0131/2010), verslagen-Coelho (A7-0126/2010 - A7-0127/2010)

 
  
MPphoto
 
 

  Raül Romeva i Rueda (Verts/ALE), schriftelijk. − (EN) Ik heb voor deze verslagen gestemd, zoals ik ook met de rapporteurs had afgesproken tijdens onze debatten in de Commissie burgerlijke vrijheden.

 
  
  

Verslag-Badia i Cutchet (A7-0141/2010)

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Badia i Cutchet (S&D), schriftelijk. – (ES) Het verslag, waarvan ik hoop dat het door het Parlement met een ruime meerderheid zal worden aangenomen, is een evaluatie van de vooruitgang die tijdens de periode 2007-2009 op Europees niveau is geboekt op het gebied van het onderwijs- en opleidingsbeleid. Ook gaat het verslag in op de uitdagingen die zijn vastgesteld in het kader van het initiatief "New Skills for New Jobs: Action Now" (Nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen: het is nú tijd voor actie). Uit het resultaat blijkt dat er nog te veel tekortkomingen bestaan in de opleiding van onze jongeren, zowel wat betreft de voorbereiding op het werken in de nieuwe economische sectoren als wat betreft het aanleren van vaardigheden om zich in Europa en de wereld, die steeds opener worden en waarin de onderlinge afhankelijkheid toeneemt, te kunnen ontwikkelen. De EU 2020-strategie weerspiegelt het belang van onderwijs en opleiding om de sociale en economische uitdagingen van het komende decennium het hoofd te bieden. Daarom wil ik er speciaal op wijzen dat het in een situatie van economische crisis in de EU belangrijk is dat er in de nationale begrotingen en in de begroting van de EU niet wordt gekort op de posten voor onderwijs- en opleidingsbeleid.

 
  
MPphoto
 
 

  Zigmantas Balčytis (S&D), schriftelijk. (LT) Ik heb dit verslag gesteund omdat ik van mening ben dat we de kwaliteit van onderwijs en opleiding in de EU moeten verbeteren. Helaas zullen de richtsnoeren van de Lissabonstrategie niet vóór eind 2010 ten uitvoer worden gelegd. Ondanks de vooruitgang die in de afgelopen jaren is geboekt, beschikken veel Europese burgers nog steeds niet over voldoende vaardigheden en is een derde van de Europese bevolking zeer laag geschoold. Ook zorgwekkend is het feit dat een toenemend aantal jongeren voortijdig de school verlaat en ook later geen enkele kwalificatie behaalt. Ik denk dat het zeer belangrijk is om zo snel mogelijk een beleid uit te voeren waarmee de kwaliteit van onderwijs en opleiding in de lidstaten kan worden verhoogd. De Europese Commissie, de lidstaten en werkgevers moeten nauw samenwerken met aanbieders van onderwijs en opleidingen teneinde een hoog onderwijsniveau en een bredere reikwijdte daarvan te waarborgen om tegemoet te komen aan de behoeften van de beroepssectoren en de arbeidsmarkt.

 
  
MPphoto
 
 

  Mara Bizzotto (EFD), schriftelijk. − (IT) Ik heb vóór het verslag over de uitvoering van het werkprogramma onderwijs en opleiding 2010 gestemd, omdat het verslag enkele zeer belangrijke passages bevat waarvan ik hoop dat ze concreet worden vertaald in het communautaire beleid en vervolgens door de lidstaten volledig ten uitvoer worden gelegd.

Ik heb het met name over de punten die betrekking hebben op het beroepsonderwijs en de schakel tussen opleidingsprocessen en de behoeftes van de arbeidsmarkt. Vanuit dit oogpunt is het dus zowel voor ons onderwijsstelsel als voor ons economisch systeem, dat bijna geheel uit kleine en middelgrote ondernemingen bestaat, te hopen dat men de noodzaak inziet van een betere aansluiting tussen onderwijsinstellingen, met name die voor het beroepsonderwijs, en het bedrijfsleven.

Het bevorderen van de vorming van partnerschappen tussen nationale en lokale ondernemingen enerzijds en onderwijsinstellingen anderzijds is absoluut een goed idee. Het zou scholen de mogelijkheid bieden opleidingsprogramma’s beter af te stemmen op de daadwerkelijke behoeftes van hun regio en de economische wereld die deze behoeftes weerspiegelt, nog los van het feit dat dit de scholen ook zou helpen een oplossing te vinden voor het eeuwige probleem van het zoeken naar passende middelen om jongeren een kwalitatief hoogstaande opleiding te bieden, die zij direct daarna te gelde kunnen maken op de arbeidsmarkt.

 
  
MPphoto
 
 

  Vilija Blinkevičiūtė (S&D), schriftelijk. (LT) Ik heb voor dit verslag gestemd omdat dit een goed moment is om de onderwijs- en opleidingsdoelstellingen van de Lissabonstrategie te herzien en te evalueren wat er niet goed gegaan is op dit terrein. Het verheugt me dat een van de belangrijkste doelstellingen van de nieuwe EU 2020-strategie bestaat uit het verbeteren van het onderwijsniveau, het terugdringen van het aantal personen dat zonder diploma van school gaat en het laten stijgen van het aantal personen met een hogere opleiding of een equivalent daarvan. In de eerste plaats wil ik wijzen op het feit dat vanwege de snelle ontwikkeling van de informatie- en andere nieuwe technologieën de onderwijsomgeving steeds gecompliceerder en gevarieerder wordt en zich moet aanpassen aan nieuwe behoeften in een veranderende wereld. Daarom moeten de onderwijsprogramma’s van scholen en universiteiten worden herzien en verbeterd, waarbij de behoeften van de veranderende markt als uitgangspunt moeten gelden. In de tweede plaats roep ik op tot grotere inspanningen om het analfabetisme terug te dringen en de vaardigheden van mensen in achterstandsituaties te verbeteren. Een van de belangrijkste doelstellingen van dit programma is het moderniseren van beroepsonderwijs en -opleidingen. Met andere woorden: nauwere relaties met het bedrijfsleven zijn steeds harder nodig en het is van cruciaal belang dat er wordt gewerkt aan nieuwe, aantrekkelijkere vooruitzichten op kwalificaties en mobiliteitskansen voor studenten in het beroepsonderwijs en beroepsopleidingen. Ik ben ingenomen met het feit dat het Europees Parlement aandacht heeft gevraagd voor de integratie van personen met een handicap in onderwijs en opleiding. Ook ben ik het ermee eens dat we passende financiering moeten verschaffen om de integratie van personen met een handicap te vergemakkelijken.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Da Graça Carvalho (PPE), schriftelijk. (PT) Onderwijs en opleidingen van hoge kwaliteit zijn onontbeerlijk voor de persoonlijke ontplooiing van het individu, gelijkheid, de bestrijding van sociale uitsluiting en armoede, actief burgerschap en sociale cohesie. Het is fundamenteel om de kwaliteit van onderwijs en opleiding voor alle leerlingen te verbeteren met het oog op betere resultaten en competenties. Dat is de enige manier om uitvoering te geven aan de vernieuwde sociale agenda voor kansen, toegang en solidariteit en zodoende bij te dragen aan meer en betere banen. Er moet tevens worden gestreefd naar meer mobiliteit tussen instellingen voor hoger onderwijs, ondernemingen en het beroepsonderwijs ter bevordering van het verwerven van competenties als ondernemerschap, intercultureel begrip, kritisch denken en creativiteit. Ten slotte verzoek ik de lidstaten om het hoger onderwijs te moderniseren en, in het bijzonder, de leerplannen af te stemmen op de behoeften van de arbeidsmarkt.

 
  
MPphoto
 
 

  Mário David (PPE), schriftelijk. (PT) Sinds de goedkeuring van de strategie van Lissabon in 2000 heeft het onderwijs- en opleidingsbeleid van de EU een nieuwe impuls gekregen. Daarom ben ik over het geheel genomen blij met dit verslag en in het bijzonder met de mededeling van de Commissie over sleutelcompetenties voor een veranderende wereld. Desalniettemin maak ik mij zorgen over de onbalans tussen de competentieniveaus die tijdens de studietijd worden verworven en de behoeften van de arbeidsmarkt in Europa.

Het welslagen van het initiatief “Nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen” is in hoge mate afhankelijk van de aandacht die wordt besteed aan het beroepsonderwijs en levenslang leren en aan de integratie van sleutelcompetenties zoals digitale, burgerlijke, sportieve en artistieke vaardigheden, leervermogen, ondernemerschap en cultureel bewustzijn.

Om de komende generaties in staat te stellen de huidige kloof tussen de verworven competenties en de vereisten van de arbeidsmarkt te overbruggen, is het dan ook van fundamenteel belang dat wordt voorzien in hoogwaardig kleuteronderwijs als instrument voor vroegtijdige verwerving van sleutelcompetenties; dat in het basis- en voortgezet onderwijs de nadruk komt te liggen op de ontwikkeling van meer specifieke competenties zoals het verwerven van vreemde talen en aandacht wordt besteed aan de behoeften van de gemeenschappen waar de scholen gevestigd zijn; en dat het hoger onderwijs inspeelt op de behoeften van de arbeidsmarkt, het bedrijfsleven en de samenleving in het algemeen.

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (S&D), schriftelijk. (PT) Ik heb voor het verslag over sleutelcompetenties voor een veranderende wereld: uitvoering van het werkprogramma onderwijs en opleiding 2010 gestemd. Ondanks de geboekte vooruitgang zijn de doelstellingen inzake onderwijs en opleiding van de strategie van Lissabon nog lang niet bereikt. Dit verslag analyseert en evalueert wat er fout is gegaan en draagt oplossingen aan voor de uitdagingen die ons nog te wachten staan, bijvoorbeeld het bevorderen van de samenhang tussen onderwijssystemen, beroepsopleidingen en levenslang leren.

 
  
MPphoto
 
 

  Diogo Feio (PPE), schriftelijk. (PT) Als voormalig staatssecretaris voor Onderwijs stel ik tot mijn ongenoegen vast dat mijn land keer op keer slecht scoort in vrijwel alle onderwijsindicatoren. Ik vrees dat deze allesbehalve gunstige resultaten in hoge mate zijn toe te schrijven aan een onderwijsideologie die volledig afwezig lijkt te zijn in de mededeling van de Commissie en de resolutie van het Parlement. Immers, in geen van beide documenten wordt gewag gemaakt van begrippen als “verdienstelijkheid”, “nauwgezetheid”, “inzet”, “concentratie” of “discipline”. Bovendien worden “kennisoverdracht” en “geheugen” minder belangrijk geacht dan op “sleutelcompetenties” gebaseerde “vaardigheden” en “attitudes”.

De regeringen zouden er goed aan doen de statistieken te laten voor wat ze zijn. Het is hoog tijd dat ze het probleem bij de wortel aanpakken, zonder gebruik te maken van misleidende statistieken en breedsprakige methoden die alle actoren van het onderwijsproces van elke verantwoordelijkheid ontslaan. In plaats daarvan moeten zij methoden toepassen die hoofdzakelijk gericht zijn op wetenschappelijke inhoud en leerprocessen, op doeltreffend leren en onderwijzen, veeleer dan op de verkondiging van weliswaar goedbedoelde maar holle clichés. Gelet op de overwegend positieve formulering van de resolutie zal ik voor stemmen, maar niet zonder eerst te verklaren dat ik het fundamenteel oneens ben met de interpretatie van het begrip “onderwijssysteem”.

 
  
MPphoto
 
 

  João Ferreira (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Onderwijs- en opleidingskwesties zijn van uitzonderlijk belang, vooral gelet op de onstuitbare wetenschappelijke en technologische ontwikkeling en de toenemende integratie van de wetenschappelijke en technische kennis in de productieprocessen. Het is in deze context dat het verslag aandringt op de noodzaak “een beleid te ontwikkelen om de kwaliteit van onderwijs en opleiding te verbeteren”, een streven dat wij uiteraard onderschrijven.

In dit verband had het belang van het openbaar onderwijs voor de verwezenlijking van deze doelstelling onderstreept of toch tenminste genoemd moeten worden, maar dat is helaas niet het geval. Er wordt ook met geen woord gerept over de gevolgen van de desinvestering van het openbaar onderwijs, waardoor vele jongeren worden uitgesloten van de toegang tot onderwijs en opleidingen. De voorkeur gaat uit naar een dubieuze en dubbelzinnige versterking van de “samenwerking tussen de publieke en de particuliere sector”. Op het gebied van het hoger onderwijs draagt het Bologna-proces geenszins bij aan de broodnodige verbetering van de opleidingen. Integendeel, in landen als Portugal heeft het de situatie alleen maar verslechterd, vooral in het openbare onderwijssysteem.

Bovendien nemen wij nota van het streven naar flexibiliteit en tekenen wij tegen dit streven protest aan, aangezien het jongeren veroordeelt tot precaire, onzekere, onregelmatige en slecht betaalde banen. Wij kunnen ook niet akkoord gaan met de definitie van het begrip “vrijwillligerswerk” als vervanging van een baan, aangezien dat tot nog meer uitbuiting leidt van jongeren die tot de arbeidsmarkt wensen toe te treden.

 
  
MPphoto
 
 

  Emma McClarkin (ECR), schriftelijk. − (EN) Mijn Britse conservatieve collega’s en ik kunnen het op veel punten met dit verslag eens zijn. We blijven steun geven aan pogingen tot het ontwikkelen van strategieën voor een leven lang leren, het bevorderen van beroepsonderwijs en -opleiding (VET) en betere integratie van sleutelcompetenties zoals vreemdetalenonderwijs, wiskunde en exacte wetenschappen. Het belangrijkste element is naar onze mening dat ervoor gezorgd wordt dat de arbeidsmarkten flexibel genoeg zijn om werkgelegenheid voor jonge mensen te garanderen.

Het standpunt in dit verslag dat alle migrantenkinderen les moeten krijgen in hun eigen moedertaal kunnen wij echter niet steunen. Wij zijn van mening dat dit uiterst onpraktisch, kostbaar en inefficiënt is, vooral op scholen waarop kinderen met veel verschillende taalachtergronden zitten, en dat het niet gunstig is voor de integratie van migranten in de lokale gemeenschappen. Daarnaast is het onderwijsbeleid de verantwoordelijkheid van de individuele natiestaten en moet het dat ook blijven. Daarom hebben wij tegen dit verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Nuno Melo (PPE), schriftelijk. (PT) Sinds de goedkeuring van de strategie van Lissabon in 2000 zijn tal van initiatieven ten uitvoer gelegd die moesten bijdragen aan de verwezenlijking van de strategische doelstelling die destijds door de Europese Raad is geformuleerd, namelijk dat Europa in 2010 de meest dynamische en meest concurrerende kenniseconomie van de wereld moest zijn. Het is fundamenteel dat actie wordt ondernomen om de kwaliteit en de doeltreffendheid van de Europese onderwijssystemen te verbeteren. Daarbij dient bijzondere aandacht uit te gaan naar de opleiding van docenten en opleiders, het bevorderen van de toegang tot onderwijs- en opleidingssystemen, het aantrekkelijker maken van het leerproces, het openstellen van de onderwijs- en opleidingssystemen voor de buitenwereld en het verder aanhalen van de band met de arbeidsmarkt. Het Europees kwalificatiekader, waarmee eenvormige doelstellingen zijn vastgesteld, was een belangrijke stap op weg naar de verwezenlijking van de doelstellingen voor 2010, die echter niet volledig bereikt zijn. Dit document is bedoeld als herziening en evaluatie van het tot dusver verrichte werk. Het belang ervan wordt nog groter als wij het beschouwen als een voorbereidende stap naar de ontwikkeling van herstelstrategieën die ons in de gelegenheid moeten stellen de oorspronkelijke doelstellingen voor de onderwijssector te halen, met name gelet op het nieuwe voorstel voor een strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding voor de periode tot 2020.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI), schriftelijk. (DE) Onderwijs is belangrijk, maar in werkelijkheid zijn goed onderwijs en een goede opleiding al lange tijd geen garantie meer voor werk, laat staan voor een goede baan. In plaats van geld in adequate kwalificatiemaatregelen te steken, wil men met allerlei kaarten laag gekwalificeerde medewerkers naar de EU halen, waarbij overgangstermijnen binnen de arbeidsmarkt als overbodig worden afgedaan. In het kader van de genoemde algemene voorwaarden is het opleidingsprogramma onvoldoende, reden waarom ik tegen heb gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Alfredo Pallone (PPE), schriftelijk. − (IT) De erkenning dat onderwijs en opleiding essentieel zijn voor het welslagen van de kennismaatschappij en voor de economie van de toekomst, is niet langer een mythe. Zij vormen de basis van onze maatschappij en de fundamenten voor onze toekomst en van die van de komende generaties.

Kwalitatief goed onderwijs (voorschools, basis-, voortgezet en hoger onderwijs) en goede beroepsopleidingen zijn essentieel om de problemen waar Europa voor staat op te lossen, ook uit hoofde van de Europa 2020-strategie. Ik ben het eens met het idee achter de mededeling die verschillende strategieën noemt die zouden kunnen worden uitgevoerd, zoals steun voor de ontwikkeling van vaardigheden van onderwijzers, een update van beoordelingsmethoden en de invoering van nieuwe leermethoden. Ik stem vóór het verslag en wil de rapporteur complimenteren met de door haar getoonde fijngevoeligheid bij het opstellen van het verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Papanikolaou (PPE), schriftelijk. – (EL) Ik heb vóór het verslag gestemd over sleutelcompetenties voor een veranderende wereld: uitvoering van het werkprogramma onderwijs en opleiding 2010. De tekst behelst een globale benadering voor de verbetering en de aanpassing van het onderwijs aan de hedendaagse behoeften. Het zoeken naar de oorzaken die ertoe hebben geleid dat de doelstelling van het Bolognaproces voor de convergentie van het hoger onderwijs in de lidstaten niet werd bereikt, het belang van de aanpassing van de onderwijssystemen om de Europese samenleving uit de economische crisis te loodsen en haar te doen terugkeren naar duurzame groei, alsook het belang van de penetratie van nieuwe technologieën op alle onderwijsniveaus, dat zijn de sleutelpunten voor het onderwijsstelsel van morgen. Daarom had ik in de Commissie cultuur en onderwijs overeenkomstige amendementen ingediend, die zijn goedgekeurd.

 
  
MPphoto
 
 

  Raül Romeva i Rueda (Verts/ALE), schriftelijk. − (EN) Ik ben erg blij dat we vandaag het verslag hebben aangenomen dat is opgesteld onder leiding van mijn Catalaanse collega van de S&D-Fractie, Maria Badia i Cutchet, over het zeer belangrijke punt dat we onderwijs en opleiding moeten zien als sleutelcompetenties voor een veranderende wereld.

 
  
MPphoto
 
 

  Marie-Thérèse Sanchez-Schmid (PPE), schriftelijk. (FR) Ik heb voor dit verslag gestemd en ik wil de nadruk leggen op het belang van de basisvaardigheden die iedere Europeaan dient te verwerven. Het aantal jongeren dat op vijftienjarige leeftijd niet goed kan lezen, blijft stijgen (21,3 procent in 2000 en 24,1 procent in 2006). Aangezien we een Europese strategie uitvoeren die gericht is op banen van hoge kwaliteit en een kenniseconomie, zal door dit tekort aan vaardigheden een steeds groter aandeel van de bevolking buitenspel komen te staan. De lidstaten dienen deze prioritaire verwerving van basisvaardigheden (lezen, schrijven, rekenen) in hun opleidingsprogramma op te nemen, voordat hun leerlingen zich specialiseren. Daarnaast is het leren van vreemde talen van cruciaal belang. Als docente Engels ben ik me bijzonder goed bewust van het belang van het leren van vreemde talen. Het feit dat sommige Europese landen achterlopen bij het onderwijzen van vreemde talen zorgt ervoor dat studenten talloze kansen worden ontnomen, terwijl beroepen steeds internationaler worden. Tot slot is de aanpassing van de opleidingsmodellen aan de nieuwe beroepen van de groene economie en van de digitale economie een belangrijke uitdaging voor het onderwijs in Europa. Ondersteuning van “permanente educatie” vormt daarom de sleutel tot flexibele beroepsopleidingen die zijn afgestemd op de beroepen van de toekomst.

 
  
MPphoto
 
 

  Joanna Senyszyn (S&D), schriftelijk. (PL) Met genoegen heb ik het verslag over het werkprogramma onderwijs en opleiding 2010 gesteund en hoop dat de ideeën snel uitgevoerd zullen worden. Als docent en professor met jarenlange ervaring wil ik in het bijzonder wijzen op de noodzaak om te zorgen voor een grotere mobiliteit tussen hogeronderwijsinstellingen, het bedrijfsleven en beroepsonderwijs en -opleidingen.

Het hedendaagse hoger onderwijs moet de studenten gedegen voorbereiden op de arbeidsmarkt. Naast vakkennis zijn ook vaardigheden als ondernemerschap, intercultureel begrip en creativiteit van steeds groter belang. Deze factoren zijn even bepalend voor professioneel succes als de studies.

Daarom is opleiding vanuit dat oogpunt van groot belang. Er moeten ook doeltreffende maatregelen genomen worden om de vertegenwoordiging van vrouwen in wetenschap en wetenschappelijk onderzoek te vergroten. Ik heb mij in dezen al tot de Europese Commissie gericht met een verzoek om advies en de vraag of er speciale programma’s ten behoeve van gelijke kansen voor vrouwen in de wetenschap opgezet kunnen worden.

Dit verslag is van uitzonderlijk belang voor de bevordering van de wetenschap en het verbeteren van beroepskwalificaties, zeker als we de alarmerende gegevens over de vaardigheden van de Europese burgers bekijken. Ik denk onder andere aan het feit dat 77 miljoen mensen, dat wil zeggen bijna een derde van de Europese bevolking tussen 25 en 64 jaar, geen enkele formele opleiding of een heel lage opleiding heeft genoten. Daarom roep ik de EU-lidstaten en de Commissie op om de ideeën van dit programma daadwerkelijk in de praktijk te brengen.

 
  
MPphoto
 
 

  Czesław Adam Siekierski (PPE), schriftelijk. − (PL) Onderwijs vervult een belangrijke maatschappelijke rol, opent deuren en biedt uitzicht op een betere toekomst. Daarom moeten we ons uiterste best doen om via Europese programma’s en studiebeurzen, in combinatie met nationale oplossingen, jongeren te helpen bij hun opleiding. In een tijdperk van globalisering, verhoogde concurrentie en snelle veranderingen is het belangrijk om levenslang te leren.

Dankzij studentenuitwisselingen zoals bijvoorbeeld Erasmus kunnen onze jongeren niet alleen hun vakgerichte kennis verdiepen, maar ook hun horizon verbreden. Ze maken kennis met nieuwe culturen en talen en knopen internationale contacten aan. Hierdoor ontstaan sterkere banden binnen Europa en wordt een Europese identiteit gecreëerd. Europa streeft ernaar om bij de top te behoren op het gebied van onderzoek en ontwikkeling, innovatie en nieuwe technologische oplossingen voor een beter beheer van energiebronnen.

Onze hoop is gevestigd op de jeugd en daarom moeten we deze groep als prioritair behandelen. Jonge afgestudeerden hebben het moeilijk om de arbeidsmarkt te betreden, want werkgevers leggen heel vaak grote nadruk op beroepservaring, die jonge mensen op dat moment nog niet hebben. Daarom moeten we de dialoog tussen onderwijsinstellingen en het bedrijfsleven bevorderen, de studieprogramma’s aanpassen aan de behoeften van de arbeidsmarkt en de nadruk leggen op stages en praktijkopleidingen, die het eenvoudiger maken om een baan te vinden.

 
  
MPphoto
 
 

  Viktor Uspaskich (ALDE), schriftelijk. (LT) Dames en heren, het aanhalen van de broekriem overal in Europa – als gevolg van pijnlijke en zware maatregelen – begint gevolgen te krijgen. Slachtoffers en compromissen zijn al onderdeel van het dagelijks leven in veel sectoren van de EU geworden, maar het is belangrijk (met name tijdens de economische recessie) dat we onze verplichtingen op essentiële beleidsterreinen als onderwijs niet veronachtzamen. Zoals de geschiedenis heeft laten zien, is onderwijs iets om voor te vechten – denk aan de clandestiene onderwijsinstellingen in het door de nazi’s bezette Europa of de ‘vliegende universiteit’ van de dissidenten onder het bewind van Stalin. De mondiale economische crisis betekent dat we ons opnieuw moeten aanpassen. Het beroepsonderwijs en beroepsopleidingen moeten worden aangepast aan de behoeften van de arbeidsmarkt. De mate van alfabetisering in Europa moet worden verbeterd, omdat Europa op dit gebied ver achter ligt bij de Verenigde Staten en Japan. We moeten die kloof overbruggen. Het is zeker belangrijk om het analfabetisme onder jongeren terug te dringen, hun onderlegdheid in cijfers te verbeteren en hun computervaardigheden te vergroten, maar het is niet minder belangrijk om dat ook te doen onder werkloze volwassenen die tot de lagere sociaaleconomische klassen behoren. Een leven lang leren, van de wieg tot het graf, evenals de zogeheten ‘tweede kans’-programma’s voor volwassenen met beperkte capaciteiten, zijn niet alleen belangrijk om de economie en de arbeidsmarkt te stimuleren, maar zijn ook belangrijk voor de sociale integratie en het actief burgerschap. Het is onze plicht om de kwaliteit van de opleidingen in heel Europa te verbeteren en het onderwijs aantrekkelijker te maken. Dat is een zaak van de lange adem, maar wel een die het waard is om voor te vechten.

 
  
  

Verslag-Lehne (A7-0135/2010)

 
  
MPphoto
 
 

  Sebastian Valentin Bodu (PPE), schriftelijk. (RO) Het bewind en beheer van commerciële bedrijven is een kwestie die nieuwe zorgen baart, vooral in de huidige crisis, ook al is er sprake geweest van voortdurende regelgeving. In feite is het in het kader van ons voornemen systemische risico’s terug te dringen absoluut noodzakelijk dat managers verantwoording afleggen, en dan heb ik het hier niet alleen over bestuurders. In het geval van ondernemingen die in strategische sectoren opereren, met hetzij een grote omzetsnelheid of een aanzienlijk marktaandeel, gaan de financiële problemen die zulke ondernemingen kunnen krijgen uiteraard verder dan de simpele belangen van aandeelhouders en betreden ze het rijk van de belanghebbenden, met andere woorden de crediteuren, werknemers, consumenten, de betreffende sector of het betreffende land.

Het amendement dat ik zelf heb voorgesteld om de leden van een raad van bestuur verantwoordingsplichtig te maken op basis van de verplichting dat een deel van de leden van dit orgaan moet bestaan uit professionals, zal bijdragen aan systemische risicovermindering, aangezien het op dat moment niet langer toereikend is een vertegenwoordiger van de aandeelhouder te zijn zo lang – zoals ik heb laten zien – de winst voor de financiële gezondheid en stabiliteit van bepaalde ondernemingen de pure investeringswinst in de vorm van eigendom van aandelenkapitaal overstijgt. Daarnaast moet elektronisch stemmen worden gereguleerd ter bevordering van de betrokkenheid van kleine aandeelhouders, die nu in veel gevallen passief is.

 
  
MPphoto
 
 

  Diogo Feio (PPE), schriftelijk. (PT) Goed bestuur en ethisch bedrijfsmanagement zijn van uitzonderlijk belang, met name in de huidige context, waarin vele aandeelhouders ten gevolge van de schending van deze beginselen hun investeringen hebben verloren. Goede bestuurders met verantwoordelijkheidszin die blijk geven van ethisch gedrag vormen de spil van een evenwichtig besluitvormingsproces dat bedrijven concurrerend maakt. Met betrekking tot de regeling voor ethische praktijken mogen wij het beginsel van individuele autonomie niet vergeten en moeten wij beseffen dat sommige praktijken slechts tot op zekere hoogte gereguleerd mogen worden.

Bovendien lijkt het mij belangrijk om de deelname en de verantwoordelijkheid van de aandeelhouders te versterken teneinde te garanderen dat goede bestuurders en goede ondernemingen door de markt worden beloond en minder ethische bestuurders worden gestraft, zodat hun praktijken de rechten van aandeelhouders niet schaden en geen negatieve gevolgen hebben voor de gehele markt.

 
  
MPphoto
 
 

  Nuno Melo (PPE), schriftelijk. (PT) Uit de huidige financiële crisis blijkt overduidelijk dat wij op een meer verantwoorde manier moeten omgaan met de ethische aspecten van het bedrijfsmanagement. De regeling van de aspecten die betrekking hebben op de beloningsstructuur en het beleid inzake beloning van bestuurders en topmanagers van beursgenoteerde ondernemingen, moet beantwoorden aan ethische beginselen die situaties moeten voorkomen zoals die welke wij onlangs hebben meegemaakt, waarbij managementprijzen zijn toegekend aan bedrijven die later failliet zijn gegaan of het enorm moeilijk hebben gehad. De Europese Unie heeft een industrieel, sociaal en milieumodel nodig dat gericht is op de lange termijn en rekening houdt met de belangen van alle partijen: bedrijven, aandeelhouders en werknemers. Ik heb in overeenstemming hiermee gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Alfredo Pallone (PPE), schriftelijk. − (IT) Ik steun het verslag van de heer Lehne. De recente financiële crisis heeft aangetoond dat verschillende kwesties op het gebied van het beloningsbeleid van bestuurders van bedrijven moeten worden bestudeerd. Ik ben het eens met de suggestie van de rapporteur om een methode te gebruiken die gebaseerd is op bindende maatregelen, teneinde te voorkomen dat het variabele gedeelte van een beloning (bonus, aandelen, etc.) leidt tot te risicovol investeringsbeleid dat te ver afstaat van de reële economie.

Hiertoe lijken wetgevende maatregelen nodig waarmee het probleem van de ongelijkheid tussen de nationale voorschriften inzake de beloningen van bedrijven, met name in het geval van grensoverschrijdende fusies, kan worden opgelost. Met name wat de financiële sector betreft moeten ethische kwesties centraal staan, niet alleen vanuit moreel, maar ook en vooral vanuit maatschappelijk oogpunt. Hiervoor zijn uniforme en algemene richtsnoeren nodig.

 
  
MPphoto
 
 

  Evelyn Regner (S&D), schriftelijk. (DE) Ik heb voor het initiatiefverslag inzake ethische kwesties en bedrijfsmanagement gestemd, omdat ik met name de oproep van het Europees Parlement steun om meer vrouwen op directieposten te benoemen, evenals het verzoek aan de Europese Commissie om een aanbeveling te doen over de invoering van een regeling voor de samenstelling van besluitvormingsorganen van ondernemingen en bij de vervulling van functies bij andere organen en posten in het algemeen. Tegelijkertijd betreur ik het echter dat mijn amendement om dit verplicht te stellen niet in de definitieve resolutie is opgenomen.

Ik had graag gezien dat het Europees Parlement ambitieuzere eisen gesteld had. Ten aanzien van het beloningsbeleid wil ik bovendien wijzen op de ernstige verschillen die er in de praktijk bestaan en benadrukken dat de in de EU-richtlijnen vastgelegde beginselen van gelijke beloning en behandeling van mannen en vrouwen in acht moeten worden genomen en gestimuleerd moeten worden. Ik pleit ervoor dat deze beginselen verplicht worden gesteld in alle lidstaten en dat er een sanctiesysteem wordt ingevoerd voor niet-naleving.

 
  
  

Verslag-Papanikolaou (A7-0113/2010)

 
  
MPphoto
 
 

  Alfredo Antoniozzi (PPE), schriftelijk. − (IT) Ik heb vóór het verslag van de rapporteur gestemd, omdat ik me ervan bewust ben dat de gevolgen van de economische en financiële crisis inmiddels het weefsel van de maatschappij hebben bereikt en aangetast, met name Europese jongeren, die geconfronteerd worden met zorgwekkende werkloosheidscijfers.

Ik ben dan ook van mening dat het de taak is van de Europese instellingen om een duidelijke strategie op te stellen die het enerzijds mogelijk maakt gebruik te maken van bestaande mobiliteits- en opleidingsprogramma’s (zoals Comenius, Erasmus en Leonardo da Vinci) en anderzijds de aansluiting tussen onderwijsaanbod en vaardigheden en de eisen en behoeftes van de arbeidsmarkt te verbeteren, teneinde de noodzakelijke overgang van het beroepsonderwijs naar het arbeidsleven soepeler en beter te laten verlopen.

 
  
MPphoto
 
 

  Zigmantas Balčytis (S&D), schriftelijk. (LT) Ik ben het met deze resolutie eens omdat we bij het vormgeven van het beleid van nu een grote verantwoordelijkheid hebben tegenover jonge mensen en toekomstige generaties. De Europese Unie beschikt over belangrijke instrumenten voor het voeren van jeugdbeleid, maar deze instrumenten moeten volledig worden gebruikt, gecommuniceerd en geïntegreerd. Ik maak me zorgen over het groeiend aantal jongeren dat werkloos is of geen volledige baan of baanzekerheid heeft, vooral in de huidige economische crisis. Het is buitengewoon belangrijk dat de Lissabonstrategie voor de periode na 2010 en de EU 2020-stategie een jeugdperspectief bevatten. Ook steun ik het voorstel om de nodige maatregelen ten behoeve van jongeren te ontwikkelen in de herstelplannen in de context van de economische en financiële crisis en om voor een betere integratie van jongeren in de arbeidsmarkt te zorgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Mara Bizzotto (EFD), schriftelijk. − (IT) Het verslag, waar ik vóór heb gestemd, bevat interessante ideeën en suggesties voor de ontwikkeling van constructieve beleidsmaatregelen die gericht zijn op het vergroten van de eigen verantwoordelijkheid van jongeren in de hedendaagse maatschappij.

Vandaag de dag moeten jongeren heel wat problemen overwinnen om hun weg te vinden op de arbeidsmarkt en in de maatschappij. Ik ben het eens met het basisidee van het verslag: het Parlement zou een nuttig instrument kunnen zijn voor de tenuitvoerlegging van Europese strategieën gericht op jongeren, gezien zijn democratische oorsprong en de daarmee gepaard gaande capaciteit om de wensen van jongeren in de verschillende lidstaten te verzamelen en hun eisen onder de aandacht te brengen van Europa.

Net als in voorgaande interventies wil ik het belang benadrukken van een goede aansluiting tussen opleiding en het lokale bedrijfsleven. Alleen op die manier kunnen wij de jongeren van vandaag en morgen helpen de arbeidsmarkt soepeler en met meer tevredenheid te betreden. Voor miljoenen jongeren is het vinden van een baan nog steeds het grootste probleem, met name in de huidige economische crisis, die het werkloosheidscijfer onder jongeren heeft doen oplopen tot meer dan 20 procent.

Ik ben het ook volledig eens met de nadruk die in het verslag wordt gelegd op de maatschappelijke en menselijke relevantie van vrijwilligerwerk door jongeren, aangezien vrijwilligerswerk bijdraagt aan hun persoonlijke en collectieve groei.

 
  
MPphoto
 
 

  Vilija Blinkevičiūtė (S&D), schriftelijk. (LT) Ik heb voor dit verslag gestemd omdat het ontwikkelen en uitvoeren van de EU-strategie voor de jeugd zeer belangrijk is, vooral in deze tijd van economische en financiële crisis, die een negatief effect heeft gehad op de jeugdwerkgelegenheid en die hun toekomstige welvaart bedreigt. Omdat jongeren de toekomst van Europa zijn, is het onze taak ze te helpen door een goede jeugdstrategie uit te voeren. Daarom moeten de lidstaten bovenal het recht van alle kinderen en jongeren op openbaar onderwijs waarborgen en iedereen dezelfde kansen op onderwijs bieden, ongeacht hun sociale achtergrond en financiële situatie. Ik wil aandacht vragen voor het feit dat, zoals in de nieuwe EU 2020-strategie is vastgelegd, er zo snel mogelijk maatregelen moeten worden genomen om het aantal studenten te verminderen dat voortijdig en zonder diploma met een opleiding stopt. Alleen door flexibelere onderwijsomstandigheden te creëren voor alle jongeren en door voor iedereen het recht om te leren en te studeren te waarborgen, kunnen we jongeren mogelijkheden bieden om voet aan de grond te krijgen op de arbeidsmarkt. Ook wil ik benadrukken er specifieke beleidsrichtsnoeren moeten worden opgesteld voor de uitvoering van het werkgelegenheidsbeleid en de bestrijding van de jeugdwerkloosheid. Het is bijzonder belangrijk dat de ondernemingsgeest onder jongeren wordt bevorderd door middel van flexibelere voorwaarden voor het verkrijgen van microkredieten en microfinanciering.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Da Graça Carvalho (PPE), schriftelijk. (PT) De jeugd wordt zwaar getroffen door de economische crisis. Daarom ben ik ingenomen met deze vernieuwde strategie voor jongeren, die het welzijn van de toekomstige generaties op de politieke agenda plaatst. Gelet op het feit dat de kennisdriehoek een sleutelelement is voor groei en werkgelegenheid, is het belangrijk dat de jeugd meer kansen worden geboden in onderwijs en werkgelegenheid door een betere interactie tussen onderwijs, onderzoek en innovatie te waarborgen. De Parlementsleden spelen een cruciale rol bij de bevordering van het Europese jeugdbeleid in de lidstaten. Ik vestig uw aandacht op het probleem van het vroegtijdig schoolverlaten en de noodzaak om ervoor te zorgen dat een zo groot mogelijk percentage jongeren het verplichte onderwijs afmaakt.

Anderzijds is voor het Parlement een fundamentele rol weggelegd bij de formulering, implementering, monitoring en evaluatie van de strategieën voor jongeren. Het is van essentieel belang dat de communautaire programma's en middelen blijk geven van de ambitie van Europa voor de jeugd en dat de EU-programma's en -acties op elkaar worden afgestemd teneinde een EU-strategie voor jongeren tot stand te brengen.

 
  
MPphoto
 
 

  Nessa Childers (S&D), schriftelijk. − (EN) Ik heb voor gestemd omdat, hoewel de EU-strategie voor jongeren weliswaar uit de aard der zaak een breed en alomvattend document is, het cruciaal is om te bevestigen dat een nieuwe strategie onderwijs centraal moet stellen bij de ambities en het beleid. In het verleden zou bij een dergelijk onderwijsbeleid terecht de nadruk zijn gelegd op de noodzaak voor alle scholieren in de EU om basis- en voortgezet onderwijs af te ronden. Gelukkig zijn we nu op een punt gekomen waarop we het ons kunnen permitteren om onze aandacht op ambitieuzere doelen te richten. In de afgelopen twee decennia zijn er veel initiatieven uitgeprobeerd die erop gericht waren mensen uit de demografische groepen die van oudsher niet snel naar de universiteit zouden gaan ertoe te bewegen hoger onderwijs te volgen. Sommige van deze initiatieven waren succesvoller dan andere, maar in het algemeen blijven het dezelfde sociale groepen die de overgrote meerderheid van de studenten in het hoger onderwijs vormen. Dat mag zo niet doorgaan. Als we echt iets willen doen aan de armoede die nog steeds bestaat, maar vaak niet wordt opgemerkt in de EU, moet er een effectief systeem komen waardoor de nu nog ondervertegenwoordigde groepen in de samenleving echt vertegenwoordigd worden in het hoger onderwijs.

 
  
MPphoto
 
 

  Carlos Coelho (PPE), schriftelijk. (PT) Ik steun het verslag van de heer Papanikolaou over “Een EU-strategie voor jongeren – Investeringen en empowerment”. Ik onderschrijf het verzoek aan de lidstaten om volledige uitvoering te geven aan de bepalingen van het Verdrag van Lissabon betreffende jeugdbeleid, zoals het aanmoedigen van de deelname van jongeren aan het democratische leven, bijzondere aandacht voor jonge sporters en de handhaving van het Handvest van de grondrechten.

Ik onderstreep de belangrijke rol van de programma's Comenius, Erasmus en Leonardo da Vinci bij de ontwikkeling van het Europese onderwijs- en opleidingsbeleid. Ik roep de Commissie op prioriteit te geven aan instrumenten die jongeren betere kwalificaties bezorgen en meer kans op een baan bieden, en met name aan de ontwikkeling van “Erasmus First Job”. Ook de voortzetting van de strijd tegen drugs, alcohol, roken en andere verslavingen - met inbegrip van gokverslaving - draagt mijn goedkeuring weg.

Ik benadruk de rol van seksuele voorlichting van jongeren bij de bescherming van hun gezondheid. Tevens onderstreep ik het belang van vrijwilligerswerk en, zoals de Portugese Sociaaldemocratische Jongeren (JSD) steeds hebben bepleit, ben ik van oordeel dat jongeren verantwoordelijkheid moeten dragen en een hoofdrol moeten spelen bij de formulering en de uitvoering van het jeugdbeleid op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau.

 
  
MPphoto
 
 

  Mário David (PPE), schriftelijk. (PT) Investeren in jeugdbeleid is van essentieel belang voor de toekomst van de Europese samenlevingen, met name in een tijd waarin het aandeel van jongeren in de totale bevolking voortdurend afneemt. Daarom ben ik bijzonder ingenomen met zowel het EU-Jeugdverslag, waarin voor het eerst gegevens over de situatie van jongeren in Europa zijn samengebracht, als de drie prioriteiten voor de jeugd van de Commissie.

Het scheppen van meer kansen voor de jeugd in onderwijs en werkgelegenheid, het verbeteren van de toegang tot en volledige deelname aan de samenleving voor alle jongeren en het stimuleren van de sociale inclusie en de solidariteit tussen jongeren zijn de basispijlers van een doeltreffend Europees jeugdbeleid en kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van een Europees bewustzijn. Gelet op het feit dat de verschillende lidstaten diverse definities van het begrip “jeugd” hanteren en dat het jeugdbeleid onder het subsidiariteitsbeginsel valt, moeten wij beseffen dat deze zwakke punten een doeltreffende tenuitvoerlegging van de instrumenten van het jeugdbeleid kunnen bemoeilijken. Om concrete resultaten te behalen is het met het oog op een nieuw kader voor Europese samenwerking in jeugdzaken essentieel dat de open coördinatiemethode wordt versterkt en dat de regeringen van de lidstaten blijk geven van een hoge dosis wilskracht en politiek engagement.

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (S&D), schriftelijk. (PT) Ik heb voor het verslag over een “EU-strategie voor jongeren – Investeringen en empowerment” gestemd. De economische crisis legt voorlopig een zware hypotheek op de toekomstige beroepsmogelijkheden van miljoenen jongeren overal in Europa, vooral omdat het nu voor hen nog moeilijker is om tot de arbeidsmarkt toe te treden. Wij mogen niet het risico lopen dat het talent van deze jongeren wordt verspild. Daarom zijn dringend opleidingsmaatregelen nodig die waarborgen dat de vaardigheden en de vraag van de arbeidsmarkt beter op elkaar zijn afgestemd. Dat zal ongetwijfeld de autonomie en de economische afhankelijkheid van jongeren ten goede komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Diogo Feio (PPE), schriftelijk. (PT) Op een moment dat Europa de grootste en ernstigste economische en financiële crisis van de laatste decennia doormaakt, is het fundamenteel dat de EU-strategie voor jongeren die wij hier bespreken zich richt op de problemen die het gevolg zijn van de crisis en vooral jongeren treffen. Ik denk dan met name aan het hoge werkloosheidspercentage onder jongeren, de moeilijke toegang tot de arbeidsmarkt, de lage lonen, de kloof tussen de formele kennis die op school en aan de universiteit wordt verworven en de eisen van het beroepsleven en het onvermogen om de - immer veeleisende - toetreding tot het beroepsleven te verenigen met het gezinsleven.

Deze zorgpunten moeten deel uitmaken van om het even welke Europese strategie voor jongeren. Wij hebben dus beleidsmaatregelen en strategieën nodig die de Europese jongeren in de gelegenheid stellen zich sneller en beter aan te passen aan de uitdagingen van de 21ste eeuw, vooral in deze tijden van crisis. Ik onderstreep met name het belang van maatregelen waarin de nodige aandacht wordt besteed aan onderwijs, het verwerven van nieuwe vaardigheden en het bevorderen van de creativiteit en het ondernemerschap. Ten slotte ben ik van oordeel dat de coördinatie tussen de verschillende actoren die deelnemen aan de tenuitvoerlegging van de strategie voor jongeren moet worden geïntensiveerd. Dat is de enige manier om de beoogde doelstellingen ook daadwerkelijk te kunnen verwezenlijken.

 
  
MPphoto
 
 

  José Manuel Fernandes (PPE), schriftelijk. (PT) Om de situatie van jongeren te verbeteren is een goed onderwijssysteem nodig waarin absolute prioriteit wordt gegeven aan problemen als vroegtijdig schoolverlaten en analfabetisme, en waarin gelijke toegang voor alle jongeren tot onderwijs en opleiding van goede kwaliteit op alle niveaus gewaarborgd is. Ook mogelijkheden tot een leven lang leren moeten verder worden bevorderd. Gelet op het feit dat de Europese jeugd van vandaag geconfronteerd wordt met groeiende werkloosheidscijfers en dat met name laaggekwalificeerde jongeren meer risico op werkloosheid lopen, is het onontbeerlijk dat jongeren een zo goed mogelijke opleiding krijgen die hun een snelle toegang tot en een duurzame participatie op de arbeidsmarkt garandeert. Het komt erop aan een eerste baan te vinden. Daarom hebben wij een voorstel voor een “Erasmus First Job” gelanceerd, dat inmiddels is goedgekeurd. Nu is het aan de Europese Commissie om aan dit voorstel gevolg te geven. De Europese Unie moet informatie verstrekken over de reeds bestaande instrumenten en deze verder ontwikkelen en beter implementeren. Wij moeten jongeren aansporen tot een meer actieve participatie, inzonderheid met het oog op de totstandbrenging van de recyclingsamenleving in de strijd tegen de klimaatverandering, waaraan de jeugd overigens reeds op genereuze wijze heeft bijgedragen.

 
  
MPphoto
 
 

  João Ferreira (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Wij zijn van oordeel dat dit verslag getuigt van een juiste visie op de aanpak van de problemen van jongeren als iets dat dwars door verschillende sectoren van de samenleving loopt. In lijn hiermee identificeert het verslag specifieke problemen op diverse terreinen: onderwijs en opleiding, werkgelegenheid, gezondheid, welzijn en milieu, participatie, cultuur, enzovoort. Het gaat met name om problemen zoals vroegtijdig schoolverlaten, werkloosheid, baanonzekerheid en slechte arbeidsomstandigheden, onbetaalde stages, braindrain, achteruitgang van het milieu, drugsverslaving en sociale uitsluiting.

Sommige van de voorstellen die de rapporteur aandraagt om deze problemen op te lossen, lijken ons goed en verdienen onze steun. Andere vinden wij ontoereikend, dubbelzinnig of zelfs tegenstrijdig. Wij kunnen bijvoorbeeld niet aanvaarden dat in het kader van een Europa 2020-strategie die “meer focust op jongeren”, flexibiliteit en baanonzekerheid en ook onregelmatige arbeid – concepten die in de strategie worden genoemd - gelden als een “strategische” oplossing voor de jeugd, onder het voorwendsel dat zij het concurrentievermogen zouden opdrijven en een uitweg uit de crisis zouden bieden.

Zoals op andere gebieden is ook hier een harmonisering nodig die bijdraagt aan de maatschappelijke vooruitgang. Het gaat niet op om de levens- en arbeidsomstandigheden van jongeren naar beneden toe bij te stellen. Sommige landen, waaronder Portugal, hebben een ruime waaier van jongerenrechten in hun grondwet verankerd. Zaak is dat die rechten niet beperkt maar geïmplementeerd worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Elisabetta Gardini (PPE), schriftelijk. − (IT) Werklozen, werknemers met onzekere arbeidscontracten, stagiairs. Wat zijn de vooruitzichten van de jongere generatie? Welke verwachtingen hebben zij van het leven? Hoe zullen jongeren zich voelen die gedwongen zijn bij hun ouders te blijven wonen en door hen te worden onderhouden, zonder te kunnen denken aan het stichten van een gezin? Jongeren die nu eens wel en dan weer niet werken, vaak onderbetaald worden en taken verrichten die behoorlijk onder hun opleidingsniveau liggen. Jongeren die geen pensioen opbouwen. Wat heeft de toekomst voor hen in petto?

Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het zijn de jongeren die de hoogste rekening van de crisis betalen.

Ze zijn teleurgesteld, en geschrokken van het feit dat ze wel eens van de arbeidsmarkt uitgesloten zouden kunnen worden. Het heeft geen zin ons te verschuilen achter goede intenties en beloftes. Jongeren vragen om feiten. En wij hebben de plicht concrete oplossingen te bieden.

Wij moeten investeren. We moeten zekerheden en kansen bieden. De arbeidsmarkt is aan het veranderen en wij moeten de omstandigheden creëren die ervoor zorgen dat jongeren zich als eerste aanpassen aan de veranderingen. Zij maken gebruik van nieuwe technologieën en volgen onderwijstrajecten die aansluiten bij de nieuwe eisen.

We moeten onze inspanningen opvoeren. Jongeren moeten centraal staan in onze Europese beleidsmaatregelen. Als de jongeren geen toekomst hebben, dan heeft de hele maatschappij geen toekomst.

 
  
MPphoto
 
 

  Tunne Kelam (PPE), schriftelijk. − (EN) Ik heb voor het verslag over de nieuwe strategie voor jongeren gestemd, omdat ik van mening ben dat de jonge mensen van vandaag de toekomst van Europa zijn. We moeten nu maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat jongeren zo goed mogelijk voorbereid zijn op hun verdere leven en zo goed mogelijk toegerust zijn om de uitdagingen het hoofd te bieden.

Ik dring er bij de lidstaten op aan de nieuwe strategie voor jongeren serieus te nemen en de voorgestelde maatregelen krachtdadig ten uitvoer te leggen. De strategie voor jongeren moet tot uiting komen in de persoonlijke en professionele ontwikkeling van alle jongeren in Europa door hun de middelen te geven om in binnen- en buitenland te leren door middel van formeel, niet-formeel en informeel onderwijs. De strategie moet jongeren ook de mogelijkheid tot zelfverwezenlijking bieden en hun deelname aan de maatschappij versterken.

Geen enkel beleid kan werkelijk functioneren zonder transsectorale tenuitvoerlegging. Alle relevante actoren in de verschillende sectoren moeten samenwerken om de strategie tot een succes te maken. Hoewel het jongerenbeleid in Europa op nationaal niveau wordt uitgevoerd, moeten we van elkaar leren en voorbeelden stellen. Openbaarmaking van de nationale verslagen is een cruciale stap om dichter bij onze jonge burgers te komen, maar ook om te leren van elkaars goede werkwijzen en van mogelijke uitdagingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Iosif Matula (PPE), schriftelijk. (RO) De wereldwijde economische crisis is slechts een van de factoren die leiden tot veranderingen in gedrag en levensomstandigheden van jongeren in Europa. Dat moet een alarmbel doen rinkelen bij zowel de lidstaten als de Europese Unie.

In Europa is al enige tijd sprake van een afnemende bevolking. Dit heeft dramatische gevolgen voor onze economieën en socialezekerheidsstelsels. Het is zorgwekkend dat jonge mensen steeds later trouwen en kinderen krijgen. Tegelijkertijd worden hun goede mogelijkheden onthouden om hun vaardigheden te ontwikkelen en actief deel te nemen aan de maatschappij.

Onderwijs, werkgelegenheid, sociale integratie en gezondheid zijn zaken die voor jongeren van het grootste belang zijn, maar waarmee lidstaten worstelen. Dat is precies de reden dat ik heb gestemd voor het verslag dat door de heer Papanikolaou is samengesteld. Ik ben ervan overtuigd dat de wijzigingen die wij hebben voorgesteld een belangrijke bijdrage zullen leveren aan de taak een jongerenbeleid uit te stippelen dat hen in staat stelt onafhankelijk beslissingen te nemen en hun eigen initiatieven te ontplooien, dat jongeren in achterstandssituaties gelijke toegang tot onderwijs biedt en dat later voor hun integratie in de arbeidsmarkt zorgt.

Ik meen dat een partnerschap met de massamedia, dat gericht is op een verbetering van het profiel van Europese programma’s en projecten voor jongeren, een zeer belangrijke factor is voor het bereiken van onze doelstellingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Nuno Melo (PPE), schriftelijk. (PT) De EU-strategie voor jongeren wordt steeds belangrijker en moet thans op de politieke agenda een prioritaire plaats innemen, aangezien jongeren 20 procent van de totale bevolking uitmaken. De doelstellingen zijn duidelijk en welomlijnd en hebben betrekking op belangrijke terreinen zoals het creëren van meer kansen op werkgelegenheidsgebied en het bevorderen van de actieve deelname van jongeren aan de samenleving. In deze tijden van financiële en economische crisis, waarin bovendien ook het probleem van de vergrijzing toeslaat, zijn jongeren een van de meest kwetsbare groepen. Daarom pleit ik voor een resolute ontwikkeling van een jeugdbeleid op Europees niveau. Ik heb in overeenstemming hiermee gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI), schriftelijk. (DE) Met name jongeren worden bijzonder hard getroffen door de huidige crisis. Gezien de toenemende werkloosheid onder jongeren is het van belang dat de scholingsmogelijkheden worden verbeterd. Terwijl wij op EU-niveau nog over bevordering praten, wordt in de EU-lidstaten al bezuinigd op financiële steun aan universiteiten.

Als we de jongeren daadwerkelijk willen helpen, moeten we een einde maken aan het fenomeen van de 'eeuwige stagiair'. De gepresenteerde maatregelen zijn in het beste geval een intentieverklaring, maar zullen gezien de omstandigheden in deze tijden van crisis nauwelijks voldoende zijn om daadwerkelijk iets te bewerkstelligen. Daarom heb ik mij van stemming onthouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Radvilė Morkūnaitė-Mikulėnienė (PPE), schriftelijk. (LT) Ik heb voor dit document gestemd omdat ik zelf deel uitmaak van de jongere generatie die de toekomst van de EU vormgeeft en ik me zorgen maak over het soort toekomst dat mij en de leden van mijn generatie te wachten staat. Op dit moment is werkloosheid een van de grootste problemen waarmee jongeren in mijn land, Litouwen, te maken hebben, evenals in andere EU-lidstaten, en we beginnen de jongeren van vandaag al de verloren generatie van deze tijd te noemen. Een ander probleem is dat het onderwijssysteem niet aansluit op de behoeften van de arbeidsmarkt. Hoewel we het met de mededeling van de Commissie over een EU-strategie voor jongeren eens zijn, vrees ik dat deze strategie, zoals vele andere strategieën die we hebben aangenomen, nooit verder zal komen dan mooie verklaringen op papier. Wij, het Europees Parlement, andere EU-instellingen en de lidstaten moeten begrijpen dat als we vandaag niet voor onze jongeren zorgen, geen van onze andere strategieën, met inbegrip van de EU 2020-strategie, ooit zal worden uitgevoerd, omdat er dan niemand meer over is om ze uit te voeren. Daarom verzoek ik de Commissie, de andere bevoegde instellingen en de lidstaten om zo snel mogelijk specifieke maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat deze strategie werkelijkheid wordt.

 
  
MPphoto
 
 

  Wojciech Michał Olejniczak (S&D), schriftelijk. − (PL) Ik heb voor de resolutie van het Europees Parlement nr. A7-0113/2010 over het verslag “Een EU-strategie voor jongeren – Investeringen en empowerment” (2009/2159 (INI)) gestemd, omdat het vaststellen van een strategie voor jongeren uitzonderlijk belangrijk is. De jongeren in de Europese samenleving zullen in de nabije toekomst met vele uitdagingen te kampen hebben. De economische crisis en de vergrijzing in de maatschappij zijn ongetwijfeld belangrijke en brandende kwesties, en zullen vooral van invloed zijn op de jongeren die de toekomst moeten opbouwen. Gelijke kansen en gelijke toegang, dat zijn zaken die we zowel nu als binnen enkele jaren aan deze mensen moeten bieden. Er zijn spijtig genoeg veel getalenteerde jonge mensen waarbij het er om allerlei redenen nog niet uit is gekomen. Wij moeten hun een tweede kans geven. Oplossingen zoals financiële steun voor pas afgestudeerden zijn noodzakelijk om zonder problemen de arbeidsmarkt te betreden. De werkloosheid bij jongeren is spijtig genoeg hoog en de ongelijkheid op de arbeidsmarkt blijft bestaan. En er zijn zeker nog andere problemen dan degene die ik net vermeld heb. Daarom ben ik het volledig eens met de rapporteur dat “dit verslag een verdere stap in een voortdurend proces van inzet is. Een inzet die onze plicht is, een eeuwige plicht tegenover de toekomstige generaties”. Dit wordt nu van ons verwacht en dit moeten we waarmaken.

 
  
MPphoto
 
 

  Alfredo Pallone (PPE), schriftelijk. − (IT) Ik ben het eens met het standpunt van de heer Papanikolaou. De opstelling van een nieuwe strategie van de EU voor jongeren is van cruciaal belang. De hoofddoelstelling van de nieuwe strategie voor jongeren zou dan ook een efficiënter gebruik van de huidige instrumenten en het bevorderen van kennis moeten zijn. Er kan vooruitgang worden geboekt door de regeringen aan te sporen meer op dit vlak samen te werken, ongeacht de verschillen tussen de nationale beleidsmaatregelen voor jongeren.

Dit is een essentiële factor om de toekomstige generatie Europese burgers een veelbelovende toekomst te bieden. De economische crisis heeft enorme gevolgen voor jongeren en vormt een bedreiging voor hun toekomstige welvaart. Bovendien zal de vergrijzing grote gevolgen hebben voor hun toekomst. In het licht van de vele vormen van druk waaraan jongeren worden blootgesteld en de daaruit voortvloeiende plicht om hen te steunen door middel van een efficiënte jongerenstrategie, evenals het feit dat voor het jongerenbeleid het subsidiariteitsbeginsel geldt en dat de lidstaten op dit vlak op vrijwillige basis samenwerken, is het van essentieel belang dat de nieuwe strategie de zwakke punten uit de vorige strategie oplost en concrete resultaten biedt.

 
  
MPphoto
 
 

  Ioan Mircea Paşcu (S&D), schriftelijk. − (EN) Het opleiden van jonge mensen is een cruciale taak, want als er fouten worden gemaakt en deze niet tijdig worden rechtgezet, hebben ze vaak gevolgen voor een hele generatie en is de kans groot dat ze worden herhaald, wat leidt tot een verdere verslechtering. Het probleem van onze ‘strategieën’ is dat we, als ze eenmaal zijn opgesteld, geobsedeerd raken door de tenuitvoerlegging en daardoor de noodzaak om ze regelmatig te herzien en aan te passen uit het oog verliezen.

Deze strategie voor jongeren, die grotendeels voor de huidige crisis is opgesteld, heeft nu al met een aantal uitdagingen te maken: hoe moeten we jongeren beschermen tegen de negatieve psychologische invloed van de huidige crisis; hoe bereiden we hen voor op de wereld van morgen in plaats van die van vandaag; hoe zorgen we voor gelijke kansen op onderwijs, ongeacht inkomen; hoe maken we onderscheid tussen ‘mobiliteit’ en ‘braindrain’ en hoe vinden we een evenwicht tussen ‘virtuele banden’ via het internet en daadwerkelijke banden en teamgeest door middel van collectieve activiteiten?

Dit zijn ‘strategische’ uitdagingen die ‘strategische’ aandacht moeten krijgen van beleidsmakers in alle EU-landen.

 
  
MPphoto
 
 

  Marie-Thérèse Sanchez-Schmid (PPE), schriftelijk. – (FR) Ik heb voor dit verslag gestemd, omdat het tot doel heeft actief burgerschap en sociale integratie van en solidariteit tussen alle jongeren te bevorderen. Hoewel op het terrein van jeugdbeleid subsidiariteit de regel is, moeten wij de lidstaten ertoe aanzetten om gemeenschappelijke doelen en agenda's vast te stellen, en hun samenwerking en uitwisseling van goede praktijken te verbeteren. Als je weet dat in Europa een op de vier jongeren van vijftien jaar over een slechte leesvaardigheid beschikt, moet er dringend iets gebeuren. Nu de besprekingen over de begroting voor 2011 aan de gang zijn, baart het verschil tussen de ambities van het verslag dat we zojuist hebben aangenomen, en de bezuiniging van 3,4 procent op het budget voor "Jeugd in actie" mij zorgen. Waarom moeten we juist een programma dat gericht is op de ontwikkeling van het gevoel van burgerschap, de solidariteit en de tolerantie van jonge Europeanen, inkrimpen? Ik hoop dus dat de Strategie 2020, die gebaseerd is op een slimme, duurzame en inclusieve economie, vergezeld zal gaan van ambitieuze financiële verbintenissen voor het onderwijs en de opleiding van de jeugd, want in deze tijden van systeemcrisis kan de EU op de middellange termijn alleen overleven als haar jeugd goed is opgeleid en enthousiast meedoet met het Europese project.

 
  
MPphoto
 
 

  Joanna Senyszyn (S&D), schriftelijk. (PL) Ik heb de EU-strategie voor jongeren met volle overtuiging gesteund en ik ben ervan overtuigd dat ze zal slagen. Dit is een van de belangrijkste opdrachten van de Commissie cultuur en onderwijs, waar ik lid van ben. De situatie van de jongeren en hun kansen in het onderwijs en het beroepsleven moeten verbeterd worden. In deze context zijn drie kwesties van cruciaal belang.

1. De jongeren in de EU, ook in Polen, maken met succes gebruik van Europese programma’s zoals Comenius, Erasmus en Leonardo da Vinci. Daarom is het belangrijk dat de subsidies voor deze programma’s verhoogd worden en dat ze erkend worden als basis voor de ontwikkeling van een meerjarenstrategie van de EU voor jongeren. Er moeten in de toekomst meer financiële middelen voor deze programma’s uitgetrokken worden. Investering in de opleiding van jongeren is een van de beste manieren om Europese middelen te gebruiken. Ik roep ook op tot verbetering en volledige tenuitvoerlegging van het Erasmus Mundusprogramma.

2. Als socialiste wil ik de noodzaak benadrukken om jongeren gelijke kansen te geven bij hun toegang tot het onderwijs. Jongeren die zich geen hoger onderwijs kunnen veroorloven, moeten financieel ondersteund worden. We moeten ook de toegang tot de arbeidsmarkt vergemakkelijken en jongeren hierbij steunen.

3. In het kader van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon wil ik wijzen op de plicht van de lidstaten om deze strategie uit te voeren. De strategie wil jongeren onder andere aansporen om deel te nemen aan het democratische leven. Er wordt bijzondere aandacht besteed aan jonge sportmannen en -vrouwen, en het handhaven van de bepalingen van het Handvest van de grondrechten.

 
  
MPphoto
 
 

  Czesław Adam Siekierski (PPE), schriftelijk. − (PL) Het verslag dat door het Europees Parlement goedgekeurd is, biedt een gedegen analyse van de jongerenkwestie, die vele facetten kent. Soms lijkt het of deze kwestie onvoldoende belicht wordt of naar de achtergrond geschoven wordt. De jongeren van vandaag bouwen het Europa van morgen. Daarom moeten we hun gepaste ontwikkelingskansen geven en hen zo goed mogelijk steunen om de mogelijkheden die de Unie biedt, te benutten. De jeugd is op zich een toegevoegde waarde. Ze heeft een frisse kijk op de zaken, is innovatief en kan de sociale visie van een Europa van tolerantie, verscheidenheid en gelijkheid waarmaken. De jongerenkwestie wint nog aan belang in de context van de huidige economische en demografische crisis in Europa.

Jongeren worden harder getroffen door de negatieve gevolgen van de huidige economische situatie. De werkloosheid bij deze groep ligt bijna tweemaal hoger dan de algemene werkloosheid en jongeren worden vaak door hun financiële situatie gedwongen om van hun opleiding af te zien. Dit kan dan weer leiden tot armoede en uitsluiting.

In de context van een vergrijzende samenleving moeten we maatregelen vinden die jongeren aanzetten om een gezin te stichten. Ze stellen deze beslissing vaak uit wegens hun slechte financiële situatie, problemen om een baan te vinden of om hun baan met een gezinsleven te combineren. Organisatorisch moet het samenwerkingskader rond de jongerenkwestie duidelijker en concreter worden. De jongerenkwestie is complex en vraagt om engagement op vele beleidsterreinen.

 
  
MPphoto
 
 

  Joanna Katarzyna Skrzydlewska (PPE), schriftelijk. − (PL) Vandaag is een resolutie aangenomen over de mededeling van de Commissie over de EU-strategie voor jongeren. Deze resolutie geeft de juiste richting aan op basis van een geïntegreerde aanpak van de problemen en noden van jongeren. We verwachten dat de belangen van de jongeren en de komende generaties in aanmerking genomen zullen worden bij de formulering van beleidsstrategieën op alle beleidsniveaus en dat dit een doeltreffende en effectieve oplossing van de meest brandende kwesties zal garanderen. Denk maar aan de aanhoudende hoge werkloosheid bij deze maatschappelijke groep, die wijst op een gebrek aan structurele oplossingen, bijvoorbeeld fouten in het onderwijssysteem, dat jonge mensen opleidt op een manier die niet aangepast is aan de noden van de arbeidsmarkt.

We moeten de jongeren aanzetten om actief deel te nemen aan de burgermaatschappij, zich te engageren in de politiek en initiatieven te nemen. We moeten gunstige voorwaarden scheppen voor culturele creativiteit en interesse voor kunst, wetenschap en nieuwe technologieën wekken. Aan de andere kant moeten we jonge mensen beschermen tegen discriminatie en campagnes voeren om een milieuvriendelijke houding te stimuleren. We mogen ook de strijd tegen drugs en andere verslavingen niet vergeten, een gebied waarop jongeren bijzonder kwetsbaar zijn. Daarom heb ik vandaag met genoegen de resolutie van de heer Papanikolaou gesteund.

 
  
MPphoto
 
 

  Silvia-Adriana Ţicău (S&D), schriftelijk. (RO) De 96 miljoen jonge Europeanen tussen 15 en 29 vormen ongeveer 20 procent van de bevolking van de Europese Unie. De werkloosheid onder jongeren kwam begin dit jaar uit op 20 procent als gevolg van de economische crisis. Het aandeel jongeren dat de school voortijdig verliet liep op tot 17 procent. Vooral het platteland werd door dit verschijnsel getroffen. Daarnaast krijgen jongeren steeds vaker slechts tijdelijke banen aangeboden, waardoor hun kansen op financiële stabiliteit en de mogelijkheid een woning te kopen afnemen. Jongeren zijn onze toekomst en we zouden hen meer bij de Europese besluitvorming moeten betrekken. Zij zouden samen met ons plannen moeten maken en uitvoeren, waardoor ze een bijdrage kunnen leveren aan de maatschappij waarin wij leven. Ik roep de Commissie en de lidstaten op om met spoed een concrete strategie en maatregelen aan te nemen die tot een grotere maatschappelijke deelname van jongeren zullen leiden. Deze maatregelen moeten de volgende doelstellingen omvatten: zorgen voor toegang tot onderwijs zonder discriminatie, waardoor jongeren de vaardigheden kunnen opdoen die zij nodig hebben om een baan te vinden waarmee zij een fatsoenlijk bestaan kunnen opbouwen, hun toegang tot kinderopvang bieden waardoor ze een goede balans tussen werk en privé kunnen vinden, de toetreding van jongeren tot de arbeidsmarkt bevorderen en zorgen voor sociale huisvesting voor jongeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Viktor Uspaskich (ALDE), schriftelijk. (LT) De mondiale economische crisis is voor ons allen een pijnlijke klap geweest. Het treurigst is het feit dat de klap het hardst is aangekomen bij degenen van wie onze toekomst afhangt. Door de financiële tsunami van de afgelopen jaren zijn de meeste jongeren werkloos geworden of hebben ze onvoldoende werk. Volgens dit verslag is het percentage jongeren dat werkloos is bijna twee keer zo hoog als dat van de hele arbeidsbevolking. Nu hebben we de mogelijkheid om van de crisis een kans te maken. Dat zijn we verplicht aan de toekomstige generaties Europeanen.

Het is belangrijk voor mijn land, Litouwen, en ook voor de meeste buurlanden van Litouwen, dat de almaar doorgaande braindrain van gekwalificeerde arbeiders een halt toe wordt geroepen. Zoals de titel van het verslag suggereert, kunnen we dat bereiken door te investeren en kansen te bieden. Vanuit het oogpunt van investeringen zijn onderwijs en werkgelegenheid de belangrijkste gebieden. We moeten een soepelere overgang tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt bewerkstelligen. Het effect van deze essentiële investering zal echter beperkt blijven als we onze jongeren geen kansen bieden. We moeten onze jongeren aanmoedigen om zowel op sociaal als politiek gebied actieve burgers te worden. In Oost-Europa is de opkomst van jongeren bij verkiezingen heel laag. Daarom moeten we ervoor zorgen dat ze weer geïnteresseerd raken in de politiek.

Het maatschappelijk middenveld en de daarvan deel uitmakende niet-gouvernementele organisaties kunnen de belangen van de EU ondersteunen, zoals het EU-project ‘Mijn stem’, dat gebruik heeft gemaakt van innovatieve internettechnologieën en het politieke bewustzijn van jongeren heeft vergroot. Daarnaast moeten we een constructieve dialoog met jongeren en jongerenorganisaties in Europa aangaan, vrij van het web van bureaucratie en technisch jargon.

 
  
MPphoto
 
 

  Derek Vaughan (S&D), schriftelijk. − (EN) Ik heb het verslag over een Europese strategie voor jongeren gesteund, omdat ik van mening ben dat deze van groot belang zal blijken om jonge mensen de komende jaren aan een voltijdbaan te helpen. Met 5,5 miljoen werkloze Europeanen onder de 25 is het duidelijk dat we een effectieve strategie nodig hebben om het probleem aan te pakken.

Het probleem van werkloosheid onder jongeren is niet alleen te wijten aan de economische crisis; werkgevers zoeken mensen met werkervaring. Ik ben het volledig eens met de suggestie dat hoger onderwijs effectiever gekoppeld zou moeten worden aan de arbeidsmarkt. Samenwerking tussen de lidstaten is essentieel voor het aanpakken van de werkloosheid onder jongeren, die ernstige sociale en economische gevolgen kan hebben.

 
  
  

Aanbeveling voor de tweede lezing-Lulling (A7-0146/2010)

 
  
MPphoto
 
 

  Sophie Auconie (PPE), schriftelijk. – (FR) Het was hard nodig om de bescherming van zelfstandig werkzame vrouwen te versterken. Het verslag van mevrouw Lulling over gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen is een stap in die richting, met een moederschapsverlof van veertien weken en sociale zekerheid voor de meewerkende echtgenoot, waar deze eerst nog geen recht op had. Het Europees Parlement staat eens te meer borg voor de bescherming van vrouwen die een beroep uitoefenen. Ik sta daarachter en daarom heb ik voor dit verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Regina Bastos (PPE), schriftelijk. (PT) Gelet op het feit dat Richtlijn 86/613/EEG betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen moet worden ingetrokken, betekent dit voorstel tot wijziging een belangrijke stap voorwaarts, ook voor echtgenoten van zelfstandigen.

Inzake sociale bescherming wordt voorgesteld dat lidstaten die beschikken over een stelsel van sociale bescherming voor zelfstandigen, de nodige maatregelen nemen om te waarborgen dat ook echtgenoten van zelfstandigen sociale bescherming genieten overeenkomstig het nationale recht. Ofschoon sociale bescherming voor echtgenoten niet verplicht is, wordt met dit voorstel een belangrijke stap gezet, aangezien echtgenoten in vele lidstaten geen enkele vorm van sociale bescherming genieten, noch op verplichte noch op vrijwillige grondslag.

Dit voorstel voorziet tevens in zwangerschapsbescherming, al is de duur van het zwangerschapsverlof van vrouwelijke zelfstandigen of meewerkende echtgenoten van zelfstandigen niet gelijk aan die van het zwangerschapsverlof van vrouwelijke werknemers. Ze hebben echter wel recht op een adequate uitkering, zodat zij hun beroepsactiviteiten gedurende ten minste veertien weken kunnen onderbreken en/of een tijdelijke vervangingsdienst kunnen aanvragen. Daarom heb ik voor dit voorstel gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Vilija Blinkevičiūtė (S&D), schriftelijk. (LT) Om uit de economische recessie te komen is het zeer belangrijk om in menselijk kapitaal en sociale infrastructuur te investeren, waardoor zodanige omstandigheden worden geschapen dat mannen en vrouwen alle kansen die ze krijgen, kunnen benutten. De Europese Unie is nu dicht bij de doelstelling van de Lissabonstrategie dat 60 procent van de vrouwen in 2010 werkt, maar de werkgelegenheid voor vrouwen in de lidstaten is heel ongelijk verdeeld. Daarom moeten de Commissie en de lidstaten doeltreffende maatregelen nemen om bij de eerste gelegenheid die zich voordoet de richtlijn betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen ten uitvoer te leggen. Het punt van de zwangerschapsbescherming voor zelfstandig werkzame vrouwen en hun meewerkende echtgenoten of erkende levenspartners is heel belangrijk. Er moet worden erkend dat die vrouwen een uitkering moeten krijgen waardoor ze lang genoeg kunnen stoppen met werken om veilig door hun zwangerschapsperiode te komen en fysiek te herstellen na een normale verlofperiode, en die zwangerschapsuitkering voor vrouwen moet adequaat zijn. Daarom ben ik het volledig eens met de mening van de rapporteur over de voorstellen van de Raad voor deze tweede lezing van de richtlijn. Bovendien is in de raadplegingen van de Commissie over de nieuwe EU 2020-strategie te weinig aandacht besteed aan de gelijkheid van mannen en vrouwen. We moeten alle kwesties met betrekking tot de gelijkheid van mannen en vrouwen versterken en integreren in de nieuwe strategie.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Da Graça Carvalho (PPE), schriftelijk. (PT) Het verheugt mij dat deze richtlijn is aangenomen, aangezien ze voorziet in een kader voor de toepassing in de lidstaten van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen of personen die bijdragen aan de uitoefening van een dergelijke beroepsactiviteit. De geringe deelneming van vrouwen aan zelfstandige beroepsactiviteiten wijst op ongelijke voorwaarden in zoverre de gezinsverantwoordelijkheden een negatief effect lijken te hebben op het ondernemerschap van vrouwen in vergelijking met mannen. Met betrekking tot meewerkende echtgenoten leveren het gebrek aan sociale bescherming en de niet-erkenning van hun deelneming aan de activiteiten van het familiebedrijf voor sommige bedrijven een oneerlijk concurrentievoordeel op. Met dit initiatief worden echter gelijke voorwaarden in Europa gewaarborgd. Het is essentieel maatregelen aan te nemen om de genderongelijkheden inzake ondernemerschap weg te werken en het beroeps- en gezinsleven beter te combineren. Ik verzoek de lidstaten om in de praktijk garanties te bieden voor de volledige gelijkheid tussen mannen en vrouwen in het beroepsleven en te dien einde initiatieven ter ondersteuning van het ondernemerschap van vrouwen te bevorderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Carlos Coelho (PPE), schriftelijk. (PT) De richtlijn van december 1986 is ondoeltreffend gebleken, aangezien de praktische resultaten volgens de uitvoeringsverslagen verre van toereikend zijn. Daarom moet dringend werk worden gemaakt van de versterking van de zwangerschapsbescherming voor vrouwelijke zelfstandigen en moeten garanties worden geboden voor de gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen, inclusief hun meewerkende echtgenoten.

In Europa maken zelfstandigen 16 procent van de actieve bevolking uit. Nauwelijks een derde daarvan zijn vrouwen. Dit lage aantal is ongetwijfeld te wijten aan de ontelbare hindernissen waarmee vrouwelijke ondernemers kampen, met name voor wat betreft de combinatie van beroep en gezin. De richtlijn uit 1986 heeft haar doelstellingen niet bereikt, maar ook het huidige voorstel is weinig ambitieus.

Ik betreur het dat het potentieel van de richtlijn is teruggeschroefd om een politiek compromis in de Raad te bereiken. Het voorstel kan echter worden beschouwd als een eerste stap op weg naar de verbetering van de huidige situatie met betrekking tot de sociale bescherming die vrouwelijke zelfstandigen en meewerkende echtgenoten genieten. Het voorziet in minimumnormen waarmee voor het eerst op Europees niveau wordt erkend dat deze vrouwen recht hebben op een zwangerschapsuitkering die hen in de gelegenheid stelt gedurende ten minste veertien weken hun beroepsactiviteit te onderbreken.

 
  
MPphoto
 
 

  Anna Maria Corazza Bildt, Christofer Fjellner, Gunnar Hökmark, Anna Ibrisagic en Alf Svensson (PPE), schriftelijk. − (SV) De Zweedse delegatie binnen de Fractie van de Europese Volkspartij (Christendemocraten) stemde gisteren (18 mei 2010) tegen de aanbeveling voor de tweede lezing betreffende het gemeenschappelijk standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot intrekking van Richtlijn 86/613/EEG (A7-0146/2010). Het is van essentieel belang dat de lidstaten samenwerken om gelijke behandeling van mannen en vrouwen te garanderen, opdat meer vrouwen zelfstandige werkzaam kunnen worden. Wij geloven daarentegen niet dat het de taak van de EU is om besluiten te nemen op het gebied van het gelijkheidsbeleid, die verstrekkende gevolgen hebben voor de overheidsfinanciën van de lidstaten. Het komt de lidstaten toe om dat te doen. Bovendien vinden wij niet dat mannen en vrouwen op voet van gelijkheid worden behandeld wanneer uitkeringen en ouderschapsverlof alleen gegarandeerd moeten worden voor zelfstandig werkzame vrouwen (en niet voor mannen) wanneer ze kinderen krijgen. Tot slot willen wij erop wijzen dat meer gelijkheid één van de grote uitdagingen is voor de EU, waarbij Zweden als inspiratiebron voor de andere lidstaten van de EU zou kunnen dienen. In de huidige economische crisis is het van het allergrootste belang dat zelfstandig werkzame vrouwen en mannen steun krijgen en aangemoedigd worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Corina Creţu (S&D), schriftelijk. (RO) Ruim twee jaar geleden debatteerden wij over het verslag betreffende de toestand van vrouwen in plattelandsgebieden. We hebben toen aangedrongen op noodzakelijke aanpassingen van de wetgeving inzake sociale bescherming. De Raad legt ons nu een nieuw soort richtlijn voor, waarvan het toepassingsgebied echter beperkt blijft tot de landbouw. Ik meen dat er geen gronden zijn voor deze beperking. Vrouwen in plattelandsgebieden hebben het buitengewoon moeilijk, vooral in de nieuwe lidstaten en dit verdient onze voortdurende en actieve zorg. Maar wanneer we het hebben over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten, mogen we degenen die hun brood verdienen met ambachten, of in de handel, het midden- en kleinbedrijf en vrije beroepen, niet over het hoofd zien.

Daarnaast meen ik dat de door de Raad voorgestelde bepalingen waarmee lidstaten de toegang tot socialebeschermingsstelsels kunnen beperken, moeten worden vermeden. Krachtens de beginselen van evenredigheid en subsidiariteit voorziet de richtlijn, in de door het Parlement voorgestelde gewijzigde vorm, in het raamwerk dat moet leiden tot het terugdringen van verschillen tussen vrouwen en mannen die zelfstandige beroepsactiviteiten uitoefenen. Wat dat betreft meen ik enerzijds dat moederschapsbescherming van essentieel belang is, gebaseerd op het recht op minimaal 14 weken verlof en een moederschapsuitkering. Anderzijds is het recht van echtparen en levenspartners op het legaal opzetten van een bedrijf niet minder essentieel.

 
  
MPphoto
 
 

  Diogo Feio (PPE), schriftelijk. (PT) Als vurig voorstander van het gelijkheidsbeginsel kan ik geen initiatieven ter discussie stellen die gericht zijn op de bescherming van de rechten van vrouwen in het beroepsleven, zoals het geval is met dit verslag van mijn dierbare collega, mevrouw Lulling. Zoals ik al eerder zei “moeten mannen en vrouwen gelijk worden behandeld door hun dezelfde rechten te geven maar rekening te houden met hun respectievelijke behoeften. In het geval van vrouwen is dit met name relevant op gebieden zoals zwangerschapsbescherming, het vinden van een balans tussen werk en gezin (...)”.

Daarom stel ik hier met voldoening vast dat onder meer rekening wordt gehouden met zwangerschapsbescherming voor vrouwelijke zelfstandigen. Ik ben echter ook een trouwe aanhanger van het subsidiariteitsbeginsel. Daarom ben ik van oordeel dat een groot deel van de kwesties die hier besproken worden onder de bevoegdheid van de lidstaten moet blijven vallen.

 
  
MPphoto
 
 

  José Manuel Fernandes (PPE), schriftelijk. (PT) Ik verwelkom de inspanningen van het Europees Parlement om de mechanismen ter bevordering van de sociale rechtvaardigheid en de gelijkheid in de Europese Unie te versterken. Het gaat hier om een onbetwistbaar beginsel van de beschaafde wereld en met name van een Europa dat zichzelf als cultureel en sociaal ontwikkeld beschouwt. Het waarborgen van een gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen – inzonderheid voor wat betreft de toegang tot sociale beschermingsmechanismen, met bijzondere aandacht voor zwangerschapsbescherming – is des te dringender en noodzakelijker gelet op de langdurige en ernstige economische en sociale crisis die wij thans doormaken. Gezien de welbekende ontwikkelingen op het niveau van zowel organisatie als machines en arbeids- en productiemethoden mogen de economische sectoren niet langer verschillend behandeld worden. Voor de toegang tot publieke stelsels voor sociale bescherming moeten gelijke criteria voor alle werknemers worden gehanteerd, met name voor wat betreft bijdragen en voordelen. Verder wil ik onderstrepen dat deze aanbeveling het vrouwelijke ondernemerschap ongetwijfeld sterker zal stimuleren. De Europese economie kan nog een stuk groeien en heeft nog veel te winnen met een sterkere en bredere participatie van vrouwen.

 
  
MPphoto
 
 

  Sylvie Guillaume (S&D), schriftelijk. – (FR) Ik ben blij dat dit verslag is aangenomen, aangezien gendergelijkheid en gelijkheid in het algemeen, onder meer wat betreft sociale rechten, mij na aan het hart liggen. Het lijkt me van het grootste belang dat de lidstaten zelfstandig werkzame vrouwen en meewerkende echtgenoten verzekeren van sociale bescherming die equivalent is aan die van vrouwelijke werknemers. Waar het om gaat is dat we middels deze maatregel het nog te schoorvoetende ondernemerschap van vrouwen in Europa een boost geven, en vooral dat we zorgen dat deze vrouwen volgens dezelfde voorwaarden moederschapsverlof kunnen opnemen als vrouwen die een ander type beroep uitoefenen. Het moederschapsverlof moet in alle lidstaten en voor alle vrouwen gegarandeerd worden, ongeacht wat voor werk ze doen. Deze maatregel valt onder het subsidiariteitsbeginsel; laten we daarom hopen dat de lidstaten zullen doen wat nodig is om te zorgen dat deze mannen en deze vrouwen zo spoedig mogelijk, en zo gemakkelijk mogelijk, hun gezinsleven en hun beroepsleven kunnen combineren.

 
  
MPphoto
 
 

  Lívia Járóka (PPE), schriftelijk. – (HU) Graag feliciteer ik mijn collega Astrid Lulling met de aanneming van haar verslag, wat een belangrijke stap voorwaarts is bij de oplossing van een probleem dat zich al bijzonder lang voortsleept. De situatie van huwelijks- en levenspartners van zelfstandig ondernemers – die zonder status van werknemer of zakenpartner bijdragen aan de ontplooiing van en de winst uit activiteiten van de onderneming – is niet op bevredigende wijze geregeld in de richtlijn van de Raad uit 1986. Daarom was het tijd bovengenoemde wetgeving buiten werking te stellen en een nieuwe richtlijn op te stellen waarin de erkenning van het werk van meewerkende huwelijkspartners wordt vastgelegd en hun hetzelfde niveau van bescherming op het gebied van sociale zekerheid wordt geboden als de ondernemers zelf.

Verder is een belangrijk resultaat van de rapporteur en het Europees Parlement dat, in tegenstelling tot het oorspronkelijke voorstel van de Raad, het toepassingsgebied zich niet langer beperkt tot bezoldigde activiteiten van zelfstandige ondernemers in de landbouw, aangezien deze doelgroep tevens werkzaam is in kleine- en middelgrote ondernemingen of in de handel en daar zelfs een meerderheid vormt. Hoewel de Raad diverse belangrijke voorstellen van de rapporteur en het Europees Parlement niet heeft overgenomen – zo wordt de gelijke sociale bescherming van huwelijkspartners en levenspartners aan de lidstaten overgelaten en wordt lidstaten de mogelijkheid geboden beperkende regels te handhaven betreffende bepaalde stelsels of niveaus van sociale zekerheid – is de ontwerprichtlijn al met al toch een belangrijke stap voorwaarts.

 
  
MPphoto
 
 

  Barbara Matera (PPE), schriftelijk. − (IT) Ik ben verheugd over de goedkeuring van het voorstel voor een richtlijn betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen. Eindelijk spreekt het Europees Parlement zich uit over de toepassing van dit beginsel, dat symbool staat voor maatschappelijke en economische vooruitgang!

Hoewel de bevoegdheden van de lidstaten in acht moeten worden genomen, ben ik van mening dat er niet alleen een minimumnorm moet komen voor de bescherming van zelfstandig werkzame vrouwen of moeders en meewerkende echtgenoten of erkende levenspartners, maar ook dat hun bescherming gelijk moet worden gesteld aan die van vrouwen of moeders in loondienst.

Het is te hopen dat de vaststelling van de rechten wordt gevolgd door de naleving ervan en dat de lidstaten dus passende maatregelen zullen invoeren, in het bijzonder voor de bescherming van zelfstandig werkzame vrouwen en meewerkende echtgenoten tijdens zwangerschap en moederschap. Iedere vorm van discriminatie op het werk moet worden bestreden teneinde de emancipatie van vrouwen te steunen, evenzeer als die van mannen trouwens.

 
  
MPphoto
 
 

  Nuno Melo (PPE), schriftelijk. (PT) Het voorstel van de Commissie heeft ten doel de gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen te waarborgen. Met de aanneming van deze tekst zetten wij mijns inziens een belangrijke en zeer positieve stap, die ons dichter bij de huidige Europese wetgeving voor vrouwelijke werknemers brengt, aangezien de fundamentele rechten van vrijheid en sociale bescherming al gegarandeerd zijn en de voorgestelde amendementen op de originele tekst in de richting gaan van een algemene verbetering van de bescherming van echtgenoten van zelfstandigen, inzonderheid voor wat betreft de zwangerschapsuitkering voor vrouwelijke zelfstandigen en echtgenoten of levenspartners. Ik heb in overeenstemming hiermee gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Justas Vincas Paleckis (S&D), schriftelijk. (LT) Ik heb voor dit verslag gestemd, niet alleen omdat het belangrijk is en – naar mijn mening – het leven van miljoenen EU-burgers zal beïnvloeden. Ik ken veel kunstenaars, advocaten en andere zelfstandig werkzame personen en ik weet dat die heel vaak worden bijgestaan door gezinsleden, meestal hun vrouw of kinderen. Het feit dat ze nu het recht op sociale bescherming zullen krijgen, zal hun materiële situatie, hun motivatie en hun werkkracht ongetwijfeld versterken. Dat is heel belangrijk voor Litouwen, omdat nu de crisis de Oostzeestaten hard heeft getroffen, de materiële situatie van veel gezinnen grenst aan armoede.

We kunnen niet langer vanaf de zijlijn blijven toekijken nu zelfstandig werkzame vrouwen en mannen met gezinnen geconfronteerd worden met sociale onrechtvaardigheid. De aanneming van dit verslag is een duidelijk signaal aan de regeringen van de EU-lidstaten om de echtgenoten en echtgenotes van zelfstandig werkzame personen te steunen, om ze het recht op een pensioen, betaalde vakanties en zwangerschaps- of vaderschapsverlof te garanderen en ze te helpen bij hun re-integratie in de arbeidsmarkt.

 
  
MPphoto
 
 

  Alfredo Pallone (PPE), schriftelijk. − (IT) Ik wil graag mijn steun uitspreken voor het verslag van mevrouw Lulling. Het voorstel is noodzakelijk vanwege de nog steeds bestaande grote ongelijkheid tussen mannen en vrouwen die als zelfstandige werken, een kloof die zelfs nog groter dreigt te worden. Het voorstel stelt bovendien dat meewerkende echtgenoten sociale bescherming moeten krijgen, aangezien zij vaak een aanzienlijke bijdrage leveren aan de werkzaamheden van de zelfstandige. In vele lidstaten ontbreekt deze sociale bescherming echter volledig.

Het voorstel, dat tevens tot doel heeft de toetreding van vrouwen tot de arbeidsmarkt te stimuleren en bij te dragen aan de strijd tegen zwartwerk, bevat drie belangrijke wijzigingen ten opzichte van de huidige communautaire wetgeving. In de eerste plaats wordt de definitie van “meewerkende echtgenoot” uitgebreid tot ongehuwde stellen die door de wet als paar worden erkend. In de tweede plaats krijgen zelfstandigen en meewerkende echtgenoten het recht om, op verzoek, gebruik te maken van betaald zwangerschapsverlof voor een periode van maximaal 14 weken. Tenslotte krijgen meewerkende echtgenoten het recht om, op verzoek, deel te nemen aan een socialezekerheidsregeling.

 
  
MPphoto
 
 

  Rovana Plumb (S&D), schriftelijk. (RO) Ik heb vóór dit verslag gestemd omdat ik meende dat het aannemen van deze richtlijn van het grootste belang is op EU-niveau, gezien de economische en financiële crisis die wij op dit moment doormaken. Aangezien meewerkende echtgenoten in de meeste lidstaten niet dezelfde sociale zekerheid genieten als hun echtgenoten, meende ik dat als een lidstaat zelfstandigen verplicht deel te nemen aan een socialezekerheidsregeling, die ook verplicht zou moeten zijn voor hun meewerkende echtgenoten of levenspartners.

Het standpunt van de Raad is te betreuren omdat de Raad zich niet kan vinden in de verplichting voor meewerkende echtgenoten en levenspartners om deel te nemen aan de socialezekerheidsregelingen in die landen waar zij deze status krachtens de nationale wetgeving genieten. Aangezien een ruime meerderheid niet deelneemt aan deze regelingen, zijn zij zich niet bewust van de voordelen die de socialezekerheidsregelingen bieden voor zieken, gehandicapten en bejaarden.

Als schaduwrapporteur voor de Fractie Progressieve Alliantie van Socialisten en Democraten in het Europees Parlement heb ik mijn steun gegeven aan het standpunt dat zelfstandig werkzame vrouwen, echtgenoten en levenspartners die besluiten kinderen te nemen, recht hebben op sociale bescherming en betaald verlof en geen kinderbijslag zou moeten worden onthouden, zoals de Roemeense regering doet.

 
  
MPphoto
 
 

  Raül Romeva i Rueda (Verts/ALE), schriftelijk. − (EN) Ik ben erg blij dat het Europees Parlement vandaag zijn standpunt in tweede lezing over de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot intrekking van Richtlijn 86/613/EEG heeft aangenomen.

Vrouwen spelen een essentiële rol in het behoud van zelfstandige ondernemingen als eigenaars en als meewerkende echtgenoten of levenspartners. Ik verwelkom het besluit van het Parlement over de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame personen en hun echtgenoten als een belangrijk onderdeel van de EU-wetgeving.

 
  
MPphoto
 
 

  Marina Yannakoudakis (ECR), schriftelijk. − (EN) De ECR-Fractie hecht veel waarde aan het overbruggen van de genderkloof voor zelfstandigen en hun partners. Wij steunen de doelstelling van het verslag in de zin dat we graag zouden zien dat alle landen van de EU steun en sociale bescherming bieden aan zelfstandigen. We zijn er echter op tegen dat deze wetgeving op EU-niveau wordt gemaakt. De ECR-Fractie heeft het subsidiariteitsbeginsel altijd verdedigd en is er sterk van overtuigd dat de lidstaten het voortouw moeten nemen bij het opstellen en bevorderen van arbeidswetgeving en sociaal beleid. Daarom heeft de ECR-Fractie zich onthouden van stemming over de amendementen 1-17.

 
  
  

Verslag-Manders (A7-0122/2010)

 
  
MPphoto
 
 

  Roberta Angelilli (PPE), schriftelijk. − (IT) Vandaag heeft het Parlement opnieuw de noodzaak benadrukt van een grote mate van consumentenbescherming in de hele EU, evenals het belang van een harmonisering van de voorschriften inzake de etikettering van textielproducten en de verplichting alle kleding die in Europa wordt verhandeld te etiketteren. De inwerkingtreding van een toekomstige verordening over de benaming van textielproducten en de etikettering van de vezelsamenstelling zullen het huidige regelgevingskader vereenvoudigen en het transparanter, duidelijker en tevens voordeliger maken voor consumenten en kleine en middelgrote ondernemingen.

Door middel van etiketten kunnen consumenten bewuste keuzes maken over de aankoop van producten, waarbij zij zich ook kunnen laten leiden door ethische overwegingen op het vlak van gezondheid, milieugevolgen, mensenrechten en de omstandigheden en beloning van de arbeiders die de textielproducten fabriceren. Anderzijds kunnen kleine en middelgrote ondernemingen, evenals de textielindustrie in het algemeen, kwaliteit, ontwerp en innovatie van hun producten waarborgen, wat gunstig is voor hun concurrentievermogen op de Europese en de wereldmarkt. Het “Made in”-label zou consumenten niet alleen aanvullende informatie verschaffen over de eigenschappen van een product, maar tevens bijdragen aan de versterking van de economie door de ontwikkeling van nieuwe producten voor tal van sectoren, de bevordering van werkgelegenheid en de ondersteuning van de strijd tegen vervalsingen uit derde landen.

 
  
MPphoto
 
 

  Sophie Auconie (PPE), schriftelijk. – (FR) In deze tijden van mondialisering, waarin producten steeds vaker het resultaat zijn van een reis door een geïnternationaliseerde productieketen, is het moeilijk om te weten wat de "nationaliteit" van producten is. Tegelijkertijd willen consumenten graag met kennis van zaken hun aankopen kunnen doen, waarbij ze soms de voorkeur geven aan artikelen die afkomstig zijn uit landen waar de kwaliteitsnormen of de sociale en milieunormen hoger zijn. In dat verband heb ik besloten om voor dit verslag te stemmen vanwege het voorstel om de aanduiding van het land van herkomst op het etiket verplicht te stellen. Ik denk dat dit essentiële informatie is die altijd aan de consument verstrekt moet worden. Ik ben het ook eens met het idee dat de Europese Commissie binnen twee jaar een verslag of zelfs een wetgevingsvoorstel moet opstellen met het oog op harmonisering van de etikettering van textielproducten. We hebben nu al tientallen jaren een gemeenschappelijke markt; hoe kan het dan dat de systemen voor de maataanduiding en veel andere, even belangrijke aanduidingen nog zo sterk uiteenlopen tussen de lidstaten?

 
  
MPphoto
 
 

  Zigmantas Balčytis (S&D), schriftelijk. (LT) Ik heb voor deze verordening gestemd omdat ik van mening ben dat deze verordening meer duidelijkheid verschaft aan zowel de fabrikanten als de consumenten van textielproducten. Ik verwelkom de vorm die voor de verordening is gekozen, waarbij de afzonderlijke richtlijnen die momenteel van kracht zijn worden samengevoegd, wat zal leiden tot minder administratieve lasten voor de lidstaten bij de omzetting in nationale wetgeving van de technische aanpassingen die steeds wanneer er een nieuwe vezelnaam aan de lijst wordt toegevoegd, moeten worden doorgevoerd. Desondanks heb ik het gevoel dat het tijd wordt dat we een discussie openen over een herziening van het systeem voor de etikettering van textielproducten, een herziening die geen extra lasten voor fabrikanten met zich meebrengt en die door de consumenten duidelijk wordt begrepen en geaccepteerd. Daarom steun ik de voorstellen die in de verordening zijn vervat dat in het verslag van de Europese Commissie moet worden ingegaan op zaken als een uniform systeem voor de gehele EU voor de etikettering van maataanduidingen van kleding en schoeisel, een aanduiding van eventuele allergene of gevaarlijke stoffen en ecologische etikettering en etikettering van sociale aspecten.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Luc Bennahmias (ALDE), schriftelijk.(FR) Het mag misschien verbazen, maar de herkomstaanduiding "Made in", die men op veel kledingetiketten aantreft, is vooralsnog niet verplicht en het gebruik ervan loopt van land tot land sterk uiteen. Toen we ons zouden gaan bezighouden met een Commissievoorstel voor een verordening over de tijd die benodigd is om een nieuw soort textielvezel op de markt te brengen, hebben we van de gelegenheid gebruikgemaakt om dit etiketteringsprobleem te verhelpen. Bij gebrek aan Europese wetgeving bestaat namelijk het risico dat er producten op de markt komen die zijn vervaardigd in derde landen, maar die een vermelding dragen die doet voorkomen alsof ze in Europa vervaardigd zijn. Bovendien wordt de Commissie in het verslag gevraagd een etikettering te overwegen die de consumenten toegang geeft tot informatie over de sociale en milieuomstandigheden bij de vervaardiging van de producten die ze kopen.

 
  
MPphoto
 
 

  Vito Bonsignore (PPE), schriftelijk. − (IT) Mijn complimenten voor rapporteur Manders voor de krachtige inspanning die hij heeft geleverd om drie complexe richtlijnen te verenigen. Dit verslag vereenvoudigt het huidige regelgevingskader en zorgt er onder meer voor dat een nieuwe vezel snel op de markt kan worden gebracht. Voor onze kleine en middelgrote ondernemingen betekent dit dat zij kunnen besparen op administratieve uitgaven en sneller profiteren van de verkoop van nieuwe vezels. Deze maatregelen stimuleren innovatie, wat naar mijn mening essentieel is voor Europese ondernemingen. Alleen met innovatieve producten van hoge kwaliteit kunnen zij de hevige concurrentie op de wereldmarkt weerstaan en deze moeilijke tijden van crisis te boven komen.

De tekst beschermt bovendien consumenten. Ik wil benadrukken dat hun belang centraal staat in ons beleid. De aangenomen voorschriften bieden Europese burgers duidelijker en transparanter regels en bieden hun tevens de mogelijkheid op korte termijn te profiteren van innovatieve producten. Tenslotte zal de gezondheid van de burgers beter worden beschermd. Door middel van gedetailleerdere etiketten kunnen zij namelijk zien waar garens en verwante producten vandaan komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Da Graça Carvalho (PPE), schriftelijk. (PT) Ik verwelkom dit voorstel voor een verordening dat ten doel heeft het bestaande regelgevingskader te vereenvoudigen en te verbeteren om innovatie in de textiel- en kledingsector aan te moedigen, zodat de vezelverwerkende industrie en de consumenten sneller kunnen profiteren van innovatieve producten. Vereenvoudiging is fundamenteel om de Europese industrie innovatiever te maken en meer informatie aan de consument te verschaffen. Het is tevens belangrijk om een eenvoudiger wetgevingsalternatief te vinden, zodat aan de omzetting van richtlijnen minder moeizame procedures en minder kosten verbonden zijn. De industrie zal voordeel halen uit het verkorten van de periode tussen het plaatsen van een bestelling en de capaciteit om het product op de markt te brengen. Dit betekent dat de administratieve kosten worden teruggedrongen en dat het product eerder op de markt kan worden gebracht en de verkoop dus meer winst oplevert.

 
  
MPphoto
 
 

  Lara Comi (PPE), schriftelijk. − (IT) Eindelijk hebben we de ‘Made in’-voorschriften voor de textielsector goedgekeurd. Het Parlement had zich al positief uitgesproken over het voorstel voor een verordening uit 2005 betreffende de aanduiding van het land van oorsprong op bepaalde producten uit derde landen, maar dat werd vervolgens geblokkeerd in de Raad. Aangezien het geen medebeslissingsprocedure betrof, konden wij echter weinig ondernemen tegen de oppositie van bepaalde regeringen.

De stemming van vandaag is echter een sterk politiek signaal namens het Parlement, dat de Europese burgers vertegenwoordigt en de Raad nu met klem verzoekt deze wetgeving aan te nemen. Het doel is nu dichterbij en sluit bovendien aan bij het Verdrag van Lissabon.

Het is weliswaar een stemming in eerste lezing, maar het is een belangrijke uitkomst, die het resultaat is van enorme inspanningen die de afgelopen maanden zijn geleverd met collega’s van andere nationale delegaties en andere fracties. Deze nieuwe wetgeving beschermt Europese burgers die willen weten waar hun textielproducten vandaan komen, en de kleine en middelgrote ondernemingen die deze producten in de lidstaten produceren. Dit houdt in dat we niet langer kunnen aangeven dat een product bijvoorbeeld “Made in” lidstaat X is, als het product slechts voor 25 procent in dat land is vervaardigd. Vanaf nu dient het product voor ten minste 50 procent in dat land te zijn gefabriceerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Lena Ek, Marit Paulsen, Olle Schmidt en Cecilia Wikström (ALDE), schriftelijk. − (SV) Wij steunen in grote lijnen het verslag van de heer Manders betreffende textielbenamingen en de desbetreffende etikettering van textielproducten. Wij staan echter zeer kritisch tegenover verplichte herkomstaanduiding omdat wij ervan overtuigd zijn dat dit tot hogere prijzen voor de Europese consumenten, slechtere voorwaarden en hogere kosten zou leiden, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen. Wij geloven in vrijhandel en denken daarom dat het belangrijk is om geen bijkomende technische handelsbelemmeringen te creëren door onnodige regulering. In plaats daarvan steunen wij een vrijwillig etiketteringsstelsel dat gebaseerd is op de vraag van consumenten naar herkomstaanduiding.

 
  
MPphoto
 
 

  Diogo Feio (PPE), schriftelijk. (PT) Op 30 januari 2009 hechtte de Commissie haar goedkeuring aan een voorstel voor een nieuwe verordening betreffende textielbenamingen en de desbetreffende etikettering van textielproducten. Het voorstel brengt de bestaande wetgeving betreffende textielbenamingen en etikettering bijeen in een enkele verordening. In de woorden van de rapporteur is de voorgestelde herziening “in wezen een technische aangelegenheid zonder grote politieke gevolgen”.

Wij weten echter dat de Europese textiel heftige concurrentie ondervindt − vooral van producten uit China − en dat daarom in de toekomst op het gebied van etikettering stringentere maatregelen zullen moeten worden genomen. Daar moet de Commissie zich vanaf nu op toeleggen. Bovendien moet de Europese Unie het hoofd bieden aan uitdagingen die een betere en sterkere interne markt vereisen. Daarom moeten inspanningen worden geleverd om de hindernissen weg te nemen die de verwezenlijking van deze doelstelling bemoeilijken. De harmonisering en de vereenvoudiging van de regelgeving betreffende textielbenamingen dragen daaraan bij door de informatie voor de consument te verduidelijken en het concurrentievermogen van de sector te vergroten.

 
  
MPphoto
 
 

  José Manuel Fernandes (PPE), schriftelijk. (PT) Een correcte beschrijving van de essentiële bestanddelen van een product en van de plaats waar en de manier waarop het is vervaardigd, vormt een fundamentele voorwaarde om het vertrouwen van de consument en de eerbiediging van zijn rechten te waarborgen en is tegelijkertijd een belangrijke factor om eerlijke mededinging op de wereldmarkt voor textiel te bevorderen. In dit verband zal de harmonisering van de etiketteringsmethode voor textielproducten bijdragen aan een versterking van het concurrentievermogen van de Europese textiel- en kledingsector, en met name ook van de Portugese industrie. Wij hebben geharmoniseerde regels nodig voor aanduidingen van oorsprong van uit derde landen ingevoerde textielproducten en precieze criteria voor het gebruik van de herkomstaanduiding “Made in” voor producten die zijn gefabriceerd in de Europese Unie. Bovendien moet worden voorzien in een etikettering van sociale aspecten om de consument in te lichten over de eerbiediging van de gezondheids- en veiligheidsvoorschriften en de mensenrechten. Ook ecologische etikettering met betrekking tot de milieuprestaties van textielproducten is belangrijk. De invoering van deze transparantere en duidelijkere etiketteringsvoorschriften – met vermelding van informatie over bestanddelen van dierlijke herkomst – zal ervoor zorgen dat de consument een beter onderscheid kan maken tussen producten en hun kwaliteit.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Wij hebben voor dit verslag gestemd vanwege de algemene strekking ervan. Het pleit voor oorsprongsetikettering en voor de bescherming van de consumentenrechten, de werknemers en de productie van de textiel- en kledingindustrie van onze landen. Wij zijn echter gekant tegen enkele details die op de etikettering betrekking hebben en met name tegen een al te gedetailleerde vezelinformatie, vooral voor kleine en middelgrote ondernemingen, aangezien hiermee hoge kosten gemoeid zijn.

Ofschoon wij in het algemeen voor het verslag hebben gestemd, zijn er een aantal specifieke voorstellen waarmee wij niet akkoord kunnen gaan. Daarom dringen wij aan op een herziening of althans steunmaatregelen waarmee wordt voorkomen dat kleine en middelgrote ondernemingen problemen ondervinden.

 
  
MPphoto
 
 

  Nuno Melo (PPE), schriftelijk. (PT) Oorsprongsetikettering van producten is belangrijk om te waarborgen dat de consumenten kennis hebben van de herkomst van het product dat zij kopen. Het is niet juist om een bepaald product als afkomstig van de Europese Unie te etiketteren wanneer het verpakt is in een EU-lidstaat, maar de andere productiefasen heeft doorlopen in landen die niet tot de Europese Unie behoren. De nieuwe regels die wij hebben aangenomen, zullen de internationale handel transparanter maken en voorzien in duidelijke informatie voor de consument. Ik heb in overeenstemming hiermee gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI), schriftelijk. (DE) Opnieuw belooft het bio-etiket iets heel anders dan wat het daadwerkelijk inhoudt - denk alleen al aan het biologisch-katoenschandaal of aan de recente fiasco's met betrekking tot biochemicaliën. Ten eerste ontstaat er op deze biomarkt weer een nieuwe wirwar van etiketten en merken – op dit punt zou de EU nu eindelijk eens op zinnige wijze een harmonisering kunnen doorvoeren, iets wat ze anders altijd zo graag doet - en ten tweede is het de hoogste tijd dat de EU gaat kijken naar genetisch gemodificeerd katoen. Als we dan toch wachten op onderzoeken naar de mogelijke gevolgen van schadelijke stoffen, kan er in de tussentijd in elk geval op etiketten worden vermeld dat producten genetisch gemodificeerd katoen bevatten.

Het is bovendien de hoogste tijd dat de EU ook gaat kijken naar identificatie met behulp van radiogolven (Radio Frequency Identification - RFID). Het kan niet zo zijn dat elektronische etiketten zonder medeweten van de betrokkenen op textiel worden aangebracht; vooralsnog hebben we daarvoor geen adequate etiketteringsvoorschriften. Als voetgangers zichtbaar moeten worden gemaakt door middel van RFID-kleding, wordt het mogelijk om mensen op de voet te volgen. Aangezien dit in het verslag ook als zodanig is opgenomen, heb ik voor gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Cristiana Muscardini (PPE), schriftelijk. − (IT) Ik heb vóór het verslag van de heer Manders over de etikettering inzake de oorsprong van textielproducten gestemd, aangezien het een probleem zal oplossen dat al geruime tijd een bedreiging vormt voor de keuzevrijheid van onze consumenten. Oorsprongsaanduidingen zijn essentieel voor het waarborgen van transparantie, veiligheid en informatie aan de Europese burgers en tegelijkertijd essentieel om onze bedrijven van duidelijke regels te voorzien die voor alle ondernemingen gelijk zijn.

Het probleem blijft echter wel bestaan voor wat betreft textielproducten uit derde landen, onze handelspartners. Ik verzoek de collega’s dan ook in het overleg met de Commissie buitenlandse handel hun steun uit te spreken voor de verordening betreffende de oorsprongsaanduiding, aangezien deze verordening niet alleen onze consumenten en bedrijven bescherming biedt op het vlak van textielproducten en kledingstukken, maar ook sectoren die kwetsbaar zijn, voor zover het de economische groei in Europa betreft.

 
  
MPphoto
 
 

  Alfredo Pallone (PPE), schriftelijk. − (IT) De Europese textielindustrie heeft zich door de grote economische problemen van de afgelopen jaren heen geslagen via lastige reorganisaties, modernisering en technologische innovatie. Europese ondernemingen hebben hun positie op de wereldmarkt verbeterd door zich te concentreren op concurrentievoordelen als kwaliteit, design en technologische innovatie van de producten met de hoogste toegevoegde waarde. De Europese industrie speelt wereldwijd een hoofdrol bij de ontwikkeling van nieuwe producten, textielsoorten, technieken en non-woven producten voor nieuwe toepassingen, evenals schoonmaakproducten en producten voor de automobielindustrie en de medische sector.

Ik ben verheugd over het Commissievoorstel voor een verordening, omdat ik van mening ben dat dit voorstel het huidige regelgevingskader voor de ontwikkeling en persing van nieuwe vezels vereenvoudigt, innovatie in de textiel- en kledingindustrie kan stimuleren en tegelijkertijd vezelgebruikers en consumenten de kans biedt eerder te profiteren van innovatieve producten.

Tenslotte wil ik mijn volle steun uitspreken voor de regelgeving inzake het ‘Made in-etiket’. Ik ben van mening dat dit etiket essentieel is om ervoor te zorgen dat consumenten over passende informatie beschikken over de samenstelling en herkomst van de producten die zij aanschaffen.

 
  
MPphoto
 
 

  Raül Romeva i Rueda (Verts/ALE), schriftelijk. − (EN) Wij als Groenen hebben ons onthouden van stemming tijdens de eindstemming over dit verslag, hoofdzakelijk omdat enkele van de cruciale amendementen die zijn voorgesteld door de PPE, de Liberalen en de EFD, zijn aangenomen. Kort samengevat gaan al deze amendementen in de richting van verbreding van de ‘Made in’-bepalingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Tokia Saïfi (PPE), schriftelijk. – (FR) Ik heb in het verslag-Manders over textielbenamingen en de desbetreffende etikettering van textielproducten niet voor de amendementen met betrekking tot de herkomstaanduiding "Made in" gestemd (47/49, 48, 12 en 67). Met deze amendementen wordt beoogd om via deze verordening de aanduiding van oorsprong verplicht te stellen voor textielproducten die zijn ingevoerd uit derde landen (met uitzondering van Turkije en de EER-lidstaten) of om precieze regels te stellen voor de vrijwillige oorsprongsetikettering van in Europa vervaardigde textielproducten. Ze zouden echter de kans verkleinen dat deze belangrijke wetgeving binnen een redelijke termijn wordt goedgekeurd. Het voorstel van de Europese Commissie voor een verordening over de oorsprongsaanduiding is nog steeds in behandeling bij de Raad en is onderwerp van een verslag van de Commissie internationale handel.

Ik heb niets tegen transparantie en traceerbaarheid van producten in het belang van de consument, maar als leden van het Europees Parlement hebben wij de verantwoordelijkheid om bepaalde regelgevingskaders in acht te nemen. Mijns inziens hadden we, alvorens de verplichte aanduiding "Made in" op het etiket van in Europa verkochte kleding aan te nemen, ons er eerst van moeten vergewissen dat het voorstel voor een verordening inzake "Made in" alle nodige garanties bevat, met name wat betreft de tenuitvoerleggingsmodaliteiten.

 
  
  

Verslag-Moreira (A7-0058/2010)

 
  
MPphoto
 
 

  Zigmantas Balčytis (S&D), schriftelijk. − (EN) Ik heb dit document gesteund. De betrekkingen tussen de EU en Oekraïne zijn van oudsher nauw en gebaseerd op een constructieve dialoog. De Oekraïense economie is, net als de economieën van de EU-lidstaten, getroffen door de internationale financiële crisis, die de productie dramatisch heeft doen afnemen, de fiscale situatie heeft verslechterd en de behoefte aan externe financiering heeft doen toenemen. De macrofinanciële steun van de Unie van 500 miljoen euro moet niet alleen een aanvulling zijn op de programma’s en middelen van het IMF en de Wereldbank, maar moet ook toegevoegde waarde van de zijde van de EU opleveren. Deze steun kan echter alleen bijdragen aan de economische stabilisatie in Oekraïne als de belangrijkste politieke machten zorgen voor politieke stabiliteit in het land en een brede consensus bereiken over een krachtdadige tenuitvoerlegging van de noodzakelijke structurele hervormingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Vilija Blinkevičiūtė (S&D), schriftelijk. (LT) Macrofinanciële bijstand aan Oekraïne is vooral nu belangrijk. Deze bijstand kan de invloed van de EU op de vormgeving van het Oekraïense beleid vergroten en Oekraïne helpen om uit de huidige diepe economische crisis te komen. De financiële bijstand van de Gemeenschap laat zien dat Oekraïne, als potentiële kandidaat voor toetreding tot de Europese Unie, strategisch belangrijk is. De macrofinanciële bijstand zal worden verleend in een tijd dat de EU ook helpt om financiering te vinden voor de hervorming van de Oekraïense energiesector. De Commissie en andere betrokken instellingen werken samen aan een steunpakket voor de Oekraïense autoriteiten om deze te helpen bij het vinden van een duurzame oplossing voor de betalingsverplichtingen van Oekraïne op de middellange termijn in verband met de doorvoer en levering van gas. Ook al is de voorgestelde macrofinanciële bijstand niet bedoeld om direct aan dat pakket te worden gekoppeld, hij zal de stabilisering en de hervormingen van Oekraïne ondersteunen. Ik ben het eens met dit besluit om Oekraïne buitengewone macrofinanciële bijstand te verlenen. Zonder deze bijstand zal Oekraïne niet verder kunnen integreren in veel sectoren van de economie en zal het zijn overige doelstellingen niet kunnen verwezenlijken.

 
  
MPphoto
 
 

  Sebastian Valentin Bodu (PPE), schriftelijk. (RO) Oekraïne betaalt momenteel de tol voor een ernstige economische crisis en voor langdurige politieke instabiliteit, waardoor de autoriteiten in Kiev vertraging hebben opgelopen bij het nakomen van hun verplichtingen aan de internationale financiële instellingen. Het is voor de Europese Unie van belang dat zij haar buurland aan de oostgrens helpt, nu de sociale situatie verslechtert door een gebrek aan liquide middelen die elke staat nodig heeft om te kunnen blijven functioneren.

Oekraïne heeft stabiliteit nodig. De lening van de Europese Commissie, waarmee de communautaire wetgever heeft ingestemd, houdt ook de bevestiging in dat Kiev kan worden beschouwd als een kandidaat voor toetreding. De Europese Commissie moet vanaf nu echter grote aandacht besteden aan de instrumenten waarmee toezicht wordt gehouden op het traject dat de lening aan Kiev aflegt.

Verder verkeert de Europese Unie in de positie om de Oekraïne te vragen noodzakelijke hervormingen die de rechtsstaat ten goede zullen komen, krachtiger ter hand te nemen. De overgang van Oekraïne van een door de staat gecontroleerde economie naar een markteconomie is een moeilijk en pijnlijk proces, vooral voor de bevolking. Deze economische overgang moet worden ondersteund door inspanningen die zijn gericht op institutionele hervorming. Oekraïne moet op beide fronten krachtig ingrijpen, hoe moeilijk dat op dit moment ook lijkt.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Da Graça Carvalho (PPE), schriftelijk. (PT) Ik ben blij met de aanneming van de wetgevingsresolutie die voorziet in macrofinanciële bijstand aan Oekraïne, omdat wij het land hiermee in de gelegenheid stellen de gevolgen van de wereldwijde financiële crisis aan te pakken door de duurzaamheid van de begroting en de externe rekening te garanderen. Dit antwoord op het verzoek van Oekraïne is van fundamenteel belang voor de economische stabiliteit, in combinatie met het huidige programma van het Internationaal Monetair Fonds. Oekraïne moet echter passende maatregelen vaststellen met het oog op de preventie en bestrijding van fraude, corruptie en andere onregelmatigheden in verband met deze bijstand. Bovendien moet het de Commissie en de Rekenkamer in de gelegenheid stellen respectievelijk controles en audits te verrichten. Ik verwijs in dit verband naar het memorandum van overeenstemming en de leningsovereenkomst die met de autoriteiten van Oekraïne moeten worden gesloten. Daarin zullen specifieke maatregelen worden vastgesteld die het land moet toepassen op het gebied van de preventie en bestrijding van fraude, corruptie en andere onregelmatigheden in verband met de bijstand.

 
  
MPphoto
 
 

  Mário David (PPE), schriftelijk. (PT) Ik heb met genoegen voor het voorstel van het Parlement betreffende de toekenning van macrofinanciële bijstand aan Oekraïne gestemd. Als potentiële kandidaat voor toetreding tot de Europese Unie is Oekraïne een bevoorrechte partner. Daarom komt het land in aanmerking voor specifieke beleidsmaatregelen die gericht moeten zijn op de oplossing van de concrete problemen waarmee het wordt geconfronteerd. De macrofinanciële bijstand die de Europese Unie aan Oekraïne verleent, zal slechts bijdragen tot de economische stabiliteit van het land als het partijpolitieke landschap tot rust komt en de politieke krachten, die zich de laatste jaren te veel hebben beziggehouden met de strijd om de macht en het afbakenen van hun invloedssfeer, een brede consensus tot stand brengen over een strikte tenuitvoerlegging van de structurele hervormingen die voor de toekomst van het land onontbeerlijk zijn.

Het is tevens absoluut noodzakelijk dat de regering van Oekraïne maatregelen neemt om garanties te bieden voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, die onder te sterke druk staat, niet alleen van de politieke macht maar ook van de economische actoren. Zonder een vrije en onafhankelijke rechtspraak is er geen rechtsstaat mogelijk, zijn de mensenrechten niet gewaarborgd, blijven de buitenlandse investeringen uit en is er geen vooruitgang. In de mechanismen die in het kader van de leningsovereenkomst zullen worden vastgesteld, moet rekening worden gehouden met deze factoren, zodat de Europese instellingen de toepassing ervan nauwgezet kunnen controleren.

 
  
MPphoto
 
 

  Ioan Enciu (S&D), schriftelijk. (RO) Oekraïne, dat een directe buur is van de Europese Unie, is ook een van de Europese landen die zwaar door de economische wereldcrisis zijn getroffen. De schadelijke gevolgen van de crisis voor de Oekraïense economie brengen niet alleen de stabiliteit van het land zelf, maar van de hele regio in gevaar. Ik heb gestemd vóór macrofinanciële bijstand aan Oekraïne. Hiermee wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan het scheppen van stabiliteit en verdere economische hervormingen in dit land.

De Commissie en de andere betrokken instellingen – het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank, de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling en de Europese Investeringsbank – moeten sneller een hulppakket voor Oekraïne samenstellen, zodat een duurzame oplossing voor de hervorming van de economie en, vooral, de energiesector van het land kan worden gezocht en uitgevoerd.

Het is van strategisch belang dat de problemen die verband houden met de doorvoer van aardgas over Oekraïens grondgebied worden opgelost. Ik meen dat het een goede zaak was om deze op de Associatieagenda EU-Oekraïne te zetten. Ik ben ervan overtuigd dat deze samenwerking moet worden geconsolideerd, wat ook betekent dat er nieuwe vormen van samenwerking moeten worden gevonden. Oekraïne moet worden gesteund bij verdere hervormingen die het verder op weg zullen helpen naar Europese integratie, overeenkomstig de doelstellingen die zijn vastgesteld in het kader van het Europees nabuurschapsbeleid.

 
  
MPphoto
 
 

  Diogo Feio (PPE), schriftelijk. (PT) De recente berichten over het geweld tussen leden van het Oekraïense parlement hebben overal in Europa bezorgdheid gewekt. Ze weerspiegelen de verdeeldheid van de Oekraïense samenleving, het kruispunt waarop het land zich thans bevindt en de onmiskenbare rol van Rusland in de regio. Ik ben van oordeel dat de Europese Unie Oekraïne de weg naar Europa moet blijven wijzen. In dit verband moet de macrofinanciële bijstand die wij nu aan het land toekennen een teken van toenadering en solidariteit zijn op een moment van uitgesproken sociale, economische en financiële zwakte.

Ik hoop dat Oekraïne zonder voorbehoud een convergentieproces met de Europese Unie zal aangaan, dat de beoogde associatieovereenkomst in werking treedt, dat daarmee de bilaterale betrekkingen en uitwisseling worden versterkt en dat die ontwikkeling zal uitmonden in de toetreding van Oekraïne tot onze gemeenschappelijke ruimte. Ik hoop ook dat de behoefte aan dit soort bijstand geleidelijk zal afnemen, dat Oekraïne zijn politieke stabiliteit zal hervinden, dat het erin zal slagen het maatschappelijke evenwicht te herstellen en zijn productiestructuur te vernieuwen en dat het de weg van de democratie, de mensenrechten en de rechtsstaat zal blijven bewandelen.

 
  
MPphoto
 
 

  José Manuel Fernandes (PPE), schriftelijk. (PT) De Oekraïense economie is sterk getroffen door de internationale financiële crisis. De industriële productie is enorm achteruitgegaan, de begrotingssituatie is verslechterd en de behoefte aan externe financiering is toegenomen. De financiële bijstand van de Europese Unie weerspiegelt het strategische belang van het land als potentiële kandidaat voor toetreding tot de Unie. Daarom heb ik mijn stem uitgebracht voor het voorstel om Oekraïne macrofinanciële bijstand te verlenen voor een bedrag van 500 miljoen euro in de vorm van een lening om de economische stabilisatie van Oekraïne te ondersteunen en tegemoet te komen aan de budgettaire en betalingsbalansbehoefte die in het kader van het lopende programma van het Internationaal Monetair Fonds is vastgesteld. Het is belangrijk dat wij bijdragen aan het herstel van de minimaal noodzakelijke sociaaleconomische niveaus in Oekraïne en de stabilisering van de overheidsrekeningen mogelijk maken om te zorgen voor groeiperspectieven en politiek vertrouwen. Ik ga tevens akkoord met de invoering van controlemechanismen die de duidelijkheid, transparantie en verantwoordingsplicht ten goede komen en onderschrijf dat het Europees Parlement regelmatig moet worden ingelicht over de werkzaamheden van het Economisch en Financieel Comité.

 
  
MPphoto
 
 

  João Ferreira (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) De macrofinanciële bijstand aan Oekraïne waarvan hier sprake is, is geen echte, onbaatzuchtige steun. Integendeel. Het feit dat deze bijstand afhankelijk wordt gesteld van de vereisten van het Internationaal Monetair Fonds en “de hoofdbeginselen en -doelen van economische hervorming zoals die worden uiteengezet in de Associatieagenda EU–Oekraïne” betekent onder meer het volgende: oprichting van een alomvattende vrijhandelszone tussen de Europese Unie en Oekraïne; naleving van de doelstellingen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie; intensivering van de coördinatie via militaire kanalen om zaken van gemeenschappelijk belang aan te pakken; eventuele deelneming van Oekraïne aan de Europese maritieme operatie Atalanta; oprichting in Oekraïne van een volledige en functionele markteconomie met toepassing van de door de Europese Unie vastgestelde beginselen van macro-economische stabiliteit; en uitwisseling van “beste praktijken” tussen de Europese Unie en Oekraïne over de hervorming van het socialezekerheidsstelsel om het Oekraïense pensioenstelsel houdbaarder te maken. Gelet op wat expliciet gezegd wordt en wat tussen de regels door kan worden gelezen, en op de overbekende betekenis van een groot deel van het EU-jargon hierboven kunnen wij uiteraard alleen maar tegenstemmen. Op die manier drukken wij ook onze solidariteit met de Oekraïense bevolking uit.

 
  
MPphoto
 
 

  Filip Kaczmarek (PPE), schriftelijk. − (PL) Ik heb voor het verslag betreffende de macrofinanciële bijstand aan Oekraïne gestemd. Dit is een belangrijk besluit, waardoor we een belangrijke buur van de Europese Unie en Polen kunnen steunen.

De lening van 500 miljoen euro zal Oekraïne helpen om uit de financiële crisis te geraken. Ik denk dat we er niemand van hoeven te overtuigen dat de economische stabilisatie van Oekraïne en de hervorming van de Oekraïense energiesector in het belang van de hele Unie is. Het hangt van de Oekraïners zelf af of deze doelstellingen bereikt kunnen worden. Ik ben blij dat we vandaag hebben laten zien dat we willen samenwerken en helpen.

 
  
MPphoto
 
 

  Iosif Matula (PPE), schriftelijk. (RO) Ik heb vóór de financiële bijstand van de Europese Unie aan Oekraïne gestemd, omdat ik vind dat we solidariteit moeten tonen, wat ook betekent dat we het land moeten helpen in zijn pogingen de huidige economische crisis te boven te komen. Oekraïne, een Europees buurland dat op termijn tot de EU wenst toe te treden, moet een duidelijk politiek signaal worden gegeven dat de autoriteiten zal aanmoedigen om de met de EU overeengekomen hervormingsmaatregelen ten uitvoer te leggen.

Tegelijkertijd is het belangrijk voor ons Europeanen om welvarende buren te hebben, met een stabiele binnenlandse politieke situatie, overeenkomstig Europese normen en waarden. Wat dat betreft hopen we dat de lening van de EU aan haar buurland zal worden gebruikt om de hele Oekraïense maatschappij te helpen. Hieronder vallen ook de half miljoen Roemenen die in Noord-Boekovina, de noordelijke Maramureş en Zuid-Bessarabië wonen. De Europese Commissie moet natuurlijk alles in het werk stellen om ervoor te zorgen dat deze buitengewone financiële bijstand verstandig en daar waar nodig wordt gebruikt, zodat hij het gewenste effect heeft. De voorwaarden voor de toekenning van de bijstand moeten aansluiten bij de voornaamste doelstellingen van de Associatieagenda EU-Oekraïne en de aanwending van fondsen moet onder streng Europees toezicht staan. Het Europees Parlement dient hierover regelmatig op de hoogte te worden gehouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Luc Mélenchon (GUE/NGL), schriftelijk. – (FR) Het is onduldbaar dat er aan Europese leningen en subsidies beperkingen worden gesteld die worden opgelegd door het IMF. Het is onaanvaardbaar dat de Europese Commissie zich tot taak stelt om te controleren of het beleid van de Wereldbank en het IMF door de begunstigde landen wordt nageleefd, in weerwil van de soevereiniteit van het Oekraïense volk.

Ik stem tegen de macrofinanciële bijstand die vandaag aan het Europees Parlement wordt voorgelegd. Dat doet echter niets af aan mijn solidariteit met het Oekraïense volk. Integendeel: ik wens niet dat de Oekraïners meer nog dan nu al het geval is, het slachtoffer worden van het achterhaalde en gevaarlijke neoliberale systeem dat het IMF, de Wereldbank en de Europese Commissie hun opleggen.

 
  
MPphoto
 
 

  Nuno Melo (PPE), schriftelijk. (PT) Het proces van stabilisering en herstel van de Oekraïense economie kan rekenen op financiële steun van het Internationaal Monetair Fonds. Vanwege de verslechtering van de situatie en van de economische vooruitzichten heeft Oekraïne de Unie om macrofinanciële bijstand verzocht. Het programma voor macrofinanciële bijstand is van uitzonderlijk belang om het financiële evenwicht te herstellen van de Europese naties die getroffen zijn door de recente wereldwijde crisis en nadeel hebben ondervonden van het effect van deze crisis op hun voornaamste handelspartners. De verstoringen van het financieel evenwicht hebben betrekking op de begroting en de betalingsbalans. De bijstand van de Unie moet Oekraïne in staat stellen de crisis op afdoende wijze aan te pakken. De Europese Unie moet een ruimte van solidariteit zijn. Ik heb in overeenstemming hiermee gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI), schriftelijk. (DE) Oekraïne, een grote en belangrijke partner van de EU onder haar buren in het oosten, is hard getroffen door de wereldwijde economische crisis. Om die reden moet de terbeschikkingstelling van macrofinanciële bijstand van ten hoogste 500 miljoen euro in de vorm van een leningsfaciliteit conform het voorstel van de Commissie worden goedgekeurd. Deze middelen waren bestemd om de algemene betalingsbalansbehoeften van het land en zijn door het Internationaal Monetair Fonds (IMF) vastgestelde externe financieringsbehoefte te lenigen.

Oekraïne moet worden gesteund in het versterken van zijn macro-economische stabiliteit op de lange termijn, aangezien het land tevens een belangrijke handelspartner van de EU is. Voor mij was het echter ook belangrijk dat de steun die uit de EU-begroting is verleend niet alleen in overeenstemming is met het programma van het IMF, maar ook met de belangrijkste grondbeginselen en doelstellingen van het EU-beleid ten aanzien van Oekraïne. Dankzij de steun van de EU zijn er verdere noodzakelijke structurele hervormingen in Oekraïne in gang gezet op basis van een positieve conditionaliteit. Ik heb derhalve voor het verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Alfredo Pallone (PPE), schriftelijk. (IT) Ik heb voor het verslag van de heer Moreira gestemd. De voorgestelde macrofinanciële bijstand is bedoeld als aanvulling op de steun van het IMF die is gepland in het kader van de stand-by-overeenkomst, alsook op de steun die de Wereldbank zal verlenen in de vorm van leningen ter ondersteuning van de begroting.

Het macrofinanciële bijstandsprogramma vormt tevens een aanvulling op andere financiering door de Unie. De financiële bijstand van de Unie weerspiegelt het strategisch belang van Oekraïne als potentiële kandidaat voor toetreding tot de EU. De macrofinanciële bijstand wordt verstrekt op een moment waarop de EU ook helpt financiering te mobiliseren ter ondersteuning van de hervorming van de energiesector van Oekraïne. Ik sta achter het voornemen van de rapporteur om de duidelijkheid, transparantie en verantwoordingsplicht van het ontwerpvoorstel te verbeteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Ioan Mircea Paşcu (S&D), schriftelijk. − (EN) Niemand betwist dat Oekraïne onze ‘strategische partner’ is, waarvan de situatie voor ons van groot belang is. Oekraïne staat nu op een kruispunt: economisch, gezien de moeilijke situatie, en politiek, met een nieuwe regering die de voorkeur geeft aan nauwere betrekkingen met Rusland. Oekraïne helpen door 500 miljoen euro beschikbaar te stellen is daarom strategisch de juiste beslissing, die wij zullen steunen. Is er echter tactisch gezien geen discrepantie tussen de omvang van de financiële steun – slechts een half miljard, terwijl andere regelingen tientallen miljarden aan financiële steun bieden – en de controle over het economische beleid van Oekraïne die we in ruil daarvoor willen krijgen?! De EU heeft natuurlijk strikte regels waaraan de begunstigden van haar financiële steun zich moeten houden, ongeacht de bedragen die zij ontvangen, maar soms, vooral als de omvang van de steun relatief beperkt is, weerspiegelt het vasthouden aan dezelfde hoge voorwaardelijkheid een politieke onbuigzaamheid die de effectiviteit van dit instrument alleen maar vermindert, vooral op een moment dat anderen veel flexibeler zijn in hun steun.

 
  
MPphoto
 
 

  Traian Ungureanu (PPE), schriftelijk. − (EN) In mijn functie als vicevoorzitter van EURONEST heb ik voor de macrofinanciële bijstand aan Oekraïne gestemd. Ik hoop dat deze snel zal worden verstrekt in overeenstemming met de geldende voorwaarden. Ik verwelkom in het bijzonder de betrokkenheid van het Europees Parlement bij deze besluitvormingsprocedure als gevolg van de inwerkingtreding van de bepalingen van het Verdrag van Lissabon. De macrofinanciële bijstand aan Oekraïne is de eerste zaak waarover volgens de nieuwe procedure wordt besloten. De vertraging in de besluitvorming die is opgetreden als gevolg van de nieuwe procedure is echter betreurenswaardig.

Ik verzoek de EU-instellingen met klem voort te bouwen op de ervaring met de verlening van macrofinanciële bijstand aan Oekraïne en verdere vertragingen te voorkomen. Onze oostelijke partners mogen niet met onnodige vertragingen te maken krijgen. Ik verwijs in het bijzonder naar de Republiek Moldavië en haar pro-Europese regering, die nog altijd wacht op de toekenning van macrofinanciële bijstand van de EU. Terwijl de Republiek Moldavië dringend hulp nodig heeft, is het voorstel van de Europese Commissie al onaanvaardbaar laat. Het zal pas deze week aan het Europees Parlement worden voorgelegd. Ik roep alle EU-instellingen op verdere vertragingen te voorkomen bij het nemen van een besluit over de macrofinanciële bijstand aan de Republiek Moldavië.

 
  
  

Verslag-Alves (A7-0054/2010)

 
  
MPphoto
 
 

  Sophie Auconie (PPE), schriftelijk. – (FR) Onze negen ultraperifere gebieden (de Azoren, de Canarische Eilanden, Guadeloupe, Frans Guyana, Madeira, Martinique, Réunion, Saint-Barthélemy en Saint-Martin) vormen een heuse troef voor de Europese Unie. Omdat hun ultraperifere ligging hun ontwikkeling remt, moet de Europese Unie specifieke compensatiemaatregelen treffen. Zo is het voor Réunion noodzakelijk dat men er uit melkpoeder gereconstitueerde UHT-melk kan produceren voor menselijke consumptie. De afwijking die geldt voor Madeira moet worden uitgebreid tot Réunion, dat net als Madeira geografisch zeer afgelegen ligt. Ik heb dan ook voor dit verslag gestemd, dat tot doel heeft om voor de Azoren, de Canarische Eilanden, Réunion en Madeira bestaande afwijkingen in de suiker-, de melk- en de wijnsector te verlengen of aan te passen, ofwel dergelijke afwijkingen in te voeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Da Graça Carvalho (PPE), schriftelijk. (PT) De geografische ligging van de ultraperifere regio’s stelt deze gebieden voor steeds grotere uitdagingen die de afstand tot het centrum van de Unie nog doen toenemen. Daarom ben ik blij dat we in de context van de huidige economische crisis ten behoeve van deze regio’s specifieke maatregelen op landbouwgebied hebben aangenomen. Ik onderstreep met name het specifieke karakter van de Azoren en Madeira en verwelkom de belangrijke maatregelen die zijn aangenomen met betrekking tot de invoering, uitbreiding en aanpassing van bepaalde afwijkingen in de suiker-, melk- en wijnsector. Het is fundamenteel dat we over een integrale aanpak voor de ultraperifere regio’s beschikken, maar anderzijds mogen we daarbij de specifieke kenmerken van elk van deze regio’s niet uit het oog verliezen. Zaak is om voor elke regio de best mogelijke oplossing te vinden. In de Europese Unie bestaan reeds verschillende instrumenten die onze aandacht verdienen, waaronder de regionale strategieën en het nabuurschapsbeleid. We moeten het debat over de strategische richtsnoeren voor de ultraperifere regio’s gaande houden om de besluitvormers bewust te maken van de eigen kenmerken en mogelijkheden van deze regio’s.

 
  
MPphoto
 
 

  Marielle De Sarnez (ALDE), schriftelijk. – (FR) De ultraperifere gebieden vormen geen homogeen blok: elk eiland, elk gebied heeft zijn eigen specifieke karakter, zijn eigen identiteit en zijn eigen problemen. Dankzij het verslag dat we zojuist hebben aangenomen, kunnen op het terrein van de landbouw bepaalde afwijkingen worden ingevoerd ten gunste van de ultraperifere gebieden. Zo kunnen de mensen op Réunion straks uit melkpoeder van EU-oorsprong gereconstitueerde UHT-melk produceren om zo de ontoereikende productie van verse melk te compenseren. Aan de Azoren op hun beurt wordt toegestaan om af te wijken van de regels die de uitvoer van suiker naar de EU beperken, aangezien de suikerbietenproductie voor het eiland – zowel economisch als voor het milieu – het meest levensvatbare alternatief is na de afschaffing van de melkquota. De ultraperifere gebieden zullen profijt hebben van deze afwijkingen. Dat is een goede zaak en daarom willen wij graag dat ze op de lange termijn gewaarborgd blijven. Dat is wat wij van de Commissie verwachten.

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (S&D), schriftelijk. (PT) Ik heb voor het verslag inzake het voorstel voor een verordening houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie gestemd. Met de aanneming van dit verslag wordt niet alleen de deur geopend naar landbouwdiversificatie, maar wordt ook het verbod op het herverzenden van producten opgeheven. In tijden van economische crisis wordt hiermee in regio’s als die van de Azoren een doorslaggevende bijdrage geleverd aan de herstructurering, de instandhouding van vele tientallen banen en het behoud van de suikerindustrie.

 
  
MPphoto
 
 

  José Manuel Fernandes (PPE), schriftelijk. (PT) Het voorstel van de Commissie beoogt een wijziging van Verordening (EG) nr. 247/2006 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie. De wijzigingen hebben betrekking op de suiker-, melk- en wijnsector. Ik feliciteer de rapporteurs met de kwaliteit van hun werk. Het solidariteitsbeginsel moet een van de basisbeginselen van het huidige meerjarig financieel kader en de toekomstige financiële vooruitzichten zijn. Doel hiervan is de sociale en territoriale samenhang te waarborgen. Wij weten allemaal dat de ultraperifere regio’s van de Europese Unie vanwege hun geografische ligging en omstandigheden kampen met natuurlijke handicaps die negatieve gevolgen hebben voor de economische activiteit en de industriële productie. De voorgestelde wijzigingen liggen in de lijn van het solidariteitsbeginsel en daarom genieten ze mijn steun.

 
  
MPphoto
 
 

  João Ferreira (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Wij kunnen onmogelijk akkoord gaan met de vooronderstelling die aan dit verslag ten grondslag ligt en die wordt genoemd in de eerste overweging van het compromisvoorstel, namelijk het aanvaarden van de afschaffing van de melkquota. Daarom hebben wij tegengestemd. Immers, de afschaffing van de melkquota − volgens het aangenomen verslag een voldongen feit − zal desastreuze gevolgen hebben voor de melksector van de Azoren en voor de lokale zuivelsector in het algemeen.

De gevolgen van de afschaffing van de melkquota voor de regionale economie – waartegen wij ons verzetten en zullen blijven verzetten – zullen niet verlicht worden door de hier voorgestelde maatregelen voor de suikerverwerkende industrie, gelet op de verlenging van de mogelijkheid om suiker te herverzenden. Dat is een rechtvaardige doelstelling die echter al meteen wordt afgezwakt aangezien ermee wordt ingestemd om ook deze maatregel geleidelijk af te schaffen binnen een termijn van vijf jaar.

Op Madeira heeft de omschakeling van de wijnbouwarealen aanzienlijke vertraging opgelopen. Het proces loopt zelfs het risico te mislukken als het niet gestimuleerd wordt. In het verslag wordt deze noodzaak niet erkend. Er wordt evenmin aandacht besteed aan de negatieve gevolgen van de overeenkomst van Genève over de handel in bananen. Een ander element dat niet zou mogen ontbreken, is de mogelijkheid om steun te verlenen voor de dynamisering van een interinsulaire markt voor de handel in lokale landbouwproducten.

 
  
MPphoto
 
 

  Elie Hoarau (GUE/NGL), schriftelijk. – (FR) Ik heb voor de uiteindelijke tekst gestemd, die we er met urgentie doorheen hebben gejaagd, omdat de toepassing van deze verschillende afwijkingen voor La Réunion, de Azoren, de Canarische Eilanden en Madeira essentieel is voor het behoud van werkgelegenheid en de voortzetting van landbouwactiviteiten, met name de melkproductie op Réunion. Ik heb evenwel tegen het door de Europese Commissie en de Raad voorgestelde compromis gestemd, omdat de Raad voorstellen deed die ver achterbleven bij wat wij hadden voorgesteld en die in de Commissie regionale ontwikkeling en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling waren aangenomen.

Het valt te betreuren dat voor de Azoren de quota voor de export van suiker niet op 3 000 ton zijn gehouden, dat de aan Réunion toegekende vrijstelling voor de melkproductie niet ook voor de andere Franse overzeese departementen overwogen is en dat de Commissie de waarborgen voor de bestendiging van de resultaten die zijn behaald door de melkproducenten van Réunion niet overgenomen heeft. Ik zal al deze punten opnieuw ter tafel brengen tijdens de onderhandelingen over de hervorming van het POSEI-programma.

 
  
MPphoto
 
 

  Jarosław Kalinowski (PPE), schriftelijk. − (PL) Ultraperifere gebieden worden meestal gekenmerkt door een beperkt bevolkingsaantal, een klein oppervlak, stagnatie en een moeilijke economische situatie. Dit zijn regio’s die sterk afhankelijk zijn van klimatologische en geografische factoren. Hun toegang tot producten en diensten is gebaseerd op samenwerking met het Europese continent. De bevolking van deze ultraperifere gebieden moet voortdurend moeilijkheden overwinnen. Daarom moet de hulpverlening voor deze gebieden ook permanent zijn. Om het ondernemersschap in deze gebieden te ontwikkelen, de beroepsactiviteit te stimuleren en eenzelfde niveau van landbouwactiviteit te verzekeren als in de rest van Europa, moeten er nieuwe wetgevende maatregelen genomen worden die zijn afgestemd op de behoeften van concrete gebieden, en moeten bestaande maatregelen voortgezet worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Nuno Melo (PPE), schriftelijk. (PT) De economische en sociale ontwikkeling van de ultraperifere regio’s van de Europese Unie wordt bepaald door de grote afstand, het insulaire karakter, de kleine oppervlakte, een moeilijk reliëf en klimaat en de economische afhankelijkheid van enkele producten. De ontwikkeling van deze regio’s wordt aanzienlijk beperkt door de combinatie van deze factoren. Daarom biedt artikel 349 van het Verdrag van Lissabon de mogelijkheid tot het nemen van specifieke maatregelen die op de ultraperifere gebieden zijn afgestemd. Deze maatregelen moeten in de praktijk worden gebracht aan de hand van passende initiatieven die zijn toegesneden op de specifieke behoeften van deze regio’s, vooral in de landbouw- en visserijsector. De belangrijkste wijzigingen hebben betrekking op de invoering, uitbreiding en aanpassing van bepaalde afwijkingen in de suiker-, melk- en wijnsector. Gelet op de voornoemde beperkingen en de vernietigende internationale crisis hebben wij voor deze maatregelen gestemd. Tot hier mijn stemverklaring.

 
  
MPphoto
 
 

  Wojciech Michał Olejniczak (S&D), schriftelijk. − (PL) Ik heb voor de resolutie van het Europees Parlement (A7-0056/2010) gestemd, omdat de tweede pijler van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, dat wil zeggen het plattelandsbeleid, van uitzonderlijk belang is om de effectiviteit van het hele GLB te verbeteren, en ook om het beheer van gebieden met natuurlijke handicaps te vergemakkelijken. Het verslag van de rapporteur is niet alleen noodzakelijk voor ons, maar voor de hele Europese Unie. We moeten informatie verzamelen over land dat niet efficiënt en goed benut kan worden om redenen waarvoor de eigenaars niet verantwoordelijk zijn. Ik ben het eens met de beoordeling van de rapporteur betreffende de herziening van de criteria voor de indeling van probleemgebieden, die in 2005 van start ging. De eerdere criteria voor steun aan deze gebieden moeten aangepast worden aan de feitelijke bestaande handicaps. We mogen ook de gebieden niet vergeten die onder bepaalde criteria vallen, maar waar de handicaps dankzij doeltreffende maatregelen reeds weggenomen zijn. De lidstaten moeten verantwoordelijk zijn voor de identificatie van hun probleemgebieden en de ontwikkeling van steun- en ontwikkelingsprogramma’s. Al deze maatregelen moeten natuurlijk in een communautair kader passen.

 
  
MPphoto
 
 

  Alfredo Pallone (PPE), schriftelijk. (IT) Het voorstel van de Commissie, zoals dat is verbeterd door de rapporteur, beoogt een aantal wijzigingen op te nemen in voorgaande communautaire wetgeving, met name in Verordening nr. 247 uit 2006. De belangrijkste wijzigingen hebben betrekking op de invoering, uitbreiding of aanpassing van bepaalde afwijkingen in de suiker-, de melk- en de wijnsector. Ik ben van mening dat de voorgestelde wijzigingen de desbetreffende ultraperifere regio’s ten goede zullen komen.

De situatie is met name zeer penibel in enkele gebieden waar de belangrijkste economische sectoren zijn getroffen door de recente crises (de zuivelsector op de Azoren, suikerbieten, etc.). Diversificatie van economische activiteiten zou daarom wenselijk zijn. Om een dergelijke diversificatie te stimuleren is het noodzakelijk dat producenten en verwerkers op de lange termijn perspectief wordt geboden en dat marktdeelnemers in staat worden gesteld een toereikende mate van industriële en commerciële activiteit te ontwikkelen. Op basis van het door de rapporteur beschreven stelsel en de amendementen die door mijn collega’s van de betreffende commissie zijn ingediend, stem ik voor het verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Nuno Teixeira (PPE), schriftelijk. (PT) Als rapporteur voor advies van de Commissie regionale ontwikkeling voor het verslag van de heer Alves spreek ik mijn voldoening uit over de weg die wij zijn ingeslagen met het oog op een snellere en meer doeltreffende aanpassing van de maximumhoeveelheden die zijn vastgesteld voor de uitvoer uit de ultraperifere regio’s van producten waarvoor de voorzieningsregeling geldt. Dit verslag is in overeenstemming met artikel 349 van het Verdrag van Lissabon, waarin wordt voorzien in steun voor ultraperifere regio’s omdat deze gebieden kampen met permanente handicaps ten gevolge van hun geografische ligging, reliëf en klimaat.

De bepalingen van deze verordening moeten tegemoetkomen aan de specifieke behoeften van deze regio’s en de situatie van de lokale markt. Dat is de doelstelling die ik bij de formulering van mijn voorstellen voor ogen heb gehouden. De Europese Commissie heeft zich ertoe verbonden deze voorstellen opnieuw te bekijken in het kader van de algemene herziening van de verordening, die nog in 2010 zal plaatsvinden.

Een ander zorgpunt was het inkomen van de producenten uit Madeira en de Azoren die hybride wijnvariëteiten verbouwen waarvoor krachtens de gemeenschappelijke ordening van de Europese wijnmarkt een verbod geldt. Ik heb ervoor gezorgd dat zij hun inkomen behouden door hun de mogelijkheid te bieden de teelt van de betrokken variëteiten voort te zetten voor eigen gebruik, zodat zij niet verplicht zijn hun wijnstokken te rooien. Zoals ik hoopte is het compromis dat in de trialoog tussen het Parlement, de Commissie en de Raad is bereikt, vandaag in de plenaire vergadering met een ruime meerderheid aangenomen.

 
  
  

Verslag-Trüpel (A7-0134/2010)

 
  
MPphoto
 
 

  Sophie Auconie (PPE), schriftelijk. – (FR) Het verslag-Trüpel over de begroting voor 2011 is een nieuwe fase in de procedure voor het aannemen van de begroting door het Europees Parlement. Het Parlement heeft in maart de richtsnoeren voor 2011 aangenomen. Nu gaat het erom het ontwerp van raming aan te nemen, dat is opgesteld naar aanleiding van de onderhandelingen tussen de Begrotingscommissie en het Bureau van het Parlement, dat op dit gebied verantwoordelijk is. Ik heb dit verslag ondersteund, dat met name voorziet in de aanneming van de tweede tranche van 1 500 euro per maand van de vergoeding voor parlementaire medewerkers, in de financiering van de indiensttreding van de achttien nieuwe afgevaardigden, de verbetering van de expertisediensten die worden verleend aan de afgevaardigden (secties beleidsondersteuning, diensten van de bibliotheek) en in de verhoging van het aantal bezoekers van 100 naar 110 dat elk lid per jaar kan uitnodigen en wier bezoek wordt gefinancierd. Deze bepalingen stroken met de nieuwe verantwoordelijkheden die aan het Europees Parlement zijn toegekend door het Verdrag van Lissabon: aangezien de afgevaardigden voortaan samen met de ministers van de lidstaten wetgever zijn ten aanzien van praktisch alle Europese bevoegdheden, moeten zij kunnen beschikken over uitgebreide technische expertise betreffende wetgevingsdossiers, maar tevens burgers kunnen informeren over hun werkzaamheden, met name door hen te ontvangen in het Parlement in Straatsburg of Brussel.

 
  
MPphoto
 
 

  Martin Ehrenhauser (NI), schriftelijk. (DE) Ik heb tegen het verslag van mevrouw Trüpel gestemd. Daarmee wil ik duidelijk aangeven dat ik tegen een verhoging van de secretariaatstoelage en tegen elke toename van het aantal medewerkers hier in het Europees Parlement ben. Dat er als gevolg van het Verdrag van Lissabon meer werk voor de leden van het Europees Parlement ontstaat, moet eerst maar eens worden aangetoond.

Als dat inderdaad het geval is, kan de oplossing in tijden van explosief stijgende staatsschulden echter alleen meer efficiëntie zijn in plaats van meer bureaucratie. Er is een enorm potentieel voor meer efficiëntie in dit Huis, zodat ook met minder personeel en financiële middelen de prestaties verhoogd kunnen worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Diogo Feio (PPE), schriftelijk. (PT) Zoals ik eerder al zei, zal het Parlement op grond van het Verdrag van Lissabon, dat medebeslissing tot de normale wetgevingsprocedure maakt, meer onderwerpen behandelen. Om snel en efficiënt te kunnen werken zijn er aangepaste technische en logistieke middelen nodig.

Gelet op de toekomstige uitbreiding van de Europese Unie, en op het feit dat we beter moeten communiceren met de burger over de werkzaamheden van dit Parlement, moeten we de nodige middelen uittrekken om in 2011 efficiënt te kunnen werken, zodat het wetgevingsproces van de Europese Unie niet vertraagd wordt omdat deze instelling over onvoldoende middelen beschikt.

 
  
MPphoto
 
 

  José Manuel Fernandes (PPE), schriftelijk. (PT) Ik heb altijd gezegd dat ik het belangrijk vind om aan het begin van elke zittingsperiode een “zero-based” begrotingsbeleid goed te keuren. Dat betekent dat de begroting van het Parlement zal uitgaan van de reële behoeften, en dat ze zal zorgen voor meer transparantie, efficiëntie en begrotingsdiscipline. Verder pleit ik voor een scheiding tussen de vaste kosten en de variabele kosten. De laatste categorie moet verantwoord worden op basis van een kosten-batenanalyse. Deze kosten-batenanalyse is belangrijk om betere resultaten te kunnen behalen en om de middelen te beheren. Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon heeft het Parlement meer bevoegdheden gekregen en met de komst van achttien nieuwe Parlementsleden moeten we ervoor zorgen dat ook zij hun mandaat op een efficiënte en passende manier kunnen uitoefenen. Ik zou nog willen benadrukken dat uitmuntende wetgeving de voornaamste prioriteit moet zijn van het Parlement, en dat het de middelen moet krijgen die nodig zijn voor een goede werking. Dat is des te belangrijk in deze veeleisende tijden waarin de Europese instellingen een fundamentele rol hebben ten aanzien van de Europeanen en de samenleving in het algemeen.

 
  
MPphoto
 
 

  Raül Romeva i Rueda (Verts/ALE), schriftelijk. − (EN) Wij als Groenen hebben voor het verslag van onze collega Helga Trüpel gestemd. Alle ingediende amendementen op het verslag zijn verworpen. De ramingen van het Europees Parlement voor het jaar 2011 worden dus doorgestuurd naar de Commissie om te worden opgenomen in de ontwerpbegroting voor 2011. Met betrekking tot de tweede tranche van de verhoging van de medewerkersvergoeding voor 2011 betekent dit dat de voorzieningen op dit moment in reserve worden geplaatst in afwachting van een gedetailleerde financiële opgave van alle gerelateerde kosten. Het Parlement kan op dit onderwerp terugkomen bij de eerste lezing van de begroting voor 2011 in september/oktober. Over de eerste tranche van de verhoging van de secretariële vergoeding voor 2010 zal morgen worden gestemd in het kader van het verslag van de heer Maňka over de gewijzigde begroting nr. 1/2010. Hiervoor zitten we al in de daadwerkelijke begrotingsprocedure en de stemming zal het eindresultaat zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Lidia Joanna Geringer de Oedenberg (S&D), schriftelijk. − (PL) We zijn reeds vertrouwd met het feit dat de begroting van het Europees Parlement een afspiegeling vormt van de ingewikkelde compromissen tussen het Parlement en de andere EU-instellingen, en ook indirect tussen de Europese Unie en de lidstaten.

Volgend jaar zal waarschijnlijk een uitzonderlijk moeilijk jaar worden als we kijken naar het belang en de omvang van de taken die het Parlement te wachten staan. Aan de ene kant moet het Parlement zich immers aanpassen aan de nieuwe voorwaarden die voortvloeien uit het Verdrag van Lissabon en de toetreding van Kroatië tot de EU. Je hoeft daarbij maar te denken aan de 18 nieuwe parlementsleden, 68 nieuwe posten en 62 nieuwe functies die met de Kroatische toetreding gepaard gaan. Aan de andere kant stijgt de begroting van het Parlement niet erg sterk in vergelijking met 2010 (5,5 procent). Hier rijst dus de vraag hoe dit cijfer met de nieuwe werkelijkheid in overeenstemming gebracht kan worden. Daarom ben ik blij met het voorstel voor een rationele planning van de uitgaven, dat telkens in het verslag terugkomt.

Net als de auteur van het verslag ben ik van mening dat de subsidies voor de gezinnen van werknemers herzien dienen te worden, dat het aantal banen in de bibliotheek enkel verhoogd dient te worden na een grondige analyse van de behoeften van de Parlementsleden, en dat de veiligheid van de werknemers van het Europees Parlement verzekerd moet worden tegen rationele kosten en volgens het principe van openheid naar de gewone burger. Het Parlement is als instelling te sterk gesloten en we moeten waar mogelijk meer geld uittrekken voor projecten zoals het Huis van de Europese geschiedenis of bezoeken aan het Parlement.

 
  
MPphoto
 
 

  Nuno Teixeira (PPE), schriftelijk. (PT) Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon zijn de bevoegdheden van het Europees Parlement uitgebreid. Dit houdt uiteraard in dat er nieuwe middelen nodig zijn om tegemoet te komen aan de toegenomen behoeften. Daarom houdt deze begrotingsraming voor 2011 een stijging van 5,8 procent in ten opzichte van het begrotingsjaar 2010, in een poging ervoor te zorgen dat het Parlement zijn prerogatieven volledig kan gebruiken en ontwikkelen.

De begroting voor 2011 wordt verhoogd tot EUR 1 710 547 354. 20,32 procent daarvan is bestemd voor rubriek 5 (administratieve uitgaven), zodat de politieke doelstellingen kunnen worden afgestemd op de financiering hiervan. Dit begrotingsvoorstel bevat bepalingen met betrekking tot de vertegenwoordiging van Kroatië, extra middelen voor de secretariaatsdiensten van de Parlementsleden, een stijging van het aantal banen, een toename van het aantal jaarlijkse bezoekers dat de Parlementsleden mogen uitnodigen, de verkleining van de ecologische voetafdruk van het Parlement en de financiering van het Huis van de Europese geschiedenis en het bezoekerscentrum.

Dit verslag weerspiegelt een verstandige begroting, die gericht is op de duurzaamheid van het begrotingsbeleid van het Europees Parlement, maar toch de nodige discipline predikt wat betreft een efficiënt gebruik van de beschikbare middelen.

 
  
  

Verslag-Ashworth (A7-0051/2010)

 
  
MPphoto
 
 

  William (The Earl of) Dartmouth (EFD), schriftelijk. − (EN) Wij hebben tegen dit verslag gestemd, in overeenstemming met de beginselen van de UKIP en op basis van het feit dat we alleen wetgeving steunen die de macht van de EU beperkt of de macht teruggeeft aan de natiestaten. Amendementen die naar onze mening onnodig schadelijk waren voor Britse landbouwers hebben we niet gesteund, evenmin als amendementen die de controle van de EU over deze sector zouden vergroten. De UKIP zal de belangen van de Britse landbouwers blijven verdedigen tegen bemoeienis van de EU, omdat wij van mening zijn dat de Britse landbouwsector heel goed in staat is zijn eigen zaken te regelen en nu al heel hoge normen hanteert op het gebied van kwaliteit en veiligheid. De UKIP is het er niet mee eens dat de Britse belastingbetaler gedwongen wordt landbouwbedrijven in andere delen van Europa die met onze eigen landbouwers concurreren, te subsidiëren. De UKIP hecht veel waarde aan de handel in landbouwproducten volgens de regels van de WTO.

 
  
MPphoto
 
 

  Liam Aylward (ALDE), schriftelijk. (GA) De administratieve lasten van boeren moeten worden verminderd en de buitensporige bureaucratie die vaak gepaard gaat met agrarische aangelegenheden moet worden teruggedrongen. Boeren moeten zich op hun primaire taak kunnen concentreren: het produceren van producten van hoge kwaliteit.

Ik heb gestemd voor de bepalingen van dit verslag die betrekking hebben op het wegnemen van de huidige duplicatie en het verbeteren van de flexibiliteit. Ik ben het ook eens met de opmerkingen in het verslag over de wetgeving in deze sector, namelijk dat deze wetgeving evenredig moeten zijn aan de doelstelling en dat alleen voor wetgeving moet worden gekozen wanneer de gevolgen van de wetgeving voor de financiële lasten zijn beoordeeld. De buitensporige bureaucratie moet worden teruggedrongen als we in Europa een efficiënte, concurrerende agrarische sector willen hebben.

 
  
MPphoto
 
 

  Zigmantas Balčytis (S&D), schriftelijk. (LT) Ik heb voor dit document gestemd omdat ik het noodzakelijk vind om door te gaan met de vereenvoudiging van de regelgeving en de bepalingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid waarmee in 2005 is begonnen. Boeren en andere economische actoren in de landbouwsector moeten worden bevrijd van bureaucratische rompslomp en eisen die niet nodig zijn om politieke doelstellingen te verwezenlijken en voor een goed beheer van het geld van de belastingbetalers te zorgen. Vereenvoudiging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid is van essentieel belang om onze agrarische economie meer concurrerend te maken, banen te behouden en te creëren en bij te dragen aan een gezonde ontwikkeling van onze rurale gebieden. In enkele lidstaten is een groot aantal fouten in de aanvragen geconstateerd en dit maakt het voor boeren moeilijk om op tijd steun te ontvangen. De lidstaten moeten potentiële begunstigden eenvoudige, duidelijke en transparante systemen ter beschikking stellen. Daarom verzoek ik de Commissie om deze kwestie op te nemen in de bilaterale discussies met de lidstaten.

 
  
MPphoto
 
 

  Mara Bizzotto (EFD), schriftelijk. (IT) Drie jaar na de hervorming van het GLB vragen we ons af hoe we ons landbouwbeleid kunnen afstemmen op de huidige uitdagingen. Het initiatiefverslag biedt nuttige en acceptabele voorstellen om tot een landbouwsector te komen waarin kwaliteit en concurrentiekracht samengaan. We moeten de strekking van dit verslag positief bekijken, omdat het Parlement met dit verslag oproept tot de invoering van een nieuw GLB in 2013 om de bureaucratie voor landbouwers terug te dringen. Elke maatregel die kan leiden tot de verlichting van de administratieve procedures en lasten die op de schouders van de landbouwproducenten rusten – om maar te zwijgen over de betrokken plaatselijke overheden – en die de kwaliteitsnormen niet in het geding brengt, krijgt zonder meer onze steun. Een verslag als dit, waarin rekening wordt gehouden met de behoeften van landbouwers, waaronder de noodzaak om niet door buitensporige bureaucratie te worden belemmerd, zal zonder meer een nuttige bijdrage leveren aan het hervormingsproces van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Om voor de hand liggende redenen zal dit beslist een complex en zeer gevoelig proces blijken te zijn voor de toekomst van de Europese economie en voor de bescherming van de talloze variëteiten van de traditionele plaatselijke productie. Daarom heb ik voor dit verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Vito Bonsignore (PPE), schriftelijk. (IT) De Fractie van de Europese Volkspartij (Christendemocraten) draagt de landbouwsector al sinds jaar en dag een warm hart toe en we beschouwen het als een fundamentele sector van de Europese economie. Onze landbouwers worden echter al te lang overspoeld door bureaucratische en administratieve lasten: het is tijd om ze hiervan te verlossen.

Ik ben er zelfs van overtuigd dat een vereenvoudiging van de bureaucratische procedures, die vanaf 2013 met de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid haar beslag moet gaan krijgen, niet alleen wenselijk, maar tevens noodzakelijk is. Ik denk dat het daarom juist is om de regels voor de elektronische identificatie van dieren te vereenvoudigen en in ieder lidstaat een telefonische hulplijn op te zetten om de informatie beter toegankelijk te maken. Daarbij is het van cruciaal belang om het vertrouwen tussen overheden en landbouwers in ere te herstellen.

Daarnaast zouden landbouwers niet langer hun tijd moeten spenderen aan het invullen van formulieren en aangiften, maar aan het bebouwen van hun grond, waardoor ze betere landbouwproducten kunnen leveren die aan hogere kwaliteitsnormen voldoen. Ik heb daarom voor deze maatregelen gestemd die deel uitmaken van het proces ter vereenvoudiging van de bureaucratie, dat overtuigend wordt gesteund door mijn fractie en dat een redelijke oplossing biedt ten tijde van crisis.

 
  
MPphoto
 
 

  David Campbell Bannerman (EFD), schriftelijk. − (EN) Wij hebben tegen dit verslag gestemd, in overeenstemming met de beginselen van de UKIP en op basis van het feit dat we alleen wetgeving steunen die de macht van de EU beperkt of de macht teruggeeft aan de natiestaten. Amendementen die naar onze mening onnodig schadelijk waren voor Britse landbouwers hebben we niet gesteund, evenmin als amendementen die de controle van de EU over deze sector zouden vergroten. De UKIP zal de belangen van de Britse landbouwers blijven verdedigen tegen bemoeienis van de EU, omdat wij van mening zijn dat de Britse landbouwsector heel goed in staat is zijn eigen zaken te regelen en nu al heel hoge normen hanteert op het gebied van kwaliteit en veiligheid. De UKIP verzet zich tegen de manier waarop het GLB in het verleden op corrupte wijze is gebruikt (bijv. spookwijngaarden) en tegen de manier waarop het wordt gebruikt om het inkomen van bepaalde politici in EU-landen die ‘landbouwbedrijven’ bezitten te verhogen. De UKIP is er ook op tegen dat wij gedwongen worden landbouwbedrijven in andere delen van Europa die met onze eigen landbouwers concurreren, te subsidiëren. De UKIP hecht veel waarde aan de handel in landbouwproducten volgens de regels van de WTO.

 
  
MPphoto
 
 

  Derek Roland Clark (EFD), schriftelijk. − (EN) De UKIP heeft tegen het verslag over de vereenvoudiging van het GLB gestemd, omdat de tenuitvoerlegging van het verslag weliswaar het beleid begrijpelijker, transparanter en werkbaarder zou maken, de inspectie van landbouwbedrijven zou vereenvoudigen, de flexibiliteit van betalingsregelingen zou vergroten en het beleid vriendelijker voor landbouwers zou maken, maar het GLB op die manier wel op de rails zou houden en ertoe zou kunnen bijdragen dat het stand houdt voor een volgende generatie! De UKIP heeft daarom tegen de resolutie als geheel gestemd, vooral omdat zij geen wettelijke invloed heeft.

 
  
MPphoto
 
 

  Lara Comi (PPE), schriftelijk. (IT) Ik heb voor het verslag over vereenvoudiging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid gestemd en ik feliciteer de heer Ashworth en de schaduwrapporteurs met het uitstekende werk dat zij hebben verzet. We moeten iets ondernemen om de bureaucratische procedures en eisen te vereenvoudigen die aan bedrijven worden opgelegd, om op die manier hun kosten terug te dringen en tegelijkertijd hun concurrentiekracht en rechtszekerheid te vergroten. We staan er vaak niet bij stil dat landbouwbedrijven, ondanks het feit dat ze primaire goederen produceren, ook bedrijven zijn waarvan de concurrentiekracht te lijden heeft onder buitensporige bureaucratie.

Juist daarom vind ik een verslag als dit belangrijk, omdat hierin de problemen worden benadrukt die ontstaan door randvoorwaarden of te gecompliceerde procedures. Daarnaast staan er oplossingen in ter vereenvoudiging en verbetering van wat nog altijd – in ieder geval in financieel opzicht – het belangrijkste programma van de EU is. Door voor dit verslag te stemmen, heeft het Parlement mijns inziens nog een stap vooruit gezet richting een GLB dat nog meer van deze tijd, doeltreffender en economischer is en bovendien in staat is in de Europese voedselbehoeften te voorzien, niet alleen vandaag, maar ook de komende jaren.

 
  
MPphoto
 
 

  Vasilica Viorica Dăncilă (S&D), schriftelijk. (RO) Landbouwers zijn altijd de meest fervente en standvastige aanhangers van Europese integratie geweest. Het is hun vaste overtuiging dat het GLB nog steeds een gemeenschappelijk beleid in de ware zin des woords kan worden genoemd. In een geglobaliseerde wereld moet de Europese Unie, met haar gemeenschappelijke markt, uniforme actie ondernemen om borg te staan voor de zekerheid van de voedselvoorziening en om het gebruik van hernieuwbare hulpbronnen te bevorderen. Ze moet ook de klimaatverandering bestrijden en haar onderzoeksinspanningen verhogen om zo goed mogelijk gebruik te maken van de kansen die onderzoek biedt.

Een eventuele verlaging van de GLB-begroting zou leiden tot grote sociale en economische verstoringen, waardoor de landbouw toekomstige uitdagingen niet aan zal kunnen. Het is van belang te begrijpen dat de inkomens van landbouwers afhankelijk zijn van rechtstreekse betalingen, ook al zijn deze niet voldoende om hun een fatsoenlijke levensstandaard te verzekeren. Het gemiddelde landbouwinkomen in de EU bedraagt, inclusief alle rechtstreekse betalingen, slechts de helft van het gemiddelde salaris dat in de andere economische sectoren wordt betaald.

Ik meen dat het korten op de rechtstreekse betalingen als onderdeel van de eerste pijler van het GLB desastreuze gevolgen zal hebben, niet alleen voor landbouwers, maar evengoed voor plattelandsgebieden, alsmede voor openbare diensten die verband houden met landbouwproductie, voor consumenten en voor de samenleving die voordeel put uit deze rechtstreekse betalingen. Rechtstreekse betalingen zijn dus essentieel en moeten worden gehandhaafd.

 
  
MPphoto
 
 

  Mário David (PPE), schriftelijk. (PT) Over de hele lijn genomen heb ik gestemd voor de inspanningen om het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) te vereenvoudigen. Deze vereenvoudiging zou de landbouwers ten goede moeten komen, zodat zij zich kunnen toeleggen op de productie van veilig en hoogwaardig voedsel, maar ook de nationale en Europese autoriteiten, omdat de bureaucratische last die gepaard gaat met de uitvoering van het GLB zal verminderen.

Het GLB is van levensbelang voor de EU, omdat het garant staat voor de productie van veilig voedsel en tegelijk aandacht heeft voor het behoud van het milieu en van de plattelandsgebieden met het oog op een echte duurzame ontwikkeling. Vereenvoudiging houdt in dat alle betrokken partijen meer verantwoordelijkheid op zich moeten nemen.

Daarom zou ik willen beklemtonen dat het GLB een eenvoudiger, transparanter en rechtvaardiger instrument moet worden. Om te beginnen zou ik willen attenderen op het voorstel om een eenvormig systeem uit werken voor de identificatie van dieren. Dat systeem moet voorzien in de mogelijkheid van zelfcertificering, in de verlaging van de inspectiequota en in een traceerbaarheidssysteem voor geiten- en schapenvlees. Ik zou in het bijzonder willen verwijzen naar het voorstel om de kudde van de dieren te identificeren. Ten slotte zal de noodzakelijke hervorming van het GLB een onderscheid moeten maken tussen steun aan individuele landbouwers of aan landbouwersverenigingen en moeten de grote agrolevensmiddelenbedrijven aan de markt worden overgelaten.

 
  
MPphoto
 
 

  Robert Dušek (S&D), schriftelijk. − (CS) Het ontwerpverslag over vereenvoudiging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid is een volgende stap op weg naar een eenvoudiger en doeltreffender GLB. Voor een concurrentiekrachtigere Europese landbouw, het behoud en het scheppen van nieuwe arbeidsplaatsen, alsook voor de ondersteuning van een natuurlijke ontwikkeling van plattelandsgebieden, is er echter nog veel meer nodig. Dat brengt mij onder meer bij de hele problematiek van directe betalingen in grensregio's, waar maar al te vaak sprake is van oneerlijke mededinging en discriminatie op basis van de plaats van registratie van landbouwondernemingen.

In Europese grensregio’s waar de betalingen aan deze en gene zijde van de grens verschillen, komen namelijk steeds meer gevallen voor waarin bepaalde landbouwondernemingen die verschillen op slinkse wijze uitbuiten. Concreet incasseren landbouwondernemingen in dergelijke gevallen de hogere betalingen in de lidstaat van herkomst en bewerken ze het land aan de andere kant van de grens (in de lidstaat met de lagere directe betalingen), tegen lagere productiekosten, om vervolgens de opbrengsten aan de andere, “betere” kant van de grens op de markt te brengen. Hierdoor worden de landbouwondernemingen uit de lidstaten met lagere directe betalingen gediscrimineerd en worden deze op een grote achterstand gezet op de lokale markt, terwijl landbouwondernemingen uit de lidstaat met hogere directe betalingen dankzij het EU-beleid een economisch voordeel op de afzetmarkt in de schoot wordt geworpen. Dit betekent dat de hervorming van het GLB voor wat de betalingen betreft, gestoeld dient te worden op het beginsel dat de plaats van productie overeen dient te stemmen met de plaats op basis waarvan de directe betalingen uitgekeerd worden. Met een dergelijke regel kunnen we eveneens bijdragen aan een nieuwe, rechtvaardige landbouwmarkt. Onderhavig verslag heeft mijn volste steun.

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (S&D), schriftelijk. (PT) Ik heb voor het verslag gestemd omdat ik van mening ben dat de vereenvoudiging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid van wezenlijk belang is voor het concurrentievermogen van de Europese landbouw, voor het behoud van arbeidsplaatsen en voor de duurzame ontwikkeling van de Europese plattelandsgebieden. We moeten de controleregels versoepelen en toegankelijker maken voor de landbouwers. Zij moeten daarbij geholpen en geadviseerd worden door nationale instanties teneinde te garanderen dat het zorgen voor kwaliteit van de Europese landbouwproducten niet gepaard gaat met overbodige lasten en bijkomende problemen voor de landbouwsector.

 
  
MPphoto
 
 

  Diogo Feio (PPE), schriftelijk. (PT) De vereenvoudiging van de wetgeving is essentieel om Europa dichter bij zijn burgers te brengen. Er is nood aan eenvoudige beleidslijnen die begrijpelijk zijn voor wie het communautaire taaltje niet beheerst en geen “Europees” spreekt. In die zin is het belangrijk dat de voornaamste begunstigden van een beleid, dat zo fundamenteel en structureel is als het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), in dit geval de Europese landbouwers, dat beleid begrijpen.

Zo geef ik de rapporteur gelijk wanneer hij, terecht, zegt dat “een nieuw GLB landbouwers in staat moet stellen zich te concentreren op de kerndoelstelling van het produceren van veilig, kwalitatief hoogwaardig en traceerbaar voedsel, en hen moet helpen bij het aanbieden van niet-commerciële publieke goederen”. Ik hoop dat het nieuwe GLB eenvoudiger, transparanter en rechtvaardiger zal zijn, dat het meer gericht zal zijn op de noden van de landbouwers en van de markt, en dat de procedures sneller en minder bureaucratisch, maar veilig en efficiënt, zullen zijn. Om rechtszekerheid te bieden zijn geen complexe of trage procedures nodig, wel eenvoudige en efficiënte. En dat is precies wat we voor het nieuwe GLB willen.

 
  
MPphoto
 
 

  José Manuel Fernandes (PPE), schriftelijk. (PT) Het gemeenschappelijk landbouwbeleid moet enerzijds garanderen dat er voldoende veilig voedsel is, en anderzijds antwoorden bieden op uitdagingen zoals de instandhouding van plattelandsgebieden, van bergachtige gebieden, van gebieden met een natuurlijke handicap en van de multifunctionaliteit van de Europese landbouw. De harmonisering van de wetgeving moet gepaard gaan met het wegwerken van overlappingen. We hopen dat we voor 2012 de doelstelling zullen hebben verwezenlijkt om de bureaucratische last met 25 procent te verminderen. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid moet vereenvoudigd worden om het concurrentievermogen van onze landbouweconomie te vergroten. Zo kunnen we bestaande arbeidsplaatsen behouden en nieuwe banen creëren, en dragen we bij aan de duurzame ontwikkeling van onze plattelandsgebieden. De vereenvoudiging van het GLB moet in de eerste plaats ten goede komen aan de landbouwers, en niet alleen aan de nationale autoriteiten en betaalorganen van de lidstaten. De landbouwers moeten toegang hebben tot functionele systemen zodat ze, gemakkelijk en zonder al te veel bureaucratie, hun aanvragen voor directe betalingen kunnen indienen daar waar ze wonen. Deze vereenvoudiging moet gepaard gaan met een vereenvoudiging van de uitvoering van het beleid. De lidstaten moeten de bureaucratische formaliteiten die de begunstigden moeten vervullen, voornamelijk op het gebied van plattelandsontwikkeling, tot een minimum beperken. Er moet meer flexibiliteit komen. Daarom pleit ik voor flexibelere procedures zodat uitbetalingen nog voor de definitieve afsluiting van alle controles kunnen plaatsvinden.

 
  
MPphoto
 
 

  João Ferreira (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Dit verslag bevat positieve aspecten, waarvan ik er een aantal zou willen belichten: de vereenvoudiging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) mag niet leiden tot minder steun voor de landbouwers en tot een ontmanteling van de traditionele instrumenten voor marktbeheer; de noodzaak om de sancties aan te passen, vooral als die sancties worden opgelegd vanwege fouten waarvoor de producent niet verantwoordelijk is; de vereenvoudiging van de aanvraagprocedures en de zeer positieve wijzigingen op het gebied van de identificatie van dieren, in het bijzonder van schapen en geiten.

Maar de door de rapporteur voorgestelde aanpak is erg gericht op de markt, op het concurrentievermogen, op “het reduceren van buitensporig protectionisme”, en op een verdere liberalisering, waarvan de rampzalige gevolgen maar al te goed gekend zijn. Bovendien blijft in het document het huidige model voor de verdeling van de steun in stand. Er staat dat de “verdeling van de bedrijfstoeslagregeling eerlijkheid moet waarborgen”, maar er worden geen concrete voorstellen gedaan om dit doel te bereiken.

De rapporteur zegt ervan overtuigd te zijn dat we de huidige definitie van landbouwactiviteit ten behoeve van de bedrijfstoeslagregeling moeten herzien, maar hij doet geen voorstellen om het huidige model, waarin landbouwers betaald worden om niet te produceren, te herzien. Kortom, in dit verslag ontbreken voorstellen en maatregelen om het huidige GLB-model te veranderen, om te beginnen wat de verdeling van de steun betreft, maar niet alleen op dat vlak.

 
  
MPphoto
 
 

  Marian Harkin (ALDE), schriftelijk. − (EN) Ik ben het er volledig mee eens dat de vereenvoudiging van het GLB niet mag leiden tot minder steun aan landbouwers of tot de ontmanteling van traditionele marktbeheerinstrumenten. Ook ben ik het eens met het opschorten van de verplichting tot het elektronisch merken van schapen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jarosław Kalinowski (PPE), schriftelijk. − (PL) Een vereenvoudiging van de werkingsprincipes van het gemeenschappelijk landbouwbeleid is van uitzonderlijk belang. We mogen dit beleid niet herleiden tot het verdelen van geld. Persoonlijk zou ik willen dat er meer middelen bij de individuele landbouwers-investeerders terechtkomen, die op doeltreffende wijze hun landbouwbedrijf kunnen moderniseren en de productie kunnen uitbouwen. Een stijging van de rechtstreekse betalingen zal volgens mij de armoede in de gebieden met de grootste achterstand bevestigen. Dit mechanisme steunt immers mensen die in feite geen enkele landbouwactiviteit verrichten en remt de herstructurering van de landbouw. Alleen een financiering van "echte" landbouwers, producenten van gezonde voeding en producten van hoge kwaliteit, kan de zekerheid van Europa en de wereld op dit gebied garanderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Cornelis de Jong, Kartika Tamara Liotard en Eva-Britt Svensson (GUE/NGL), schriftelijk. − (EN) Ik heb tegen het verslag van de heer Ashworth over de vereenvoudiging van het GLB (A7-0051/2010) gestemd vanwege paragraaf 12. Landbouwers hebben niet meer rechtstreekse steun van de EU nodig, ze hebben eerlijkere prijzen voor hun producten nodig.

Ik ben het echter eens met de essentie van het verslag. Het GLB is te ingewikkeld en onnodig belastend voor landbouwers, lidstaten en lokale overheden. Het is hard nodig deze administratieve last te verlichten en de bureaucratie te verminderen, vooral in deze tijden van crisis.

Bovendien zouden landbouwers die onopzettelijk of door factoren buiten hun invloed overtredingen hebben begaan en als gevolg daarvan worden beboet, de mogelijkheid moeten hebben deze fouten te corrigeren, terwijl er tevens meer transparantie zou moeten bestaan met betrekking tot deze sancties.

 
  
MPphoto
 
 

  Petru Constantin Luhan (PPE), schriftelijk. (RO) Het gemeenschappelijk landbouwbeleid is een factor van belang in de Europese Unie, of we het nu hebben over de voedselvoorziening voor onze burgers of over het behoud en de bescherming van berg- en plattelandsgebieden en ultraperifere- of achterstandsregio’s. Ik heb voor dit verslag gestemd omdat ik de noodzaak tot vereenvoudiging van het GLB onderschrijf. Het moet resultaatgericht zijn en beter toegerust zijn om op bepaalde situaties te kunnen reageren. Ik vind ook dat er nauwere samenwerking nodig is tussen lidstaten en plaatselijke autoriteiten inzake de uitwisseling van goede praktijken. Tegelijkertijd moeten landbouwers goed op de hoogte worden gehouden en beter worden bijgestaan door de autoriteiten.

 
  
MPphoto
 
 

  Erminia Mazzoni (PPE), schriftelijk. (IT) Landbouw is een van de voornaamste troeven in Europa, maar tegelijkertijd is het ook de sector die het zwaarst gebukt gaat onder het logge bureaucratische stelsel van de Unie. Ook moeten we de weerslag van klimatologische en milieufactoren niet onderschatten die, uit de aard der zaak, lastig te voorspellen zijn en de landbouwsector als gevolg van de huidige wereldwijde klimaatverandering dwingen nieuwe en moeilijke uitdagingen onder ogen te zien.

In dit licht acht het Europees Parlement het absoluut noodzakelijk om in het achterhoofd te houden dat de doelstelling om de administratieve lasten met 25 procent terug te dringen, zoals opgenomen in het programma van 2003, op zich niet voldoende en ook niet ambitieus genoeg is, aangezien we deze doelstelling waarschijnlijk voor de gestelde deadline van 2012 behalen. Daarnaast is het Parlement van mening dat het urgente maatregelen aan de Commissie en de Raad moet voorleggen om de lasten die zwaar op de landbouwers drukken verder te verlagen.

De voorstellen in deze parlementaire resolutie zijn er ook op gericht om te anticiperen op de herformulering van het GLB in het licht van de EU 2020-strategie. Dit is een cruciale stap om groei binnen deze sector te garanderen en ervoor te zorgen dat de financiële toewijzing in stand blijft, gezien de afbrokkeling van de EU-middelen die voor 2013 wordt verwacht.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Luc Mélenchon (GUE/NGL), schriftelijk. – (FR) De verdienste van dit verslag is dat het erop wijst dat inspecties uitsluitend door publieke autoriteiten moeten worden uitgevoerd om te garanderen dat ze onafhankelijk en onpartijdig zijn en dat het de nadruk legt op het denkbeeld dat landbouw een publiek goed is. Het is tevens van belang vast te houden aan de traceerbaarheid van levensmiddelen, hoewel alle burgers (producenten en consumenten) waarschijnlijk beter bewust gemaakt kunnen worden van het belang van het verplaatsen en de milieukwaliteit van producten door duidelijke etikettering betreffende hun invloed op het milieu.

De vastberadenheid die uit het verslag spreekt om de administratieve voorschriften van het gemeenschappelijk landbouwbeleid te vereenvoudigen, is eveneens belangrijk. Het feit echter dat het GLB slechts wordt beschouwd vanuit het gezichtspunt van concurrentievermogen en neoliberalisme, in het verlengde van het beleid dat de Europese Unie in de laatste jaren heeft gevoerd, weerhoudt mij ervan voor te stemmen. Ik onthoud mij derhalve van stemming, als teken van welwillendheid gezien de vooruitgang die is geboekt ten aanzien van de voornemens op zich.

 
  
MPphoto
 
 

  Nuno Melo (PPE), schriftelijk. (PT) De vereenvoudiging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid is van wezenlijk belang om vóór eind 2010 de administratieve last in de landbouwsector met 25 procent te kunnen verminderen. De bureaucratie is een ernstige belemmering voor de landbouwers. Ze verwaarlozen hun dagelijkse activiteiten op het veld omdat ze veel tijd verspillen aan bureaucratische rompslomp. Daarnaast zullen de nieuwe aanpassingen de administratieve last voor de landbouwers met honderden miljoenen euro’s verlichten, wat vooral gezien de moeilijke economische situatie waarin we ons bevinden, een tastbaar voordeel is. De vereenvoudiging van de normen en controlemechanismen is van fundamenteel belang voor de landbouwers, die ervoor moeten zorgen dat 500 miljoen burgers voedsel kunnen kopen tegen een redelijke prijs. Tot zover mijn stemverklaring.

 
  
MPphoto
 
 

  Rareş-Lucian Niculescu (PPE), schriftelijk. (RO) Ik heb vóór dit verslag gestemd, dat belangrijke bepalingen bevat die gericht zijn op het terugdringen van de bureaucratie waaronder landbouwers lijden, vooral nu de landbouw zwaar wordt getroffen door de financiële crisis. Ik wil mijn collega’s bedanken die gestemd hebben voor de wijzigingen die ik heb voorgesteld en daarbij de tekst intact hebben gelaten die al in de commissie was goedgekeurd.

Ik verwijs vooral naar amendement 49 inzake het grote aantal geregistreerde fouten dat in sommige lidstaten bij het indienen van aanvragen voor rechtstreekse betalingen wordt gemaakt. Er wordt in het amendement tevens op gewezen dat deze fouten hoofdzakelijk zijn toe te schrijven aan de orthofotografische apparatuur en niet zozeer aan de landbouwers zelf. Ik verwijs ook naar amendement 65 betreffende het uitstel van de plicht tot elektronische identificatie van schapen en geiten per 2010, vanwege de excessieve kosten, in verband met de huidige economische crisis.

 
  
MPphoto
 
 

  Alfredo Pallone (PPE), schriftelijk. (IT) Het voorstel voor vereenvoudiging van het GLB maakt deel uit van het bredere proces om bureaucratische procedures terug te dringen. Dit proces is enige tijd geleden door diverse EU-lidstaten in gang gezet om efficiëntere en beter toegankelijke diensten te bieden aan burgers.

Deze hervorming is ook voor de landbouwsector van belang, zodat landbouwers tijd en geld kunnen besparen en kunnen profiteren van de voordelen die voortvloeien uit het systeem van de randvoorwaarden en directe betalingen, ook met betrekking tot enkele aspecten van plattelandsontwikkeling en identificatiemethoden voor fokdieren.

Aangezien het debat over het GLB na 2013 al aan de gang is, fungeert dit voorstel voor vereenvoudiging op dit moment als proefmodel om mogelijkheden en risico’s aan te duiden en in de toekomst de basis te vormen voor een voorstel voor de Europese landbouw. Om bovengenoemde redenen heb ik voor het verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria do Céu Patrão Neves (PPE), schriftelijk. (PT) Het verslag over de vereenvoudiging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) betreft een onderwerp dat niet alleen de landbouwers, de voornaamste begunstigden van het GLB, erg heeft beziggehouden, maar ook de Europese burgers in het algemeen, die vinden dat het GLB moeilijk te begrijpen is omdat de mechanismen zo complex zijn. Iedereen vindt dan ook dat de maatregelen ter vereenvoudiging noodzakelijk en dringend zijn, en dat ze rechtstreeks gevolgen moeten hebben voor de landbouwers, en niet alleen voor de overheidsinstanties van de lidstaten, zoals erg vaak het geval is geweest. De afschaffing van de instrumenten voor het marktbeheer kan niet beschouwd worden als een van de manieren om het GLB te vereenvoudigen.

Een van de problemen die door de vereenvoudiging moeten worden opgelost is de discriminatie op het gebied van de bedrijfstoeslagregeling in de verschillende lidstaten. Problemen die te wijten zijn aan het gebrek aan efficiëntie bij nationale overheden, onder meer met betrekking tot controles, termijnen, betalingen, enz. Door deze verschillen weg te werken vermijden we dat er een GLB van verschillende snelheden ontstaat, dat de ongelijkheid tussen de landbouwers van de verschillende lidstaten bevordert.

 
  
MPphoto
 
 

  Daciana Octavia Sârbu (S&D), schriftelijk. (RO) Ik heb gestemd vóór het verslag-Ashworth, waarin wordt gepleit voor een eenvoudiger gemeenschappelijk landbouwbeleid dat ook de landbouwers makkelijker zullen begrijpen. Het is vaak buitengewoon moeilijk het gemeenschappelijk landbouwbeleid te voeren. Het is daarom van het grootste belang dat de hele landbouwsector wordt vereenvoudigd en de landbouwers het gemakkelijker krijgen. De door de Europese Commissie voorgestelde regels zijn vaak uiterst moeilijk uit te voeren en de landbouwwetgeving wordt in de lidstaten vaak zeer bureaucratisch toegepast. Vooral de wetgeving inzake de identificatie van dieren moet worden herzien zodat die flexibeler en minder bureaucratisch wordt. De huidige wettelijke bepalingen op dit gebied zijn dikwijls veel te star en contraproductief.

 
  
MPphoto
 
 

  Nuno Teixeira (PPE), schriftelijk. (PT) De vereenvoudiging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) is van wezenlijk belang om het concurrentievermogen van de Europese landbouweconomie te vergroten, bestaande arbeidsplaatsen te behouden en nieuwe banen te creëren, en bij te dragen aan de ontwikkeling van de plattelandsgebieden. Daarom lijkt het me van wezenlijk belang dat de Commissie, telkens wanneer ze op dit vlak nieuwe regelgeving voorstelt, probeert om tegelijk overbodige administratieve belemmeringen weg te werken.

Hoe eenvoudiger de wetgeving, hoe begrijpelijker ze is voor de belanghebbenden, zowel de landbouwers als de nationale en regionale autoriteiten of de instanties die de uitvoering van de fondsen controleren. Zo zullen ze minder hulp en minder tijd nodig hebben voor het opstellen van de aanvragen, zullen er minder fouten zijn en zal de kostprijs van het toezicht op de financiering minder hoog zijn.

De vereenvoudiging is ook noodzakelijk om het gebruik van de middelen te kunnen controleren, en de steekproefsgewijze controles lijken mij de meest efficiënte manier om dat te doen. De sancties moeten transparant en proportioneel zijn, en ook rekening houden met de omvang van de bedrijven en de lokale realiteit, in het bijzonder in de ultraperifere regio’s zoals Madeira. Omdat dit verslag tegemoet komt aan voornoemde aspecten, heb ik vandaag tijdens de plenaire vergadering voor het verslag gestemd. Het is nu aan ons om ervoor te zorgen dat er bij de algemene hervorming van het GLB een betere afstemming komt tussen het landbouwbeleid en het cohesiebeleid.

 
  
MPphoto
 
 

  Artur Zasada (PPE), schriftelijk. − (PL) Door voor dit verslag te stemmen gaven we blijk van onze vastbeslotenheid om het gemeenschappelijk landbouwbeleid te vereenvoudigen. Dit proces is absoluut noodzakelijk om de concurrentiekracht van de Europese landbouwsector op het juiste peil te houden. Het is duidelijk dat we door een harmonisering van de regelgeving, een vermindering van de bureaucratie en een beperking van de kosten de kans hebben om het gemeenschappelijk landbouwbeleid eenvoudiger, rechtvaardiger en begrijpelijker te maken. We mogen echter niet vergeten dat de doelgroepen van deze vereenvoudiging niet alleen de autoriteiten en nationale instellingen voor de landbouwsector zijn, maar in de eerste plaats de landbouwers, die belast zijn met een overmaat aan regelgeving.

 
  
  

Verslag-Rühle (A7-0151/2010)

 
  
MPphoto
 
 

  Sophie Auconie (PPE), schriftelijk. – (FR) Het verslag van mevrouw Rühle is een initiatiefverslag dat als doel heeft manieren te onderzoeken om de procedures voor overheidsopdrachten in Europa te verbeteren teneinde een stabieler en transparanter rechtskader tot stand te brengen. De onjuiste toepassing van de aanbestedingsregels is namelijk een van de meest voorkomende oorzaken van fouten bij uitkeringen uit de Europese structuurfondsen. Ik ondersteun de belangrijkste punten uit dit initiatiefverslag: een oproep tot een betere coördinatie van de procedures voor overheidsopdrachten binnen de verschillende diensten van de Europese Commissie en de constatering dat de doelstellingen van de herziening in 2004 van de richtlijnen inzake het plaatsen van overheidsopdrachten (interpretatie van de voorschriften en meer wettelijke zekerheid) nog niet volledig zijn verwezenlijkt. Ik juich tevens het standpunt van het verslag toe dat met name kleine en middelgrote ondernemingen lijden onder de complexiteit van deze procedures, die hen soms beletten deel te nemen aan een openbare aanbesteding bij gebrek aan juridische ondersteuning. Ik heb derhalve voor dit verslag gestemd en zal de correcte toepassing van de reeds in werking zijnde richtlijnen inzake het plaatsen van overheidsopdrachten nauwlettend volgen, in onze lidstaten en met name in Frankrijk.

 
  
MPphoto
 
 

  Zigmantas Balčytis (S&D), schriftelijk. (LT) Ik heb dit verslag gesteund omdat een goed werkend en transparant systeem van openbare aanbestedingen bijzonder belangrijk is voor de interne markt, namelijk om grensoverschrijdende concurrentie en innovatie te bevorderen en optimale resultaten te behalen voor overheidsinstellingen. De doelstellingen van de herziening van de openbare-aanbestedingsrichtlijnen in 2004 zijn nog niet verwezenlijkt, vooral waar het de vereenvoudiging van de aanbestedingsregels en het creëren van meer rechtszekerheid betreft. Het Europees Hof van Justitie heeft een onevenredig groot aantal zaken met betrekking tot inbreuken op het gebied van openbare aanbestedingen onderzocht, wat erop duidt dat veel lidstaten worstelen met de naleving van de openbare-aanbestedingsrichtlijnen. Het Verdrag van Lissabon heeft voor het eerst het recht op regionaal en zelfbestuur in het primaire recht van de Europese Unie geïncorporeerd en heeft het concept van subsidiariteit geconsolideerd. Aangezien de wetgeving inzake openbare aanbestedingen ervoor moet zorgen dat overheidsmiddelen goed en efficiënt worden beheerd en geïnteresseerde bedrijven de kans krijgen om in een omgeving van eerlijke concurrentie overheidsopdrachten binnen te halen, vraag ik de Commissie om de procedures voor openbare aanbestedingen te vereenvoudigen, zodat lokale overheden en bedrijven niet heel veel tijd en geld hoeven te besteden aan zuiver bureaucratische werkzaamheden, de toegang van kleine en middelgrote bedrijven tot dergelijke opdrachten wordt vergemakkelijkt en ze op voet van gelijkheid kunnen deelnemen aan eerlijkere openbare aanbestedingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Vilija Blinkevičiūtė (S&D), schriftelijk. (LT) Een belangrijk deel van de begrotingen van de lidstaten wordt uitgegeven na openbare aanbestedingen. Daarom ben ik het eens met de opvatting van de rapporteur dat de besteding van overheidsmiddelen op een transparante wijze moet plaatsvinden en dat er publieke controle op moet zijn. Overheidsopdrachten moeten worden gegund onder transparante omstandigheden, waarbij alle belanghebbende partijen gelijk worden behandeld en de relatie tussen de prijs en de projectprestaties het ultieme criterium moet zijn, zodat de opdrachten naar de beste aan de aanbesteding deelnemende partij gaan en niet zonder meer naar de goedkoopste. Om de transparantie van openbare aanbestedingen te vergroten moeten de procedures voor openbare aanbestedingen worden vereenvoudigd, zodat lokale overheden en bedrijven niet heel veel tijd en geld hoeven te besteden aan zuiver bureaucratische werkzaamheden. Vereenvoudiging van deze procedures zal er ook voor zorgen dat kleine en middelgrote bedrijven gemakkelijker toegang krijgen tot dergelijke opdrachten en op voet van gelijkheid kunnen deelnemen aan eerlijkere openbare aanbestedingen. Door de globalisering is het voor de Commissie van groot belang om de aandacht te richten op procedures voor de toepassing van maatschappelijke criteria. Daarom is het van essentieel belang dat overheidsinstanties en andere overheidsorganen richtsnoeren of andere praktische bijstand ontvangen in verband met houdbare aanbestedingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Da Graça Carvalho (PPE), schriftelijk. (PT) Ik juich deze resolutie toe. Het is een poging om de regels voor openbare aanbestedingen te vereenvoudigen, wat tegelijk meer rechtszekerheid biedt. Voor Europese initiatieven op het gebied van openbare aanbestedingen is coördinatie op Europees niveau vereist teneinde inconsistenties en juridische problemen te voorkomen. Het is ook belangrijk om vanuit juridisch oogpunt de situaties te verduidelijken waarin de wetgeving inzake overheidsopdrachten van toepassing is op geïnstitutionaliseerde publiek-private samenwerking. Ik doe een oproep aan de Commissie om de procedures te vereenvoudigen zodat zowel de lokale autoriteiten als de ondernemingen veel minder tijd en minder geld hoeven te spenderen aan pure bureaucratie. Daarnaast zal het door de vereenvoudiging van de procedures ook gemakkelijker worden voor kleine en middelgrote ondernemingen om toegang te krijgen tot openbare aanbestedingen en mee te dingen onder meer gelijke en eerlijke voorwaarden. Overheden moeten worden aangemoedigd om ecologische, sociale of andere criteria te hanteren bij openbare aanbestedingen. Ik zou de Commissie willen oproepen om na te gaan of groene openbare aanbestedingen kunnen worden gebruikt als instrument voor de bevordering van duurzame ontwikkeling.

 
  
MPphoto
 
 

  Diogo Feio (PPE), schriftelijk. (PT) In 2004 heeft de Commissie de richtlijnen inzake openbare aanbestedingen herzien met de bedoeling de procedures te vereenvoudigen en openbare aanbestedingen transparanter, efficiënter, flexibeler en minder bureaucratisch te maken.

De rapporteur zegt het zelf: “het hoofddoel van openbare aanbestedingen is het realiseren van een economische en goedkope aanschaf van goederen en diensten ter vervulling van een openbare taak. De overheid is echter niet op een lijn te stellen met andere marktdeelnemers, aangezien de overheid publieke gelden beheert en derhalve een bijzondere verantwoordelijkheid draagt.”

Ik moet er nogmaals op wijzen dat de belangen van de partijen niet het best gediend zijn met complexe wetgeving. In het geval van openbare aanbestedingen is het tegendeel waar. Hoe complexer, hoe minder transparant, hoe omslachtiger de procedures, hoe meer kans op fraude, en uiteindelijk ook op corruptie. Daarom is het van het grootste belang dat we bij de herziening van de huidige richtlijnen inzake openbare aanbestedingen streven naar eenvoudigere en efficiëntere regels voor een sector die bijna 16 procent vertegenwoordigt van het bruto binnenlands product van de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  José Manuel Fernandes (PPE), schriftelijk. (PT) De totale jaarlijkse uitgaven betreffende openbare aanbestedingen voor de levering van goederen en diensten in de Europese Unie bedragen ruim 16 procent van het bruto binnenlands product van de EU, met andere woorden 1 500 miljard euro. In tijden van economische crisis, zoals nu, mogen de richtlijnen inzake openbare aanbestedingen de aanbestedingsprocedures niet vertragen of duurder maken. De inschrijvers, vooral kleine en middelgrote bedrijven, eisen rechtszekerheid en snelle procedures. Ik ben van mening dat de Commissie en de lidstaten, in samenwerking met de regionale en lokale autoriteiten, de verschillende regels voor openbare aanbestedingen zouden moeten herzien om ze te harmoniseren en het hele rechtskader voor openbare aanbestedingen te vereenvoudigen, teneinde het risico op fouten te verkleinen en de middelen uit de structuurfondsen efficiënter aan te wenden. Opgemerkt dient te worden dat een groot deel van de onregelmatigheden bij de uitvoering van Europese projecten, die gecofinancierd worden door de structuurfondsen of het Cohesiefonds, het gevolg zijn van een onjuiste omzetting van de Europese regels voor openbare aanbestedingen. Ik vind dat de Commissie moet nagaan of het mogelijk is om, ook na 2010, gebruik te blijven maken van versnelde procedures in het kader van de structuurfondsen, zodat de lidstaten deze middelen niet verspillen.

 
  
MPphoto
 
 

  Françoise Grossetête (PPE), schriftelijk. – (FR) Hoewel ik de doelstelling van het verslag ondersteun om de Commissie op te roepen de procedures voor overheidsopdrachten te vereenvoudigen zodat plaatselijke overheden en ondernemingen niet onevenredig veel tijd en geld hoeven te besteden aan louter bureaucratische zaken, betreur ik de formulering van het tweede deel van paragraaf 9.

Ik vind dat deze interpretatie van een arrest van het Europese Hof van Justitie dat plaatselijke autoriteiten kunnen samenwerken zonder ooit een beroep te doen op de markt, afwijkt van het neutraliteitsbeginsel. Dit kan nadelig zijn voor (particuliere of publieke) ondernemingen, die op deze wijze beroofd worden van mogelijkheden om mee te dingen naar overeenkomsten inzake de levering van openbare diensten met een economisch karakter.

 
  
MPphoto
 
 

  Sylvie Guillaume (S&D), schriftelijk. – (FR) Dit verslag werpt enig licht op de sociale en ecologische standaarden die geïntegreerd moeten kunnen worden in aanbestedingen; bovendien worden aanbevelingen gedaan om overheidsopdrachten toegankelijker te maken voor KMO's. Het verslag vertoont echter een grote lacune omdat niet expliciet wordt verwezen naar de noodzakelijke aanneming van een juridisch instrument waarmee de definitie en de status van concessieovereenkomsten voor diensten wordt verduidelijkt in het kader van de herschikking van de richtlijnen inzake overheidsopdrachten. Wij kunnen geen genoegen nemen met de bestaande jurisprudentie van het Hof van Justitie inzake concessieovereenkomsten voor openbare diensten; de noodzaak van een kaderrichtlijn inzake diensten van algemeen belang doet zich sterk gevoelen. Een juridische interpretatie is van cruciaal belang, voor iedereen. Daarom heb ik mij van stemming onthouden bij de eindstemming over dit verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Małgorzata Handzlik (PPE), schriftelijk. − (PL) Overheidsopdrachten op de Europese interne markt zijn goed voor ongeveer 15 procent van het bbp. De openstelling van de markt voor overheidsopdrachten is voordelig voor de aanbestedende instellingen: grotere markten geven immers meer keuze, en daardoor ook lagere kosten en betere kwaliteit. Dit is van groot belang bij de besteding van overheidsgeld, zeker nu de economie na de crisis gestimuleerd dient te worden en de lidstaten begrotingsproblemen hebben. De rapporteur merkte terecht op dat de huidige voorschriften tamelijk ingewikkeld zijn. Dit vormt vooral een uitdaging voor de plaatselijke en regionale autoriteiten en voor kleine en middelgrote ondernemingen. Daarnaast moeten bepaalde kwesties zoals publiek-private partnerschappen, stedenbouw en concessieovereenkomsten voor diensten verder verduidelijkt worden.

Daarom ben ik het ook eens met de hoofdpunten van het verslag van rapporteur Rühle, dat wijst op de nood aan grotere juridische transparantie op het gebied van overheidsopdrachten. Het verslag vraagt niet om een wijziging van de geldende richtlijnen, maar roept de diensten van de Europese Commissie op tot een grondige analyse van de bestaande moeilijkheden.

 
  
MPphoto
 
 

  Petru Constantin Luhan (PPE), schriftelijk. – (RO) Een aanzienlijk deel van het bbp van de Europese Unie vloeit voort uit openbare aanbestedingen. Het doel hiervan is om goederen en diensten tegen de beste prijs/kwaliteitsverhouding te kopen. De Europese richtlijnen betreffende openbare aanbestedingen vertragen de toekenning van contracten, maken dit proces kostbaarder en perken de manoeuvreerruimte van de openbare aanbesteder in. Helaas wordt een almaar toenemend aantal lidstaten met dit probleem geconfronteerd. Om die reden heb ik vóór het verslag gestemd. Ik ben een krachtig voorstander van maatregelen ter vereenvoudiging en aanpassing van de procedures. Vereenvoudigde en uniforme wetgeving is voor alle lidstaten vereist. Dit zal ons in staat stellen een einde te maken aan de huidige verschillen tussen de regelingen die de lidstaten toepassen en tegelijkertijd aan de fouten, alsmede efficiënter gebruik te maken van publieke middelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Nuno Melo (PPE), schriftelijk. (PT) Openbare aanbestedingen zijn een zeer delicate kwestie, die met de nodige ernst moet worden behandeld. Het gaat immers om overheidsmiddelen. Daarom moeten ze transparant zijn en volledig openstaan voor publieke controle om te voorkomen dat het verloop ervan tot allerlei verdenkingen zou leiden. Dus moeten openbare aanbestedingen in alle transparantie plaatsvinden en moeten alle geïnteresseerden gelijk worden behandeld. Daarbij is het voornaamste criterium de beste verhouding tussen de prijs en de projectprestatie, zodat het voorstel dat over het geheel genomen het beste is, wint en niet het voorstel dat misschien wel het goedkoopste is. Tot zover mijn stemverklaring.

 
  
MPphoto
 
 

  Alfredo Pallone (PPE), schriftelijk. (IT) Ongeveer 18 procent van het bruto binnenlands product in de Europese Unie komt voort uit openbare aanbestedingen en daarmee spelen ze een cruciale rol bij het herstel van de economie en werkgelegenheid. Aanbestedingen hebben ook een belangrijke invloed op kleine en middelgrote ondernemingen, die vaak als onderaannemers optreden.

In de huidige context, waarbij de interactie tussen de interne markt en internationale markten steeds duidelijkere vormen aanneemt, lopen Europese bedrijven het serieuze risico op oneerlijke concurrentie met bedrijven in derde landen (bijvoorbeeld China) die staatssteun genieten, waar Europese bedrijven geen recht op hebben, en die aanzienlijk lagere kosten en kortere levertijden kunnen bieden dankzij het feit dat ze de Europese normen voor veiligheid en werknemersrechten niet naleven.

We hebben op Europees niveau een gecoördineerd optreden nodig om dit verschijnsel tegen te gaan. Tot slot wijs ik u op het belang van de eerbiediging van het beginsel van wederkerigheid en evenredigheid. Chinese ondernemingen hebben bijvoorbeeld toegang tot de Europese markt, maar Europese ondernemingen mogen niet deelnemen aan aanbestedingen in China. Ik prijs de rapporteur voor haar werk en ik stem vóór.

 
  
MPphoto
 
 

  Raül Romeva i Rueda (Verts/ALE), schriftelijk. − (EN) Ik ben erg blij dat het amendement dat is voorgesteld door de Fractie van Socialisten en Democraten is verworpen, want daardoor kon onze fractie, Verts/ALE, voor het verslag van mevrouw Rühle stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernadette Vergnaud (S&D), schriftelijk. – (FR) Ik veroordeel de struisvogelpolitiek van degenen die vinden dat de bestaande jurisprudentie van het Hof van Justitie inzake concessieovereenkomsten voor diensten toereikend is en dat het absoluut niet nodig is wetgeving op te stellen. De socialisten hebben jarenlang gevochten en campagne gevoerd voor kaderrichtlijnen die diensten van algemeen belang beschermen, en wij mogen die verplichting niet laten varen. De enige langetermijngarantie voor openbare diensten is echte Europese wetgeving, geen gerechtelijke beslissingen, hoe goed gemotiveerd ze ook mogen zijn. We zien bij de problemen met de omzetting van de dienstenrichtlijn ten aanzien van sociale diensten dat alleen een specifiek kader de rechtszekerheid en de kwaliteit van de dienstverlening kan waarborgen. Kleine en middelgrote ondernemingen en lokale en regionale overheden verwachten duidelijkheid en rechtszekerheid bij het plaatsen van overheidsopdrachten, zoals overheidsopdrachten voor sociale woningbouw. Wij wilden echter ook niet tegen dit verslag stemmen, dat belangrijke aspecten bevat, met name ten aanzien van sociale en ecologische standaarden, die geïntegreerd moeten kunnen worden in aanbestedingsprocedures, aanbevelingen om de toegang voor KMO's te vergemakkelijken en een duidelijke oproep tot waakzaamheid bij publiek-private partnerschapsovereenkomsten.

 
  
  

Verslag-Keller (A7-0140/2010)

 
  
MPphoto
 
 

  Sophie Auconie (PPE), schriftelijk. – (FR) Het is van cruciaal belang om samenhang tot stand te brengen in het Europese ontwikkelingsbeleid. Het verslag van mevrouw Keller is echter qua formulering soms excessief of vaag. Ik zeg klip en klaar “Ja” tegen het tot stand brengen van samenhang in het EU-beleid, maar “Nee” tegen het in twijfel trekken van de verplichtingen die de Europese Unie (en Frankrijk) op zich hebben genomen in het kader van de Wereldhandelsorganisatie. Onze landbouw moet zich geleidelijk ontwikkelen en de problemen van onze landbouwers aanpakken, die sleutelfiguren zijn, niet alleen in onze plattelandsgebieden, maar ook in onze steden. Ik heb derhalve tegen dit verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Sebastian Valentin Bodu (PPE), schriftelijk. (RO) De Europese Unie is de grootste hulpverlener ter wereld. Naar verwachting zal de hoeveelheid ontwikkelingshulp aan niet-EU-staten dit jaar 69 miljard euro bedragen, een toename van 20 procent vergeleken met 2008. De Europese Unie heeft zichzelf consistent getoond ten aanzien van haar verplichtingen jegens de internationale instellingen. Het conflict tussen het Europese ontwikkelings- en handelsbeleid is een feit. De Europese Unie heeft echter toegezegd dat bij al het EU-beleid dat gevolgen heeft voor ontwikkelingslanden, rekening zal worden gehouden met de aangenomen ontwikkelingsdoelstellingen.

In tegenstelling tot wat aanvankelijk was voorspeld treft de economische crisis vooral arme landen, in vele waarvan sprake is van ontwikkelingsprojecten die zijn gefinancierd met Europees geld. Aan de andere kant hebben het uitvoer- en landbouwbeleid dat door de EU in deze landen wordt gevoerd een negatief effect op hun ontwikkeling. Wij worden dus geconfronteerd met een ongewenste nawerking: wat de EU op macroniveau opbouwt, ondermijnt ze op microniveau. Onder deze omstandigheden krijgen de gisteren vastgestelde doelstellingen in de resolutie die het Europees Parlement in de plenaire vergadering heeft aangenomen, een enorm belang en moeten zij door alle EU-instellingen worden aanvaard.

 
  
MPphoto
 
 

  Carlos Coelho (PPE), schriftelijk. (PT) In het licht van de economische en humanitaire crisis die de wereld vandaag doormaakt, is het meer dan ooit dringend dat de beleidslijnen van de Europese Unie op het gebied van ontwikkelingshulp onderling samenhangend en eensluidend zijn, en volledig stroken met de andere beleidslijnen van de Unie op het gebied van handel, milieu, enz. We stellen vandaag vast dat, ondanks de verbintenis van de EU op het gebied van ontwikkelingsbeleid en het feit dat de EU de grootste donor is van ontwikkelingshulp in de wereld, de wisselwerking tussen haar beleidslijnen niet altijd efficiënt is, wat in bepaalde gevallen de verwezenlijking van de millenniumontwikkelingsdoelstellingen ondermijnt.

Het is goed dat we deze status quo willen veranderen. We moeten officiële ontwikkelingshulp zien als iets van de lange termijn, van het benutten van synergieën tussen alle lidstaten en van samenhang tussen de beleidslijnen. Deze samenhang is nodig omdat we mede daardoor kunnen voldoen aan de ontwikkelingsbehoeften van degenen die de hulp nodig hebben. Over het geheel genomen steun ik dit verslag van het Europees Parlement. Ik vind het essentieel dat de EU alle mogelijke inspanningen levert om de obstakels voor ontwikkeling weg te nemen, de millenniumontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken, armoede te bestrijden en ervoor te zorgen dat de mensen in de ontwikkelingslanden hun sociale, economische, milieu- en mensenrechten daadwerkelijk kunnen uitoefenen.

 
  
MPphoto
 
 

  Anna Maria Corazza Bildt, Christofer Fjellner, Gunnar Hökmark en Anna Ibrisagic (PPE), schriftelijk. − (SV) De delegatie van de Zweedse conservatieven stemde gisteren (18 mei 2010) tegen verslag A7-0140/2010 inzake de samenhang van het EU-ontwikkelingsbeleid en het concept "officiële ontwikkelingshulp plus" (2009/2218(INI)). Dat deden we in de eerste plaats omdat we het voorstel betreffende de invoering van een internationale belasting op financiële transacties niet steunen. Het invoeren van een Tobintaks zou alleen maar nadelig zijn voor de ontwikkelingslanden en de armoede doen toenemen. Wij willen echter beklemtonen dat het verslag elementen bevat waar wij ons wél in kunnen vinden, bijvoorbeeld dat de subsidies van de Unie op de export van Europese landbouwproducten rampzalige gevolgen hebben gehad voor de voedselveiligheid en de ontwikkeling van een levensvatbare landbouwsector in de ontwikkelingslanden.

 
  
MPphoto
 
 

  Marielle De Sarnez (ALDE), schriftelijk. – (FR) Een miljard vierhonderd miljoen mensen op deze wereld leven van minder dan één euro per dag. Het is de plicht van de Europese Unie iets te doen aan deze situatie. Dit vereist een doeltreffender en efficiënter beleid op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en ontwikkelingshulp. De toezeggingen op het gebied van de officiële ontwikkelingshulp (ODA) worden nog steeds niet voldoende nagekomen. Om de ontwikkelingsnood aan te pakken, verzoeken wij de Commissie om spoedig aanvullende innovatieve financieringsbronnen voor ontwikkeling te vinden, zoals een belasting op internationale financiële transacties om aanvullende middelen te genereren teneinde de ernstigste gevolgen van de crisis te boven te komen. In dezelfde geest moeten de lidstaten hun verplichting opnieuw bevestigen die zij zijn aangegaan op de Millenniumtop, om in het volgende decennium 0,7 procent van het bbp te besteden aan ODA, rekening houdend met het absorptievermogen en het goede bestuur van de ontvangende landen. Tot slot moet het Europese ontwikkelingshulpbeleid worden gekoppeld aan een flexibele regelgeving inzake het verkeer van personen, goederen en kapitaal met ontwikkelingslanden.

 
  
MPphoto
 
 

  Lena Ek, Marit Paulsen, Olle Schmidt en Cecilia Wikström (ALDE), schriftelijk. − (SV) Wij steunen het doel van dit verslag, namelijk dat het EU-beleid moet sporen met de ambitie van de Unie om de ontwikkeling in landen met lage en gemiddelde inkomsten te steunen. In het verslag van mevrouw Keller worden liberalisering van diensten en duidelijke mededingingsregels echter genoemd als voorbeelden van hinderpalen voor de verwezenlijking van de millenniumontwikkelingsdoelstellingen. Bijgevolg kunnen wij het verslag in zijn geheel niet steunen. Zonder duidelijke spelregels kan een markteconomie niet naar behoren werken en de handel in diensten is een belangrijk element voor de ontwikkeling van nationale economieën.

 
  
MPphoto
 
 

  Diogo Feio (PPE), schriftelijk. (PT) De Europese Unie wordt vaak geconfronteerd met de paradoxen die ze zelf in het leven heeft geroepen en met de inconsistenties die haar beleid met zich brengt voor de lidstaten en hun burgers, maar ook voor derde landen en volkeren. Als grootste donor van ontwikkelingshulp in de wereld moeten de Europese Unie en haar lidstaten ervoor ijveren dat haar ontwikkelingsbeleid niet alleen efficiënt, maar ook consequent en coherent is, wat niet altijd het geval is geweest. Alle inspanningen om deze samenhang te bevorderen en om rekening te houden met de talrijke behoeften van de volkeren voor wie de hulp bestemd is, zijn lovenswaardig. Het handelsbeleid mag hiervoor niet immuun blijven.

 
  
MPphoto
 
 

  João Ferreira (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Het onderwerp van dit verslag is zeer relevant. We weten immers dat het beleid en de acties van de EU op verschillende domeinen vaak niet sporen met de verklaarde doelstellingen op het gebied van ontwikkelingshulp. Het verslag bevat verschillende belangrijke en positieve elementen, zoals: aandacht vragen voor het blijvende drama van de honger in de wereld; wijzen op het gebrek aan samenhang en efficiëntie van de partnerschapsovereenkomsten in de visserijsector ten aanzien van de verklaarde doelstellingen op het gebied van samenwerking en ontwikkeling; de gevolgen aan de kaak stellen van de exportsubsidies van de Europese Unie; kritiek leveren op de vrijmaking van diensten, de invoering van de mededingingsnormen, de belastingparadijzen, de vlucht van het kapitaal uit de ontwikkelingslanden naar de EU ten gevolge van onsamenhangende beleidslijnen en de verminderde steun voor de landbouw; en de oprichting van een octrooipool voor geneesmiddelen tegen HIV/aids. Jammer genoeg is de rapporteur uiteindelijk zelf ook niet consequent, meer bepaald wanneer ze pleit voor de verdere ontwikkeling van instrumenten zoals vrijhandelsovereenkomsten en zogenaamde partnerschapsovereenkomsten. Ze gaat namelijk volledig voorbij aan het feit dat deze akkoorden een bedreiging vormen voor de belangen van de ontwikkelingslanden op verschillende terreinen, zoals overduidelijk is gebleken toen vele van die landen zich verzetten tegen de ondertekening ervan en, in bepaalde gevallen, enkel konden worden overtuigd door onaanvaardbare druk en chantage van de EU.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Papastamkos (PPE), schriftelijk. (EL) Ik erken volledig het belang van het ontwikkelingsbeleid van de EU en de hulp aan de ontwikkelingslanden. Ik heb echter tegen het verslag-Keller gestemd omwille van het daarin verwoorde standpunt over de gevolgen van de EU-landbouwexportsubsidies voor de landbouwsector van ontwikkelingslanden. Dat standpunt is volstrekt onjuist.

De EU is trouwens een bijzonder open markt voor wat betreft de invoer van producten uit ontwikkelingslanden als gevolg van, onder meer, het initiatief "Alles behalve wapens" en andere preferentiële overeenkomsten. In verband met de verbintenis van de lidstaten van de WTO in het kader van de ministerstop in Hongkong (2005) dient te worden vermeld dat het gaat om het parallel afschaffen van de uitvoersubsidies en het opleggen van discipline aan alle uitvoermaatregelen met gelijke uitwerking op de concurrentie.

 
  
MPphoto
 
 

  Evelyn Regner (S&D), schriftelijk. (DE) Ik heb voor dit verslag gestemd, omdat het een van mijn persoonlijke aandachtspunten is dat internationale vrijhandelsovereenkomsten wettelijk bindende sociale en milieunormen bevatten. Het is naar mijn mening zeer belangrijk dat de Europese Unie het beginsel van de sociale markteconomie niet alleen binnen de EU toepast, maar ook naar buiten toe uitdraagt. Onze partners bij vrijhandelsovereenkomsten moeten zich aan bepaalde normen houden; zo niet, dan moeten onderhandelingen met landen die niet voldoen aan deze normen mijns inziens worden stopgezet.

 
  
MPphoto
 
 

  Raül Romeva i Rueda (Verts/ALE), schriftelijk. − (EN) Ik heb enthousiast voor het verslag van Franziska Keller over samenhang van het ontwikkelingsbeleid gestemd en ik ben erg blij dat het bij meerderheid van stemmen is aangenomen. Ik betreur de tegenstem van de PPE- en ECR-Fracties.

 
  
MPphoto
 
 

  Alf Svensson (PPE), schriftelijk. − (SV) Bij de stemming van het Europees Parlement stemde ik tegen het verslag inzake de samenhang van het EU-ontwikkelingsbeleid en het concept "officiële ontwikkelingshulp plus". Het voeren van een verantwoord en effectief ontwikkelingsbeleid zou één van de belangrijkste aandachtspunten van het Europees Parlement moeten zijn. Het is iets waar ik me samen met veel anderen dagelijks voor inzet in de Commissie ontwikkelingssamenwerking. Dat de EU met de ene hand neemt – bijvoorbeeld door de landbouwsubsidies die nefast zijn voor de mededingingsmogelijkheden van de ontwikkelingslanden – en dan met de andere hand hulp geeft om “de schade te herstellen”, is natuurlijk volkomen absurd en allesbehalve verantwoord. Het debat over de samenhang van het EU-ontwikkelingsbeleid is belangrijk en nuttig.

Het onderhavige verslag bevat echter elementen die ik niet kan steunen, zoals de paragraaf over de invoering van een internationale belasting op financiële transacties en het gebruik van de vaag gedefinieerde term "milieurechten". Grote delen van het verslag – dat door de plenaire vergadering goedgekeurd werd – zijn echter uitstekend en mijn tegenstem mag niet worden geïnterpreteerd als een uiting van onwil om mee te werken aan samenhang van het EU-ontwikkelingsbeleid. Er is mij integendeel veel gelegen aan dat proces en aan het feit dat het op de best mogelijke manier moet verlopen.

 
  
MPphoto
 
 

  Marc Tarabella (S&D), schriftelijk. – (FR) Ik ben zeer tevreden over de aanneming van het uitstekende verslag inzake de samenhang van het EU-ontwikkelingsbeleid en het concept “officiële ontwikkelingshulp plus”, omdat het gericht is op meer respect voor ontwikkelingslanden. Ik juich met name toe dat paragraaf 70 is aangenomen, zij het met een nipte meerderheid. Hierin wordt de Commissie verzocht om systematisch juridisch afdwingbare sociale en milieuvoorschriften op te nemen in de door de Europese Unie gesloten handelsovereenkomsten. Dit is een belangrijke stap op weg naar een eerlijkere handel. De Europese Unie moet op dit gebied het goede voorbeeld geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Nuno Teixeira (PPE), schriftelijk. (PT) Dit verslag is bijzonder belangrijk in het licht van de huidige economische conjunctuur wereldwijd. Het is een poging om de samenhang te vergroten van het beleid van de Europese Unie zodat ze de doelstellingen kan verwezenlijken die ze zelf heeft gesteld, zoals de millenniumontwikkelingsdoelstellingen. De Europese Unie is de grootste donor van ontwikkelingshulp ter wereld (de laatste cijfers wijzen op 49 miljard euro) en in haar optreden heeft zij zowel aandacht voor het land als voor de burgers van dat land. Het beleid van de Europese Unie is dan ook een omvattend beleid met oog voor sociale, milieu- en handelskwesties.

Er wordt hier benadrukt dat we de toegang van de uit die landen afkomstige producten tot de Europese markten moeten stimuleren. Zo wordt onder meer gesuggereerd dat de Europese Unie instrumenten zou ontwikkelen om de douanetarieven te verlagen. Toch zou ik mijn bezorgdheid willen uiten over een aantal van die suggesties. Het dient namelijk gezegd dat deze instrumenten gevolgen zouden kunnen hebben voor de Europese producenten, meer bepaald voor de producenten die afkomstig zijn van geografische gebieden die onze bijzondere aandacht verdienen. Ontwikkelingshulp en uitroeiing van armoede zijn prioriteiten van de hoogste orde en verdienen mijn totale steun. Toch vind ik dat we geen verbintenissen mogen aangaan waarvan de uitvoering de belangen kan schaden van onze medeburgers. We mogen hen niet vergeten, zij zijn niet van ondergeschikt belang: we hebben speciale verplichtingen tegenover hen.

 
  
  

Verslag-Ranner (A7-0130/2010)

 
  
MPphoto
 
 

  Sophie Auconie (PPE), schriftelijk. – (FR) Ik heb voor dit initiatiefverslag van het Europees Parlement gestemd, waarmee wordt gereageerd op de analyse van de Europese Commissie van de sancties voor ernstige inbreuken op de sociale voorschriften voor het wegvervoer. Er bestaan momenteel verschillen tussen de Europese landen, waardoor de eerlijke werking van de interne markt en de verkeersveiligheid worden gehinderd. De Commissie vervoer en toerisme van het Europees Parlement doet enkele voorstellen voor oplossingen. In het verslag wordt met name een harmonisatie van de sancties voorgesteld door een gemeenschappelijke classificatie van de boetes. Er wordt gepleit voor de oprichting van een coördinatie-instantie die verantwoordelijk is voor de verbetering van de samenwerking tussen de lidstaten bij de handhaving van sociale voorschriften en voor de oprichting van inspectie-instanties. Tot slot wordt in het verslag de noodzaak onderstreept om aan de wegvervoerders en de chauffeurs voldoende informatie te verstrekken betreffende de relevante sociale voorschriften en de sancties voor inbreuken door gebruik te maken van drukwerk, informatietechnologieën en intelligente vervoerssystemen. Aangezien ik deze voorstellen volledig ondersteun, heb ik voor dit verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Zigmantas Balčytis (S&D), schriftelijk. (LT) De sanctiesystemen in de lidstaten van de Europese Unie laten grote verschillen zien, en daarom is het voor ondernemingen en chauffeurs bijzonder moeilijk om hun rechtspositie met betrekking tot internationale vervoersactiviteiten te begrijpen. De momenteel geldende verordeningen c.q. richtlijn inzake sociale voorschriften in het wegvervoer geven de lidstaten veel ruimte voor interpretatie, waardoor er geen uniforme omzetting in de nationale wetgeving van de lidstaten plaatsvindt. Het Verdrag van Lissabon voorziet in de mogelijkheid om de bepalingen van het strafrecht en andere wetgeving van de lidstaten te laten convergeren. Ik ben van mening dat de Commissie deze mogelijkheid moet gebruiken om geharmoniseerde controles te bevorderen en regelgevende actie te ondernemen om belemmeringen voor de interne markt weg te nemen en de verkeersveiligheid te verbeteren. Om op een zo doelmatig mogelijk wijze te bereiken dat de sociale voorschriften in het wegvervoer worden uitgevoerd, moet de Europese Commissie met een uniforme en bindende uitleg van de verordening rij- en rusttijden komen, die de nationale inspectieorganen in aanmerking moeten nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Luc Bennahmias (ALDE), schriftelijk. – (FR) Sinds 2006 worden alle wegvervoerders die in Europa actief zijn, door een Europese verordening gedwongen dezelfde dagelijkse maximale rijtijd en rustperioden in acht te nemen teneinde de veiligheid op de Europese wegen te waarborgen. Helaas worden deze maatregelen bij lange na niet optimaal toegepast: de sancties in de lidstaten voor een overtreding lopen zeer sterk uiteen.

De boete voor een chauffeur die de dagelijkse maximale rijtijd met meer dan twee uur overschrijdt, is bijvoorbeeld in Spanje tien keer hoger dan in Griekenland. Voor een ernstige inbreuk wordt in sommige lidstaten een gevangenisstraf opgelegd, terwijl in andere alleen het rijbewijs wordt ingetrokken. Dit gebrek aan harmonisatie doet afbreuk aan de efficiëntie van de verordening en zorgt voor veel rechtsonzekerheid bij de wegvervoerders.

Ik heb voor het verslag van mevrouw Ranner gestemd, waarin de Commissie wordt verzocht om voor inbreuken minimum- en maximumniveaus voor te stellen die in alle lidstaten moeten worden geharmoniseerd. Tevens wordt verzocht om een eenvoudige en toegankelijke brochure waarmee vrachtwagenchauffeurs worden geïnformeerd over de risico's die zij lopen in geval van een inbreuk.

 
  
MPphoto
 
 

  Sebastian Valentin Bodu (PPE), schriftelijk. (RO) De zorg van de Europese Unie over de afwezigheid van uniforme regelgeving inzake verkeersboetes in lidstaten is gerechtvaardigd. Het opleggen van zulke boetes, of in ieder geval de niet-financiële, aan alle automobilisten zou leiden tot minder verwarring dan de transporteurs of individuele automobilisten nu ervaren vanwege de verschillen in wetgeving tussen het land van herkomst en een derde EU-lidstaat waar zij doorheen rijden.

Anderzijds hebben de Europese Commissie en specialistische parlementaire commissies gelijk wanneer zij zeggen dat het voor ons te vroeg is om zelfs maar te overwegen financiële verkeersboetes te standaardiseren. De economische omstandigheden van bedrijven en de bevolking van de Europese Unie vertonen aanzienlijke verschillen, wat betekent dat boetes voor dezelfde verkeersovertreding niet in alle lidstaten even hoog mogen zijn. Toch zou het standaardiseren van de regelgeving ten aanzien van passagiersvervoer een grotere verantwoordelijkheid leggen bij transportbedrijven.

Een harmonisatie van de regelgeving in alle lidstaten, ondersteund door strikte handhaving, zonder het aan elke afzonderlijke lidstaat over te laten of de Europese aanbevelingen worden overgenomen, zou ook de veiligheid op de Europese wegen ten goede komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Diogo Feio (PPE), schriftelijk. (PT) De inbreuken in het wegvervoer zijn een ernstig probleem dat belangrijke vragen doet rijzen van grensoverschrijdende aard. Daarom is het belangrijk dat de Commissie aandacht heeft voor de realiteiten van de verschillende lidstaten, voor de overtredingen die zijn opgenomen in de verschillende nationale wetgevingen en voor de respectieve sancties en boetes. Daartoe benadrukt de rapporteur dat “een doeltreffend en evenwichtig systeem van sancties met een afschrikkende werking alleen kan zijn gebaseerd op duidelijke, transparante en vergelijkbare sancties” en “roept de lidstaten op naar wetgevende en praktische oplossingen te zoeken teneinde de soms zeer grote verschillen in aard en hoogte van de sancties te reduceren”.

Ik kan me op zich goed vinden in de gedachte dat een efficiënt en evenwichtig systeem van sancties belangrijk is en dat de lidstaten moeten samenwerken om de verschillen in de aanpak van de inbreuken in het wegvervoer te reduceren. Ik heb echter meer problemen met het idee dat de nationale wetgever niet langer bevoegd zou zijn voor strafzaken ten gunste van een harmonisering van de aard van de sancties en het bedrag van de boetes op het niveau van de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  João Ferreira (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Het verslag van de Europese Commissie is een samenvatting van de verschillende sancties in de lidstaten en laat de verschillen zien tussen de systemen van de lidstaten. Daaruit concludeert de Commissie dat de situatie niet tot tevredenheid stemt. Daarom nodigt ze de lidstaten uit om de sociale voorschriften voor het wegvervoer op een geharmoniseerde manier toe te passen. De rapporteur van het Europees Parlement stelt voor om meer inspanningen te leveren om dit gebied te harmoniseren, meer bepaald wat betreft “de interpretatie van de handhaving van de sociale wetgeving” en de sancties via “de indeling in categorieën”, “ter verwezenlijking van een interne vervoersmarkt en ter vergroting van de rechtszekerheid”.

Veiligheid op de weg is ongetwijfeld een belangrijke materie, net zo belangrijk als de verbetering van de arbeidsomstandigheden in de sector van het wegvervoer, meer bepaald wat betreft de rust- en rijtijden. We herhalen dat we deze doelstellingen niet noodzakelijkerwijs zullen verwezenlijken door middel van een algemene harmonisatie. Harmonisatie já, maar naar boven en niet naar beneden, zoals gebruikelijk is als het om “de verwezenlijking van de interne markt” gaat. We hebben nood aan meer preventie in het wegvervoer en aan betere arbeidsomstandigheden in de vervoerssector voor een betere verkeersveiligheid in alle lidstaten.

 
  
MPphoto
 
 

  Nuno Melo (PPE), schriftelijk. (PT) De veiligheid van het wegvervoer is altijd een punt van zorg geweest van de EU. De goedkeuring van deze resolutie is een volgende stap om een einde te maken aan de ernstige inbreuken op de sociale voorschriften voor het wegvervoer. De lidstaten moeten meer samenwerken om een communicatienetwerk op te richten dat iedereen die beroepshalve aan het verkeer deelneemt gemakkelijk kan raadplegen wanneer hij of zij aan het werk is in een andere lidstaat dan zijn of haar eigen lidstaat. Er moeten ook financiële inspanningen worden geleverd zodat het Europese wegennet over aangepaste infrastructuren beschikt, waaronder voldoende tankstations en veilige parkeerplaatsen, zodat de chauffeurs de verplichte rij- en rusttijden daadwerkelijk in acht kunnen nemen. Tot zover mijn stemverklaring.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI), schriftelijk. (DE) Statistieken hebben aangetoond dat met name zware bedrijfswagens betrokken zijn bij een groot deel van de verkeersongevallen. Het is daarom des te belangrijker dat voertuigen perfect in orde zijn. De oplettendheid van de bestuurder vermindert bij oververmoeidheid bijna evenveel als onder invloed van alcohol. Bijgevolg moeten we er met het oog op de algemene veiligheid voor zorgen dat deze voorschriften in acht worden genomen. Het is belangrijk dat voor werknemers in dit verband dezelfde voorwaarden gelden als voor zelfstandigen, zodat niet alsmaar meer mensen worden gedwongen tot zogenaamde zelfstandigheid en vervolgens tot aan of zelfs boven de grenzen van hun belastbaarheid worden uitgebuit.

Geldboetes echter zijn vaak niet geschikt om naleving van de rusttijden te waarborgen; dat is alleen mogelijk als een voertuig wordt stilgelegd. Aangezien er geen uitbreiding van deze verkeersveiligheidsmaatregelen is voorzien, heb ik tegen gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Alfredo Pallone (PPE), schriftelijk. (IT) Het verslag van mevrouw Ranner, aan wie ik mijn complimenten overbreng voor het verrichte werk, brengt niet alleen de verschillen in boetes in de verschillende lidstaten aan het licht, maar ook de verschillende soorten sancties, waarbij de onbevredigende situatie voor zowel de bestuurders als de vervoersondernemingen wordt benadrukt.

Ik ben het eens met de strekking van het parlementair verslag, waarin het belang voor de interne markt wordt onderstreept van een volledige uitvoering van de sociale voorschriften, indien noodzakelijk door frequentere controles, de totstandbrenging van een Europees coördinatie-instrument en het harmoniseren van inbreuken en de daaraan verbonden sancties. Alleen een eenduidige regeling kan leiden tot een snelle inning van de bedragen die verschuldigd zijn wegens inbreuken. Ik heb daarom voor het verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Nuno Teixeira (PPE), schriftelijk. (PT) Dit verslag van mijn collega van de Commissie vervoer en toerisme is een uitstekend initiatief om een aantal bestaande problemen op te lossen die verband houden met de sancties voor ernstige inbreuken in het wegvervoer. Er zijn aanzienlijke verschillen tussen de regels voor ernstige inbreuken op de sociale voorschriften wat betreft het bedrag van de boetes en de aard en de categorie van de sancties. Daarom is er nood aan meer harmonisatie.

Ik verwelkom de oplossingen voor deze verschillen die in het document worden voorgesteld, meer bepaald de noodzakelijke harmonisatie van de indeling in categorieën van ernstige inbreuken en de uitvoering van een controlesysteem, dat op Europees niveau gecoördineerd zou worden door een instantie die daarvoor de juiste kenmerken heeft. Die instantie zou als taak hebben de samenwerking te verbeteren bij de uitvoering van de sociale voorschriften en de opleiding te verzorgen van de inspecteurs die zorg moeten dragen voor de toepassing van deze voorschriften.

Ik zou ook willen benadrukken dat het belangrijk is om andere initiatieven te ontplooien om goede informatie te verstrekken over de sociale voorschriften, en om te zorgen voor geschikte infrastructuren en parkeerplaatsen teneinde te garanderen dat de voorschriften worden nageleefd. Om bovengenoemde redenen heb ik voor het verslag gestemd dat vandaag in de plenaire vergadering is voorgelegd.

 
Laatst bijgewerkt op: 19 augustus 2010Juridische mededeling