Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2010/2856(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

B7-0521/2010

Debatten :

PV 21/09/2010 - 14
CRE 21/09/2010 - 14

Stemmingen :

PV 22/09/2010 - 5.14

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0341

Debatten
Waarschuwing
Dinsdag 21 september 2010 - Straatsburg Uitgave PB

14. Een Europese strategie voor de economische en sociale ontwikkeling van berggebieden, eilanden en dunbevolkte gebieden (debat)
Video van de redevoeringen
PV
MPphoto
 

  De Voorzitter. − Aan de orde is de verklaring van de Commissie over de Europese strategie voor de economische en sociale ontwikkeling van berggebieden, eilanden en dunbevolkte gebieden.

 
  
MPphoto
 

  Johannes Hahn, lid van de Commissie.(DE) Mijnheer de Voorzitter, een mens zou bijna denken dat Europa een bergeiland was. Maar alle gekheid op een stokje – het doe mij deugd dat het Europees Parlement blijk geeft van zijn permanente aandacht voor de economische en sociale ontwikkeling van de gebieden met bijzondere noden, met name bergstreken, eilanden en dunbevolkte gebieden.

Het Verdrag van Lissabon versterkt het belang van de sociale cohesie, die in artikel 174 als een van de doelstellingen van de Unie genoemd wordt. Om die reden heeft de Commissie met het Groenboek over territoriale cohesie de aanzet gegeven tot een brede maatschappelijke discussie. Een van de voornaamste uitkomsten van deze raadpleging was dat er niet zozeer behoefte is aan extra geld, maar dat het belang van geïntegreerde territoriale ontwikkelingsconcepten meer op de voorgrond gesteld moet worden en er meer oog moet zijn voor de sterke kanten van de verschillende regio’s.

Ik beschouw regionale bijzonderheden in de eerste plaats als de sterke kanten van de regio’s in kwestie. Ik vind dan ook niet dat regionale bijzonderheden – of dat nu het insulaire of alpine karakter dan wel de lage bevolkingsdichtheid is – automatisch een probleem vormen of tot meer steungelden moeten leiden, te meer daar ook de onderlinge verschillen groot zijn. Er bestaat dan ook geen pasklare oplossing voor al deze schijnbaar bij elkaar horende streken.

Voor de Commissie is het van het grootste belang een gelijkmatige groei in de regio’s veilig te stellen. Het is daarom mijn streven de gemeenschappelijke Europa 2020-strategie in alle regio’s te implementeren, want het gemeenschappelijke werk zou eerder geschaad dan bevorderd worden als we verschillende strategieën voor verschillend gestructureerde gebieden zouden hanteren. Wij denken daarom dat een specifiek beleid voor de gebieden met bijzondere eigenschappen niet nodig is, maar dat we juist het integrale aspect van ons beleid door dwarsverbindingen met andere beleidsterreinen zouden moeten versterken en de regio’s er nog meer van moeten zien te overtuigen programma’s te ontwikkelen die naadloos op de eigen behoeften aansluiten. We dienen kortom de territoriale dimensie op alle beleidsterreinen sterker aan te zetten bij het formuleren en de uitvoering van het beleid.

Daaruit leid ik vier prioriteiten af. Ten eerste dienen we het regiobeleid dichter bij de burgers in de regio’s te brengen. Omwille van de territoriale cohesie moeten we op verschillende niveaus meer samenhang in de diverse beleidsterreinen brengen. Dat betekent ook echt werk maken van het beginsel van de multi level governance en alle belanghebbenden bij de totstandkoming en de uitvoering van ons beleid betrekken. Het betekent echter ook een nog beter gebruik van alle interregionale, multiregionale en multinationale samenwerkingsmogelijkheden, om de problemen die afzonderlijke gebieden, bijvoorbeeld de grote bergstreken in de Alpen en de Pyreneeën, gemeen hebben, bij de wortel aan te kunnen pakken.

De tweede prioriteit is een betere afstemming tussen de verschillende terreinen van het regionaal beleid. Territoriale cohesie betekent ook meer oog voor de complementariteit en coherentie tussen het regionale en het sectorale beleid. We dienen inzicht te krijgen in de uitwerking van sectoraal beleid op de regio’s. De Commissie heeft daarom de Inter-Service Group on Territorial Cohesion in het leven geroepen, waarin de verschillende directoraten-generaal vertegenwoordigd zijn en die als voornaamste taak heeft om de diverse sectorale beleidslijnen te analyseren in hun uitwerking op de regio’s, vooral regio’s die in een sociaal-geografische uitzonderingspositie verkeren.

De derde prioriteit is territoriale samenwerking ter versterking van de Europese integratie. Samenwerking is vooral voor geografisch uitzonderlijke gebieden van belang. Het gaat erom grensoverschrijdende oplossingen voor gemeenschappelijke problemen te vinden, hetzij in de vorm van macroregionale strategieën, zoals die voor de Oostzee, hetzij als interregionale netwerken of het uitwisselen van goede praktijken.

Vierde en laatste prioriteit: het is ook zaak om regionale competenties beter te benutten. Om een doelgerichte en op subsidiariteit gebaseerde regionale ontwikkelingspolitiek te kunnen bedrijven en aldus de doelstellingen van Europa 2020 te bevorderen, dienen we nog beter op de hoogte te zijn van de situatie in de regio’s en de uitwerkingen van politieke maatregelen. Er moet een nog beter monitoring-systeem komen, dat de beschikbare gegevens nog beter kan verwerken. Verder is er behoefte aan doelgerelateerde indicatoren om een doelmatig beleid te waarborgen. Dit kan slechts in samenwerking met de regio’s, het regionale bedrijfsleven en de burgers ter plekke.

Geachte afgevaardigden, we hebben behoefte aan een krachtig beleid voor alle regio’s, dat recht doet aan de verschillen in behoeften en aan lokale bijzonderheden. Het is mij een genoegen om het al over korte tijd met het Europees Parlement op basis van het vijfde cohesieverslag te kunnen hebben over de toekomst van het regionaal beleid en van de geografisch uitzonderlijke gebieden.

 
  
MPphoto
 

  Jan Olbrycht, namens de PPE-Fractie.(PL) We beginnen vandaag een debat over regio’s met bepaalde specifieke kenmerken. Het gaat hierbij om regio’s waar veel activiteiten extra kosten met zich meebrengen. Eilanden en berggebieden hebben op grond van geografische factoren te maken met extra kosten. Het debat van vandaag is ook in een andere zin belangrijk, die van groot belang is voor de verdere maatregelen waar de commissaris het over had. Ik doel op het feit dat we naar aanleiding van het debat van vandaag moeten praten over het cohesiebeleid van na 2013.

De resolutie waar we het vandaag over hebben, is niet zozeer een uitdrukking van de wil om bepaalde gebieden te steunen – dit is opgenomen in het Verdrag – maar betreft zeer specifieke maatregelen en werpt specifieke vragen op over de manier waarop we het cohesiebeleid na 2013 vorm gaan geven. Er zij op gewezen dat de resolutie zich met name richt op de integratie van het regionaal beleid in andere beleidsterreinen. Dit werpt de vraag op welke indicatoren worden gekozen en om welke reden het cohesiebeleid en het bruto binnenlands product worden gebruikt. In de resolutie wordt betoogd dat deze regio’s ook op andere beleidsterreinen moeten worden gesteund, waaronder – dat hebben we hier buiten beschouwing gelaten, maar mogen we niet vergeten – het landbouwbeleid. Bovendien moet de territoriale samenwerking worden versterkt en moet beter gebruik worden gemaakt van de Europese groepering voor territoriale samenwerking, waar we in het vorige financiële kader aan hebben gewerkt. Met andere woorden: we staan aan het begin van een serieus debat over het toekomstige cohesiebeleid. Specifieke regio’s zijn het eerste onderwerp van dit debat, maar wel een onderwerp dat laat zien dat het cohesiebeleid een van de belangrijkste beleidsterreinen van de Europese Unie is en moet blijven.

 
  
MPphoto
 

  Georgios Stavrakakis, namens de S&D-Fractie.(EL) Mijnheer de Voorzitter, om te beginnen wil ik de commissaris bedanken voor zijn aanwezigheid.

Het geheel van berggebieden en eilanden vormt bij uitstek een gebied waar coördinatie van vitaal belang is, zowel op het niveau van beleidsplanning als bij het uitvoeren van programma’s. Zij vormen gebieden waar verschillende soorten beleid, zoals onder andere landbouwbeleid, regionaal beleid, transport-, visserij- en werkgelegenheidsbeleid, een oplossing moeten brengen voor met elkaar samenhangende multidimensionale problemen.

Voor deze gebieden heeft de Europese Unie een veelheid aan acties ontwikkeld in het kader van diverse soorten beleid. Wat naar mijn mening ontbreekt is coördinatie. Bij een land als Griekenland, waar het grootste deel van het oppervlak uit berggebieden bestaat terwijl er meer dan tweehonderd bewoonde eilanden zijn, ligt het voor de hand dat de sociale en economische samenhang niet versterkt kan worden als er geen coördinatie op alle niveaus is.

Zo zal de Europese Unie dubbel profijt hebben: enerzijds vermijden wij de financiering van dezelfde acties uit verschillende programma’s, en anderzijds bevorderen wij ontwikkeling door het voordeel voor alle bewoners te vergroten, waar zij ook wonen.

Een integrale benadering van planning en uitvoering van beleid voor de berggebieden en eilanden van de Europese Unie moet geen wensgedachte zijn maar iets vanzelfsprekends.

 
  
MPphoto
 

  Riikka Manner, namens de ALDE-Fractie. − (FI) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, het compromis dat wij in deze resolutie hebben bereikt is uitstekend en daarvoor wil ik alle betrokken collega’s bedanken.

Het verbeteren van de situatie in de gebieden die door de financiële crisis zijn getroffen moet een van onze grootste prioriteiten zijn, ook in het regionaal beleid. Deze gebieden zijn inderdaad de noordelijke dunbevolkte gebieden, berggebieden, grensgebieden en eilanden. Met deze resolutie doet het Parlement een krachtig beroep op de Commissie om ook in de toekomstige financiële kaders en de volgende programmeringsperiode specifieke aandacht te besteden aan gebieden met permanente natuurlijke handicaps.

Steun voor dunbevolkte gebieden is in het toekomstig cohesiebeleid heel belangrijk om dat beleid omvattend te laten blijven. Ik wil mijn collega’s die de resoluties steunden erop wijzen dat zij ervoor moeten zorgen dat dit doel ook in praktijk wordt gebracht, dus niet alleen door voor deze resolutie te stemmen, maar ook door erop toe te zien dat in toekomstige financiële kaders daadwerkelijk geld opzij wordt gezet voor deze specifieke gebieden.

Ik ben blij dat in dit document het belang wordt onderstreept van het benutten van het potentieel van deze gebieden. Het is belangrijk dat wij ook de zeer grote mogelijkheden van deze gebieden zien en niet alleen hun problemen. Alleen door hun daadwerkelijke potentieel te benutten, kunnen wij deze gebieden echt vooruit helpen. De traditionele middelen van bestaan, energie en de sectoren die in de Europa 2020-strategie worden benadrukt, zoals onderzoek en ontwikkeling, zijn cruciaal voor deze specifieke gebieden.

Ik wacht het vijfde cohesieverslag van de Commissie met belangstelling af. Het is interessant om te zien hoe de Commissie in feite rekening houdt met de doelen van Europa 2020 en hoe de specifieke kennis en vaardigheden in deze gebieden in heel Europa worden benut.

 
  
MPphoto
 

  François Alfonsi, namens de Verts/ALE-Fractie.(FR) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, de vaststelling van een Europese strategie voor de economische en sociale ontwikkeling van berggebieden, eilanden en dunbevolkte gebieden is een echte noodzaak.

Artikel 174 van het Verdrag van Lissabon belichaamt, eindelijk, het besef van de Europese Unie dat deze gebieden permanente handicaps moeten overwinnen. Daarom moet de Commissie voortaan concrete strategieën voorstellen om te waarborgen dat de situatie van de inwoners van deze gebieden gelijk is aan die van de andere Europese burgers, teneinde hen daadwerkelijk te compenseren voor de handicaps die ze ondervinden in hun dagelijks leven, maar ook in hun economische activiteiten.

In dat verband is het bruto binnenlands product per inwoner, het criterium dat in het kader van de structuurfondsen voortdurend vooropstaat, op zich niet toereikend. Deze gebieden lijden onder ontvolking waardoor het bbp per inwoner van de overblijvende bevolking nog hoger zou kunnen oplopen. We hebben voor deze gebieden dus een meer verfijnde aanpak nodig en dat wil onze fractie benadrukken.

Commissaris, artikel 174 van het Verdrag van Lissabon erkent het specifieke karakter van deze gebieden. We moeten dus specifieke maatregelen nemen om ze te ontwikkelen en hun specifieke problemen aan te pakken. Deze maatregelen moeten in aanmerking komen voor de structuurfondsen, in het bijzonder wanneer de problemen bijzonder acuut zijn, zoals de gevolgen van de opwarming van de aarde voor eilanden en berggebieden, energievoorziening, ontsluiting, vervoersproblemen, enzovoort.

We roepen de Commissie ook op om in de volgende financiële vooruitzichten voor de programmeringsperiode 2014-2020 te voorzien in specifieke middelen voor deze gebieden. We willen ook dat instrumenten zoals de Europese groeperingen voor territoriale samenwerking worden voortgezet en uitgebreid en dringen erop aan dat de ingevoerde belemmeringen voor grensoverschrijdende samenwerking worden weggewerkt.

 
  
MPphoto
 

  Oldřich Vlasák, namens de ECR-Fractie.(CS) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren. Reeds meer dan twee jaar geleden hebben we al eens met z’n allen in het Europees Parlement gedebatteerd over de problematiek van de achtergestelde, in concreto de meest afgelegen regio’s. Toen ik onlangs nog eens mijn mondelinge bijdrage van toen doorlas, kon ik niet anders dan constateren dat deze nog altijd uiterst actueel is en dat er eigenlijk geen woord aan veranderd hoeft te worden. Helaas moet ik namens de Fractie Europese Conservatieven en Hervormers melden dat wij de gezamenlijke ontwerpresolutie niet kunnen steunen, en wel om vier redenen.

Allereerst zijn wij tegen het idee van social engineering en buitensporig overheidsingrijpen. We dienen te beseffen dat een aantal van de problemen waar eilanden, berggebieden en dunbevolkte gebieden mee te kampen hebben eenvoudigweg niet kunnen worden opgelost. Het zijn typisch intrinsieke problemen: geografische en structurele eigenschappen waar wij niets aan doen kunnen.

Ten tweede zijn wij tegen de stelling dat alle eilanden, berggebieden en dunbevolkte regio’s een homogene groep vormen met gemeenschappelijke eigenschappen. Wat heeft het Franse bergoord Chamonix van doen met het Griekse eiland Lefkada of met het Finse gebied boven de poolcirkel rond Rovaniemi?

Ten derde wordt in het verslag en ook in ons debat volledig voorbijgegaan aan de grensregio’s. Mij dunkt dat iedereen wel weet dat overeenkomstig artikel 174 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie er in het kader van het cohesiebeleid speciale aandacht dient uit te gaan naar plattelandsgebieden, voormalige industriegebieden in transitie, alsook naar regio’s die als gevolg van natuurlijke en demografische omstandigheden ernstig en duurzaam zijn achtergesteld. Dat neemt niet weg dat eilanden altijd eilanden zullen blijven en een berg altijd een berg, maar dat grenzen, in elk geval bestuurlijke grenzen, verdwijnen kunnen. Om die reden zou het uitermate nuttig zijn om meer aandacht te besteden aan de grensregio’s.

Ten vierde achten wij het volstrekt voorbarig te debatteren over nieuwe concrete regelgeving, regionale ontwikkelingsprogramma’s of financiële middelen voor eilanden, berggebieden en dunbevolkte gebieden. Jazeker, het debat over de Europese fondsen en de manier waarop deze na 2013 dienen te worden ingezet, komt nu steeds meer op gang en uiteraard proberen lidstaten, regio’s en gebieden hierin hun problemen en behoeften onder de aandacht te brengen om zo Europees geld los te krijgen. Vanzelfsprekend dienen achtergestelde regio’s ten aanzien van het niveau van medefinanciering, de regelgeving ten aanzien van openbare hulp alsook de regulering van de interne markt middels andere voorschriften gunstiger voorwaarden te genieten en dient dat ook als zodanig in het Europees kader te worden opgenomen. Met dit kader dient het mogelijk te zijn de specificiteit van deze regio’s te behouden en de in hun nadeel werkende factoren af te zwakken.

Het is desalniettemin de vraag in hoeverre al die gecompliceerde Europese programma’s daadwerkelijk effect sorteren. Het Europese structuurbeleid zou met name gevoerd moeten worden vanuit de gedachte dat de middelen in de allereerste plaats naar de allerarmste regio’s dienen te vloeien, daar waar de behoefte het grootste is, dus volledig onafhankelijk van de vraag of het nu om een eiland, een berggebied of een dunbevolkt gebied gaat.

 
  
MPphoto
 

  João Ferreira, namens de GUE/NGL-Fractie. (PT) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dat we in de verdragen en in de regelgeving van de Europese Unie een aantal nobele principes opnemen, is, zoals we weten, geen garantie dat ze daadwerkelijk worden nageleefd. Territoriale cohesie is daar een zeer sprekend voorbeeld van, evenals economische en sociale cohesie trouwens. Het ontbreekt deze doelstellingen niet zozeer aan resoluties en strategieën, als wel aan een algemeen macro-economisch beleidskader en concrete maatregelen om ze te bevorderen en uit te voeren.

Jammer genoeg heeft het beleid van de Europese Unie geen cohesie tot stand gebracht, maar de ongelijkheid verscherpt: economische, sociale en ook territoriale ongelijkheid. Het gevaar dat deze ongelijkheid in de toekomst nog groter wordt, is zeer reëel aangezien bepaalde instrumenten zoals het stabiliteits- en groeipact nog restrictiever zullen zijn en ernstige beperkingen inhouden. Dit gevaar is zeer reëel omdat de begrotingsmiddelen van de Unie schaars zijn en allesbehalve toereikend om territoriale, economische en sociale cohesie tot stand te brengen. Sterker nog, deze middelen worden ook vaak oneerlijk verdeeld.

Berggebieden, eilanden en dunbevolkte gebieden hebben, ondanks hun onderlinge verschillen en kenmerken, allemaal te kampen met een aantal permanente problemen en moeilijkheden die ze met elkaar gemeen hebben. Problemen die door bepaald gemeenschappelijk beleid, ik herhaal, vergroot zijn in plaats van opgelost of verminderd. Dat geldt ook voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid en voor de opeenvolgende hervormingen. We moeten de erg negatieve gevolgen daarvan aanpakken en corrigeren. Mede door de specifieke kenmerken van de sociaaleconomische structuur van deze gebieden en door hun productiestelsels, zijn ze kwetsbaar voor de inspanningen van de EU om de markten te dereguleren.

We hebben verschillende voorstellen gedaan om deze situatie recht te zetten en om de economische en sociale ontwikkeling van deze gebieden te bevorderen. We moeten deze gebieden helpen om hun eigen ontwikkelingspotentieel te benutten door de lokale productie te ondersteunen, de werking van de lokale en regionale markten te stimuleren, door particuliere en overheidsinvesteringen in productieactiviteiten te stimuleren en te verhogen teneinde de werkgelegenheid te behouden en meer banen te scheppen met werknemersrechten en eerlijke lonen.

We mogen ook niet vergeten dat de productieactiviteiten en de markten van een aantal van die gebieden, zoals de eilandgerio’s, elkaar vaak aanvullen. We moeten leren om die complementariteit te benutten en we moeten haar versterken. We moeten ook erkennen dat het voor die gebieden moeilijker is om toegang te hebben tot communautaire programma’s en financiering op bepaalde gebieden, zoals onderzoek en ontwikkeling, en in dat verband moeten ze positief gediscrimineerd worden.

De preventie van natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen, een onderwerp dat we hier vandaag hebben besproken, is ook relevant. We moeten erkennen dat deze gebieden veel kwetsbaarder zijn voor rampen en dat we de preventie van rampen moeten versterken, zoals trouwens in het verslag staat dat we hier vandaag hebben goedgekeurd.

We willen opnieuw een waarschuwing laten klinken, zoals we al vaker hebben gedaan: we moeten deze gebieden, in het bijzonder de ultraperifere regio’s, in de convergentiedoelstellingen houden teneinde een reeks structurele handicaps waarmee de meeste van die gebieden, zoals de autonome regio’s Madeira en de Azoren in Portugal, nog steeds geconfronteerd worden, niet te verergeren.

 
  
MPphoto
 

  Fiorello Provera, namens de EFD-Fractie.(IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de stemming van morgen is belangrijk voor de meer dan negentig miljoen Europeanen die in berggebieden wonen. Artikel 174 van het Verdrag van Lissabon erkent het belang van berggebieden en specifieke regio’s. Dit artikel moet echter worden verwezenlijkt door middel van concreet beleid. We moeten van woorden overgaan op daden. Bergen staan niet alleen voor schone lucht, natuur en vakantie. Er bestaan ook echte problemen, waaraan de bewoners van berggebieden elke dag met veel moeite het hoofd bieden.

Het gebrek aan infrastructuur maakt het verkeer van mensen en goederen moeilijker, en de toegang tot diensten wordt bemoeilijkt door extra kosten voor ondernemingen en burgers. Om ontvolking van berggebieden te vermijden moeten we voor de mensen die er wonen waardige levensomstandigheden met moderne diensten en een adequate gezondheidszorg waarborgen, net zoals voor alle andere Europese burgers.

Berggebieden bieden ook mooie kansen voor het produceren van schone energie, voor energiebesparing en voor milieuvriendelijke landbouw van hoge kwaliteit. Om dit alles te bereiken, moet er geld worden geïnvesteerd in een kaderprogramma dat elk aspect van het leven in de bergen betreft. Dit initiatief wordt gesteund door alle fracties en door Europese organisaties uit berggebieden, zoals Euromontana en de Vereniging van gekozen vertegenwoordigers van berggebieden (AEM). Het vervult ook een wens van voorzitter Barroso zelf.

Het is nu aan de Commissie om dit verzoek snel te verwezenlijken en de berggebieden erbij te betrekken met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel. Ik sluit af met het concrete voorstel om een tijdelijke commissaris voor berggebieden en specifieke regio’s te benoemen om dit nieuwe Europese beleid doeltreffend te coördineren.

 
  
MPphoto
 

  Franz Obermayr (NI).(DE) Mijnheer de Voorzitter, ongeveer 18 procent van alle inwoners van de Unie woont in berggebieden. Kenmerkend voor al die gebieden is het overheersen van land- en bosbouw, evenals van het toerisme natuurlijk. Bergboeren verrichten een grote persoonlijke arbeidsinspanning voor een betrekkelijk gering inkomen. Zij leveren echter een wezenlijke bijdrage aan de instandhouding van het berglandschap en daarmee aan duurzaamheid. Bergstreken dienen immers niet te verworden tot een woeste steppe, maar een verzorgd cultuurlandschap te blijven. De EU-subsidies dienen recht te doen aan topografische, klimatologische maar ook culturele bijzonderheden van de berggebieden. Het heeft dus geen zin om van Gibraltar tot aan de Noordkaap met dezelfde maat te meten.

Waar is behoefte aan? Er is ook na 2013 behoefte aan een areaalgerelateerde premie en een veehouderspremie om de diervriendelijke landbouw te bevorderen. Er is behoefte aan een verhoogde investeringstoelage, waarin verdisconteerd is dat de stichtingskosten hoger zijn dan in het vlakke land, en aan het merken, beschermen en certificeren van hoogwaardige levensmiddelen uit de Alpen.

De EU dient daarom nu de voorwaarden te scheppen die de toekomst van de berglandbouw en daarmee van het hele Alpengebied ook na 2013 veiligstellen.

 
  
MPphoto
 

  Lambert van Nistelrooij (PPE). - Ik wil allereerst de commissaris danken voor zijn antwoord op onze vraag. Het was immers de bedoeling om met het nieuwe verdrag in de hand opnieuw te kijken naar ons al uitgestippelde beleid. Het is inderdaad zo dat het regionaal beleid in al zijn facetten dichtbij de burgers in hun eigen situatie gestalte krijgt.

Ten tweede vormt de territoriale cohesie inderdaad die nieuwe dimensie, daarover hebben wij gerapporteerd. Territoriale cohesie heeft ook alles te maken met hoe je in een land als Frankrijk of Spanje omgaat met heel verschillende situaties. Het is niet altijd meer en meer specifiek geld. Neen, het is een duidelijke ontwikkeling naar meer samenhang en meer evenwicht binnen de nationale staten. En als we dan kijken naar het nieuwe financiële kader, het nieuwe beleidskader na 2013, dan zien we de speerpunten, de toegevoegde waarde van Europa.

In die context is het goed om dat vandaag te doen. Ik aarzel een beetje om te zeggen dat er meer geld moet komen, ik denk dat dat te vroeg is. Het is wel specifiek beleid, maar het is ook wel degelijk mogelijk om dit te realiseren door een herschikking binnen de nationale lidstaten, bijvoorbeeld. En de EVP-Fractie, voor wie ik nu spreek, zal morgen ook om een stemming in onderdelen vragen. Of wij ons nu al voor een eigen financieel en juridisch kader uitspreken, dat zal dan nog moeten blijken.

Ten slotte, ik ben Nederlander. Wij hebben geen bergen en geen dunbevolkte gebieden, maar wij hebben wel eilanden. Mag ik de commissaris het volgende vragen: nu wij veranderingen hebben gekregen in het koninkrijk en de eilanden Saba, St. Eustatius en Bonaire een eigen positie hebben gekregen in Nederland, kunnen deze eilanden nu ook versneld worden uitgeroepen als ultraperifere gebieden? Daar hebben wij lang naar uitgekeken.

 
  
MPphoto
 

  Teresa Riera Madurell (S&D). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, het is een feit dat als we de doelstelling van territoriale cohesie willen bereiken die in het nieuwe Verdrag is geïntroduceerd, alle gebieden van de Unie dezelfde rechten en vrijheden moeten kunnen genieten.

Daarom mogen we heel trots zijn op de overeenkomst die we in dit Parlement bereikt hebben over het bevorderen van de aanpassing van het Europese beleid aan de specifieke behoeften van de eilanden, bergachtige en dunbevolkte gebieden, opdat deze gebieden zich zouden kunnen ontwikkelen tot hun volledige potentieel en op gelijke voet de concurrentie kunnen aangaan.

In dat verband is er iets belangrijks dat ik voor het voetlicht wil brengen: sommige eilanden kunnen momenteel geen beroep doen op financiering voor grensoverschrijdende samenwerkingsprojecten, simpelweg omdat ze zich op een afstand bevinden die groter is dan 150 km. Dat is een irrationeel en onrechtvaardig criterium dat het isolement verergert. We stellen dan ook voor om het te schrappen.

Dames en heren, zoals de Voorzitter al heeft gezegd, woon ik op een Europees eiland en weet ik uit eigen ervaring dat het leven op een eiland zijn prijs heeft. Het is onze plicht als wetgevende macht om die te helpen verlichten. En de commissaris heeft er terecht op gewezen dat artikel 174 van het Verdrag ons die mogelijkheid biedt.

 
  
MPphoto
 

  Niccolò Rinaldi (ALDE).(IT) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, een debat in dit Parlement over de problemen van dunbevolkte gebieden en van ultraperifere eilanden is – vooral in het licht van mijn parlementaire inzet voor berggebieden – de eerste stap in de richting van een netwerk dat deze gebieden beschermt. Daar wonen Europese burgers onder heel unieke omstandigheden en vaak met lage inkomens. Het zijn dunbevolkte gebieden met een lage bevolkingsdichtheid en een vergrijzende bevolking, omdat jongeren vaak weggaan, en met een percentage afgestudeerden dat onder het landelijk gemiddelde ligt.

Deze criteria – vooral het bbp, maar dat niet alleen – moeten leiden tot een Europese ondersteuningsstrategie voor berggebieden; deze gebieden hebben minder diensten, infrastructurele problemen en zijn bijzonder kwetsbaar vanwege de landbouwcrisis en de klimaatverandering. Bergen zijn plekken waar mensen wonen en die worden bestudeerd, en nu moeten ze ook een politiek laboratorium worden omdat ze een immense bron van cultuur, schone energie en landbouw van hoge kwaliteit zijn, en van een kwaliteit van leven die onmisbaar is voor het waarborgen van een groter welzijn van de stadsbevolking.

Naast de Commissie, de lidstaten en de lokale autoriteiten hebben ook de lokale gemeenschappen de verantwoordelijkheid om in te zien hoe ze hun lot in het Europa van de 21e eeuw in eigen hand kunnen nemen, met een geïntegreerde aanpak en vooral actieve deelname aan besluitvorming.

Ik spreek uit ervaring wanneer ik zeg dat het in de bergen beter is om tien lokale sportevenementen te organiseren dan één wereldkampioenschap, en dat zou de werkmethode voor iedereen moeten zijn: we zouden het aantal wijdverbreide initiatieven moeten verhogen en meer politieke creativiteit moeten laten zien, om te beginnen door binnen het college van commissarissen een specifieke bevoegdheid voor berggebieden en eilanden te creëren.

 
  
MPphoto
 

  Alyn Smith (Verts/ALE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik verklaar mij belanghebbende als vice-voorzitter van de intergroep inzake eilanden en bergachtige en dunbevolkte gebieden.

Ik wil hulde betonen aan alle collega’s in dit Parlement die zo hard hebben gewerkt om dit onderwerp op de agenda te krijgen, want, commissaris, hoezeer ik uw aanwezigheid en uw verklaring hier ook waardeer, het moet mij toch van het hart dat al het werk om vaart te zetten achter de uitvoering en benutting van artikel 174 heeft plaatsgevonden in dit Parlement. U hebt een zeer enthousiaste partner als het erom gaat ervoor te zorgen dat artikel 174 ten goede komt aan onze burgers, omdat dit ons uitdaagt te laten zien dat de EU voor enkele van de meest uiteenlopende en onvergelijkbare gemeenschappen die wij in onze Unie hebben, werkelijk meerwaarde heeft.

Ik zeg met nadruk ‘gemeenschappen’, want het is belangrijk te erkennen dat het de gemeenschappen zijn die wij willen helpen. De geografie – of het nu gaat om een eiland, een bergachtig gebied of een dunbevolkt gebied – doet er in feite niet toe. Wij hebben het over een gemeenschappelijk probleem dat wordt veroorzaakt door verschillende specifieke geografische kenmerken. Daarom moeten wij ervoor zorgen dat onze indelingen ook echt kloppen – en dat doen ze op dit moment niet. De regels die wij toepassen, sluiten niet goed aan bij de specifieke kenmerken van de gemeenschappen waar we het over hebben en ze leiden vaak tot perverse effecten. Daarom ook hadden wij een bepaald probleem met het werkdocument van DG Regionaal beleid over gebieden met specifieke geografische kenmerken. Ik hoop dat u de kritiek in paragraaf 2 van de ontwerpresolutie van de Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie serieus zult nemen, want wij vinden dat buitengewoon belangrijk. Er moet een beter indelingssysteem komen dan we nu hebben.

Het gaat er niet om dat we meer geld moeten geven aan arme gebieden met een handicap. Er is op onze eilanden in Schotland, in de bergachtige gebieden en op allerlei plaatsen meer dan genoeg energie, enthousiasme en elan aanwezig waarmee de bewoners zichzelf kunnen helpen. Wij moeten er echter vooral voor zorgen dat staatssteun daarbij geen belemmering, maar juist een aanvulling is, en dat we, als we de belemmeringen uit de weg ruimen, samen kunnen werken aan de verbetering van hun leven.

 
  
MPphoto
 

  Marisa Matias (GUE/NGL). - (PT) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, een Europa zonder economische, sociale en territoriale cohesie is geen Unie. Berggebieden, eilanden en dunbevolkte gebieden worden met specifieke, moeilijke uitdagingen geconfronteerd. In naam van Europa en zijn volkeren moeten we die aanpakken. Maar het mag niet bij verklaringen en bedoelingen blijven. Anders bereiken we het tegenovergestelde effect en zullen we de ongelijkheid versterken.

Deze gebieden zijn enorme reservoirs van belangrijke hulpbronnen. Door hun biodiversiteit, hun bossen, hun water- en groengebieden verlenen ze iedereen een wezenlijke dienst, maar tegelijkertijd lijden ze onder de beperkingen die dit inhoudt voor hun economie. We moeten iets terugdoen. We moeten allemaal onze steun en solidariteit betuigen aan de inwoners van deze gebieden.

Ik heb twee voorstellen. Het eerste betreft hun potentiële bijdrage aan wetenschap en ontwikkeling. Door hun natuurlijke rijkdom zijn veel van deze gebieden echte laboratoria in de open lucht, maar ze hebben geen gelijke toegang tot de middelen voor onderzoek. Waarom richten we daar geen onderzoeks- en kenniscentra op? Zo creëren we hoogwaardige banen en zwengelen we de economie aan.

Een tweede voorstel houdt verband met energie. Deze gebieden kunnen en moeten dienen als kiemprojecten die het potentieel van zelfvoorziening en van energieduurzaamheid aantonen, bijvoorbeeld door micro-opwekking waarbij gebruik wordt gemaakt van lokale bronnen. Daardoor worden ze minder afhankelijk, wordt de gelijkheid vergroot en ontstaat er werkgelegenheid.

Tot slot zou ik erop willen wijzen dat het alleen maar tot meer onrechtvaardigheid kan leiden als we het bbp gebruiken als enige of voornaamste indicator voor de toewijzing van steunmiddelen. Daarom is het erg belangrijk om gebruik te maken van bijkomende gegevens, in het bijzonder gegevens die de sociale en economische realiteit van deze gebieden weerspiegelen.

Ik kan niet nalaten om in het bijzonder de bevolkingen van de Azoren, Madeira, de berggebieden en de dunbevolkte gebieden in het Portugese binnenland te vermelden. Door hun inspanningen leveren zij een grote bijdrage aan de ontwikkeling en de levenskwaliteit van alle Europeanen.

Deze en alle andere gebieden hebben een bepaalde context. Economische, sociale en territoriale cohesie mag niet beschouwd worden als liefdadigheid. Hier beslissen we of we al dan niet een echt Europees herverdelingsbeleid willen. Om al deze redenen vind ik deze resolutie een belangrijke stap, maar slechts als de eerste van vele.

 
  
MPphoto
 

  Timo Soini (EFD). − (FI) Mijnheer de Voorzitter, Finland is een groot land met ongeveer de omvang van Groot-Brittannië, maar met slechts 5,3 miljoen inwoners. Dat is naar mijn mening een grote rijkdom: nergens wordt nog land in ontwikkeling gebracht. De wereld en Europa worden vol, maar schoon water en natuur zijn van levensbelang. Overal wordt belasting op geheven, dus iedereen heeft recht op basisdiensten. Dunbevolkte gebieden zijn even belangrijk als steden, want elk mens en elk leven is waardevol.

In mijn land, Finland, zijn Lapland, Oost-Finland en Midden-Finland dunbevolkt, maar zij dragen bij aan de infrastructuur van het land en maken deel uit van heel Finland, waar wij commercieel duurzame activiteiten konden en kunnen ontplooien. Wij in de Europese Unie, waar ik sceptisch tegenover sta, moeten ook kunnen inzien dat activiteiten economisch rendabel moeten zijn en dat er in deze gebieden ook ontwikkeling moet plaatsvinden.

Wij moeten er ook voor zorgen dat wij met de communautaire wetgeving niet de ontvolking van het platteland in de hand werken. Wat dit betreft sta ik kritisch tegenover de komende postdienstenrichtlijn. De heren zouden er goed aan doen om naar deze dunbevolkte gebieden te gaan en uit te zoeken wanneer de post komt. Dergelijke zaken wil ik onderstrepen en als wij vooruitgang boeken, dan word ik misschien iets minder kritisch.

 
  
MPphoto
 

  Angelika Werthmann (NI).(DE) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, mij als Oostenrijkse interesseert aan dit verslag vooral de positie van de bergbewoners. Zoals in de verklaring al vastgesteld werd, is de landbouw de belangrijkste bedrijfstak in de berggebieden. Gemiddeld beëindigen in Oostenrijk dertien boeren per dag hun bedrijf. Vooral het kleine boerenbedrijf heeft het zwaar. Tegenwoordig hebben we nog maar half zoveel boerenbedrijven als in 1950. Bij de bergboeren komt daar nog de verzwarende omstandigheid bij dat zij bij lange na niet zo productief zijn als de bedrijven in de dalen. Hun producten kunnen door de hoge transportkosten nauwelijks concurreren op de markt. Maar traditie schept verplichtingen.

Het leven van boerenfamilies bouwt voort op de gezamenlijke inspanningen van verscheidene generaties. Dat is in onze huidige maatschappelijke situatie een unicum dat absoluut behouden dient te blijven.

 
  
MPphoto
 

  Danuta Maria Hübner (PPE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, territoriale verscheidenheid is voor Europa een belangrijk pluspunt. Onze taak, als Europese instellingen, is om de voorwaarden te creëren om Europa, zijn cultuur en zijn economie hier ook van te laten profiteren.

Het Verdrag roept de Gemeenschap op om in haar beleid rekening te houden met gebieden met specifieke kenmerken die bijzondere ontwikkelingsuitdagingen met zich meebrengen, zowel in de zin van problemen die moeten worden opgelost als in de zin van de mogelijkheden die benut moeten worden. Ik wil in dit verband drie kwesties aan de orde stellen.

Ten eerste de territoriale effectbeoordeling. Deze kwestie staat al jaren op de Europese agenda. Ik wil de Commissie oproepen om de territoriale dimensie in de effectbeoordelingsprocedure voor Europese initiatieven op te nemen. Territoriale effectbeoordelingen zouden als een uitstekend horizontaal instrument kunnen fungeren om op effectieve wijze aan de specifieke behoeften van die gebieden tegemoet te komen. Ik ben daarom een groot voorstander van het idee om het effectbeoordelingsinstument te territorialiseren. Het zou hier nuttig kunnen zijn om via het model van de strategische milieueffectbeoordeling een handreiking te bieden.

Ten tweede, mijnheer de commissaris, heeft u iets gezegd over de interne groep voor territoriale cohesie. Ik ben ervan overtuigd dat het voor de Commissie nog steeds mogelijk is om op vele relevante beleidsterreinen de bekendheid met de ontwikkelingsuitdagingen van specifieke gebieden te vergroten. Via het werk van DG REGIO met alle andere relevante diensten, zouden de territoriale gevoeligheden van al het Europees beleid moeten kunnen worden vastgesteld. Met name het transport- en energiebeleid zou naar mijn mening ‘territoriumbestendig’ moeten zijn. Territorialisering van beleid moet deel gaan uitmaken van de goede praktijken in de Unie.

Ten derde wil ik de Commissie vragen om EU 2020 zorgvuldig te bestuderen, en met name de kerninitiatieven daarvan, om vast te stellen welke prioriteiten van bijzonder belang zijn voor deze gebieden met specifieke ontwikkelingskenmerken.

Ten slotte wil ik graag van deze gelegenheid gebruikmaken om meer in het algemeen te zeggen dat Europese burgers alleen van de kerninitiatieven van EU 2020 kunnen profiteren als deze op plaatselijk en regionaal niveau worden genomen.

 
  
MPphoto
 

  Juan Fernando López Aguilar (S&D). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, voor het eerst in de geschiedenis van de Europese integratie vermeldt het Verdrag van Lissabon de regionale dimensie en de territoriale samenhang als een cruciale doelstelling van de EU.

Ik neem het woord in dit debat als de zoveelste afgevaardigde die afkomstig is van een eiland, namelijk de Canarische Eilanden, die vallen onder artikel 174 van het Verdrag omdat ze behoren tot de eilandgebieden, en ook onder artikel 349 omdat het een ultraperifere regio betreft. Ik ben me ervan bewust dat de eilanden niet alleen een vorm van territoriale versnippering veroorzaken, maar dat ze ook – omdat ze altijd aan de buitengrenzen van de Europese Unie liggen – wat betreft de strategieën voor energie, transport, infrastructuur en de binnenlandse en buitenlandse veiligheid, bijzonder kwetsbaar zijn voor bedreigingen en illegale handel.

Daarom zou ik willen vragen om krachtige steun voor deze resolutie, en hoop ik vooral dat ze wordt vertaald in concrete beleidsmaatregelen die haar een inhoudelijke invulling geven die we nu niet in detail kunnen bespreken. Ik hoop in het bijzonder ook dat ze wordt overgenomen in de financiële vooruitzichten voor 2014-2020, opdat we een begroting krijgen die alle verwachtingen inlost en die zorgt voor financiële ondersteuning van de ambitie om volwaardig burgerschap te bieden aan de bewoners van de eilandgebieden van de Europese Unie, met dezelfde rechten en kansen als de inwoners van het vasteland van deze grote ruimte van Europese integratie.

 
  
MPphoto
 

  George Lyon (ALDE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ook ik ben blij met het verslag dat we hier vandaag gaan bespreken. Wonend op een eiland aan de westkust van Schotland ben ik me terdege bewust van de uitdagingen waar onze ultraperifere gebieden, en ook onze eilandgebieden, mee worden geconfronteerd. Voor eilanden, en ook voor onze berggebieden, vormen de vervoerskosten natuurlijk de fundamentele uitdaging. Het ontbreekt ons daardoor aan concurrentiekracht, het leidt tot gebrek aan kansen en gebrek aan banen, en uiteindelijk ook tot het wegtrekken van onze jongeren.

Paragraaf 6 van het verslag gaat in op de noodzaak om gebieden concurrerender te maken, wat mij de fundamentele uitdaging lijkt voor het regionale cohesiebeleid van de toekomst dat moet tegemoetkomen aan de zorgen van bewoners van eilanden en berggebieden.

Sta mij toe een specifieke kwestie ter sprake te brengen die ik al bij de Commissie wilde aankaarten, en de aandacht van de commissaris daarop te vestigen. In Schotland kwam de Schotse regering drie jaar geleden met een waardevol initiatief waarmee werd geprobeerd de tarieven van de veerboten naar de eilanden te verlagen om te kijken of dat aan die specifieke eilanden een impuls zou geven. Het proefproject heeft drie jaar geduurd en is nu beëindigd. Sommige eilanden hebben hun voordeel gedaan met deze subsidie, andere niet. We hadden verwacht dat zodra de evaluatie achter de rug was, het programma zou worden uitgebreid naar alle eilanden in Schotland.

Helaas heeft de Schotse regering ervoor gekozen het programma alleen voor de westelijke eilanden te verlengen, en de rest moet het zonder steun stellen.

Commissaris, mijn kiezers in Argyll zijn van mening dat dit oneerlijk en onrechtvaardig is; sommigen zijn van mening dat het niets anders is dan een oneerlijke manier om stemmen te winnen. Ik vraag me af, als ik naar u en de commissaris van vervoer schrijf, of u op hun zorgen zou willen ingaan en de onrechtvaardige situatie waar velen van mijn kiezers op de eilanden mee worden geconfronteerd, zou willen onderzoeken.

 
  
MPphoto
 

  Malika Benarab-Attou (Verts/ALE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, het Alpengebied is een van meest bebouwde berggebieden van Europa. Dit gebied beschikt over zeer belangrijke watervoorraden, maar vanwege de huidige economische situatie zijn deze kwetsbaar in verband met de klimaatverandering.

De Alpen kunnen een essentiële rol spelen door voor 2050 koolstofneutraal te worden, zoals in juni van dit jaar is vastgelegd door de vier ministers van Milieu van de Duitssprekende Alpenlanden. Ze kunnen een belangrijke regio worden voor de opwekking van hernieuwbare energie, en daarmee bijdragen aan de 20%-doelstelling voor 2020.

(Spreekster beëindigt haar bijdrage)

 
  
MPphoto
 

  Giancarlo Scottà (EFD).(IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het Verdrag van Lissabon besteedt bijzondere aandacht aan gebieden die zwaar en permanent benadeeld zijn. Daarom steun ik het initiatief van de heer Provera voor herstel van de landbouw, het milieu en de cultuur van deze gebieden. Ik vraag de Commissie daarom zo snel mogelijk aan het werk te gaan voor het verwezenlijken van een beleid voor berggebieden dat de problemen, de bevolkingsdaling en de leegloop aanpakt, met alle milieuproblemen van dien.

Landbouwactiviteiten, een goede kwaliteit van leven en cultureel erfgoed zijn onmisbaar voor hen die in nadelige omstandigheden leven en het is essentieel om zeker te stellen dat de acties die de Commissie, de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten ondernemen met elkaar in harmonie zijn.

Een essentieel beginsel van de Europese Unie is dat van de subsidiariteit, dat een cruciaal instrument is voor het promoten van de ontwikkeling van achterstandsgebieden met duurzame en gerichte maatregelen die voortkomen uit voorstellen van de regio’s zelf. Dit is een belangrijke uitdaging en het zal moeite kosten om de mensen in deze gebieden te houden, of, nog beter, hen aan te moedigen er terug te keren.

 
  
MPphoto
 

  Nuno Teixeira (PPE).(PT) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dat territoriale cohesie nu als doelstelling is verankerd in het Verdrag van Lissabon, belichaamt de waarde van de Europese solidariteit en van de inspanningen van de lidstaten en van de Unie om de bestaande verschillen tussen de regio’s te verkleinen.

Het volstaat echter niet om in verdragsteksten de te verwezenlijken doelstellingen af te kondigen. Er zijn in de Unie gebieden die met permanente handicaps te kampen hebben, die hun economische en sociale ontwikkeling zwaar beperken. Daarom moeten we specifieke programma’s uitvoeren om deze gebieden te stimuleren hun ontwikkelingsmodel af te stemmen op hun potentieel en op hun hulpbronnen zodat ze hun achterstand daadwerkelijk kunnen inhalen en zo kunnen bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de EU 2020-strategie.

De stimuleringsmaatregelen voor deze gebieden zullen niet alleen gefinancierd moeten worden vanuit het regionaal beleid, via de instrumenten voor het bevorderen van structurele aanpassingen, zoals het Cohesiefonds en de vier structuurfondsen, maar ook door een andere toepassing van de verschillende sectorgebonden beleidslijnen die in elk gebied een substantiële territoriale weerslag hebben en daarom de economie kunnen aanzwengelen.

Het bruto binnenlands product (bbp) moet zeker de voornaamste indicator blijven om te bepalen of deze gebieden in aanmerking komen voor Europese bijstand. Maar gelet op hun natuurlijke handicaps moeten we ook een beroep doen op andere meetbare criteria die een realistischer beeld kunnen geven van hun ontwikkelingsniveau, zoals het werkloosheidspercentage, de bevolkingsdichtheid of het onderwijspeil. Alleen zo kunnen we een vollediger beeld schetsen van de complexe realiteit van de achterstandsgebieden.

In dat verband wil ik wijzen op het geval van de ultraperifere regio’s, waarvan de status wordt erkend in het nieuwe Verdrag. Zij vormen een groep regio’s in de Europese Unie die specifieke kenmerken vertonen en die ook een speciale behandeling verdienen. De ultraperifere regio’s hebben weliswaar specifieke kenmerken gemeen, maar hun ontwikkelingsniveau loopt uiteen. Ook ten aanzien van de ultraperifere regio’s zouden we naast het bbp bijkomende indicatoren moeten gebruiken die een vollediger beeld geven van hun specifieke realiteit en zo bijdragen tot een nauwkeuriger bepaling van het ontwikkelingsniveau.

 
  
MPphoto
 

  Luís Paulo Alves (S&D).(PT) Mijnheer de Voorzitter, ik juich deze ontwerpresolutie toe, waarin wordt gewezen op de noodzaak van een Europese strategie om het beginsel van territoriale cohesie, een verworvenheid van het Verdrag van Lissabon, te vertalen in kansen, zodat de inwoners van gebieden die te lijden hebben onder verschillende permanente natuurlijke handicaps kunnen deelnemen aan het Europese project.

Ik kom van de Azoren, een gebied waar deze handicaps zich opstapelen en zich steeds scherper laten voelen, zoals ook in andere gebieden het geval is, in de zogenaamde ultraperifere regio’s van Europa in de zin van artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Na de mededeling van de Commissie uit 2008, “De ultraperifere regio’s: een troef voor Europa”, en na het brede debat waaraan de ultraperifere regio’s zelf actief hebben deelgenomen, verwachten we nu onze eigen versie van deze strategie. Die zal niet alleen rekening moeten houden met onze handicaps, maar ook en vooral met onze mogelijkheden.

Daarom roep ik de Commissie op om haar voorstellen snel voor te leggen zodat we de best mogelijke strategie kunnen vaststellen met het oog op het debat over de nieuwe financiële vooruitzichten. We moeten namelijk eerst de inhoud van het beleid vastleggen voor we de middelen toewijzen die nodig zijn voor de uitvoering ervan, zoals we dat gedaan hebben voor de beleidslijnen van de Europese Unie die nu in herziening zijn.

 
  
MPphoto
 

  Pat the Cope Gallagher (ALDE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, zoals veel collega’s al hebben opgemerkt, verwijst artikel 174 van het Verdrag naar territoriale cohesie als een nieuwe doelstelling van de Europese Unie. Daarom moet de Unie meer aandacht besteden aan de economische en sociale behoeften van mensen die in berggebieden, op kleine eilanden en in afgelegen gebieden wonen. Ik ben er sterk van overtuigd dat de EU daar nu gehoor aan moet geven door spoedig met concrete maatregelen te komen.

Ik heb aangegeven dat er uit hoofde van deze resolutie meer nadruk moet komen te liggen op de belangrijke economische sectoren waarvan deze gemeenschappen in sterke mate afhankelijk zijn. Ik maak me vooral zorgen over die vissers die vanuit kleine schepen langs onze kusten en eilanden opereren. Deze kleine schepen zijn buitengewoon belangrijk voor onze perifere gebieden, waar geen alternatieve bron van werkgelegenheid bestaat.

In Ierland is het merendeel van deze schepen minder dan 15 meter lang en de hoeveelheden vis die ermee worden gevangen, hebben geen substantiële gevolgen voor de visbestanden. Zij moeten zich echter wel houden aan de regelgeving die is vastgesteld voor grotere schepen waarmee ze totaal niet te vergelijken zijn.

Ik doe een beroep op de Commissie om bij de herziening van het gemeenschappelijk visserijbeleid die realiteit te erkennen en binnen het nieuwe beleid een speciaal segment op te nemen voor de gebieden langs de kust en de eilanden die afhankelijk zijn van de visserij.

 
  
MPphoto
 

  Jaroslav Paška (EFD). (SK) Het beleid ten aanzien van berggebieden, eilanden en dunbevolkte regio’s moet breed, geïntegreerd en evenwichtig zijn en blijk geven van erkenning van de diversiteit van deze regio’s en het overeenkomstige recht op een specifieke ontwikkelingsmethode in lokale, regionale of nationale wetgeving. Het beleid moet de achterstanden die de bevolking, lokale autoriteiten en ondernemingen ondervinden erkennen, en er dienen specifieke acties te worden vastgesteld voor het behoud van traditionele vormen van werkgelegenheid, de ondersteuning van meerjarige complexe programma’s die erop zijn gericht de capaciteiten van traditionele productievormen op te waarderen, de ondersteuning van de diversificatie van economische activiteiten van de bevolking door het ontwikkelen van voorzieningen voor bezoekers of toeristen als aanvulling op traditionele bestaansmiddelen, de instandhouding van de toegang tot diensten en de technische infrastructuur, het treffen van maatregelen om het wegtrekken van jongeren tegen te gaan, het behoud van de specifieke identiteit en culturele waarden die elk homogeen gebied eigen zijn en natuurlijk, niet in de laatste plaats, het behoud van een biologisch en ecologisch evenwicht.

De zorg voor deze regio’s vereist een specifieke benadering en een uiterst zorgvuldige tenuitvoerlegging van de gekozen maatregelen. Dit, dames en heren, is de weg voorwaarts voor deze specifieke Europese regio’s.

 
  
MPphoto
 

  Seán Kelly (PPE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, tijdens de crisis als gevolg van de vulkanische aswolk kostte het me twee dagen om naar mijn eigen land terug te keren omdat er geen landverbinding en geen tunnel is tussen Ierland en Engeland. Dit heeft mij heel duidelijk bewust gemaakt van de specifieke problemen van mensen die op eilanden wonen die geen enkele verbinding hebben met het vasteland. Hetzelfde geldt voor degenen die in dunbevolkte bergachtige en heuvelachtige gebieden en andere benadeelde gebieden wonen. Dat is ook van toepassing op mijn eigen situatie in het zuiden van Ierland en op die van allen die aan de westkust wonen, vanaf mijn woonplaats tot aan het Donegal van Pat the Cope Gallagher toe. Deze gebieden verdienen absoluut alle aandacht.

Ik wil op drie punten de aandacht vestigen. In de eerste plaats heeft Nuno Teixera erop gewezen dat op grond van paragraaf 3 de lidstaten ook middelen kunnen toewijzen op basis van andere overwegingen dan de bbp-criteria. Dat is iets wat we voor deze regio’s moeten aanmoedigen, omdat ze heel bijzonder zijn.

In de tweede plaats zijn dit de rijkste gebieden in heel Europa wat betreft biodiversiteit, milieubescherming en de levering van collectieve goederen. Dat is iets waarmee terdege rekening moet worden gehouden bij de komende onderhandelingen over het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

In de derde plaats beschikt de Europese Unie uit hoofde van artikel 195 van het Verdrag van Lissabon nu over enige bevoegdheid op het gebied van de ontwikkeling van het toerisme. Deze regio’s bieden grote mogelijkheden voor de ontwikkeling van een sterke en duurzame toeristische sector. Deze gebieden worden gekenmerkt door een prachtige natuur, een goede traditionele manier van leven en uiterst vriendelijke bewoners. Als we ons best doen, met name hier op het niveau van de Europese Unie, om hen te helpen, helpen we hen niet alleen te overleven, maar helpen we hen ook om zichzelf te helpen. Ik vermoed dat dat uiteindelijk de beste steun is die we hun kunnen geven.

 
  
MPphoto
 

  Alan Kelly (S&D).(EN) Mijnheer de Voorzitter, eerlijk gezegd hebben de gebieden waar we het vanavond over hebben al generaties lang met economische en sociale problemen te maken, en nu worden ze als gevolg van de effecten van de moderne globalisering steeds zwaarder op de proef gesteld.

Ik vertegenwoordig een gebied dat veel eilanden en de grootste bergketen in Ierland omvat. Zoals de twee vorige sprekers, mijn collega’s uit Ierland, ben ik bekend met de gebieden die al generaties lang te lijden hebben. De bevolking trekt naar de stedelijke gebieden; er is een gebrek aan economische mogelijkheden voor jonge mensen – we zouden de hele dag nog wel kunnen doorgaan over de problemen waarmee ze worden geconfronteerd.

Ik ben van mening dat het hoog tijd is dat we erkennen dat het cohesiebeleid, ondanks de vele successen en zeer nobele inspanningen, er niet geheel in geslaagd is om in de gehele Unie, met name in deze gebieden, voor economische ontwikkeling te zorgen. Ik hoop dat de EU met een reactie komt op dit probleem die tot daadwerkelijke, concrete veranderingen zal leiden, door deze ongelijkheid bij de basis aan te pakken en – en dat is heel belangrijk – door in te spelen op de moderne behoeften zoals de communicatieruimte, en met name de volgende generatie breedband, wat naar mijn mening een uitermate belangrijk punt is. Toegang tot communicatiemiddelen wordt de volgende grote uitdaging; op dit moment is het een enorme uitdaging.

Het is tijd om deze gemeenschappen economisch de helpende hand toe te steken. Ik wil iedereen eraan herinneren dat we daartoe op grond van alle verdragen ook verplicht zijn.

 
  
MPphoto
 

  Vladko Todorov Panayotov (ALDE).(BG) Commissaris, dames en heren, berggebieden komen voor in de meeste lidstaten van de Europese Unie, dus bergen maken integraal deel uit van de geografie van Europa. In Bulgarije zijn de berggebieden bijvoorbeeld bijna even dichtbevolkt als de vlakke gebieden. Daarom verdient een groot aantal ecologische, sociale en territoriale vraagstukken met betrekking tot deze gebieden nauwkeurige bestudering door de Europese wetgever.

Vanuit milieuperspectief bieden de bergen van Europa met hun rijke ecosystemen, diversiteit en indrukwekkende omvang de ideale omstandigheden voor het ontwikkelen en behouden van de uitzonderlijke biodiversiteit. Fragiele ecosystemen in de bergen zijn echter bijzonder gevoelig en kwetsbaar voor veranderingen die het gevolg zijn van menselijk handelen.

De Europese Unie moet leren hoe zij de waardevolle economische en ecologische eigenschappen van deze berggebieden zo goed en zo verantwoord mogelijk kan benutten. Dit kan worden bereikt door het financieren en stimuleren van eco-efficiënte activiteiten, zoals berglandbouw, traditionele veehouderij in de Alpenregio’s en integraal bosbeheer.

Collega’s, ik ben van mening dat deze maatregelen veel positieve resultaten zullen opleveren voor de territoriale en economische cohesie van de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 

  Iosif Matula (PPE).(RO) Duurzame economische en sociale ontwikkeling wordt bereikt door de verschillende beschikbare territoriale middelen te benutten. Die notie is een van de hoofdpunten in het Groenboek over territoriale cohesie. Het principe van deze cohesie is versterkt door de verordeningen betreffende de structuurfondsen voor de periode 2007-2013 en het is een van de belangrijkste doelstellingen in het Verdrag van Lissabon. De bepalingen van artikel 174 zouden vertaald moeten worden in specifieke ontwikkelingsstrategieën en concrete maatregelen om belemmeringen te overwinnen en de mogelijkheden van berggebieden, eilanden en dunbevolkte gebieden optimaal te benutten. Dit kan worden bereikt met een Europees beleidskader en kan toegevoegde waarde genereren door gebruikmaking van de verschillende regionale sterke punten.

Onderzoeks- en ontwikkelingsbeleid zou leiden tot een beter gebruik van het enorme natuurlijke potentieel van deze regio’s. Dit zou bijvoorbeeld een direct gevolg hebben voor duurzame energie of toerisme. Hierdoor kunnen we specifieke geografische kenmerken veranderen in voordelen.

Een ander belangrijk aspect waar we ons op moeten richten is demografische verandering. We moeten een specifiek demografisch beleid aanmoedigen dat gericht is op de inwoners van deze regio’s. Daarbij moeten we hun verschillende faciliteiten bieden, afhankelijk van de specifieke kenmerken van het gebied in kwestie. De achtergestelde berggebieden in mijn land, waar de bevolking gestaag afneemt, verwachten maatregelen ter verbetering van hun economische situatie, zodat de inwoners worden aangemoedigd om in hun dorpen te blijven en bij te dragen aan de ontwikkeling ervan.

Ik wil nog een zeer belangrijk punt noemen. Ik ben van mening dat het bbp gebruikt moet blijven worden als het belangrijkste criterium om vast te stellen of een regio in aanmerking komt voor steun op basis van dit beleid. Het introduceren van andere indicatoren zou op de lange termijn het huidige ontwikkelingsproces in deze gebieden – en het cohesiebeleid als geheel – moeilijk maken en schaden. Deze indicatoren kunnen echter wel door de lidstaten worden gebruikt om de middelen tussen de regio’s te verdelen, tot het maximum van het aan hen toebedeelde pakket ten bate van de genoemde gebieden.

 
  
MPphoto
 

  Spyros Danellis (S&D).(EL) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, berggebieden, eilanden en afgelegen gebieden vormen een bron van kracht en rijkdom voor Europa. Het Europese beleid voor die gebieden moet zich concentreren op de positieve aspecten ervan en de negatieve kanten afzwakken, zodat de Europese burgers zich nergens in de Europese Unie afgesneden voelen van hun medeburgers en overal in Europa zoveel mogelijk gelijke kansen op welvaart hebben.

Het bruto binnenlands product van een regio geeft geen werkelijk beeld van deze diversiteit. Er bestaan ogenschijnlijk rijke eilanden en berggebieden zonder productieve basis, die in hun economische groei gehinderd worden door een noodlijdende dienstensector en die bijgevolg investeringen nodig hebben. Bovendien, gemiddelden van eilanden met verschillende ontwikkelingsniveaus doen uiteraard geen recht aan alle eilanden.

Andere belangrijke factoren, zoals de arbeidsmarkt of de toegankelijkheid van een regio, de toegenomen kosten van personen- en vrachtvervoer, evenals de noodzakelijke infrastructuur en netwerken, zijn ook elementen waarmee rekening moet worden gehouden in het kader van een veelomvattender benadering van de gebieden, zowel wat betreft het regionaal beleid, als meer in het algemeen wat betreft het uitgangspunt voor het opstellen van bredere criteria.

 
  
MPphoto
 

  Tamás Deutsch (PPE). (HU) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, in de ontwerpresolutie wordt terecht vastgesteld dat bergstreken, eilanden en dunbevolkte gebieden met bijzonder moeilijke uitdagingen te kampen hebben en daarom speciale regionale ontwikkelingsprogramma’s en steun vereisen. Voorgesteld wordt het bbp als indicator te gebruiken. In verband hiermee is het belangrijk te benadrukken dat we ook in de toekomst het bbp moeten blijven gebruiken als meetinstrument voor het recht van lidstaten op regionale politieke steun bij de verdeling van EU-fondsen. Het bbp is een fundamentele maatstaf voor de mate van ontwikkeling en vooruitgang en voor het effect van activiteiten op het gebied van regionale ontwikkeling. Ook is het een indicator die kan worden gekoppeld aan andere maatstaven.

Dit alles betekent echter niet dat we de sociale en ecologische gevolgen van economische beslissingen buiten beschouwing mogen laten, want groei is immers alleen nuttig als die gepaard gaat met sociale ontwikkeling en een verbetering van de levensstandaard. Op nationaal niveau kunnen de besluitvormers in de afzonderlijke landen alternatieve indicatoren aanwenden bij de verdeling van ontwikkelingsgelden tussen regio’s, en dus ook bij het bepalen van nationale subsidies voor bergstreken, eilanden en dunbevolkte gebieden. Ik wil de Commissie er echter op attent maken dat we het bbp op Europees niveau moeten handhaven als fundamentele indicator voor subsidiabiliteit, om ervoor te zorgen dat we de efficiënte besteding van steun door minder ontwikkelde lidstaten kunnen voortzetten.

 
  
MPphoto
 

  Derek Vaughan (S&D).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik kom uit Wales, waar bergen zijn en eilanden, dunbevolkte gebieden en nog veel meer. Daarom ben ik verheugd over de voorstellen in de ontwerpresolutie.

In mijn korte bijdrage wil ik de aandacht vestigen op de rol van de plaatselijke en regionale overheid, omdat het duidelijk is dat, welke strategieën er ook worden gevolgd en welke projecten of programma’s er ook worden gerealiseerd, deze zullen worden voorbereid, uitgevoerd, opgeleverd en beheerd door de regionale en plaatselijke autoriteiten.

En zo hoort het ook, omdat dit het overheidsniveau is dat het dichtst bij het gebied en bij de bevolking staat. Daarom is het ook juist dat zij bij alle stadia van welk programma of initiatief dan ook worden betrokken.

Daarom hoop ik dat de Commissie dit in gedachten wil houden en mechanismen zal invoeren om de volledige betrokkenheid van de plaatselijke en regionale overheid te garanderen, en ik ben er zeker van dat zij op hun beurt voor de ontwikkeling van onze gemeenschappen en regio’s garant zullen staan.

 
  
MPphoto
 

  Joachim Zeller (PPE).(DE) Commissaris Hahn, dames en heren, ik heb met delen van dit debat een probleem. Een aantal bijdragen wekt bij mij de indruk als zouden bergen, eilanden en dunbevolkte gebieden extraterritoriaal zijn en rechtstreeks onder het gezag van de Europese Unie vallen. Maar zo is het natuurlijk niet. Elk van deze gebieden behoort tot een lidstaat die soeverein is en de uitvoering van Europese besluiten, het bevorderen van Europese doelstellingen, is conform het subsidiariteitsbeginsel nog altijd een taak van de lidstaten.

Op Europees niveau hebben we juist aan deze gebieden – bergstreken, dunbevolkte gebieden, eilanden – altijd bijzondere aandacht besteed, van mededelingen van de Commissie tot aan het Verdrag van Lissabon. Ook hier in het Parlement zijn vele besluiten ter ondersteuning van de regio’s genomen. Als ik nu velen hoor klagen over de aanhoudende misstanden in deze gebieden, dringt zich bij mij de vraag op hoe de lidstaten zijn omgegaan met de impulsen die wij op Europees niveau hebben gegeven. En hoe de regio’s zelf daarmee zijn omgegaan, of zij de Europese stimuleringsmogelijkheden wel aangegrepen hebben. Inmiddels wordt er op een nieuwe strategie aangedrongen en ik heb nu al medelijden met de ambtenaren van het directoraat-generaal REGIO, die de meest uiteenlopende problemen van eilanden, bergstreken en dunbevolkte gebieden in een en dezelfde strategie onder moeten zien te brengen. Tegelijkertijd is er zo’n stortvloed aan strategieën – voor de Donau, de Oostzee, de Zwarte Zee, de klimaatverandering en wat dies meer zij – dat we binnenkort wel een strategie voor de strategieën nodig zullen hebben om het overzicht te behouden.

Alle gekheid op een stokje, dames en heren, waar het eigenlijk om gaat is vandaag ook ter sprake gekomen. Ik ben commissaris Hahn dan ook zeer dankbaar dat hij dit aangestipt heeft: we moeten ons er hard voor maken dat er ook na 2013 nog cohesiebeleid en regionaal beleid op Europees niveau bestaat. Daar ligt het zwaartepunt van ons werk en daarvan moeten we ook de collega’s in het Parlement zien te overtuigen. Bij een voortzetting van het cohesiebeleid en het regionaal beleid in de jaren na 2013 zal er ook plaats zijn voor bergstreken, eilanden en andersoortige gebieden. Maar laten we onze tijd niet verdoen met afzonderlijke ontwerpresoluties op dit punt, waar op dit moment geen aanleiding voor bestaat.

 
  
MPphoto
 

  Patrice Tirolien (S&D) . – (FR) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, ik ben blij met het debat van vandaag. Dit debat onderstreept hoe belangrijk het is dat de Unie haar regionale diversiteit koestert en respecteert.

Nu we bezig zijn met de onderhandelingen over de nieuwe kaderprogramma’s 2014-2020, lijkt het mij van belang de wijzigingen te benadrukken die voor de bijzondere gebieden belangrijk zijn. Hierbij moeten continuïteit en territoriale samenhang centraal staan.

Maar voor de ontwikkeling van de berggebieden, eilanden en dunbevolkte gebieden is méér nodig dan een aantal vrijstellingen. We moeten kiezen voor een horizontale benadering. We moeten instrumenten inzetten die het mogelijk maken dat de activiteiten van de EU op alle fronten goed met elkaar samengaan, in synergie, zodat ze een meerwaarde hebben.

Verder wacht ik, als vertegenwoordiger van de ultraperifere gebieden, met spanning de nieuwe strategie van de EU inzake de ultraperifere gebieden af, die ons door de diensten van de Commissie is toegezegd voor begin 2011.

 
  
MPphoto
 

  Damien Abad (PPE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ons Europa is het symbool van de Unie in al haar verscheidenheid: verscheidenheid wat betreft achtergrond, cultuur, benaderingswijze, en ook de verscheidenheid van onze gebieden en regio’s.

Hoewel de Europese Unie uit onderling zeer verschillende elementen bestaat, moeten de doelen van territoriale, economische en sociale samenhang de pijlers blijven onder al onze handelingen, wat overigens expliciet in het Verdrag van Lissabon staat. In deze context moeten we dus bijzondere aandacht geven aan de berggebieden, eilanden en dunbevolkte gebieden.

Ik weet als afgevaardigde van de grote Franse zuidwestelijke regio, waarin zich eilanden bevinden – ik denk daarbij aan Corsica – maar ook de Savoie en het departement Ain, die verschillende dunbevolkte gebieden kennen, uit de praktijk dat we er absoluut niet omheen kunnen dat we een goede afstemming tot stand moeten brengen tussen Europa en deze gebieden.

Om dit te kunnen doen, moeten we allereerst vaststellen met welke problemen deze gebieden te kampen hebben. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan openbare voorzieningen, waaronder ook de sociale voorzieningen. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat al onze burgers, waar ze ook wonen, verzekerd kunnen zijn van een minimum aan sociale bescherming?

Ook moeten we het potentieel van deze regio’s ten volle benutten, zodat ook zij de voordelen kunnen genieten van de interne markt en de economische ontwikkelingen. Het is overigens niet moeilijk te constateren dat het EU-beleid voor de eilanden en dat voor de berggebieden momenteel niet goed op elkaar zijn afgestemd.

Enerzijds wordt er onvoldoende rekening gehouden met specifieke lokale en regionale omstandigheden, en anderzijds bestaat er het risico dat deze regio’s volkomen vergeten worden en aan zichzelf zijn overgeleverd, zonder enige ondersteuning om de ontvolking, de bedreigingen voor het milieu en de vertraging van de economische ontwikkeling tegen te gaan. Dat is precies het punt waarop Europa, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, van toegevoegde waarde zou kunnen zijn.

Ik behoor tot de mensen die vinden dat Europa concrete doelstellingen voor deze gebieden moet vaststellen. Allereerst door een herziening, op verschillende terreinen, van het beleid dat van invloed is op de regio’s, en door het opnemen van een horizontale clausule die het mogelijk maakt rekening te houden met die specifieke omstandigheden. Verder vind ik dat er ook een herziening moet plaatsvinden van het gemeenschappelijk visserijbeleid teneinde de kleinschalige lokale visserij te beschermen, én van het beleid op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling, en dat het beleid beter op de kleine producenten afgestemd moet worden door de directe hulp te verhogen, en dat we vervolgens hetzelfde moeten doen op het gebied van vervoer en energie.

Ter afsluiting wil ik nog zeggen dat waar een wil is, niet altijd ook een weg is. Ambitie moet niet blijven steken in mooie woorden. Over enkele maanden krijgen we een kans die we ons niet mogen laten ontgaan, namelijk de onderhandelingen over de nieuwe financiële vooruitzichten.

 
  
MPphoto
 

  Vasilica Viorica Dăncilă (S&D).(RO) Mijnheer de commissaris, de Europese Unie moet het cohesiebeleid gebruiken om bijzondere aandacht te vestigen op de regio’s met natuurlijke en demografische handicaps, zoals de regio’s in het noorden van het continent, schaars bevolkte gebieden of eilanden, grens- en berggebieden.

Meer dan de andere regio’s in de EU hebben deze regio’s te maken met bijzondere uitdagingen vanwege moeilijke toegang, klimaatveranderingen, regionale integratie en demografische veranderingen. Daarnaast hebben ze een aantal kenmerken gemeen, waarvoor het nodig is om specifieke regionale ontwikkelingsprogramma’s op te stellen en uit te voeren. Ook moeten indicatoren voor het toewijzen van middelen worden aangepast om rekening te houden met de specifieke kenmerken van iedere regio. Er moet rekening worden gehouden met de lage bevolkingsdichtheid en toegang tot programma’s voor beroepsopleidingen, waardoor de bevolking de arbeidsmarkt kan betreden en de werkloosheid in deze gebieden kan dalen.

De bevolking in deze gebieden zou niet moeten bestaan van steunprogramma’s in het kader van nationaal beleid. Deze gebieden moeten de juiste middelen en capaciteiten krijgen voor duurzame ontwikkeling en voor toegang tot openbare dienstverlening.

 
  
MPphoto
 

  Richard Seeber (PPE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, het Verdrag van Lissabon heeft ons een nieuwe rechtsgrondslag geleverd en artikel 174 stelt ons vooral tot taak om de territoriale cohesie te bevorderen. Dat vraagt van het regiobeleid, en concreet van de commissaris die dat in zijn portefeuille heeft, om aandacht voor die cohesie en voor de topografisch uitzonderlijke gebieden, zoals de berggebieden en eilanden. Daarvoor dienen wij specifiek beleid te formuleren, al hoeft dat er niet op uit te draaien dat we, zoals collega Zeller uiteenzette, met tal van programma’s komen en daar allerlei bijzondere potjes voor beschikbaar stellen. Het betekent wel dat we ten aanzien van de Europese programma’s de nodige flexibiliteit aan de dag leggen. Dat hangt samen met de indicatoren die we kiezen en de beleidsmaatregelen waaraan we prioriteit geven.

Maar het is niet alleen de taak van commissaris Hahn om tot een fatsoenlijk beleid te komen, want het beleid voor de berggebieden overlapt nagenoeg alle Europese beleidsterreinen. Het landbouwbeleid is al genoemd. Ook dat hoort de positieve bijzonderheden van de berggebieden met gerichte maatregelen te ondersteunen en de negatieve te compenseren. Verder is het vervoersbeleid in het geding en ik kom zelf uit een land dat zich voor bijzondere uitdagingen en problemen met het internationale goederenvervoer gesteld ziet. Ook hier proberen we met de Eurovignet-richtlijn de nodige uitzonderingen te bewerkstelligen. Mijn collega uit Finland heeft als eerste de postrichtlijn genoemd. Als hij die goed gelezen had, zou hij gemerkt hebben dat we in de afgelopen zittingsperiode voor deze probleemgebieden wel degelijk oplossingen aangedragen hebben.

Het is dus mede aan commissaris Hahn, als vertegenwoordiger van de regio’s, om ervoor te zorgen dat deze bijzonderheden op alle beleidsterreinen van de Europese Unie weerklank vinden. Alleen zo kunnen we immers waarborgen dat territoriale cohesie als in het Verdrag vastgelegde doelstelling ook werkelijk gerealiseerd wordt.

 
  
MPphoto
 

  Rosa Estaràs Ferragut (PPE). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, allereerst bedank ik alle ondertekenaars van deze ontwerpresolutie, die zeer positief is onthaald in onze Fractie van de Europese Volkspartij (Christendemocraten) en in Spanje, het land dat we vertegenwoordigen.

We hebben het wettelijke kader, namelijk artikel 174, lid 3, van het Verdrag van Lissabon, en we hebben de territoriale cohesie, die een nieuwe pijler vormt in dit Verdrag. We beschikken dus over de juridische grondslag om hier werk van te maken en deze gebieden − berggebieden, eilanden en dunbevolkte gebieden − te helpen.

In het geval van de berggebieden, en dat is hier reeds gezegd, hebben we het over meer dan negentig miljoen inwoners. Er zijn 21 miljoen mensen die op eilanden wonen, meer bepaald in veertien landen, en er zijn nog veel meer miljoenen mensen die in de bergen wonen.

Al deze gebieden hebben gelijkaardige problemen op het vlak van cultuur, onderwijs, vervoer en milieu. Er is meer bepaald één nadeel dat hen allen verbindt. Ze zijn allen benadeeld op het vlak van vervoer. Ik ben afkomstig van een eilandengroep, namelijk de Balearen, en men heeft berekend dat de kosten voor vervoer daar 20 procent hoger liggen.Dat heeft ongetwijfeld gevolgen voor onze industrie, onze landbouw, onze strategische sectoren en ons toerisme, kortom, voor het hele bedrijfsleven, de hele economische structuur. En daarom heeft het ook invloed op ons concurrentievermogen.

Als we vervolgens kijken naar de hulpbronnen, zoals drinkwater of land, die beperkt zijn, of naar grondstoffen zoals energie en leefruimte in deze gebieden, dan zien we dat er duidelijk sprake is van schaarste en van een gebrek aan economische diversificatie.

Daarom bepleiten we dat er in de nieuwe financiële vooruitzichten rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van deze gebieden. We moeten, zoals hier al gezegd is, onze woorden omzetten in daden. Deze moeten worden vertaald in de begroting en dus ook in een grotere territoriale cohesie.

 
  
MPphoto
 

  Maria do Céu Patrão Neves (PPE).(PT) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, de afgelegen gebieden van de Europese Unie, in het bijzonder de ultraperifere regio’s (waaronder de Azoren, waar ik vandaan kom), de berggebieden, de eilanden en de dunbevolkte gebieden hebben te lijden onder natuurlijke en geografische handicaps die moeilijk te overwinnen zijn en waarvan de maatschappelijke kosten groot zijn.

Denk bijvoorbeeld aan de moeilijke toegankelijkheid, de hoge kosten van de openbare basisdienstverlening, de energievoorziening, enzovoort.

En laten we niet vergeten dat in de Europese Unie slechts 7 procent van de bevolking in de stad woont en dat 14 miljoen Europeanen op een eiland wonen.

Een Unie die gestoeld is op waarden zoals solidariteit en sociale rechtvaardigheid heeft de politieke en morele plicht om de economische en sociale ontwikkeling van haar afgelegen gebieden te bevorderen. Dat is trouwens de voornaamste bestaansreden van het Europese cohesiebeleid: territoriale cohesie en economische en sociale convergentie.

Daarom is de opname van territoriale cohesie als nieuwe doelstelling van de Europese Unie niet meer dan een natuurlijk vervolg van haar ontwikkeling en zijn de economische en sociale convergentiestrategieën een voorwaarde voor haar groei.

Deze weg, die de Europese Unie al lang geleden is ingeslagen, heeft in veel gebieden tot erg positieve resultaten geleid, aangezien ze niet langer ingedeeld zijn onder doelstelling 1 maar onder doelstelling 2. Het is een feit dat zelfs wanneer ze geen doelstelling 2 zijn, zelfs wanneer deze afgelegen gebieden in Europa minder ontwikkeld zijn dan het Europese gemiddelde en geen proportionele steun ontvangen, ze toch een onvervangbare bijdrage leveren aan de rijkom van de Europese diversiteit, elk met zijn eigen kenmerken.

Het is aan deze afgelegen gebieden van de Europese Unie om alle beschikbare ontwikkelingsinstrumenten ten volle te benutten en vooral in te zetten op hun eigen troeven. Het is aan de Europese Unie om werk te maken van de integratie en de cohesie van al haar gebieden, anders loopt ze het risico haar eigen groeiproject in diskrediet te brengen.

In dat verband moet de Europese Commissie op gepaste wijze rekening houden met de in dit voorstel vervatte acties. Het is een waardevolle bijdrage aan het welslagen van het Europese integratieproject dat we allemaal steunen.

 
  
MPphoto
 

  Sari Essayah (PPE). (FI) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, de structuurfondsen vormen een essentieel financieringsinstrument van de Europese Unie in ons streven om de doelen van EU 2020 te bereiken en zij zijn vooral belangrijk in de dunbevolkte noordelijke gebieden. Ik wil vier punten aankaarten. Ten eerste zullen deze specifieke gebieden als eerste en het hardst worden getroffen door veel problemen. Aangezien de bevolking in de werkzame leeftijd vaak is weggetrokken op zoek naar werk, zullen veel dunbevolkte gebieden als eerste te maken krijgen met het probleem van de vergrijzing.

Ik ken de situatie in Finland natuurlijk het best en ik kan zeggen dat er in Oost- en Noord-Finland binnenkort gebieden zullen zijn waar meer dan de helft van de bevolking uit gepensioneerden bestaat. In 2020 is de verhouding tussen de oudere bevolking en de werkende bevolking, de zogeheten grijze druk, het ongunstigst in Oost-Finland, Italië en Oost-Duitsland. De polarisatie tussen de regio’s zal aanzienlijk toenemen en het aantal regio’s waar de grijze druk meer dan 25 procent boven het EU-gemiddelde ligt, zal in 2020 al veertig bedragen. Het is daarom belangrijk dat in het regionaal beleid en het structuurbeleid rekening wordt gehouden met de demografische criteria met betrekking tot een vergrijzende bevolking en niet alleen met het bbp.

Ten tweede mogen deze gebieden niet meer hun bevolking in de werkende leeftijd verliezen. Wij moeten ons richten op het mededingingsvermogen van deze gebieden om ze uit de economische crisis te trekken en om de EU 2020-doelen te halen. De ontwikkeling van innovatie en kennis is noodzakelijk, net als de verbetering van het mededingingsvermogen. Met minder geld moet meer worden bereikt. Zeer goede resultaten moeten het selectiecriterium zijn voor de financiering van innovatie. De focus moet gericht zijn op zaken die het mededingingsvermogen en de werkgelegenheid in elk gebied het best bevorderen en er zijn ook nieuwe maatschappelijke innovaties en innovaties op het gebied van diensten nodig.

Ten derde hebben wij regionale programma’s nodig die maatregelen krachtens de structuurfondsen integreren en waarvan de resultaten kunnen worden gemeten en beoordeeld. De administratieve last van beheers- en controlesystemen in de lidstaten moeten in verhouding staan tot de beschikbare financiële middelen. De financiering moet afhangen van resultaten en worden gebonden aan structurele economische hervormingen en een verantwoordelijk economisch beleid.

Ten vierde hebben wij grensoverschrijdende samenwerking tussen de regio’s nodig, vooral op het gebied van projecten met betrekking tot handel, industrie en milieu. Een goede gelegenheid biedt zich onder meer aan in de vorm van de macroregio’s van de Oostzee en de Donau, die hier in het debat al zijn genoemd. Er is samenwerking nodig tussen buren in de Europese Unie, maar in het geval van de Oostzee moet bijvoorbeeld Rusland bij de regionale samenwerking worden betrokken. Het enige inheemse volk van Europa...

(Spreekster wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 

  Jean-Pierre Audy (PPE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, als inwoner van het Centraal Massief, de Auvergne, de Limousin, wil ik u, commissaris, bedanken voor wat u in uw mededeling gedaan heeft. Mijn dank ook aan alle fracties die de ontwerpresolutie ondertekend hebben, en die bovendien de oprichting van de parlementaire interfractiewerkgroep bergen-eilanden mogelijk hebben gemaakt. En mijn dank aan onze Euromontana-partners en aan de Europese vereniging van afgevaardigden uit berggebieden.

Eindelijk komt het woord “berg” voor in een Europees Verdrag, in artikel 174. We moeten onze sterke punten goed naar voren brengen: landbouw, bosbouw, toerisme, industrie. Commissaris, ik wil hier in het bijzonder de nadruk leggen op de landbouw. We hebben kwaliteitsproducten die kwetsbaar en nuttig zijn. Ik verzoek u daarover met uw collega de heer Cioloş in gesprek te gaan. We moeten gelijke kansen krijgen op het totale gebied van de infrastructuur: snelwegen, hogesnelheidslijnen, energie, onderwijs, gezondheidszorg en digitale technologie.

Mijnheer de Voorzitter, in oorlogen hebben wij gelijke plichten gehad. We vinden dat wij, bergbewoners, ook gelijke rechten moeten hebben.

 
  
MPphoto
 

  Zigmantas Balčytis (S&D).(EN) Mijnheer de Voorzitter, een harmonieuze ontwikkeling van de Unie is een eerste voorwaarde om te komen tot duurzame economische groei en sociaal welzijn. Op grond van het beginsel van territoriale cohesie is de EU verplicht om met concrete maatregelen te komen om de bestaande handicaps te overwinnen en om het potentieel van die regio’s te benutten.

Een Europees beleidskader zou erg nuttig zijn en op de lange termijn meerwaarde betekenen voor benadeelde regio’s. Het zou unieke ontwikkelingsmodellen helpen vormen en bijstellen, waardoor zij concurrerender worden en beter in staat zijn om uitdagingen het hoofd te bieden.

 
  
MPphoto
 

  Izaskun Bilbao Barandica (ALDE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, de beste manier om het behoud van de dunbevolkte gebieden te garanderen, is het bevolkingsaantal constant te houden. In de strategie wordt gesproken over ontwikkeling, maar ik wil de nadruk leggen op drie beginselen.

Ten eerste moeten de bedrijfsmodellen die in deze gebieden ontwikkeling genereren, zich richten op rentabiliteit en kwalitatieve productie, en nieuwe activiteiten in verband met de koolstofarme economie zijn het beste middel om deze te bevorderen.

Ten tweede is de sociale economie de meest geschikte vorm van ondernemerschap om deze bevolkingsgroepen met elkaar te verbinden door middel van gedeelde projecten die te maken hebben met hun welzijn.

Ten derde moeten de inwoners van deze gebieden kunnen beschikken over hetzelfde niveau van openbare diensten, gezondheidszorg en onderwijs en over eenzelfde infrastructuur voor vervoer en telecommunicatie als de rest van de bevolking. We kunnen beter daarin investeren dan in het subsidiëren van de productie.

Dat is wat ik wil voor het Baskenland en, commissaris, dat is slechts mogelijk als Europa kan rekenen op de regio’s en op de lokale regeringen, als er duidelijke doelstellingen worden geformuleerd voor de fondsen, als het effect ervan wordt geëvalueerd en als rekening wordt gehouden met de eigenheden van de verschillende gebieden.

 
  
MPphoto
 

  Rareş-Lucian Niculescu (PPE).(RO) Het belang van een goede correlatie tussen het cohesiebeleid en het gemeenschappelijk landbouwbeleid is al door een aantal collega’s genoemd. Ook ik wil dit punt benadrukken, naast de belangrijke rol die de Europese fondsen voor regionale ontwikkeling spelen bij de economische en sociale ontwikkeling van berggebieden. Op dit moment wordt de toekomst van het gemeenschappelijk landbouwbeleid besproken. We moeten onthouden dat deze hervorming moet worden uitgevoerd op een wijze die het potentieel van berggebieden zal aanboren. Het gaat dan om hun eigen ontwikkeling en zelfs hun bijdrage aan economische groei.

De veelzijdigheid van lokale producten en toeristische activiteiten zou bijvoorbeeld een bron van inkomsten kunnen betekenen voor vele regio’s. Dit vereist echter toegang tot publieke dienstverlening, infrastructuur en transport voor deze regio’s. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid zou via de tweede pijler toegang tot dergelijke dienstverlening kunnen garanderen, en tegelijkertijd de voorwaarden…

(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 

  Ricardo Cortés Lastra (S&D).(ES) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, onderwerpen als werkloosheid, plattelandsontwikkeling, landbouw, visserij, transport, de bevordering van hernieuwbare energie en de bescherming van het milieu zijn van het allergrootste belang voor onze eilanden, berggebieden en dunbevolkte gebieden.

We hebben een geïntegreerde en gecoördineerde strategie nodig om op een coherente manier te kunnen bijdragen aan hun ontwikkeling. Deze gebieden beschikken over een groot potentieel voor economische en sociale ontwikkeling dat we niet onbenut mogen laten.

Maar om dat mogelijk te maken, moeten we op hetzelfde moment de nadelen compenseren die eigen zijn aan hun specifieke geografische en demografische situatie. In dat opzicht is het in het kader van het regionale beleid noodzakelijk om enkele beperkingen te schrappen op de deelname aan de programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking, zoals de vereiste dat er slechts een maximumafstand van 150 kilometer mag liggen tussen de grensoverschrijdende gebieden. Dat belemmert een hechtere samenwerking tussen de eilandgebieden en met aangrenzende zeegebieden.

 
  
MPphoto
 

  Gabriel Mato Adrover (PPE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, wanneer we het hebben over territoriale cohesie, hebben we het noodzakelijkerwijs over eilanden, over berggebieden en ook over de ultraperifere regio’s. We hebben het over hun problemen en hun moeilijkheden, over hun natuurlijke beperkingen en hun structurele handicaps. Maar we hebben het vooral ook over de manieren waarop we deze obstakels, die hun ontwikkeling in de weg staan, kunnen overwinnen en over de strategie waarmee we hun beperkingen kunnen omzetten in kansen. Het verbeteren van de verbindingen, een gepast nabuurschapsbeleid en stabiliteit in het beleid en in de structuurfondsen zijn kwesties die we zonder omwegen moeten aansnijden, en dat alles met twee belangrijke uitgangspunten: territoriale samenhang en het solidariteitsbeginsel.

Sommige mensen geloven niet in strategieën. Ik wel, en deze resolutie moet een bewijs zijn van de inzet van dit Parlement voor deze gebieden en van de eis aan de Commissie om op doortastende wijze beslissingen te nemen die rekening houden met de behoeften van deze kwetsbare gebieden, waarvan de problemen des te meer zichtbaar worden in tijden van economische crisis zoals de huidige.

 
  
MPphoto
 

  Miroslav Mikolášik (PPE). (SK) Hoewel het half twaalf ’s avonds is, praten we hier nog steeds over dit interessante en belangrijke onderwerp omdat berggebieden nog altijd een achterstand hebben en te weinig aandacht krijgen, ondanks de mogelijkheden die hun natuurlijke hulpbronnen en unieke flora en fauna overduidelijk bieden.

Deze gebieden vereisen specifieke maatregelen en speciaal aangepaste ontwikkelingsstrategieën om ze in staat te stellen hardnekkige achterstanden te boven te komen en hun natuurlijk potentieel te benutten, waarbij de voltooiing van een auto- en spoorwegeninfrastructuur een zaak van overleven en voorspoed is. Om deze reden geef ik mijn volledige steun aan het creëren van een Europees geïntegreerd kader om de problemen van berggebieden op te lossen, overeenkomstig het beginsel van territoriale cohesie, dat een van de belangrijkste doelstellingen is van de Europese Unie. Ik wil echter benadrukken dat het nodig is om aan het beleidskader een concrete wettelijke dimensie toe te voegen, gekoppeld aan de vrijgave...

(Spreker wordt door de voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 

  Bogusław Sonik (PPE).(PL) Concurrentiekracht en welvaart hangen af van de mate waarin burgers en bedrijven in een bepaald gebied gebruikmaken van de daar aanwezige hulpbronnen. De Europese Unie moet dergelijke activiteiten in haar beleid stimuleren, en met name streven naar een vermindering van de scheve verhouding in de ontwikkelingsniveaus van regio’s met specifieke natuurlijke en geografische omstandigheden. Door steun aan een harmonieuze ontwikkeling moet de economische, sociale en territoriale cohesie van de Unie worden versterkt.

Daarnaast moeten we vooral de sterke kanten van deze regio’s ontwikkelen en kijken op welke vlakken berggebieden en eilanden potentieel concurrentievoordeel hebben. Hiermee kan in het bijzonder een brug worden geslagen tussen ecologische stabiliteit, economische efficiëntie en sociale cohesie, die aan iedereen in deze problematische regio’s ontwikkelingskansen biedt. Door de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon moet de Unie naar dit soort oplossingen zoeken.

 
  
MPphoto
 

  Johannes Hahn, lid van de Commissie.(DE) Mijnheer de Voorzitter, ik sluit mij aan bij deze woorden van dank, maar ik dank ook de geachte afgevaardigden. Ik heb het geteld: er is 47 keer het woord gevraagd en dat getuigt niet alleen van de vitaliteit van het Parlement, maar ook van het gewicht van ons gespreksonderwerp. Dat er van deze 47 bijdragen welbeschouwd maar één de zin van het cohesiebeleid in twijfel trok, deed mij in het bijzonder deugd. Laten wij hieruit moed putten en beseffen dat dit een uiterst belangrijk beleidsterrein is, een terrein dat wel eens het best van allemaal de mensen in Europa zou kunnen bereiken en Europa zichtbaar weet te maken, ook en vooral in de gebieden die vandaag onderwerp van onze bespreking waren. Omdat we het er vandaag helemaal niet over gehad hebben, wil ik erop wijzen dat we in de nu komende periode al de mogelijkheid hebben door een gemoduleerd medefinancieringsstelsel ook binnen regio’s zelf voor compensatie te zorgen. We hebben dus, zonder ook maar iets aan het subsidiariteitsbeginsel af te doen, in de zin van de door afgevaardigde Zeller en anderen gesproken woorden, de mogelijkheid gecreëerd om op lokaal niveau op heel bepaalde behoeften in te spelen, gebruikmakend van kennis van de verantwoordelijken aldaar. Ook is er, bijvoorbeeld op het terrein van het mededingingsbeleid, een zeer gedifferentieerd aanbod aan overheidssubsidies, een aanbod dat benut dient te worden in het belang van de mensen.

Veel sprekers hebben zich over de kwestie van de indicatoren uitgelaten, iets wat in de discussie over het regiobeleid vaker een rol speelt. Ik ben het eens met degenen die – zoals bijvoorbeeld collega Deutsch – vinden dat het bruto nationaal product nog altijd als centrale aanwijzer genomen dient te worden. Maar ik heb ook begrip voor de roep om aanvullende indicatoren. Onder ESPON lopen overigens al diverse projecten, zoals Euro-island, waarbij het erom gaat aanvullende indicatoren te omschrijven, al hebben die voornamelijk tot doel om ons beleid en dat van de eerste verantwoordelijken in deze regio’s te optimaliseren. Het kan en mag er daarbij overigens niet a priori om gaan nieuwe financiële indicatoren te ontwikkelen. De nieuwe indicatoren zijn in de eerste plaats bedoeld om ons beleid in deze regio’s nog beter, nog preciezer op de behoeften van de mensen te laten aansluiten.

Mijn dank geldt vooral de sprekers die erop gewezen hebben wat voor potentieel er in de regio’s sluimert en wat voor mogelijkheden er nog op het terrein van onderzoek en ontwikkeling liggen. We hebben een aantal uitzonderlijk gelegen regio’s, waar heel specifieke onderzoeksactiviteiten plaatsvinden. Ik denk bijvoorbeeld aan de Canarische eilanden met hun observatoria, waar onderzoek gedaan wordt dat op grond van topografische en klimatologische voorwaarden eigenlijk alleen daar mogelijk is. Dat zijn dingen waar we meer dan voorheen gebruik van moeten maken. Daartoe behoort ook de sector van de hernieuwbare energie. Ik deel ook de mening van degenen die nadrukkelijk een punt gemaakt hebben van de toegang tot het internet. Dat is inderdaad iets wat in de toekomst onze bijzondere aandacht verdient, een punt waarop we nog zeer veel winst kunnen boeken.

Ik dank u nogmaals voor het vele dat u aan het debat hebt bijgedragen. Het regiobeleid heeft de belangrijke taak om tegenstellingen in de regio’s te verkleinen, maar dient ook tegemoet te komen aan een behoefte die zoals we weten door acht op de tien mensen gevoeld wordt: in de regio waarin men geboren is ook een beroepsperspectief te vinden en zijn oude dag te beleven. Daarvoor moeten we een beleid voeren dat aan deze behoeften volkomen recht doet en dat doen we ook. Daarmee modelleren we ons beleid naar de mensen, naar hun behoeften, waarmee we hen hopelijk weten aan te spreken. Dat is werk dat nooit af is en telkens weer om nieuw elan vraagt. Het huidige debat en met name dit verslag, de besluitvorming waar ze deel van uitmaken, hebben een flink stuk van dat elan geleverd. Ik kan u verzekeren dat de Commissie het niet slechts tot haar plicht rekent, maar er oprecht plezier in schept zich intensief met deze zaken bezig te houden.

(Applaus)

 
  
  

VOORZITTER: RODI KRATSA-TSAGAROPOULOU
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Tot besluit van het debat zijn er zes ontwerpresoluties ingediend, overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement(1).

Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen, woensdag 22 september, om 12.00 uur plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 149)

 
  
MPphoto
 
 

  Marie-Thérèse Sanchez-Schmid (PPE), schriftelijk.(FR) Deze resolutie waarover we morgen in het Parlement stemmen, draagt eraan bij dat instellingen zich meer bewust worden van de problemen waar deze gebieden mee te kampen hebben, en daar ben ik blij om. Ik wil drie belangrijke punten in deze tekst onderstrepen, die voor mij centraal staan en die op zichzelf voldoende zijn voor mijn steun aan deze resolutie. Ik ben afkomstig uit een van de berggebieden, namelijk de Pyreneeën, en daarom ben ik goed op de hoogte van de problemen in dit soort gebieden. Vanwege hun geografische en demografische omstandigheden zijn er voor berggebieden specifieke regionale ontwikkelingsprogramma’s nodig, en ik hoop dat daar in het cohesiebeleid na 2015 rekening mee wordt gehouden. Politiek wil ik me vooral sterk maken voor het stimuleren van Europese groeperingen voor grensoverschrijdende samenwerking (EGGS). Ik hoop dat het succes van de EGGS in mijn regio, die van het Puigcerdá-ziekenhuis, een voorbeeldfunctie kan hebben voor andere vergelijkbare projecten in Europa. Tot slot vind ik het voorstel belangrijk om het criterium van 150 kilometer voor de eilanden los te laten, zoals veel lokale betrokkenen bepleit hebben. In de praktijk kunnen sommige eilanden nog steeds niet gebruikmaken van grensoverschrijdende programma’s vanwege het feit dat ze te afgelegen zijn. Daardoor wordt hun isolement nog schrijnender, en daar moeten we iets aan doen.

 
  
MPphoto
 
 

  Edward Scicluna (S&D), schriftelijk.(EN) Ik ben bijzonder verheugd dat het Parlement en de Commissie discussiëren over de kwestie van de bergregio’s en eilanden. Als Maltees lid en vertegenwoordiger van twee eilanden, Malta en Gozo, elk met minder dan 500 000 inwoners, ligt deze kwestie mij onvermijdelijk na aan het hart. Het lijdt geen twijfel dat eilanden en kleine regio’s een behandeling op EU-niveau verdienen die aansluit bij hun specifieke behoeften. Er zijn bijvoorbeeld aanzienlijke economische verschillen tussen het eiland Gozo en de rest van Malta. Het nationaal bureau van statistiek van Malta toont aan dat het bbp van Gozo per hoofd van de bevolking nu minder dan 75 procent van dat van Malta bedraagt. In dergelijke gevallen zou de Commissie Gozo speciale aandacht moeten geven en dit eiland in aanmerking moeten laten komen voor bepaalde aspecten van het regionaal beleid van de EU, los van de financiering die ook nog steeds op zich laat wachten. Natuurlijk hebben bergregio’s, eilanden en dunbevolkte gebieden in de EU een aantal kenmerken gemeen die hen onderscheiden van andere regio’s. Doorgaans zijn de verbindingen gebrekkig, hetgeen een gebrek aan werkgelegenheid en een te geringe toegankelijkheid tot gevolg heeft. Statistisch gezien zijn zij meestal armer dan de rest van de lidstaat. We kunnen het ons niet permitteren hen te negeren.

 
  

(1) Zie notulen.

Laatst bijgewerkt op: 28 februari 2011Juridische mededeling