De Voorzitter. – In verband met het verkeer zijn we iets later begonnen. Onze excuses daarvoor. Ik zou iedereen willen aanraden om te voet naar het Parlement te komen, en wel om drie redenen: de eerste is dat we dan op tijd kunnen komen, de tweede is dat het gezond is, en de derde is dat het minder vervuiling geeft. Laten we dus allemaal lopend naar het Parlement komen!
Aan de orde is de gecombineerde behandeling van:
– de mondelinge vraag (O-0110/2010) van Danuta Maria Hübner, namens de Commissie DEVE, aan de Commissie: Cohesie in de EU en regionaal beleid na 2013 (B7-0466/2010), en
– de verklaring van de Commissie: De toekomst van het Europees Sociaal Fonds.
Danuta Maria Hübner, auteur. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, de komende jaren zal de groei in Europa worden aangedreven door het aanbod. Duurzame en concurrerende investeringspatronen zullen van cruciaal belang worden. Het cohesiebeleid is een belangrijke bron van Europese overheidsinvesteringen en moet structurele veranderingen in gang zetten door de financiering van investeringen in onderzoek en innovatie, efficiënt gebruik van hulpbronnen, nieuwe en duurzame banen en infrastructuur.
Het cohesiebeleid moet echter niet louter een financieel instrument voor investeringen zijn. Het cohesiebeleid is een beleid dat nieuwe middelen genereert en het groeipotentieel vergroot. Er zal een adequaat macro-economisch en financieel kader nodig zijn om ervoor te zorgen dat het beleid volledig effectief is. De centrale vraag met betrekking tot de hervorming van het cohesiebeleid na 2013 is hoe dit beleid effectiever en op een meer duurzame wijze banen kan scheppen, de groei kan aandrijven en het concurrentievermogen kan vergroten voor de Europese economie.
Sociale, economische en territoriale samenhang is volgens het Verdrag een basisbeginsel van de Europese integratie. Daarom moet het cohesiebeleid van toepassing zijn op alle Europese burgers en niet worden beperkt tot de armste regio's. Want het cohesiebeleid is geen subsidiebeleid dat werkt op basis van het principe van compensatie voor het verleden en dat dient als aanvulling op nationale doelstellingen, maar is een Europees beleid voor de toekomst.
In het cohesiebeleid moet rekening worden gehouden met de territoriale realiteit op regionaal niveau zoals die na de crisis is, waarbij moet worden gekeken naar de meest doelmatige oplossingen voor de uitdagingen voor en de kansen van verschillende Europese regio's. Het moet integraal deel uitmaken van de uitvoering van de Europa 2020-strategie en de kerninitiatieven van die strategie. We zijn ons er volledig van bewust dat het cumulatieve effect van het cohesiebeleid voor het gehele grondgebied van de Europese Unie een van de belangrijkste instrumenten is waarmee de Unie en haar lidstaten de ambities van Europa 2020 kunnen verwezenlijken.
Het cohesiebeleid moet niet alleen bijdragen aan het verkleinen van de productiviteitskloof waartoe de crisis heeft geleid, maar ook aan het weer laten groeien van de productiviteit. Er moet worden geïnvesteerd in betere connecties tussen leidende regio’s en regio's die hun achterstand proberen in te halen. Het potentieel voor territoriale samenwerking moet beter worden benut. De Commissie regionale ontwikkeling van het Europees Parlement heeft een standpunt ingenomen over de inrichting van het cohesiebeleid na 2013.
In de loop der jaren is in veel parlementaire resoluties nadrukkelijk gewezen op de noodzaak van een sterk, alomvattend cohesiebeleid dat is uitgerust met voldoende begrotingsmiddelen om regio's en steden de mogelijkheid te geven hun ontwikkelingspotentieel te vergroten. We zijn ervan overtuigd dat ze in deze uitzonderlijke tijden allemaal moeten worden aangemoedigd en geholpen om te investeren in baanbrekende ideeën, in nieuwe technologieën en in innovatie. Regio's en steden hebben de sleutel voor de revitalisering van Europa in handen, die nodig is om de buitengewone problemen waar we mee te kampen hebben de baas te worden en onze economie met succes te transformeren.
We hopen en denken dat de Europese Commissie even vastbesloten is als wij om ervoor te zorgen dat het cohesiebeleid het belangrijkste allesomvattende instrument van de Unie blijft. De reden waarom we deze vraag hebben ingediend was om de Commissie de kans te bieden haar visie op de toekomst te geven.
Johannes Hahn, lid van de Commissie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, commissaris Andor, dames en heren, allereerst wil ik het Parlement bedanken omdat het dit thema zo prominent op de agenda heeft gezet op een moment dat nu juist in Brussel de laatste dag van de open dagen plaatsvindt, waarvoor meer dan 6 000 belanghebbenden in de stad zijn die zich in meer dan 130 bijeenkomsten en seminars intensief bezighouden met de kwestie van de betekenis en de toekomstige vormgeving van het regionaal beleid.
Het is reeds vaker gezegd dat het regionaal beleid en het cohesiebeleid in het vervolg, ook in de volgende financieringsperiode, zeer intensief aan de Europa 2020-strategie moeten worden gekoppeld, om daadwerkelijk die Europese meerwaarde te creëren waarover steeds weer wordt gesproken en die we moeten waarmaken. Het is in dit verband van belang dat we het beleid in de Unie beter coördineren, om hier werkelijk een gemeenschappelijk aanbod en een geïntegreerde aanpak te bieden, ook in de richting van de lidstaten. Het motto moet luiden: gerichtheid en flexibiliteit. We moeten ons richten op enkele prioriteiten uit de Europa 2020-strategie die belangrijk zijn voor ons en we hebben flexibiliteit nodig bij de op maat gemaakte oplossingen in de uitvoering in de regio’s en de lidstaten.
Ik denk dat het ook belangrijk is dat we een systeem van stimulansen ontwikkelen op basis van duidelijke afspraken over doelstellingen met de regio’s en lidstaten, opdat naast het correcte financieel beheer, dat heel belangrijk is geweest en ook in de toekomst heel belangrijk zal zijn, ook de resultaatgerichtheid sterkere effecten zal hebben. Het is namelijk absoluut van belang dat we het er ook al vanaf het begin van een periode met de regio’s en de lidstaten over eens zijn wat onze doelstellingen zijn en dat we ook meetbare doelen afspreken en vastleggen en dat we ernaar streven dat er door middel van de projecten ook aan deze doelen wordt gewerkt.
Wat een goed cohesiebeleid met zijn verschillende elementen uiteindelijk kan en moet bewerkstelligen, is dat het de drijvende kracht achter de groei in de Europese Unie is. We hebben een groei- en stabiliteitspact. Het is een verstandig opgesteld cohesiebeleid voor alle regio’s die er uiteindelijk voor kan zorgen dat het groeiaspect in het groei- en stabiliteitspact effect heeft, opdat Europa en zijn nationale economieën in hun totaliteit in de wereld concurrerend blijven en hun positie in internationaal verband ook nog verbeteren.
Daartoe zal het ook noodzakelijk zijn om de steunregelingen hierop af te stemmen en verder te ontwikkelen. We hebben met andere woorden behoefte aan een toename zowel aan de kant van de productie als ook van de financiële volumes op het gebied van financial engineering, in het besef – tegen de achtergrond van de meer gespannen begrotingssituatie in de lidstaten – dat we hier ook meer aanbod voor particulieren moeten ontwikkelen, om mede te investeren in bepaalde regionale projecten, vooral in de projecten die ook inkomsten garanderen, zodat we andere middelen vrij hebben voor projecten die nu eenmaal ook nodig zijn, maar die op die manier geen inkomsten garanderen, zoals investeringen in de onderwijssector, de modernisering van universiteiten, laboratoria etc.
We zullen de komende weken gezamenlijk het vijfde cohesieverslag met conclusies presenteren, waarin veel is te vinden van wat ik nu in een paar minuten heb kunnen zeggen en nog meer. Het regionaal beleid, het cohesiebeleid, is echter een soort beleid dat ook in het licht van gedeeld beheer het Europees beleid voor de burgers zichtbaar en tastbaar kan maken.
Twee miljoen projecten, zoals in de lopende periode, kunnen alleen verwezenlijkt worden indien we met de lidstaten en met de burgers in de regio’s samenwerken.
László Andor, lid van de Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, de economische en sociale situatie in Europa blijft ons met enorme uitdagingen confronteren. De werkloosheid is sterk gestegen, tot waarschijnlijk 11 procent aan het eind van dit jaar. Bovendien blijft armoede een dagelijkse realiteit voor veel Europeanen, waaronder kinderen.
Hoewel het waar is dat we langzaam uit de economische crisis komen, is het al even duidelijk dat ons herstel moet zijn gebaseerd op stevige fundamenten, en op dit moment kunnen we er niet volledig zeker van zijn dat die fundamenten stevig zijn.
Tegelijkertijd mogen we de langetermijnuitdagingen niet uit het oog verliezen. Op gebieden als de vergrijzende bevolking, de snelle technologische veranderingen, de klimaatverandering en andere uitdagingen op milieugebied moeten allemaal dringend maatregelen worden genomen.
Het Europees Sociaal Fonds (ESF) is altijd het belangrijkste instrument op EU-niveau voor het doen van investeringen in menselijk kapitaal en sociale integratie geweest. Al ruim een halve eeuw is het ESF een concreet bewijs van solidariteit tussen Europese burgers en dat moet het in de toekomst ook blijven.
Het ESF is een van de belangrijkste instrumenten die we tot onze beschikking hebben om de kerndoelstellingen van de Europa 2020-strategie te verwezenlijken, met name die voor de werkgelegenheid, onderwijs en het terugdringen van de armoede.
Het ESF en de Europa 2020-strategie moeten volledig op elkaar worden afgestemd, omdat het ESF een cruciaal instrument is voor de tenuitvoerlegging van de geïntegreerde richtsnoeren. Onze nieuwe Europa 2020-strategie kent een aantal gemeenschappelijke doelstellingen voor de hele Unie. De lidstaten zullen echter hun eigen route bepalen om die doelstellingen te verwezenlijken, met steun van het ESF. Daarvoor is nodig dat het toekomstige toepassingsgebied breed genoeg is om ervoor te zorgen dat alle lidstaten, regio's en lokale belanghebbenden operationele programma’s kunnen ontwikkelen die aansluiten op hun individuele behoeften.
Maar een breed toepassingsgebied mag niet leiden tot versnippering van de instrumenten. De Commissie en de lidstaten moeten samen de kernprioriteiten vaststellen, met name op het gebied van de werkgelegenheid. We moeten de zichtbaarheid, de doelmatigheid en de resultaten van het Europees Sociaal Fonds verbeteren.
De komende herziening van de begroting zal duidelijk maken hoe de toekomstige structuur van de begroting van de Unie er volgens de Commissie moet uitzien om de politieke doelstellingen van Europa 2020 te kunnen verwezenlijken. Daarnaast zal de Commissie het debat tussen de lidstaten en het Europees Parlement initiëren. Ik zie uit naar de bijdrage van dit Huis aan dat debat.
Het ESF moet samen met andere EU-fondsen bijdragen aan de territoriale, sociale en economische cohesie. Dit moet worden vergemakkelijkt door een aantal gemeenschappelijke regels voor alle fondsen vast te stellen, waardoor de coördinatie tussen deze fondsen eenvoudiger wordt.
De Commissie heeft al een voorstel voor een nieuwe financiële verordening tot vaststelling van enkele gemeenschappelijk regels opgesteld, en in de loop van 2011 zullen we met enkele specifieke voorstellen komen.
De Europese burgers verwachten dat de EU-fondsen zich op het boeken van resultaten concentreren. We moeten systemen opzetten waarmee de door het ESF gesteunde maatregelen kunnen worden gemonitord en we moeten nadenken over een meer op resultaten gebaseerde uitvoering.
De toegang tot de fondsen moet eenvoudiger en gebruiksvriendelijker worden gemaakt. De discussies over de toekomst van het ESF bevinden zich in een beslissende fase. De boodschappen die we van u hebben ontvangen zijn heel duidelijk en zullen een belangrijke bijdrage leveren aan het werk dat voor ons ligt.
De Commissie zal haar voorstel voor het nieuwe ESF, samen met die voor de andere structuurfondsen, medio 2011 indienen. We hebben een duidelijk mandaat om de Europa 2020-strategie te ondersteunen, namelijk door het ESF te gebruiken als onze financiële hefboom om onze beleidsdoelstellingen tot werkelijkheid te maken.
Lambert van Nistelrooij, namens de PPE-Fractie. – Voorzitter, collega's, beide commissarissen, heel fijn dat u samen hier bent. Dat toont ook aan dat u samen wilt optrekken binnen de totale doelstelling van de sociale, economische en territoriale cohesie. Ik heb ook de brief gelezen die u aan de heer Barroso heeft geschreven inzake de samenhang in één geïntegreerde structuur en ik heb vertrouwen dat u bij dit standpunt blijft. Op die manier kan je meer effect sorteren, dan met opt out en met een aparte werking van de verschillende fondsen. Dank u wel.
Nieuwe tijden, zware tijden, nieuw beleid. Dat zien we nu ook bij de Commissie in verband met Europa 2020. Cohesie staat daarbij in de uitvoering nadrukkelijk centraal. De Europese meerwaarde waar we zo naar uitkijken bij het debat over de toekomst, zit precies in de uitvoering en is belangrijk voor 2014-2020.
Waar komt het op aan? Geen blanco delen op de Europese steunkaart. Doelstelling 2 moet gehandhaafd blijven want deze doelstelling werkt ook zeer duidelijk. Deze doelstelling opgeven zou leiden tot een hernationalisering van dit deel van de Europese samenwerking, en dat is niet gewenst. Het Regionaal Ontwikkelingsfonds en het Sociaal Fonds moeten daarin samen blijven werken.
Het tweede punt. Belangrijk is het horizontale, geïntegreerde karakter van de fondsen voor het hele spectrum van Europa 2020. Het 'oormerken', door mevrouw Hübner destijds geïntroduceerd voor de Lissabon-strategie, heeft warempel gewerkt. De Lissabon-strategie heeft met name gewerkt in regio's en steden, om Europa dichterbij te brengen. Europese samenwerking in en tussen de lidstaten brengt de evenwichtige territoriale ontwikkeling in Europa dichterbij en schept kansen voor alle regio's.
Ten slotte moeten we natuurlijk dingen verbeteren. Er moet meer synergie komen tussen het Fonds voor Plattelandsontwikkeling, het Sociaal Fonds, het Regionaal Fonds en de O&O-fondsen. Dat kan ook en het leidt tot betere resultaten. Eén vraag tot slot aan beide commissarissen: wilt u het Territoriaal Pact in de aanloop naar de voorjaarstop introduceren als een mogelijkheid om het engagement van regio's en steden te vergroten? Er ligt een voorstel voor van het Comité van de Regio's, en ik beveel u dat aan als aanvulling op wat we nu in onze resolutie hebben staan.
Constanze Angela Krehl, namens de S&D-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, collega’s, commissarissen, cohesiebeleid betekent in de Europese Unie dat we de zwakkere regio’s willen ondersteunen. Dat is een teken van grote Europese solidariteit. Maar solidariteit is nu eenmaal nooit eenrichtingsverkeer en daarom huldigt mijn fractie het principe dat alle regio’s in de Europese Unie aan dit cohesiebeleid moeten kunnen deelnemen. Dat betekent voor ons ook dat we geen enkele renationalisatie steunen en dat we ook niet willen dat cohesiebeleid in sectorale beleidsbenaderingen wordt verbrokkeld. We hebben geen extra fonds nodig voor vervoer, of voor klimaatbescherming of energie-efficiëntie, maar we moeten bekijken hoe we onze uitdagingen in overeenstemming kunnen brengen met een goed cohesiebeleid.
Daarom is het voor ons duidelijk dat we naast een sterk doelstelling-I-gebied ook een sterk doelstelling-II-gebied en daarbij passende overgangsregels nodig hebben. Eén ding is duidelijk: regio’s hebben onze Europese steun nodig. De Europese Unie heeft echter ook behoefte aan sterke regio’s en daarom is het geven en nemen in beide richtingen. Natuurlijk moeten wij onze prioriteiten bijstellen, natuurlijk hebben we meer efficiëntie nodig. Daarom staat mijn fractie volledig achter het voorstel, om bijvoorbeeld de plattelandsontwikkeling onder de paraplu van het cohesiebeleid veel beter gemeenschappelijk te kunnen coördineren dan in het verleden.
Wij willen natuurlijk ook de infrastructuur verbeteren, bedrijven ondersteunen en een duurzame economische groei bevorderen. Een duurzame economische ontwikkeling is echter alleen mogelijk, indien we de werknemers, de mensen erbij betrekken. Dat betekent dat we werkgelegenheidsbeleid, scholing, nascholing en de integratie van mensen in de arbeidsmarkt nodig hebben. En dat is weer alleen mogelijk met het Europees Sociaal Fonds onder de paraplu van het cohesiebeleid. Daar zetten wij ons voor in, maar met eigen regels die er in het verleden ook al waren. We moeten er echter zeker voor zorgen dat we dit verbeteren en dat de sociale component van het cohesiebeleid duidelijk sterker wordt.
Mijn fractie zal zich er bij de toekomstige onderhandelingen en besprekingen voor inzetten dat we het gebruik van de fondsen verbeteren en vereenvoudigen. We hebben behoefte aan een vereenvoudiging van de aanvraagprocedures, zodat er ten eerste niet zo veel fouten worden gemaakt en zodat ten tweede de toegang voor mensen die werkelijk willen werken met dit Europees cohesiebeleid eenvoudiger wordt. We zullen ons ervoor inzetten dat we bij de huidige onderhandelingen ook echt een sterker partnerschapsbeginsel doorvoeren. Ik denk dat de rol van het Parlement na het Verdrag van Lissabon sterker is geworden. Mijn fractie zal zich voor dit partnerschapsbeginsel inzetten.
Nadja Hirsch, namens de ALDE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik denk dat het goed en juist is dat we ons voor een gecoördineerd cohesie- en regionaal beleid inzetten. Dit is enorm belangrijk om efficiënt te zijn en ook de weinige middelen toch goed te gebruiken. Ik wil echter meteen waarschuwen dat de efficiency niet moet worden wordt bereikt door overal dezelfde regels te hanteren. De fondsen zijn zeer verschillend wat de doelgroepen en de inhoud betreft. Daarom is coördinatie heel belangrijk, maar toepassing van gelijke regels niet.
Dat is precies wat we nu ervaren bij het Europees Sociaal Fonds, namelijk dat kleine gemeenschappen en gemeenten het zeer zouden waarderen als – zoals de vorige spreekster al heeft gezegd – in het bijzonder deze kleine instanties niet zo’n enorme moeite zouden hoeven doen en niet zo enorm veel tijd zouden hoeven besteden om deze middelen te kunnen opvragen en te kunnen benutten. Dat hebben we echter precies nodig, want werkloosheid, armoede en ook mensen die niet volledig in de maatschappij zijn geïntegreerd, zijn er in alle lidstaten van de EU, niet alleen in enkele regio’s, maar in alle lidstaten.
Daarom acht ik het van groot belang dat juist ook minderheden, gedeeltelijk ook jonge mensen en anderzijds juist ook ouderen, vaak ook mensen met een migratieachtergrond, in de toekomst echt nog steeds en eigenlijk zelfs in meerdere mate gebruik kunnen maken van het Europees Sociaal Fonds, om deze mensen de mogelijkheid te bieden om op de arbeidsmarkt te komen. Dat is toch juist wat we willen bereiken. We streven er met de Europa 2020-strategie naar dat de verschillende groepen beter in de arbeidsmarkt integreren. Ik hoop dat dit niet alleen een doel blijft. We moeten nu ook daadwerkelijk de maatregelen en de instrumenten daarvoor ter beschikking stellen. Het Europees Sociaal Fonds is hierbij een zeer effectief instrument dat we alleen nog beter en vooral bruikbaar moeten maken.
Elisabeth Schroedter, namens de Verts/ALE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, commissarissen, ik ben heel blij met dit debat, want we proberen hier voor het eerst compromissen te sluiten in een heel groot project dat ons de komende jaren bezig zal houden. Het belangrijkste van deze compromisresoluties van het Europees Parlement is het autonome cohesiebeleid en een duidelijke keuze daarvoor. Dit zal bijdragen aan de Europa 2020-stategie, maar heeft ook zijn eigen waarde, want het cohesiebeleid is wat de EU in essentie bij elkaar houdt. Geen enkele regio in de Europese Unie wordt opzij geschoven. Sociale cohesie betekent ook dat niemand van de allerarmsten van de Europese Unie opzij wordt geschoven, maar dat iedereen een kans krijgt.
Welvaart is echter niet alleen maar economische groei. We hebben in het verleden gezien dat we in veel regio’s een groei van het bbp hadden, maar dat de sociale verschillen tegelijkertijd ook groter werden. Daarom acht ik het van groot belang dat in deze resolutie de aanzet wordt gegeven voor de ontwikkeling van andere belangrijke criteria, naast het bbp, waaruit blijkt wat welvaart inhoudt en wat er in een regio moet worden gedaan.
Wij van de Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie zijn er zeer trots op dat we hebben bewerkstelligd dat dit ook in de resolutie is vastgelegd, zij het slechts voorzichtig. Wij stellen voor dat aan de hand van het criterium ook wordt gecontroleerd of het al of niet mogelijk is om een regio te steunen. Dat zou namelijk een heel ander beeld geven.
De resolutie spreekt zich er duidelijk voor uit om verder te kijken dan het bbp, en wij hopen dat de Commissie deze impuls oppakt. Dat betekent ook dat we eindelijk afstappen van een eenzijdige ontwikkeling. Uit een ander onderzoek van de Commissie – namelijk het onderzoek Regio’s 2020 – blijkt dat de klimaatverandering beangstigende negatieve gevolgen voor de regionale ontwikkeling heeft. Daarom moeten we deze stoppen. Uit dit onderzoek blijkt dat een derde van de mensen in de Europese Unie zijn land zou moeten verlaten wanneer we de klimaatverandering niet stoppen, omdat zij in hun eigen land geen werk meer zouden kunnen vinden of niet meer zouden kunnen wonen. Dit toont aan dat we in de ontwikkeling van de regio’s met drie dimensies te maken hebben, die we alle drie in gelijke mate in de toekomstige hervorming van de structuurfondsen moeten onderkennen en waarmee we ook bij de steun rekening moeten houden. Van centraal belang is de economische, sociale en territoriale samenhang. Dat betekent dat ook ecologische kwesties en ecologische criteria een belangrijk element voor welvaart van regio’s zijn.
Ik wil nog heel kort wat zeggen over iets waar de collega’s hier lang over hebben gesproken, namelijk de formulering van de manier waarop het ESF in het gemeenschappelijke pakket moet worden behandeld. Ik denk dat de formulering van het mondelinge amendement goed is en ons veel ruimte biedt, en daarom verzoek ik u dit te steunen.
Oldřich Vlasák, namens de ECR-Fractie. – (CS) Dames en heren, commissarissen, in het debat over de toekomst van het cohesiebeleid probeert men in de eerste plaats zijn eigen belangen te verdedigen. Het wordt dan ook uitermate moeilijk om een zinvolle en redelijke consensus te bereiken die zo veel mogelijk partijen verder helpt. In mijn ogen draait het hier in de allereerste plaats om de vraag hoeveel geld we zouden moeten uittrekken voor het cohesiebeleid. Ik ben zelf van mening dat hoewel het huidige budget min of meer toereikend is, het cohesiebeleid zou moeten worden uitgeroepen tot een van de speerpunten van de Europese begroting. Echter, aangezien de Europese begroting niet oneindig is, de overheidsfinanciën van de lidstaten ernstig ziek zijn en de lidstaten dus niet meer geld naar Brussel kunnen sturen, dient tevens duidelijk te worden bepaald waar er bezuinigd moet worden. Wat mij betreft komen onder meer de directe betalingen aan de boeren, het globaliseringsfonds alsook de administratieve uitgaven van de Europese instellingen daarvoor in aanmerking.
De tweede belangrijke vraag is wat er vervolgens uit die Europese fondsen dient te worden gefinancierd. In de ontwerpresolutie over het Europees Sociaal Fonds wordt uitgebreid stilgestaan bij de bestrijding van de armoede en ondersteuning van het sociaal model, en dergelijke. Dat is allemaal mooi en aardig, maar in de allereerste plaats hebben we een goed werkende economie nodig; de mensen moeten werk hebben en de bedrijven moeten produceren en diensten verstrekken. Europees fondsen dienen dan ook gericht te zijn op investeringen en niet op consumptie. De fondsen zouden de modernisering mogelijk moeten maken van datgene wat – te allen tijde overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel – nationale, regionale en lokale overheden en huishoudens niet zelf voor elkaar kunnen krijgen. Het cohesiebeleid dient ook in de toekomst in hoofdzaak gericht te zijn op de vermindering van de economische verschillen tussen regio's en lidstaten. Het bbp is dan ook het enige gepaste criterium daartoe.
Ik kan u namens mijn fractie zeggen dat wij streven naar een begrijpelijk, eenvoudig, flexibel, niet onder overdadige bureaucratie gebukt gaand cohesiebeleid, gericht op investeringen en slimme groei.
Gabriele Zimmer, namens de GUE/NGL-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag wijzen op een fundamenteel conflict dat zich met betrekking tot het Europees Sociaal Fonds nu al duidelijk aftekent. In het Verdrag van Lissabon wordt aanbevolen om ons met het ESF voornamelijk op het actieve arbeidsmarktbeleid te concentreren. Wij als fractie van Europees Unitair Links/Noords Groen Links zijn van mening dat het ESF in de toekomst breder op het algemeen sociaal beleid moet kunnen worden toegepast, en dat het ook veel meer voor de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting moet worden benut.
Het Europees Sociaal Fonds moet in de toekomst ook in de hele Europese Unie effectief zijn en zich niet slechts op specifieke regio’s concentreren. We zijn echter van mening dat er meer moet worden gelet op de speciale problemen van regio’s, waaraan meer aandacht kan worden besteed door middel van de medefinancieringspercentages. De financiering van het Europees Sociaal Fonds moet minstens op het huidige niveau blijven. Het zou minimaal 1 procent van de bruto begroting van de Europese Unie moeten zijn. Dat achten wij absoluut essentieel.
Ik wil nog een probleem bespreken. Door de geplande sterkere resultaatgerichtheid moeten we ons natuurlijk ook bij het ESF afvragen op basis van welke indicatoren, welke maatstaven een dergelijke evaluatie van de resultaten moet worden uitgevoerd en wat dat uiteindelijk in de voorbereiding ook voor de desbetreffende projectontwikkelaars betekent. Deze projectontwikkelaars beschikken namelijk niet over de reserves om nabetalingen of terugbetalingen te verrichten. Indien we willen dat het ESF blijft bestaan en effectief is, moeten we hier van tevoren al een duidelijk overzicht van hebben.
John Bufton, namens de EFD-Fractie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, er is gesuggereerd dat de Commissie de financiering voor regionale ontwikkeling zal beperken tot de economisch zwakste gebieden van de Unie door na 2013 de financiering uit hoofde van de doelstelling 'regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid' stop te zetten.
Hoewel veel gebieden in Wales gelden ontvangen in het kader van de convergentiedoelstelling, vanwege de economische tekortkomingen van het land, dreigen nu zeven Welshe regio's EU-financiering te verliezen.
De EU-financiering aan Wales, die momenteel 280 miljoen Britse pond bedraagt, zal mogelijk worden ingetrokken. De financiële steun voor een groot aantal projecten die zijn opgezet onder auspiciën van het programma inzake regionaal concurrentievermogen kan worden stopgezet, waardoor duizenden banen op de tocht zullen komen te staan.
Heeft de Commissie er op zijn minst aan gedacht om een effectbeoordeling uit te voeren om vast te stellen welke sociale en economische gevolgen het snijden in de financiering zal hebben? Welke overgangsmaatregelen worden er voorgesteld? De bedragen voor het redden van enkele met schulden beladen landen van de eurozone, zoals Griekenland, zijn zonder aarzelen uitgegeven en komen neer op een biljoen euro in drie jaar.
De werkloosheid in Wales is zeer hoog en zal nog verder stijgen door de aanstaande bezuinigingen op het overheidsapparaat in het Verenigd Koninkrijk. Een andere bedreiging voor Wales kan de voorgestelde renationalisering van de structuurfondsen zijn, waardoor Groot-Brittannië weleens minder recht op steun zou kunnen krijgen.
Het Verenigd Koninkrijk zal als nettobijdrager waarschijnlijk de zwaarste begrotingslasten moeten dragen. De 55 miljard euro die aan de financiering van de doelstelling 'regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid' wordt besteed, vertegenwoordigt slechts 6 procent van de totale EU-begroting. Het Verenigd Koninkrijk zal steeds grotere bedragen aan Brussel moeten afstaan, maar het enige gebied waar een deel van dat geld kan worden teruggehaald – al is het maar weinig – is precies het gebied waar de Commissie de bijl in wil zetten.
Ik ben uiteraard van mening dat de bevolking van Wales beter af zou zijn als het Verenigd Koninkrijk uit de EU zou stappen. Op die manier zouden we miljarden besparen en zouden we helemaal zelf kunnen bepalen naar welke gebieden de zeer noodzakelijke financiële steun wordt gekanaliseerd.
Pascale Gruny (PPE). – (FR) Mijnheer de Voorzitter, commissarissen, dames en heren, wij zijn aanbeland op een cruciaal punt in het debat over de toekomst van het Europees Sociaal Fonds (ESF). Nu de werkgelegenheid de grootste zorg is geworden van alle landen en alle Europese regio’s, ben ik trots op de resolutie die het Parlement vandaag heeft ingediend over de toekomst van het ESF. Deze tekst is verantwoord, concreet en opent deuren naar de toekomst. Onze landen hebben nu meer dan ooit behoefte aan een cohesiebeleid en derhalve aan steun van de Europese structuurfondsen. Het ESF bestaat sinds 1957 en is opgericht op grond van het Oprichtingsverdrag van de Europese Economische Gemeenschap, het Verdrag van Rome. Aan zijn legitimiteit hoeft niet getwijfeld te worden.
Mijn standpunt ten aanzien van de toekomst van het ESF is eenvoudig en duidelijk en kan worden samengevat in drie punten.
Ten eerste moet een Europees Sociaal Fonds vanzelfsprekend gericht blijven op de werkgelegenheid, de bestrijding van de armoede, maar wel door mensen aan werk te helpen, en niet met andere middelen. De werkgelegenheid verdient thans onze volle aandacht en wij moeten hieraan prioriteit geven. Ik ben ervan overtuigd dat iemand die weer werk vindt, ook zijn menselijke waardigheid terugkrijgt.
Ten tweede moet een efficiënt Europees Sociaal Fonds duidelijke en pragmatische regels hebben die actoren niet ontmoedigen. Daarom ondersteun ik mijn fractie, die wil dat het ESF zichtbaarder wordt, met name om de toewijzing te verbeteren. Stelt u zich eens voor dat toegewezen budgetten soms worden teruggegeven aan de Europese Unie omdat ze niet gebruikt zijn, terwijl de werkloosheidspercentages nog nooit zo hoog zijn geweest.
Ten derde en ten slotte hebben wij behoefte aan een fonds dat past in het bredere kader van een sterk Europees cohesiebeleid. Wij moeten besluiten nemen over het ESF met partners die zoveel mogelijk uit het veld komen. Kunt u ons verzekeren, commissarissen, dat het ESF zal voldoen aan deze verwachtingen?
Pervenche Berès (S&D). – (FR) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, ik wil u bedanken voor deze gelegenheid om te debatteren voordat de Commissie beraadslaagt over deze voorstellen. De werkgelegenheid, de armoede, de economische, financiële en sociale crisis binnen de Europese Unie alsmede de hiermee gepaard gaande strenge begrotingsmaatregelen van de lidstaten dwingen ons op Europees niveau de werkgelegenheid en het sociale beleid over de hele breedte onder de loep te nemen. Bovendien moeten wij het Europees Sociaal Fonds (ESF) beschouwen als een instrument van het economisch beleid en van de begroting van de EU om niet alleen te voldoen aan de doelstellingen van het Verdrag op het gebied van de economische, sociale en territoriale cohesie, maar ook aan de doelstellingen van de strategie waarvan de staatshoofden en regeringsleiders zojuist het ontwerp hebben goedgekeurd en die voorzien in verhoging van de arbeidsparticipatie en bestrijding van de armoede.
In dit verband wil ik commissaris Andor wijzen op enkele zaken, nu het ESF wordt herzien. Wij vinden dat de regio’s de efficiënte ordonnateurs zijn van de Europese overheidsuitgaven. Dit betekent echter niet dat de instrumenten van het economisch beleid beperkt moeten worden tot de territoriale cohesie. Cohesie omvat tevens sociaaleconomische cohesie. Deze kan door de regio’s worden gepland, maar zij moet voldoen aan sociaaleconomische doelstellingen die betrekking hebben op alle landen van de Europese Unie. Wanneer u deze regels herziet, commissaris, wil ik u dringend vragen rekening te houden met de ervaring die is opgedaan bij de invoering van het Fonds voor aanpassing aan de globalisering; dit kan op maat gesneden en aangepast worden aan elk van de betrokken arbeiders, hetgeen eveneens nuttig kan zijn voor het Europees Sociaal Fonds. Ik wil u tevens dringend vragen sommige van de doelstellingen van onze Europa 2020-strategie op te nemen: inzetbaarheid, werkgelegenheid, bestrijding van de armoede alsmede onderzoek en ontwikkeling. Onderzoek en ontwikkeling is vanzelfsprekend zeer belangrijk voor Galileo en andere programma’s. Commissaris, wat de sociale innovatie betreft is er sprake van een groot onontgonnen terrein; ik verzoek u dit te onderzoeken door gebruik te maken van het ESF, met in dit geval ongetwijfeld ietwat andere afspraken met betrekking tot cofinanciering. Ik ben het volledig eens met hetgeen mevrouw Zimmer heeft gezegd: inzetbaarheid kan niet de enige doelstelling van het ESF zijn. We moeten tevens strijden tegen de sociale uitsluiting en rekening houden met de kwetsbaarste bevolkingsgroepen – jongeren, vrouwen, gehandicapten en de Roma, om slechts enkele te noemen.
Tot slot, commissaris, wil ik nog iets zeggen over de voorwaarden voor gebruikmaking van het ESF. Wij weten dat iedereen zegt: “Er zijn kafkaëske toestanden thuis, er zijn kafkaëske toestanden in Brussel”. Sommige gebruiksregels voor het ESF zijn te moeilijk om ten uitvoer te leggen. Laten we daarom nadenken over een soort geometrie die varieert al naar gelang de kwaliteit van de besteding van overheidsuitgaven door de regio’s. Laten we de controle versoepelen op die gebieden waarop de regio’s zonder meer ordonnateur kunnen zijn. Laten we nieuwe mechanismen bedenken voor die gevallen waarin behoefte is aan administratieve ondersteuning. En ten slotte wil ik u ten aanzien van de toevoeging van niet gebruikte gelden aan de budgetten van de lidstaten dringend vragen om na te denken over opheffing van deze regel; hierdoor wordt niet op de juiste manier gebruikgemaakt van het Europees Sociaal Fonds om de werkgelegenheid en de sociale integratie te bevorderen.
Ramona Nicole Mănescu (ALDE). – (RO) Sociale inclusie is een bijzonder belangrijk onderwerp dat goed geïntegreerd is in het regionaal beleid. Zoals wij allen weten houdt dit veel meer in dan het creëren van banen.
De resolutie over het Europees Sociaal Fonds benadrukt diens rol in het bereiken van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie. Zonder instrumenten voor regionaal beleid heeft deze strategie geen kans op succesvolle toepassing op nationaal, regionaal of lokaal niveau. Daarom ben ik van mening dat, zolang regionaal beleid en sociaal beleid onderling verbonden zijn en succesvol samenwerken, we in geen geval akkoord moeten gaan met de afscheiding van het Europees Sociaal Fonds van de structuurfondsen.
Een dergelijk besluit zou het mogelijk maken dat middelen worden toegekend per sector, en hiervoor een onwenselijk precedent scheppen.
Het Europees Sociaal Fonds moet onderdeel blijven van de structuurfondsen, vooral omdat het heeft bewezen effectief te zijn in iedere regio van Europa, en gezien het feit dat het, naast het EFRO, een belangrijk wapen is in de strijd tegen de economische crisis.
De EU heeft een sterk regionaal beleid nodig met veel financiële middelen, om sociale, economische en territoriale cohesie te bereiken. Ik ben daarom van mening dat het regionale aspect zijn passende plaats moet behouden als onderdeel van zowel de herziene EU-begroting als van de toekomstige begroting.
We moeten elke poging tot renationalisatie verwerpen. Het regionaal beleid is geen liefdadigheidsbeleid maar een EU-beleid voor alle regio’s, dat zal zorgen voor economische groei, innovatie en concurrentievermogen. Het is een instrument dat voor iedere lidstaat beschikbaar is. Indien wij oplossingen willen die passen bij de behoeften en de werkelijkheid waar wij ook in de toekomst mee te maken krijgen, moeten we het huidige kader behouden. Daarmee bedoel ik zowel de grondbeginselen als de toegekende middelen.
Jean-Paul Besset (Verts/ALE). – (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik wil u, dames en heren, graag wijzen op een aspect van deze resolutie dat voor mij niet van secundair, maar van cruciaal belang is, en dat volledig recht kan doen aan het regionale cohesiebeleid. De uitdaging bestaat erin het beste instrument te bepalen waarmee wij zo accuraat mogelijk de stand van ontwikkeling van de Europese regio’s kunnen meten en kunnen beschikken over het beste middel ter ondersteuning van de besluitvorming, met name ten aanzien van de vraag welke regio’s in aanmerking komen voor Europese fondsen. Het gaat erom een politiek kompas te hebben om te komen tot – ik citeer de ontwerpresolutie – die “gerichte aanpak van de territoriale ontwikkeling”, die geïntegreerde aanpak. Op welke leidraad moeten wij ons regionaal cohesiebeleid baseren? Wij beschikken momenteel over slechts een enkele indicator, het bruto binnenlands product, dat een uitstekende indicator en een uitstekend instrument is om de economische groei en de productie van rijkdommen te meten. Bij de regionale ontwikkeling gaat het echter niet alleen om de verhoging van het bruto binnenlands product. Het welzijn van mensen kan niet eenvoudigweg worden uitgedrukt in een indicator of een curve. Anders zouden wij gevaar lopen uiteindelijk opgescheept te zitten met een indicator die slechts een vervormd, onvolledig en derhalve een eenzijdig beeld geeft. Om een regionaal cohesiebeleid te kunnen voeren dat relevant is voor de doelstelling van duurzame ontwikkeling van de regio’s – die, ik wil dit onderstrepen, onze gemeenschappelijke doelstelling is –, moeten wij aan de indicator bruto binnenlands product andere meetinstrumenten toevoegen, met name op sociaal en milieugebied. We moeten in staat zijn de omvang van de werkloosheid, van onzeker werk, het niveau van het onderwijs, de gezondheidszorg, de kwaliteit van het milieu, van de lucht en het water, de bescherming van de hulpbronnen, de toegang tot basisdiensten, enzovoorts, te meten. Wij moeten derhalve alles in het werk stellen om naast het bruto binnenlands product een reeks sociale en milieu-indicatoren in te voeren om een regionaal cohesiebeleid mogelijk te maken dat gericht is op duurzame ontwikkeling op basis van de drie pijlers economische factoren, sociale factoren en het milieu.
Elie Hoarau (GUE/NGL). – (FR) (begint buiten bereik van microfoon) … telt meer dan 250 regio’s in haar 27 lidstaten. Deze regio’s zijn niet allemaal homogeen. Er bestaan grote onderlinge verschillen in termen van welvaart, ontwikkeling en levensstandaard. Om deze verschillen te verkleinen en de regio’s concurrerender te maken, heeft de Europese Unie een regionaal cohesie- en convergentiebeleid ten uitvoer gelegd op basis van solidariteit en met adequate financiële middelen: het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en de cohesiefondsen. Ondanks de geboekte vooruitgang zou het bedrieglijk zijn te denken dat die verschillen in 2013 of zelfs in 2020 verdwenen zijn. Het verdient derhalve aanbeveling de beginselen van het cohesiebeleid en de flankerende financiële middelen na 2013 te handhaven. Het spreekt vanzelf dat dit regionale cohesie- en convergentiebeleid voortgezet moet worden in overeenstemming met andere strategieën, zoals de Europa 2020-strategie. Het beleid moet echter wel onafhankelijk van deze strategie voortgezet worden, en wij moeten ervoor zorgen dat het niet kredieten die zijn toegewezen aan het cohesiebeleid, opslorpt of verslindt onder het voorwendsel dat een specifieke doelstelling van de Europa 2020-strategie wordt geregionaliseerd. Het Parlement moet dit echter nauwlettend volgen omdat het van cruciaal belang is voor alle regio’s, met name voor de regio’s met een ontwikkelingsachterstand, in het bijzonder de ultraperifere regio’s.
Giancarlo Scottà (EFD). – (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het toekomstig regionaal beleid en cohesiebeleid moet aansluiten op de prioriteiten van de Europa 2020-strategie, en zich dus richten op de doelstellingen duurzame groei, sociale insluiting en werkgelegenheid. Het moet een bijdrage leveren aan de doelmatige ontwikkeling van de Europese regio’s, waarbij de verschillen tussen deze regio’s worden getemperd en de specifieke kenmerken worden benut van de meer gemarginaliseerde regio’s die nog steeds een moeizame territoriale ontwikkeling doormaken.
De projecten moeten rekening houden met de minder ontwikkelde regio’s die zwaarder door de crisis getroffen zijn. De nieuwe uitdagingen, zoals de demografische druk in bepaalde gebieden en de ontvolking in andere – met name in de berggebieden – en de klimaatveranderingen, moeten met concrete acties worden aangepakt, waarbij deelname op lokaal en regionaal niveau wordt versterkt. Door op meerdere niveaus tegelijk te opereren moet de geïntegreerde ontwikkeling van de benadeelde gebieden worden bevorderd. Daar moeten de plaatselijke en regionale overheden en de burgermaatschappij bij worden betrokken.
Ik verzoek de Commissie de specifieke kenmerken van elk gebied in acht te nemen, of anders gezegd de territoriale dimensies van de verschillende ontwikkelingsniveaus, en de procedures voor het beheer en het toezicht op de gefinancierde projecten te vereenvoudigen, om zodoende een doeltreffende en snelle uitvoering mogelijk te maken.
Dimitar Stoyanov (NI). – (BG) Dit onderwerp is van bijzondere betekenis voor mij, aangezien vijf van de zes Bulgaarse regio’s in de top 10 van de armste regio’s van de Europese Unie staan. De reden daarvoor is dat degenen die Bulgarije de Europese Unie hebben binnengeleid, de natie hebben voorgespiegeld dat zodra Bulgarije zich bij de EU zou aansluiten er miljarden aan Europese subsidiegelden over het land zouden worden uitgestrooid. We weten allemaal dat dit niet gebeurd is. Diezelfde personen hoopten hun mensen op sleutelposities te krijgen waar ze ‘commissieloon’ zouden kunnen afromen van toegekende Europese kredieten. Nu het Bulgaarse volk hen heeft weggestemd, is er niemand die hun plaats kan innemen om Bulgarije te helpen Europese subsidies op een effectieve manier te verwerken. Dames en heren, Bulgarije is – en ik zeg dit met enige tegenzin – een nieuw land. Het kan zichzelf niet meten met Frankrijk, Duitsland en de andere landen die aan de wieg van de EU hebben gestaan. We hebben uw knowhow nodig om ervoor te zorgen dat de beleidsmaatregelen in verband met deze subsidies daadwerkelijk de mensen bereiken waarvoor ze bedoeld zijn, en dat er sprake is van een echt convergentiebeleid.
Markus Pieper (PPE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, het Parlement laat vandaag een grote eensgezindheid van alle fracties zien. We willen een sterk cohesie- en structuurbeleid in alle Europese regio’s. Of het nu gaat om nettobetalers of een arme lidstaat, in het structuurbeleid komt de Europese solidariteit het sterkst tot uitdrukking, en dit zal ook zo blijven. Wij helpen de armste regio’s om hun achterstand in te halen, maar we steunen ook sterkere regio’s in hun concurrentievermogen. Alleen als we de beste technologieën nog verder ontwikkelen, kan Europa duurzaamheid creëren op het gebied van milieubescherming, industrie en energievoorziening en daarbij mondiale markten veroveren.
Om deze doelen te verwezenlijken, hebben we duidelijke en eerlijke regels nodig. Dat wil zeggen dat de armere regio’s het zwaartepunt van het cohesiebeleid moeten blijven. Hoe kleiner het bruto binnenlands product van een regio is, des te meer hulp moeten we bieden. Wie het bbp als indicator in twijfel trekt, zoals nu de groenen en helaas ook enige liberalen en socialisten doen, tast de Europese solidariteit aan. Het bbp garandeert dat ook uitgebreid rekening wordt gehouden met de sociale kracht, het onderwijs en de arbeidsmogelijkheden, want als regio’s arm zijn, kunnen ze daar niet in voldoende mate voor zorgen en zijn ze ook op het gebied van de milieubescherming eerder de verliezers. Daarom moet het bbp de betrouwbare factor in het regionaal beleid blijven.
We moeten in het regionaal beleid op onze gemeenten en deelstaten vertrouwen. We willen de Europa 2020-strategie uitvoeren met het beproefde principe van de gemeenschappelijke ontwikkeling van programma’s, gemeenschappelijk beheer en met regionale medefinanciering. Daarom mogen de verzoeken om instelling van onafhankelijke EU-fondsen voor werkgelegenheid, klimaatbescherming of energie niet worden ingewilligd. Indien we het regionaal beleid inruilen voor een sterker sectoraal beleid, hebben alleen nieuwe EU-agentschappen daar profijt van. Onze regio’s en deelstaten zouden dan wat het regionaal en cohesiebeleid betreft nog slechts toeschouwers zijn.
Ik ben heel blij dat het Europees Parlement het hier ook duidelijk opneemt voor de regio’s. Dat heeft iets te maken met de acceptatie van de Europese gedachte. Deze acceptatie kunnen we niet afdwingen, maar die moet ook in het regionaal beleid van onderaf groeien.
Alejandro Cercas (S&D). – (ES) Mijnheer de Voorzitter, de komende maanden zullen we moeten praten en beslissen over de toekomstige vorm van de structuurfondsen, die van essentiële betekenis zijn om de crisis te boven te komen en de Europa 2020-strategie aan te pakken.
Ik denk dat het, als we zover zijn, van belang is dat we geleerd hebben van de ervaring en vasthouden aan twee besluiten: het besluit om het Europees Sociaal Fonds (ESF) voort te zetten als deel van het hele pakket basismaatregelen ter regulering van de fondsen en het cohesiebeleid, maar tegelijkertijd ook het besluit om de doelstellingen, regelingen en begrotingsmiddelen van het ESF te handhaven zonder hierin te snijden.
Waarom zouden we dat doen? De reden is, dames en heren, dat het Europees Sociaal Fonds zijn taak moet voortzetten om scholing mogelijk te maken, om werknemers voor te bereiden op het integreren in de arbeidsmarkt en de sociale cohesie, want dat is waarvoor het Europees Sociaal Fonds is opgericht.
Wij hebben dit nu nodig en we zullen het de komende jaren nodig hebben, en niet alleen om wegen aan te leggen. De voornaamste troefkaart van Europa is namelijk zijn bevolking. Als Europa een rol wil spelen en zijn sociale model overeind wil houden, dan zal het zijn burgers moeten blijven scholen. We kunnen onze middelen niet beter besteden dan door ze te gebruiken voor het doel waarvoor we ze gecreëerd hebben. Natuurlijk dient dit echter wel te gebeuren binnen de globale structuur, waarin we op evenwichtige wijze te werk moeten gaan in synergie met het territoriale cohesiebeleid.
Marian Harkin (ALDE). − (EN) Mijnheer de Voorzitter, in artikel 4 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie worden de met de lidstaten gedeelde bevoegdheden van de Unie opgesomd. Na de interne markt komt sociaal beleid, gevolgd door economische, sociale en territoriale samenhang. Dat zijn de prioriteiten zoals die zijn neergelegd in het Verdrag.
Verderop in het Verdrag, in artikel 9, wordt duidelijk verklaard dat de Unie bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden rekening moet houden met de eisen in verband met de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid, de waarborging van een adequate sociale bescherming, de bestrijding van sociale uitsluiting alsmede een hoog niveau van onderwijs, opleiding en bescherming van de volksgezondheid. Daar wordt op gewezen in paragraaf 10 van onze resolutie over de toekomst van het Europees Sociaal Fonds, en voor mij is dit een cruciaal punt.
Dat geeft ons het kader. Ik ben het eens met veel van de sprekers die hebben gezegd dat we een kader nodig hebben voor het creëren van synergieën tussen al het Europees beleid en de structuurfondsen, die de motoren achter de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie moeten zijn.
Ik ben het ook eens met commissaris Andor wanneer hij zegt dat de EU-burgers een op resultaten gebaseerde aanpak verwachten. Ook bestaan er sterke argumenten voor een grotere zichtbaarheid van deze fondsen en is vereenvoudiging dringend noodzakelijk.
Ik spreek regelmatig met vrijwilligers-, gemeenschaps- en andere organisaties die geld uit deze fondsen ontvangen. Die hebben reële problemen met de bureaucratie en het papierwerk waarmee ze geconfronteerd worden. Maar het is niet alleen de gebruikelijke bureaucratische rompslomp: er bestaat ook onzekerheid over de interpretaties van de regels en regelingen.
Wij hebben steeds opnieuw over vereenvoudiging gediscussieerd, zowel in de commissie als in de plenaire vergadering, maar er is niets in positieve zin veranderd. Een collega vroeg mij onlangs ten aanzien van regels en verordeningen waarom men koste wat kost ‘zand wil strooien in alles wat loopt’. Met het oog op die context moet dit probleem echt worden aangepakt. Misschien kunnen we ditmaal beginnen om dat in orde te maken.
Tot slot wil ik opnieuw veiligstellen en ervoor pleiten dat artikel 9, of de ‘sociale clausule’, in al onze beleidsbeslissingen tot uiting komt, want dat zal echt tot cohesie leiden in de EU.
François Alfonsi (Verts/ALE). – (FR) Mijnheer de Voorzitter, in de eerste plaats wil ik zeggen dat wij sterk hechten aan het regionaal ontwikkelingsbeleid. Wij vinden dat de regio het relevante niveau is voor het structureren van het Europees economisch beleid. De regio heeft een natuurlijk vermogen om de globalisering te weerstaan en bijgevolg om werkgelegenheid te behouden en een rechtvaardige verdeling over heel Europa te waarborgen. In de tweede plaats moet het territoriale cohesiebeleid volgens ons gericht zijn op de toekomst op lange termijn. De drempel van 75 procent van het bbp zal in 2014 worden gehandhaafd en dat is logisch. Maar wordt er gedacht dat het territoriale cohesiebeleid van Europa voltooid zal zijn als de armste regio's de drempel van 75 procent overschrijden in de toekomst? Kan het verschil tussen 75 procent voor de armste landen en 150 procent of zelfs meer voor de rijkste landen, het dubbele, worden beschouwd als het behalen van de Europese doelstellingen op het gebied van territoriale cohesie? We moeten daarom een horizon voor de lange termijn vaststellen voor het Europese cohesiebeleid. Ik denk dat we vanaf nu een drempel van 90 procent als doelstelling kunnen vaststellen, terwijl we tegelijkertijd duidelijk prioriteit geven aan de landen die nog onder de 75 procent zitten. Tot slot met betrekking tot de prioriteiten van dit beleid: velen hebben reeds gesproken over sociale cohesie, met name door middel van het Europees Sociaal Fonds, over de bestrijding van de klimaatverandering en grensoverschrijdende territoriale samenwerking, wat ook een prioriteit van de Commissie is, en ik zal daar niet verder op ingaan. Ik wil de nadruk leggen op de bevordering van de Europese diversiteit. Die komt vooral tot uiting op regionaal niveau en in het regionaal cultureel erfgoed, en die kwaliteit zal in het regionaal ontwikkelingsbeleid in aanmerking worden genomen en worden benadrukt.
Kay Swinburne (ECR). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, de Bijzondere Commissie financiële, economische en sociale crisis heeft geconcludeerd dat cohesiefinanciering voor alle regio's van de EU een van de belangrijkste instrumenten voor de ondersteuning van het economisch herstel moet zijn.
Mijn land Wales ontvangt momenteel cohesiefinanciering, en als we zien hoe hard de private sector in deze regio door de economische neergang is getroffen, erkennen ik en vele anderen de waarde van deze fondsen en hun potentieel om de economie te transformeren.
De fondsmiddelen moeten uiteraard goed worden gebruikt in duurzame projecten, waarvan hopelijk veel kleine en middelgrote ondernemingen kunnen profiteren, direct of indirect, om voor een goed rendement voor een toekomstig investeringsprogramma in deze regio's te zorgen.
Cohesiefinanciering moet een mechanisme zijn waarmee de economische groei in de hele EU wordt gestimuleerd, maar moet als speciaal doel het steunen van kleine en middelgrote ondernemingen en ondernemers hebben, die de ruggengraat van onze economie vormen. Investeren, niet uitgeven, moet ons doel zijn, zowel voor als na 2013.
Charalampos Angourakis (GUE/NGL). – (EL) Mijnheer de Voorzitter, in het debat over het zogenaamde cohesiebeleid van de Europese Unie komen fundamentele trekken niet aan bod, zoals ten eerste het feit dat geen enkel cohesiebeleid van de Europese Unie een einde kan maken aan de ontwikkelingsongelijkheden die het gevolg zijn van de kapitalistische manier van produceren, waarbij winst voor het kapitaal het enige criterium is. Ten tweede het feit dat het geld dat de Europese Unie beschikbaar stelt aan de regio´s niet tot doel heeft te voldoen aan de behoeften van het volk maar wordt besteed aan voor het kapitaal noodzakelijke projecten. Ten derde het feit dat het debat over de vermindering van de kredieten de belangen dient van de grote kapitalistische concerns. En ten vierde het feit dat de plannen van het kapitaal voor het toekomstig cohesiebeleid in dienst staan van een versnelde doorvoering van de kapitalistische herstructureringen en het volksvijandige Europa 2020-beleid. Op dat doel is ook de hervorming van het staatsbestel met de plannen Kapodistria en Kallikratis gericht.
Mijns inziens lijkt, wat dit vraagstuk betreft, alleen de socialisering van de productiemiddelen een oplossing te bieden voor het vraagstuk en tot een echte convergentie op ons vasteland te leiden.
Juozas Imbrasas (EFD). – (LT) We weten allemaal heel goed dat het cohesiebeleid van de Europese Unie ten doel heeft om de verschillen in ontwikkeling tussen de lidstaten en de regio's van de EU te verminderen. Ik wil uw aandacht echter vragen voor het feit dat dit grootschalige programma voor regionaal beleid alle regio's van Europa moet bestrijken, en ik ben het eens met de opvatting dat dit beleid niet moet worden genationaliseerd. We moeten voor stabiele en duurzame economische groei en voor banen zorgen. Een krachtig en goed gefinancierd regionaal beleid van de EU is de basis voor het tot stand brengen van sociale, economische en territoriale samenhang.
Zoals altijd – zoals vroeger – moet ook meer aandacht worden besteed aan achterstandsregio's. Het is goed dat er plannen zijn om in de komende programmeringsperiode financiële middelen uit te trekken voor investeringen in stedelijke en voorstedelijke projecten, zonder de financiering voor rurale gebieden te verminderen, want steden hebben een positieve impact op de economie van de omliggende rurale gebieden.
In dit geval moeten de belangrijkste aspecten van de discussies de volgende zijn: het toepassingsgebied van het cohesiebeleid, de geldigheid van de doelstellingen, de koppeling met de Europa 2020-strategie, en de mogelijkheden om het cohesiebeleid uit te voeren en de procedures te vereenvoudigen.
Angelika Werthmann (NI). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het cohesiefonds en de structuurfondsen zijn financieringsinstrumenten van het regionaal EU-beleid die tot doel hebben om de ontwikkelingsverschillen tussen de regio’s te verminderen en de onderlinge samenhang in de regio’s te bevorderen.
De toekomstige uitdagingen voor ons cohesiebeleid – globalisering, demografische veranderingen, klimaatverandering en energievoorziening – beïnvloeden elkaar op een zeer complexe wijze. Vanwege de beperkte middelen moeten we ons op de kernprioriteiten concentreren en meer synergie in het beleid zoeken. De vraag naar een eenvoudig, eerlijk en transparant overgangssysteem voor het cohesiebeleid na 2013 kan ik slechts ondersteunen. De herziening is ook afhankelijk van de vraag of alle deelnemers – regio’s, lidstaten en de EU – tijdig op deze uitdagingen kunnen reageren.
Csaba Őry (PPE). – (HU) Nu de afzonderlijke beleidsonderdelen en vastgelegde koersen in verband met de Europa 2020-strategie steeds meer de kant op gaan van een praktischere uitvoering, moeten we constateren dat we over de financiering en de financiële achtergrond hiervan eigenlijk nog niets weten. Het is dan ook geen toeval dat nu we het belang en de noodzaak van het cohesiebeleid benadrukken, we ons er in zeker opzicht ook in de op stapel staande begrotingsdebatten hard voor willen maken dat de versterking en niet de verbrokkeling van dit gemeenschappelijke Europese beleid het doel is.
Er is geen discussie over het feit, en daar hebben velen al op gewezen, dat een van de belangrijkste prioriteiten het creëren van nieuwe banen en de toename van werkgelegenheid is, maar tegelijkertijd weten we ook dat de Europese arbeidsmarkten gekenmerkt worden door structurele spanningen. Waar wel banen zijn, zijn er vaak geen mensen met de juiste kennis of vaardigheden, elders zijn hoog opgeleide mensen werkloos omdat er geen passende banen zijn. In dit proces is het Europees Sociaal Fonds duidelijk van cruciaal belang met beleid dat als taak heeft om deze verschillen op te heffen en nader tot elkaar te laten komen.
Het gaat hier niet om grootschalige projecten. Het gaat hier om kleinere projecten en flexibelere aanpassing. Terwijl we zelf ook het concept accepteren en steunen dat het cohesiebeleid een geharmoniseerd beleid moet zijn waarbij de synergieën worden benut, wil ik wel benadrukken dat we in het geval van het Sociaal Fonds duidelijk een grotere mate van flexibiliteit, minder regels en meer transparantie nodig hebben. In dit opzicht moeten er dus aparte regels gelden voor het Sociaal Fonds, en ik ben dan ook bijzonder blij met de uitspraak van de commissaris over zijn plan om een resultaatgerichte beoordeling in te voeren. Het grootste probleem is immers heel vaak – waarmee de autoriteit van deze beleidsterreinen wordt ondermijnd – dat we de resultaten niet zien van het geld dat we in bepaalde gebieden steken.
Georgios Stavrakakis (S&D). − (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik weet zeker dat commissaris Hahn er niet van hoeft te worden overtuigd dat het cohesiebeleid een van de meest succesvolle beleidsterreinen van de EU is, waarvan de resultaten de levens van miljoenen burgers hebben beïnvloed, waar ze ook leven in Europa. Ik weet ook zeker dat commissaris Andor niet hoeft te worden overtuigd van het succes van het onderdeel sociaal beleid van het cohesiebeleid, dat te danken is aan de sterke synergieën tussen het Europees Sociaal Fonds en het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling. Ook hoeven de twee andere commissarissen, die verantwoordelijk zijn voor EU-fondsen voor plattelandsontwikkeling en visserij, er niet van overtuigd te worden dat die fondsen doelmatiger zijn wanneer ze met andere fondsen samenwerken, zoals vroeger gebeurde, dan wanneer ze dat niet doen, zoals momenteel het geval is.
Ik behoor tot degenen die verwachten dat er in de volgende periode voorstellen worden gedaan voor het tot stand brengen van nog grotere synergieën tussen een krachtig cohesiebeleid en alle andere fondsen, op basis van het feit dat ze samen veel betere resultaten kunnen opleveren dan elk fonds afzonderlijk. Maar om een of andere reden die ik niet begrijp gaan er binnen de Commissie stemmen op voor een aanpak met sectorale instrumenten, waarbij naar mijn mening de werkelijkheid wordt genegeerd.
Ter afsluiting wil ik opmerken dat wat we zeggen in onze resolutie, waarvan ik hoop en denk dat deze later vandaag met een zeer grote meerderheid zal worden aangenomen, niet alleen wordt gesteund door dit Huis, maar ook door de meerderheid van de lidstaten, alle 271 regio's van Europa en duizenden lokale autoriteiten.
Als de Commissie de weg inslaat van sectorale spreiding van de EU-middelen zullen we naar mijn mening in een unieke conflictsituatie terechtkomen, waarin de Commissie aan één kant staat en alle andere partijen – het Parlement, de Raad en de regio's – aan de andere kant.
De komende weken zal de kant die gelooft dat het toekomstige EU-beleid het meest is gebaat bij een geïntegreerde aanpak van de planning, uitvoering en levering, een serieus gevecht moeten leveren met de kant die denkt dat sectorale spreiding van de EU-middelen de juiste weg is. Wees er zeker van dat die laatste kant deze fractie als tegenstander zal hebben, want dit is simpelweg de verkeerde weg voor Europa.
Riikka Manner (ALDE). − (FI) Mijnheer de Voorzitter, commissarissen, cohesiebeleid is niet alleen een zaak van solidariteit, maar ook een middel om meerwaarde voor heel Europa te creëren.
Onze regio beschikt over veel kennis en vaardigheden en bijvoorbeeld ook over een zeer groot potentieel gebaseerd op natuurlijke hulpbronnen. Wij kunnen de doelen, die ook nauw verbonden zijn met de Europa 2020-strategie, alleen bereiken met een doeltreffend, heel Europa omvattend cohesiebeleid, dat ook voor de periode vanaf 2014 over voldoende begrotingsmiddelen beschikt.
Het is in de volgende financieringsperiode belangrijk dat wij doorgaan met het verkleinen van de verschillen die met betrekking tot het bbp tussen landen bestaan. Het is ook beslist noodzakelijk om rekening te houden met de huidige doelstelling 2-gebieden en hun specifieke uitdagingen. Daarnaast doe ik een beroep op u, commissarissen, om, overeenkomstig artikel 174, ook in de volgende periode van het cohesiebeleid rekening te houden met dunbevolkte gebieden, berggebieden en eilanden. Dat moet ook gebeuren op het gebied van de financiering, zoals tot nu toe met veel succes is gebeurd.
Tot slot wil ik mijn dankbaarheid uitspreken voor de mogelijkheid om aan dit zeer belangrijke debat deel te nemen.
Konrad Szymański (ECR). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik denk dat als wij wijzigingen plannen die van dusdanig strategisch belang zijn, wij zeer goed moeten kijken naar onze ervaringen uit het verleden. Deze ervaringen vertellen ons maar al te duidelijk dat waar wij geld hebben besteed aan investeringen in harde infrastructuur, dus primair op basis van het criterium van het bbp, deze uitgaven voordelen hebben opgeleverd voor de gehele Europese Unie, zowel die lidstaten die nettobetalers zijn aan de Europese fondsen als die lidstaten die nettobegunstigden zijn. Versnelling van het proces om de ongelijkheden op het vlak van de infrastructuur weg te nemen, versterkt de gemeenschappelijke markt en bevordert de investeringen, die uiteindelijk nog altijd voornamelijk van nettobetalers naar nettobegunstigden stromen. Dit biedt een duidelijke Europese meerwaarde, hetgeen iets is waar wij het vandaag veel over hebben gehad.
Daarom kijk ik met enige bezorgdheid naar een situatie waarin wij een hervorming van het cohesiebeleid plannen en nieuwe criteria – zeer vage sociale en ecologische criteria – toevoegen aan het systeem voor verdeling van deze fondsen. Dit geld moet ten goede blijven komen aan de armste regio’s zoals vastgesteld op basis van meetbare criteria, met name met betrekking tot de verwezenlijking van doelstellingen inzake harde infrastructuur.
Nikolaos Chountis (GUE/NGL). – (EL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, wij weten allen dat het Europees Sociaal Fonds tot doel heeft de welvaartverschillen te verminderen en de economische en sociale samenhang te bevorderen. In dit Europees Jaar van de strijd tegen armoede bevindt Europa zich echter in een recessie. Er is werkloosheid, ondernemingen worden gesloten en daarom is het twijfelachtig of dit doel überhaupt wel bereikt kan worden.
Commissarissen, ik ben van mening dat wij daarom onmiddellijk de prioriteiten van de Europese fondsen, met inbegrip van het Europees Sociaal Fonds, moeten herzien. Ik wilde u, commissarissen, echter zeggen dat uw economische beleidsvormen absurd en paradoxaal zijn. Enerzijds hebben de Commissie, het IMF en de Europese Centrale Bank Griekenland een verwerpelijk memorandum opgelegd dat het mes zet in de overheidsuitgaven, de lonen en de inkomens, maar anderzijds heeft de Commissie in haar antwoord op mijn vraag waarom er zo weinig communautaire kredieten worden opgenomen door Griekenland, geantwoord dat er een gebrek is aan liquiditeit in de overheidsfinanciën, en dat is nu juist de essentie van het memorandumbeleid.
Daarom wil ik u, commissaris, vragen mij uit te leggen hoe Griekenland de kredietopneming kan verbeteren. Is uw economisch beleid niet absurd en paradoxaal?
Jaroslav Paška (EFD). - (SK) Momenteel geven we voor de periode 2007 – 2013 ongeveer een derde van ons budget uit aan het cohesiebeleid van de Europese Unie.
Volgens verschillende nieuwe voorstellen zou een gedeelte van dit budget na 2013 moeten worden herverdeeld om de doelstellingen van de Europa 2020-strategie te bereiken. Het Comité van de Regio’s, waarin vertegenwoordigers van steden en regio’s verenigd zijn, waarschuwt ons echter voor een aanzienlijke verlaging van de bijdrage aan het regionaal beleid. Ik ben van mening dat we hun objectieve argumenten serieus in overweging zouden moeten nemen. Het is ons bijvoorbeeld duidelijk, dat we steun zullen moet blijven geven aan de regio’s waar tot nu toe nog niet eens 75 procent van het gemiddelde bruto binnenlands product van de Europese Unie wordt behaald. De financiële middelen die hun zullen worden toegewezen, zouden bij voorkeur moeten worden ingezet om een elementaire infrastructuur op te bouwen, het arbeidspotentieel en de werkgelegenheid te verhogen, meer te investeren in wetenschap, onderzoek en innovatie en zich te richten op groene groei. We zouden ook moeten streven naar een betere aansluiting op regionale en lokale structuren en de bureaucratische last zo veel mogelijk beperken. Met een dergelijk weloverwogen en evenwichtig regionaal beleid zouden we uiteindelijk ook kunnen bijdragen tot het slagen van de nieuwe Europa 2020-strategie.
Diane Dodds (NI). − (EN) Mijnheer de Voorzitter, in een tijd dat lidstaten bezuinigen op de overheidsuitgaven, probeert de regering van het Verenigd Koninkrijk het socialezekerheidsstelsel te herzien om arbeid beter te belonen.
Ik denk echter dat in deze context fondsen als het Europees Sociaal Fonds (ESF) van cruciaal belang zijn om ervoor te zorgen dat moeilijk te bereiken en laaggeschoolde personen kans op werk blijven houden.
Wij in Noord-Ierland ontvangen via het ministerie van Onderwijs en Werkgelegenheid behoorlijk veel geld uit het ESF, en ik merk op dat in een recent onderzoek van het Hogerhuis naar het ESF werd geconcludeerd dat het ESF nog steeds een belangrijke bijdrage levert aan de bevordering van de economische groei in Noord-Ierland, met als doel om een kenniseconomie te creëren met een hooggeschoolde en flexibele beroepsbevolking.
Het is daarom van essentieel belang dat toekomstige ESF-projecten en het geld dat voor die projecten wordt uitgetrokken gekoppeld worden aan binnenlandse regelingen, waarvan er veel hetzelfde doel hebben. Dat gezamenlijke en gerichte denken kan alleen maar tot betere resultaten leiden. Regionale flexibiliteit is van het allergrootste belang voor het succesvol functioneren van het ESF.
Na 2013 moeten de beperkte middelen van het ESF naar mijn mening blijven worden gebruikt om degenen die het moeilijkst te bereiken en het laagst geschoold zijn te helpen bij het vinden of het weer vinden van werk door ze toegang tot opleidingen en vervolgonderwijs te bieden.
Erminia Mazzoni (PPE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dit is een cruciale resolutie omdat vernieuwing wordt gezien als sleutelonderdeel van de anticrisisstrategie voor 2020. Daarnaast wordt een evenwicht gezocht tussen noodzakelijke vernieuwing enerzijds en verplichte inachtneming van de fundamentele beginselen van het cohesiebeleid anderzijds. Dat is de pijler waarop de Europese integratie rust en dat moet ook zo blijven. Essentieel daarbij blijft dat er meer evenwicht komt in de onderlinge verschillen tussen de lidstaten en tegelijkertijd de verschillende regionale identiteiten een duidelijker profiel krijgen.
De architectuur van het cohesiebeleid blijft dus overeind, alsook de waarde en relevantie van het multi-level governance, van het partnerschap en van de geïntegreerde aanpak als basisbeginselen. Daarnaast geeft de resolutie aan dat het goed is om naast het bbp, dat het enige subsidialiteitscriterium moet blijven, nieuwe, betere indicatoren vast te stellen enkel en alleen om te kunnen analyseren en beoordelen. Ook moeten er nieuwe bepalingen voor het Europees Sociaal Fonds worden opgesteld, maar moet het fonds wel blijven vallen onder de verordening inzake algemene bepalingen voor het cohesiebeleid. En tot slot moeten de procedures worden vereenvoudigd en moeten er financiële engineeringsinstrumenten worden gebruikt, zoals ook commissaris Hahn heeft aangegeven.
Ik wil hierbij graag even verwijzen naar het betoog van commissaris Hahn, en met name naar zijn opmerking dat het van belang is om het stabiliteitspact binnen het cohesiebeleid te houden. Dat is allemaal goed en wel, maar dan moeten we een eind maken of op zijn minst wijzigingen aanbrengen in die duivelse overeenkomst volgens welke de investeringsuitgaven berekend moeten worden volgens de parameters van het stabiliteitspact. Want anders kunnen we net zo goed vragen om enerzijds de investeringsuitgaven te verhogen en anderzijds deze zelfde uitgaven af te straffen door ze te verlagen.
De Europese Unie ziet zich voor ingewikkelde uitdagingen geplaatst: werkgelegenheid, groei, ontwikkeling, concurrentievermogen. Dit zijn de doelstellingen van de Europese strategie, die een slimme, inclusieve en duurzame groei beoogt. Zoals de meeste sprekers al hebben gezegd, kunnen deze uitdagingen alleen maar worden aangegaan als het toekomstig Europees financieel kader rekening houdt met het belang van het regionaal beleid, zodat een waarlijk economische, sociale en territoriale cohesie kan worden bereikt. En ook al zijn de middelen beperkt, het financieel kader moet desalniettemin passende kredieten kunnen uittrekken door een beleid te voeren waarbij doelstellingen op grond van prioriteiten worden vastgesteld en op grond van resultaten worden beoordeeld.
Victor Boştinaru (S&D). – (RO) Tot nu toe is het cohesiebeleid een succesvol instrument geweest voor het verkleinen van de verschillen tussen de lidstaten en voor het tonen van solidariteit, een echt fundamentele waarde van de EU. Het is echter cruciaal om het gebrek aan evenwicht te reduceren, niet alleen voor de Europese Unie maar voor iedere burger en regio. Hiervoor zijn niet alleen mensen nodig maar ook voldoende financiële middelen.
Het huidige cohesiebeleid moet worden verbeterd, zonder dat er grote veranderingen in plaatsvinden. Vóór alles moeten we renationalisatie en onderfinanciering verwerpen. Op dit moment, nu de rijke of minder rijke lidstaten worden getroffen door de effecten van de economische crisis, zou snijden in het budget voor het cohesiebeleid een gevaar vormen voor alle successen van de afgelopen jaren en de verkleining van de verschillen, die we tot nu toe hebben bestreden.
Daarom deel ik het standpunt van voorzitter Barroso dat het budget voor het toekomstige cohesiebeleid ten minste gelijk moet zijn aan het huidige. Anders blijven het slechts mooie woorden en wordt het Europese project zelf ondermijnd.
Ivars Godmanis (ALDE). − (EN) Mijnheer de Voorzitter, de resolutie is vanuit strategisch oogpunt heel goed geschreven. We moeten de resolutie steunen. We moeten echter ook vaststellen waar nu de problemen liggen. Ik wil de commissaris erop wijzen dat het absorptiepercentage voor het Europees Sociaal Fonds (ESF) per 1 september slechts 18 procent is, wat half zo veel is – of twee keer zo slecht – als in de vorige periode.
Zeventien lidstaten scoren lager dan 18 procent en een paar lidstaten blijven zelfs op 10 of 11 procent steken als het om het ESF gaat. Een patroon valt daarin niet te ontdekken: de landen met de grootste tekorten hebben niet de laagste absorptiepercentages. Maar het is een feit dat enkele landen in 2010 op 10 procent zijn blijven steken.
De Commissie moet opheldering geven over de situatie. Voor andere fondsen – het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en het Cohesiefonds – is de situatie niet beter. Het totale absorptiepercentage is 17,95 procent. 60 procent van de lidstaten heeft zelfs een nog lager absorptiepercentage. En enkele lidstaten komen zelfs niet verder dan een derde van dat percentage.
De Raad heeft de financiering in de ontwerpbegroting voor 2011 teruggebracht tot minder dan een miljard euro omdat de lidstaten geen duidelijke ideeën hebben over de wijze waarop ze hun verplichtingen moeten vervullen. Wij in de Begrotingscommissie hebben onze steun gegeven aan het verzoek van de Commissie regionale ontwikkeling om de financiering in de ontwerpbegroting weer op het oude niveau terug te brengen. De vraag is echter of dit geld kan worden geabsorbeerd. Als dat niet het geval is, heeft het geen zin om over een zonnige toekomst te spreken.
Roberts Zīle (ECR). − (LV) Dank u, mijnheer de Voorzitter. Commissaris, naar mijn mening is het ontwerp dat is opgesteld door mevrouw Hübner, de vorige commissaris voor regionaal beleid, evenwichtig en gewoon goed. Ik begrijp dat we allemaal weten dat de crisis veel lidstaten die nettobijdragers zijn voor een uitdaging heeft geplaatst, waardoor er druk is om de volgende financiële vooruitzichten te verlagen. In die context is dit belangrijke begrotingshoofdstuk, het cohesiebeleid, buitengewoon belangrijk. Het is echter voor ons allemaal belangrijk om niet in verwarring te raken, maar om iets conservatiever te worden en vast te houden aan de twee fundamentele aspecten van het cohesiebeleid, namelijk, in de eerste plaats, dat het een onafhankelijk beleid is, waarvan de belangrijkste doelstelling nog steeds is – en ook zal blijven – om de verschillen in ontwikkeling tussen minder ontwikkelde regio’s en de rest van de Europese Unie te verkleinen, en in de tweede plaats dat het bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking gemeten in koopkrachtpariteit desondanks het belangrijkste criteria is. Als we deze fundamentele uitgangspunten uit het oog verliezen, zullen andere debatten (zoals het debat over de vraag hoe het cohesiebeleid beter kan worden aangesloten op de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie) niets uithalen, zelfs niet met 'Europa 2020' in de context van cohesiebeleid. Dank u.
Thomas Mann (PPE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, het gaat hier niet om een kleinigheid! Voor 2007-2013 kan het Europees Sociaal Fonds beschikken over 75 miljard euro, bijna 8 procent van de EU-begroting. Omdat de ESF-gelden uit Brussel alleen worden verstrekt indien de lidstaten meefinancieren, gaat het om 150 miljard euro voor het creëren van meer en betere banen. ESF-gelden worden gelukkig niet aan nutteloze onderzoeken besteed, maar komen direct bij de belanghebbenden terecht. Daarom zijn ze zo waardevol en direct bruikbaar voor langdurig werkelozen, migranten, jonge vroegtijdige schoolverlaters die alsnog examen kunnen doen, tienduizenden mensen die geschoold of omgeschoold moeten worden, werknemers die behoefte hebben aan nascholing en potentiële startende ondernemers. Het is dus gericht op een groot scala aan doelgroepen.
Hoe zal het na 2013 verdergaan? De lidstaten moeten de middelen effectiever inzetten. We moeten rekening houden met speciale kenmerken van regio’s. Ik pleit voor een op maat gesneden bottom-up-aanpak en een zo goed mogelijke coördinatie met programma’s als Daphne of Progress. Ik ben voor meer flexibiliteit, eenvoudigere controles en transparantere toekenning van middelen. Ik ben echter tegen een apart wettelijk kader voor het ESF en vind dat het in de verordening voor de structuurfondsen moet blijven. Hierdoor wordt de subsidiabiliteit van uitgaven op het niveau van de lidstaten gereguleerd. Daarom heb ik met 45 collega’s amendement 1 ingediend. Ik verzoek u hieraan bij de komende stemming uw steun te verlenen.
Evgeni Kirilov (S&D). − (EN) Mijnheer de Voorzitter, we zijn het er allemaal over eens dat het cohesiebeleid tot dusver een zeer positieve impact heeft gehad. Er bestaan echter verschillende ideeën voor het cohesiebeleid na 2013.
We moeten het cohesiebeleid verder ontwikkelen en aanpassen aan de nieuwe uitdagingen en realiteiten door voort te bouwen op de resultaten van het beleid en niet door het stuur helemaal om te gooien. Dat geldt evenzeer voor de basisbeginselen als voor de toekomstige begroting. We hebben maatregelen nodig en die moeten worden ondersteund door toereikende middelen uit de EU-begroting en de nationale begrotingen.
De Begrotingscommissie heeft onlangs benadrukt dat zal worden geprobeerd om bij de toewijzing van middelen uit de structuurfondsen grote verliezers te vermijden. Ik hoop zeer dat de nieuwe lidstaten niet in deze categorie van grote verliezers vallen. Snijden in de cohesiemiddelen kan überhaupt geen optie zijn. Dat is niet alleen een financiële kwestie, maar snijden in de middelen zal ook het beginsel van solidariteit aantasten.
Pat the Cope Gallagher (ALDE). − (GA) Dank u, mijnheer de Voorzitter. Ik wil enkele opmerkingen over het cohesiebeleid maken.
(EN) Het toekomstige cohesiebeleid is ontworpen in een omgeving van stijgende werkloosheid en krimpende overheidsfinanciën overal in Europa.
Het is waarschijnlijk dat de zogeheten BMW-regio (Border, Midlands en Western) in mijn land weer in de categorie gebieden met een bbp van tussen de 75 en 100 procent van het bbp van de EU zal vallen. Na 2013 moeten er maatregelen worden genomen die deze gewijzigde economische positie van Ierland, en die van de BMW-regio in het bijzonder, erkennen. De focus van de doelstelling 2-programma's moet liggen op het opbouwen van de capaciteit van regio’s om op een effectieve manier bij te dragen aan de ontwikkeling van een groenere, slimmere en duurzame economie in Ierland en de rest van Europa.
Regionale vluchten zijn in de BMW-regio een economische en sociale noodzaak. Daarom moet het verzorgen van deze binnenlandse vluchten een verplichte openbare dienst blijven, want anders zullen ze economisch niet overleven.
De EU-steun voor grensoverschrijdende samenwerking in Ierland moet worden gehandhaafd. Met behulp van grensoverschrijdende samenwerking kan de versnippering van de arbeidsmarkt, de handelspatronen en de infrastructuur in grensregio's worden aangepakt.
Sophie Auconie (PPE). – (FR) Mijnheer de Voorzitter, commissarissen, dames en heren, we beleven vandaag een uiterst belangrijke politieke dag voor de toekomst van het regionaal beleid van de Europese Unie. Daar zijn twee redenen voor. De eerste daarvan is dat wij, Europese afgevaardigden, vandaag een front vormen en onze eisen aan de Europese Commissie en de Europese ministers afgeven. Wij willen onze successen in het kader van dit essentiële beleid uitbuiten en het waar nodig aanpassen om het toegankelijker en zichtbaarder te maken. Wij willen een sterk, goed gefinancierd beleid, dat voor daadwerkelijke economische ontwikkeling zorgt voor al onze regio's. Wij willen vereenvoudigde regels en niet alleen op papier, maar daadwerkelijk ingevoerd voor projectleiders en potentiële belanghebbenden. Wij willen dat ultraperifere steden en regio's speciale aandacht krijgen. Ik heb aan deze resolutie gewerkt in het stadium van de werkgroep en de parlementaire Commissie regionale ontwikkeling. Ik heb de behoeften van de potentiële belanghebbenden gesteund en bereikt dat er rekening mee werd gehouden en dat zij werden aangepast aan de behoeften die in de regio's naar voren kwamen. Ik wil een solidair en sociaal Europa, dat is gebaseerd op een zegevierend en ambitieus Europa.
De tweede zeer belangrijke gebeurtenis vandaag is de actie van vanmiddag, waaraan 140 regio's meedoen en waarbij 140 regiovoorzitters samen met afgevaardigden, die samen 85 procent van de bevolking van de Europese Unie vertegenwoordigen, een symbolische mars zullen houden naar de Europese Commissie. We zien elkaar straks weer, commissaris. We doen dat om te bevestigen hoe zeer wij ons allen, de regio's en het Parlement, bewust zijn van het belang van dit cohesiebeleid voor ondernemingen, burgers en voor het sociale en economische vlak, en we komen vanmiddag bijeen om te bevestigen hoe zeer deze eerste sterke politieke actie een burgeractie is, een echt signaal aan de Europese Commissie, rechtstreeks via de regio's.
Ricardo Cortés Lastra (S&D). – (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik zou willen dat het cohesiebeleid vanaf 2013 nog steeds hét toonbeeld van solidariteit binnen de EU is. Ik zou willen dat het cohesiebeleid een echt antwoord is op de crisis en de nasleep daarvan, en om dat te bereiken is het van essentieel belang dat het wordt opgenomen in de Europa 2020-strategie, vooral als het gaat om de uitdaging werkgelegenheid te creëren.
Het cohesiebeleid dient steeds meer participatief te worden, en de burgermaatschappij moet een grotere rol spelen bij het opzetten en beheren van de projecten. Het is belangrijk dat u, als leden van de Commissie, het cohesiebeleid als een investeringsbeleid beschouwt in plaats van een uitgavenbeleid, en als een mogelijkheid om vertrouwen en duurzame ontwikkeling te genereren.
Het cohesiebeleid mag niet voorbijgaan aan de specifieke behoeften van de bevolkingsgroepen met de meeste problemen, want dat is niet compatibel met een geïntegreerde benadering of met het strategische concept om te investeren in de sectoren van de toekomst.
Kortom, zoals we al zo vaak gezegd hebben: we hebben een cohesiebeleid nodig dat solide en goed gefinancierd is en dat in alle regio’s van de Europese Unie aanwezig is.
Edit Bauer (PPE). – (HU) Commissarissen, dames en heren, er is vandaag al veel gesproken over het regionale- en het cohesiebeleid. Ik wil het echter hebben over de rol van het Europees Sociaal Fonds, aangezien dit ook een zeer beduidende rol speelt en van groot belang is in het cohesiebeleid; als er grote groepen achterblijven of achterop raken, is er immers wel degelijk ook een probleem met het cohesiebeleid. Maar de rol van het Europees Sociaal Fonds wordt ook vanuit het oogpunt van de Europa 2020-strategie hoger aangeslagen, aangezien het creëren van werkgelegenheid cruciaal is. Ik wil hier ingaan op twee onderwerpen.
Het eerste is het bieden van een tweede kans. We moeten een tweede kans bieden aan degenen die hun baan zijn kwijtgeraakt als gevolg van de crisis die een aantal globalisatieprocessen heeft versneld, zoals het grootschalige vertrek van massaproductie uit Europa. We moeten een tweede kans bieden aan degenen die hun verworven vaardigheden niet kunnen inzetten op de arbeidsmarkt omdat er geen vraag naar is, de zogenaamde skill mismatch. We moeten een tweede kans bieden aan degenen die niet te werk kunnen worden gesteld aangezien ze geen enkele opleiding hebben, zoals in het geval van vroegtijdige schoolverlaters.
Ten tweede zou de Europa 2020-strategie de werkgelegenheid onder vrouwen met een kwart laten stijgen. Dit is echter alleen mogelijk als de lidstaten met behulp van het Europees Sociaal Fonds de voorwaarden kunnen creëren die onontbeerlijk zijn op het gebied van diensten, in de eerste plaats in de kinderopvang en ouderenzorg. Aangezien het vaak om kleinschalige subsidies gaat, moeten de regels voor uitbetaling waarschijnlijk flexibeler zijn dan bij projecten die worden gefinancierd uit de grote structuurfondsen. Strenger toezicht en een striktere beoordeling zijn absolute vereisten voor transparantere en efficiëntere financiering.
Kerstin Westphal (S&D). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer Hahn, mijnheer Andor, dames en heren, ik hoef er niet nog eens op te wijzen hoe belangrijk het cohesie- en regionaal beleid is voor het samenleven en naar elkaar toegroeien in Europa. Ik denk echter ook dat het cohesie- en regionaal beleid in de toekomst meer op de steden gericht moet zijn. De steden zijn namelijk een belangrijke motor in de ontwikkeling van Europa. Tegelijkertijd ondervinden deze momenteel echter vooral ecologische, economische en sociale problemen.
Daarom heb ik een zeer concrete vraag voor commissaris Hahn. Welke mogelijkheden ziet u om meer aandacht te besteden aan de stedelijke dimensie? Om precies te zijn, mijnheer Hahn, u hebt onlangs bij een bijeenkomst hier in het Parlement aangegeven dat u zich kunt voorstellen dat er een bepaald percentage van de regionale middelen wordt gereserveerd om de stedelijke dimensie te benadrukken. Denkt u er nog zo over? Zo ja, hoe hoog zou dit percentage dan kunnen zijn?
Jan Olbrycht (PPE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, commissarissen, het is verrassend dat voordat wij een volgens financieel kader overeenkomen, wij vaak debatten voeren die tot doel hebben het cohesiebeleid te verdedigen, een beleid dat zich heeft bewezen als een van de meest effectieve en zichtbare beleidsterreinen van de Europese Unie.
Het debat over het cohesiebeleid is voor een groot deel een debat over de Europese Unie – over wat de Unie is, over hoe zij zou moeten functioneren en over hoe zij zou moeten worden waargenomen door de burger. Daarbij hebben wij het niet alleen over geld, maar ook over de vraag of wij echt maatregelen doorvoeren die leiden tot economische groei.
Wij moeten goed beseffen dat het cohesiebeleid een zeer speciaal instrument is, aangezien het de reductie van de ongelijkheden koppelt aan steun voor maatregelen die leiden tot een groter concurrentievermogen. Deze twee doelstellingen zijn niet onverenigbaar – zij maken juist dat het cohesiebeleid zo gunstig is voor de ontwikkeling. Dit is echt de moeite waard om te vermelden, aangezien het niet een liefdadigheidsbeleid is, maar in feite een pakket beleidsmaatregelen dat bedoeld is om de ontwikkeling te bevorderen. Dit is ook waarom het deel uitmaakt van de Europa 2020-strategie.
Bovendien moet worden vermeld dat het het enige beleid is dat uiterst complex is in de zin van de uitvoering ervan, aangezien het uitgaat van een gemeenschappelijke administratie die door de lidstaten wordt gedeeld. Dit betekent enerzijds dat de betrokken instrumenten zeer ingewikkeld en de betrokken procedures zeer gecompliceerd zijn, maar anderzijds dat het een duidelijke vorm van samenwerking vertegenwoordigt tussen de Europese Unie, de lidstaten en de plaatselijke autoriteiten. In dit licht moeten wij niet alleen het cohesiebeleid verdedigen in de context van de nieuwe economische omstandigheden. Wij moeten ons vooral buigen over hoe wij het kunnen verbeteren en versterken.
Salvatore Caronna (S&D). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, de afgelopen dagen zijn hier in Brussel de open dagen geweest. Een groot aantal gemeentelijke en regionale afgevaardigden hebben met elkaar gesproken over de aanpak van de ernstige problemen waarmee de mensen in onze steden te maken hebben, en over de oude en nieuwe behoeften die leven onder werkenden, gezinnen en kleine en grote ondernemingen.
Door de economische crisis die onze samenlevingen heeft getroffen, is het voor iedereen veel moeilijker geworden om passende antwoorden te geven op een nieuw ernstig sociaal vraagstuk. Ik denk dat iedereen wel begrepen heeft dat het cohesiebeleid in veel situaties het enige concrete instrument was dat de gebieden hadden om te proberen een antwoord te vinden. We kunnen dus stellen dat het cohesiebeleid de afgelopen jaren voor alle regio’s een cruciale hefboom voor het Europese integratieproces is geweest. Nu moeten we dit beleid voor de periode na 2013 opnieuw definiëren, en we staan dus op een keerpunt. Daarom moeten we absoluut bepaalde risico’s zien te vermijden.
Het eerste grote risico is een renationalisatie van het beleid: dat zou een forse stap achteruit betekenen. Verder moeten bij de opstelling van de begroting de nodige voorschriften worden geformuleerd voor de zwakkere regio’s zonder daarbij de meer concurrerende en progressieve regio’s te benadelen. Tot slot is het cruciaal dat de procedures worden vereenvoudigd voor degenen die hebben bewezen efficiënt te werk te gaan, en dat er juridisch bindende mogelijkheden komen om degenen die dat niet zijn geweest, te straffen. We verwachten dat de Commissie actie hiertoe onderneemt.
Regina Bastos (PPE). – (PT) Mijnheer de Voorzitter, commissarissen, dames en heren, nadat de werkloosheid vier jaar op rij is gedaald, tussen 2004 en 2008, is het grootste deel van de vooruitgang die geboekt was, tenietgedaan door de economische crisis. De werkloosheid is in de Europese Unie enorm gestegen. In Portugal bijvoorbeeld is helaas een nieuw record bereikt, met een werkloosheid van 11 procent.
Een ander negatief gegeven is de jeugdwerkloosheid in de Europese Unie. Europa maakt een periode van grote veranderingen door en staat voor enorme uitdagingen. De crisis heeft jaren van economische en sociale vooruitgang tenietgedaan en de zwakke plekken in de economieën van haar lidstaten, en daarmee in de Europese Unie zelf, blootgelegd. De Europa 2020-strategie wijst ons de weg die we moeten volgen. De Europese Unie moet al haar inspanningen opvoeren om de werkgelegenheid en sociale integratie te bevorderen, als integraal onderdeel van haar strategie ter bestrijding van de economische en sociale crisis.
Daarom juich ik deze ontwerpresolutie toe over de toekomst van het Europees Sociaal Fonds, waarover we vandaag debatteren, omdat dit fonds een essentiële rol speelt bij het realiseren van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie. Dit fonds is het belangrijkste financiële instrument waarover de Europese Unie beschikt om de strategische doelstellingen van haar werkgelegenheidsbeleid te halen, door het verbeteren van het opleidings- en kennisniveau van haar burgers. Het ESF moet versterkt worden als de belangrijkste aanjager van de Europa 2020-strategie en moet door de lidstaten gebruikt worden om te investeren in omscholing, werkgelegenheid, opleiding en bijscholing.
Tot slot wil ik nog benadrukken dat de hervorming van het Europees Sociaal Fonds, in samenhang uit te voeren met de hervorming van de andere structuurfondsen, het beheer ervan moet bevorderen en vereenvoudigen en ten goede moet komen aan de transparantie, en eraan moet bijdragen dat de fondsen zich meer richten op het behalen van resultaten en op het concretiseren van doelstellingen die de burgers echt kunnen voelen in hun dagelijks leven.
Sergio Gaetano Cofferati (S&D). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, het staat buiten kijf dat de structuurfondsen een van de meest doeltreffende instrumenten zijn gebleken om het Europees beleid te profileren en vooral om de soliditeit van de Europese economie te waarborgen. Daarom is het mijns inziens van groot belang om de structuurfondsen niet alleen aan te houden, maar ze ook doeltreffender te maken door een zekere mate van flexibiliteit tussen de fondsen onderling te introduceren. Ik doel in het bijzonder op het Europees Sociaal Fonds, dat nu van doorslaggevende betekenis is om dit deel van de wereld in de toekomst te verzekeren van kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid.
Natuurlijk is het van belang dat herstel en groei bevorderd worden, maar we moeten ons concentreren op concurrentiemodellen die niet alleen kijken naar wat er via kennis wordt geproduceerd, maar ook naar hoe het wordt geproduceerd. Kwalitatief hoogwaardig werk is erg belangrijk voor de waardigheid van mensen, los nog van het feit dat ze er een inkomen mee verdienen.
Naar mijn mening moeten er specifieke, eenvoudige bepalingen komen voor het Europees Sociaal Fonds. Eenvoud betekent niet dat ingeboet wordt aan doeltreffendheid en kwaliteit en het betekent al helemaal niet dat het leidt tot acties waarmee de bepalingen worden geschonden, zolang er maar strenge controles zijn. Eenvoud moet hand in hand gaan met meer controle. Op die manier stellen we de Europa 2020-strategie de instrumenten ter beschikking die weliswaar hun doeltreffendheid al hebben bewezen maar die nu aan de eisen van de tijd moeten worden aangepast.
Rosa Estaràs Ferragut (PPE). – (ES) Mijnheer de Voorzitter, in de eerste plaats zou ik de werkgroep onder leiding van de voorzitter van de Commissie regionale ontwikkeling willen bedanken, die het mogelijk heeft gemaakt dat we hier vandaag dit debat voeren.
We zijn het er ongetwijfeld allemaal over eens dat het cohesiebeleid het essentiële instrument is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie, en ook voor het bereiken van de Europese integratie en van de zo vurig gewenste economische, sociale en territoriale cohesie die is vastgelegd in het Verdrag van Lissabon.
Wat ons nu te doen staat, naar mijn idee, is zien waarin we tekort zijn geschoten en corrigeren wat we tot nog toe gedaan hebben. Iedereen is het er over eens dat het proces een stuk soepeler moet worden, dat er minder bureaucratische obstakels moeten komen en dat de controles eenvoudiger moeten worden. Verder moeten de regio’s met specifieke moeilijkheden, zoals eilanden, berggebieden en grensoverschrijdende en ultraperifere regio’s een speciale behandeling krijgen. Het bruto binnenlands product dient de belangrijkste maatstaf te blijven, ook al kunnen er in andere besluitvormingsprocessen andere indicatoren zijn, en de regio’s en lokale instanties dienen een vitale rol te spelen. Op dat punt lijken we het allemaal eens te zijn.
Dat is dus de koers die we zullen varen, maar de Commissie zou ons moeten vertellen of dit nu echt de koers is die we moeten volgen of dat het een andere is. Zij moet ons vertellen of we dezelfde begrotingsmiddelen zullen hebben, wat absoluut noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat niemand erop achteruit gaat en dat alle regio’s in staat zijn om vorderingen te maken op het gebied van innovatie, concurrentievermogen, ontwikkeling, inkomen en vooruitgang, vooral in een tijd van crisis waarin meer dan ooit behoefte is aan duidelijkheid.
Proinsias De Rossa (S&D). − (EN) Mijnheer de Voorzitter, samengevoegd beleid is essentieel om resultaten te boeken. Dat geldt ook voor mechanismen om op een dynamische manier veranderingen door te voeren, wat in mijn visie het best kan gebeuren door alle belanghebbende partijen op een gestructureerde wijze bij het proces te betrekken.
De fundamentele rol van diensten van algemeen belang, waaronder sociale diensten, bij het verwezenlijken van economische, sociale en territoriale cohesie, het scheppen van banen en het verbeteren van de kwaliteit van het leven is tot nu toe in dit debat genegeerd.
En terwijl wij debatteren over hoe EU-middelen doelmatiger kunnen worden ingezet om cohesie te bereiken, ondermijnt het beleid van begrotingsconsolidatie van de Raad en de Commissie de diensten van algemeen belang, die cruciaal zijn voor de verwezenlijking van cohesie. Zonder deze diensten zullen alle middelen die de EU naar de lidstaten laat stromen nutteloos zijn.
Een ander probleem wordt gevormd door de negatieve effecten van de marktregels van de EU op het recht van regionale en lokale autoriteiten om diensten van algemeen belang in stand te houden of op te zetten, met inbegrip van sociale diensten. Ja, we moeten streven naar doelmatigere fondsen die resultaatgericht zijn, maar we moeten een eind maken aan de waanzin om essentiële openbare diensten uit onze samenleving te snijden.
Tamás Deutsch (PPE). – (HU) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, een sterk en effectief cohesiebeleid is in mijn optiek niet te realiseren. Zonder de politieke consensus, of zo u wilt politieke cohesie, die nodig is voor de ontwikkeling en de uitvoering van dat beleid, dienen de vragen van voorzitter Hübner en de hieraan verbonden ontwerpresolutie naar mijn mening dit doel, namelijk de politieke consensus tussen politieke fracties, politieke families en misschien zelfs wel tussen de diverse Europese instellingen.
Vanuit dit opzicht vind ik de alarmerende geluiden onaanvaardbaar die hier in het debat van vandaag te horen waren in verband met het bbp als primaire, exclusieve indicator en maat voor het recht op subsidies voor regionale ontwikkeling. Ik wil het krachtige standpunt van de heer Olbrycht en mevrouw Mazzoni dan ook op de meest resolute en eenduidige manier steunen, namelijk het krachtige standpunt dat ik al in eerdere parlementaire debatten heb uitgedragen en waarmee ook commissaris Hahn het eens was: het kan zijn dat het bbp niet alle dimensies van de mate van ontwikkeling weerspiegelt, maar het is de meest betrouwbare indicator die we momenteel tot onze beschikking hebben. Ter compensatie van eventuele gebreken kunnen de besluitvormers in de afzonderlijke lidstaten voor de volledige weergave van sociale en milieuaspecten op nationaal niveau uiteraard hun toevlucht nemen tot alternatieve indicatoren. Maar voor het bewerkstelligen van Europese solidariteit en een succesvolle inhaalslag van lidstaten is het onontbeerlijk dat het bbp het fundamentele en enige meetinstrument blijft voor de verdeling van Europese middelen.
Sylvana Rapti (S&D). – (EL) Mijnheer de Voorzitter, het Europees Sociaal Fonds is een instrument, een fundamenteel instrument om een beter Europa op te bouwen, om solidariteit te smeden tussen volkeren en landen, maar zoals bij elk instrument moeten wij ook bij dit instrument goed opletten hoe wij het gebruiken.
Commissarissen, dames en heren, laten wij ons eens indenken dat het Europees Sociaal Fonds een hamer is. Met die hamer kunnen wij spijkers slaan in het Europees bouwwerk om het stevig te maken. Als wij echter niet oppassen valt die hamer op onze voet en dan zullen wij niet meer kunnen lopen. Ik gebruik deze metafoor om duidelijk te maken dat wij het beste bouwwerk kunnen optrekken, de beste infrastructuur kunnen aanleggen maar als wij vergeten dat wij deze voor de Europese burgers maken, dan zullen wij gefaald hebben. Het Europees bouwwerk moet stevig zijn als wij willen dat daarin mensen kunnen leven en zich kunnen ontplooien, mensen met fatsoenlijke banen en een echt open oog voor de toekomst.
Ik verzoek u, commissarissen, nooit te vergeten dat de fundamentele investering van het Europees Sociaal Fonds de mens is.
Jan Kozłowski (PPE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, commissarissen, het cohesiebeleid moet in het nieuwe financiële kader worden voortgezet en versterkt.
Overeenkomstig de beginselen van solidariteit en subsidiariteit, beiden grondbeginselen van de Europese Unie, dient het cohesiebeleid ter ondersteuning van die regio’s die de grootste achterstand hebben in de zin van infrastructuur, economie, technologie, werkgelegenheid of sociale integratie, en die op basis van hun eigen mogelijkheden niet in staat zijn zelf deze kloof te overbruggen. De steun is bedoeld om een integrale strategie voor regionale ontwikkeling ten uitvoer te leggen. Dit omvat doelstellingen die zijn bepaald op zowel nationaal als Unieniveau. Het cohesiebeleid dient verder te gaan dan het kader van ruimtelijkeordeningsbeleid en dient ook sectorale beleidsmaatregelen te integreren, zoals vervoer, energie, onderwijs, onderzoek, ontwikkeling en werkgelegenheid.
Csaba Sándor Tabajdi (S&D). – (HU) Commissarissen Andor en Hahn, het cohesiebeleid is het meest succesvolle en zichtbare publieke beleid van de Europese Unie. Het is een instrument dat de Europese Unie ook in de toekomst hard nodig zal hebben. De inhaalslag van de Midden-Europese en Baltische staten is nog lang niet afgerond, maar bepaalde regio’s in Spanje, Portugal en Griekenland hebben deze middelen evengoed nodig.
Het zou echter een vergissing zijn om te denken dat het cohesiebeleid alleen de convergentie van landen als doel heeft, want het cohesiebeleid is het meest omvattende, geïntegreerde beleid op het gebied van investeringen, dat de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie bevordert. Het zou een grote fout zijn dit cohesiebeleid te verbrokkelen. Dat zou namelijk tevens de verbrokkeling van de Europese Unie tot gevolg hebben. Als lid van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling vind ik het uitermate belangrijk dat we met het oog op de toekomst streven naar een veel grotere mate van harmonie en synergie tussen het regionale beleid en het beleid voor plattelandsontwikkeling.
Anneli Jäätteenmäki (ALDE). − (FI) Mijnheer de Voorzitter, cohesiebeleid is nodig en het is succesvol gebleken.
Naar mijn mening moeten wij nu vooruit durven kijken en de moed hebben ons af te vragen of het geld vandaag de dag op de juiste plaatsen terechtkomt en de gewenste effecten heeft. Het geld gaat tegenwoordig overal naartoe en niet langer alleen naar de allerarmste regio’s en waar het echt nodig is. Het wordt volgens mij tijd ons af te vragen of het cohesiebeleid moet worden genationaliseerd en of wij op communautair niveau gezamenlijke middelen alleen daarheen moeten sturen waar het echt nodig is.
Ten tweede wil ik zeggen dat bureaucratie beslist moet worden verminderd. Nu gaat 30 tot 40 procent van het beschikbare geld naar bureaucratie en dat is absoluut te veel.
Petru Constantin Luhan (PPE). – (RO) De resultaten van het cohesiebeleid van de EU en de toegevoegde waarde ervan voor de Europa 2020-strategie zijn onbetwistbaar. De rol die dit beleid speelt bij het versterken van het concurrentievermogen van de regio’s en het verhogen van hun flexibiliteit moet ook worden benadrukt.
Hoewel de prioriteiten van het cohesiebeleid zouden moeten worden afgestemd met de doelstellingen voor Europa 2020, denk ik dat er voldoende flexibiliteit moet zijn om rekening te houden met specifieke regionale kenmerken en om zwakkere regio's met grotere behoeften te steunen. Deze kunnen dan sociaaleconomische moeilijkheden en natuurlijke handicaps overwinnen, waardoor de verschillen worden verkleind.
Een sterk en ruim gefinancierd regionaal beleid in de EU, waarbij iedere regio baat heeft, is een voorwaarde voor het bereiken van onze toekomstige doelstellingen.
Juan Fernando López Aguilar (S&D). – (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik ben blij met de gelegenheid deel te kunnen nemen aan een debat dat altijd van groot belang is voor de afgevaardigden die uit eilanden komen en daar wonen, zoals in mijn geval de Canarische Eilanden. Ik doe dit in het verlengde van mijn deelname aan het debat over het regionaal beleid, volgens artikel 174 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en ik wil drie punten onder uw aandacht te brengen.
In de eerste plaats wil ik erop wijzen dat dit debat over het cohesiebeleid in economisch, sociaal en territoriaal opzicht in overeenstemming moet zijn met de financiële vooruitzichten voor 2014-2020. Niet ondanks de crisis maar juist vanwege de crisis is de cohesiedoelstelling belangrijker dan ooit.
In de tweede plaats wil ik erop wijzen dat het cohesiebeleid niet een sectoraal maar een breed beleid is, wat betekent dat de regionale dimensie van het cohesiebeleid niet kan worden beschouwd als een specifiek sectoraal beleid, maar dat het het energiebeleid, vervoersbeleid, communicatie en innovatiebeleid moet omvatten.
In de derde plaats wil ik onderstrepen dat dit vooral belangrijk is voor de eilandgebieden die allemaal, zonder uitzondering, de buitengrens vormen van de Europese Unie, en daarom in veiligheidsopzicht bijzonder kwetsbaar zijn voor illegale handel en voor de gevaren die voortvloeien uit de globalisering.
Andreas Mölzer (NI). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, 27 EU-lidstaten met een groot aantal regio’s, steden en gemeenten en 500 miljoen mensen, hebben natuurlijk, zoals we weten, zeer verschillende behoeften en problemen en ieder EU-initiatief op het niveau van Brussel heeft regionale en ook lokale effecten.
Sinds de jaren zeventig bestaat er structurele steun voor achtergestelde regio’s om ervoor te zorgen dat de ontwikkeling van de economie en de welvaart geografisch in evenwicht is. Als we de situatie nu bekijken, schijnt de verwezenlijking van deze doelen echter nauwelijks dichterbij te zijn gekomen. De miljardensubsidies, bijvoorbeeld, voor de regio’s in Ierland of Griekenland hebben niet kunnen voorkomen dat deze nu de problemen van de financiële en economische crisis ten volle ondervinden. Met regio’s die bij de uitbreiding in 2004 de status van doelstelling 1-steungebied hebben verloren, gaat het ook niet veel beter. Ze staan er alleen statistisch gezien, dus op papier, beter voor, maar het is algemeen bekend dat je papier niet kunt eten. Bovendien kan een groter gebied wel goed ontwikkeld zijn, terwijl hierin kleinere regio’s liggen die moeten vechten om te overleven.
We moeten het cohesiebeleid dus efficiënter maken en de afzonderlijke projecten duurzamer.
Rareş-Lucian Niculescu (PPE). – (RO) Ik ben van mening dat de Europese Commissie duidelijk en gedetailleerd moet toelichten hoe er synergie wordt bereikt tussen de cohesiefondsen en de middelen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Het harmoniseren van de werking van deze fondsen zou namelijk meer toegevoegde waarde opleveren voor de activiteiten van de EU en zouden ons ook efficiënter maken bij het realiseren van de doelstellingen.
Tot slot steun ik hen die vandaag hebben opgeroepen tot eenvoudigere regels voor alle fondsen, zowel van de Unie als van de lidstaten. Ik steun ook de collega’s die hebben verklaard dat het bbp het belangrijkste criterium moet blijven om te bepalen wie er voor steun in aanmerking komt.
Derek Vaughan (S&D). − (EN) Mijnheer de Voorzitter, Wales heeft enorm geprofiteerd van de structuurfondsen. Het is daarom niet verrassend dat ik de huidige fundamenten van het cohesiebeleid steun.
Naar mijn mening moet financiering uit de structuurfondsen beschikbaar zijn voor alle regio's in de EU en moeten regio's die niet langer de status van convergentieregio hebben adequate steun ontvangen. Ons concurrentievermogen moet in stand worden gehouden, en daarom dring ik er bij alle collega's die daar belangstelling voor hebben op aan om vanmiddag de door het Comité van de Regio’s georganiseerde mars bij te wonen.
Tot slot ben ik van mening dat het Europees Sociaal Fonds onderdeel van het cohesiebeleid moet blijven en niet naar sectorale projecten mag worden overgeheveld. Ik zie uit naar de publicatie van het eerste cohesieverslag, rond 9 november, en met name om over enkele details daarvan te debatteren, waaronder de vereenvoudiging van het proces, vooral voor aanvragers. Ook verheug ik me erop om over de definitie van stedelijk gebied te discussiëren.
Ook moeten we ervoor zorgen dat het cohesiebeleid en de structuurfondsen in de toekomst over een toereikende begroting beschikken.
José Manuel Fernandes (PPE). - (PT) Mijnheer de Voorzitter, commissarissen, dames en heren, het cohesiebeleid heeft, vanwege zijn doelstellingen, een duidelijke Europese toegevoegde waarde. In dit beleid komt de Europese solidariteit tot uitdrukking, omdat hiermee de regionale ongelijkheid wordt teruggedrongen, hetgeen bijdraagt aan economische, sociale en territoriale cohesie. Om die reden, en voor dat doeleinde, moeten er voor dit beleid voldoende middelen worden uitgetrokken op de begroting. Het cohesiebeleid moet tegelijkertijd voldoende flexibel zijn om rekening te kunnen houden met de specifieke omstandigheden van de regio’s, vooral de minder ontwikkelde, en het bbp moet het belangrijkste criterium blijven om te bepalen welke regio's voor steun in aanmerking komen.
Het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) moet worden afgestemd met de middelen voor het cohesiebeleid, in het belang van grotere efficiëntie en maximale resultaten. Verder wil ik nog bepleiten en er bij de Commissie op aandringen dat de uitvoering van de fondsen van het cohesiebeleid geëvalueerd wordt, zodat er snel maatregelen genomen kunnen worden die nodig zijn om de uitvoeringsgraad van de betreffende fondsen te verbeteren.
Liisa Jaakonsaari (S&D). − (FI) Mijnheer de Voorzitter, de Europa 2020-strategie had, na de ergste crisis in de Europese economische geschiedenis, een nieuw begin moeten zijn, maar het debat dat vervolgens plaatsvond werd volledig door de begrotingsdiscipline gedomineerd. Het lijkt erop dat degenen die zeggen dat er meer moet worden bezuinigd het luidste applaus krijgen. De Raad bezuinigt, de lidstaten bezuinigen en nu lijkt het erop dat ook hier in het Parlement een sfeer heerst dat ook de Europese begroting kleiner moet worden.
Dat is niet de manier om een toekomst op te bouwen. Straks heeft de Europese Unie geen cohesiebeleid, geen regionaal beleid, geen werkgelegenheidsbeleid en geen economisch beleid, maar alleen een financieel beleid. Commissaris Hahn en commissaris Andor, maakt u zich geen zorgen over deze algemene sfeer van bezuinigen? Ik ben van mening dat het debat dat hier nu wordt gevoerd een beetje naïef is.
Andrzej Grzyb (PPE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, uw stelling, mijnheer Hahn, dat het cohesie- en regionaal beleid in goeden doen is en een beleid moet zijn dat dicht bij de burger staat en dat verschillende goed ontworpen instrumenten omvat, is – zo lijkt mij – een goed antwoord op de vraag die vandaag in dit Huis is gesteld.
Om de crisis, die voor een ieder van ons moeilijk is geweest, te overwinnen en om de doelstellingen van de economische strategie voor 2020 te verwezenlijken, zijn het cohesiebeleid en de heldere doelstellingen daarvan, zowel voor de lidstaten als de regio’s, onontbeerlijk. Wij hebben dit jaar uitgeroepen tot het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting. Wij zullen deze doelstelling ook voortzetten tot 2020. Wij kunnen dit niet verwezenlijken zonder dat het Europees Sociaal Fonds wordt opgenomen in het cohesiebeleid. Dit is ook wat de lokale overheden verwachten, en dit is ook gezegd door het Comité van de Regio’s, dat deze overheden vertegenwoordigt. Wij moeten in dit Parlement daarom zo veel mogelijk rekening houden met hun advies.
Inés Ayala Sender (S&D). – (ES) Mijnheer de Voorzitter, het is bekend dat de territoriale cohesie, evenals de economische en sociale vooruitgang van de lidstaten en hun regio’s, communicatienetten nodig hebben die het werkelijk vrije verkeer van personen, goederen en diensten over de grenzen vergemakkelijken en mogelijk maken. Ze hebben die netwerken nodig om te kunnen zorgen voor een grotere samenhang tussen de mobiliteitssystemen, meer samenhang tussen de doelstellingen van de economische, sociale en territoriale cohesie en de planning van trans-Europese netwerken, die vaak onbekend zijn of parallel worden uitgevoerd zonder dat de vereiste standaards gewaarborgd zijn.
Het Europees beleid voor trans-Europese netwerken is tot nog toe echter steeds gestuit op een schreeuwend en betreurenswaardig gebrek aan financiering door zowel de Europese Unie als de lidstaten, vooral voor grensoverschrijdende trajecten, die door iedereen als niemandsland beschouwd worden.
Het is waar dat in die lidstaten waarin gepoogd is beide beleidsterreinen te coördineren, zich een sneeuwbaleffect heeft voorgedaan dat ervoor gezorgd heeft dat regio’s, steden en hun burgers hun historische achterstand hebben ingelopen en dat zij in de cohesie zijn opgenomen die wij allemaal nastreven.
Daarom, om de belangrijke doelstelling te verwezenlijken die inhoudt dat we de verschillen beperken en om de regio’s en burgers dichterbij onze ruimte van vooruitgang en welvaart te brengen door verbetering van de communicatiekanalen, moeten we in het debat van na 2013 een serieuze discussie openen over de dringende noodzaak om voor eens en voor altijd een toereikende financiering voor de trans-Europese netwerken te waarborgen.
Czesław Adam Siekierski (PPE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, het cohesiebeleid omvat en verenigt diverse breed opgezette ontwikkelingsdoelstellingen. Daarbij gaat het om de verwachtingen van niet alleen de regio’s maar ook bepaalde sociale groepen. De resultaten van het cohesiebeleid en de ervaringen die wij ermee hebben, geven aan dat het een beleid kan en moet zijn dat voldoet aan de nieuwe uitdagingen die zijn opgenomen in de Europa 2020-strategie.
Versnelde economische groei laat zich niet altijd vertalen naar vermindering van armoede. Dat is waarom het Europees Sociaal Fonds een zo belangrijke rol speelt en waarom wij de diverse politieke strategieën moeten coördineren. Het creëren van banen, goed onderwijs en een goed afgestemd omscholingssysteem zullen van uitzonderlijk groot belang zijn. Het cohesiebeleid vormt het fundament voor de verwezenlijking van duurzame ontwikkeling van stedelijke agglomeraten en plattelandsregio’s, waarbij rekening wordt gehouden met hun specifieke aard en mogelijkheden. Door middel van een goede coördinatie van de diverse politieke strategieën kunnen het Fonds voor plattelandsontwikkeling en overige fondsen de vertraging in de ontwikkeling beperken, en kan er rekening worden gehouden met de specifieke aard van de minder ontwikkelde gebieden, met inbegrip van plattelandsregio’s.
Maria do Céu Patrão Neves (PPE). - (PT) Het cohesiebeleid is niet slechts een van de vele instrumenten van de Europese integratie, maar kan worden beschouwd als de effectieve belichaming en een dynamisch bewijs van het Europees project zelf, in de zin van een gemeenschap van burgers die dezelfde waarden van sociale rechtvaardigheid en solidariteit delen.
In dat licht is het te begrijpen dat erop wordt aangedrongen dat het cohesiebeleid zich op alle regio’s richt en dat de criteria op grond waarvan een regio voor steun in aanmerking komt, die tot nu toe vooral gebaseerd waren op bbp per capita, worden uitgebreid, voor grotere rechtvaardigheid. We moeten echter nooit de eerste en belangrijkste doelstelling van het cohesiebeleid uit het oog verliezen: bevorderen dat alle Europese burgers eenzelfde levensstandaard krijgen. Hierbij zal er altijd specifieke aandacht moeten zijn voor de armste regio's, zoals bepaalde ultraperifere gebieden, die specifieke maatregelen echt nodig hebben.
Silvia-Adriana Ţicău (S&D). – (RO) Ik wil de Europese Commissie vragen om ervoor te zorgen dat het toekomstige economisch, sociaal en territoriaal cohesiebeleid van de Europese Unie veel geld toewijst aan de vervoerssector, met name voor intermodaliteit, en ook aan energie-efficiëntie in woningen. Deze investeringen zullen aan de ene kant banen scheppen op lokaal en regionaal niveau, terwijl ook het economisch welzijn en ontwikkeling wordt bevorderd van kleine en middelgrote bedrijven in deze sectoren.
Ten slotte, commissaris Hahn, hoop ik dat we na 2013 een separate financieringslijn zullen hebben voor de Donaustrategie van de EU. Ik moet hierbij vermelden dat de EU-strategie voor de Baltische zeeregio voor 2011 alleen al 20 miljoen euro krijgt. De strategie voor de Donauregio kan een van de meest succesvolle projecten van de Europese Unie worden.
Iosif Matula (PPE). – (RO) Het tijdstip van het debat over het cohesiebeleid na 2013 is precies goed, omdat op dit moment de open dagen plaatsvinden in Brussel.
Het feit dat vele deelnemers uit de meeste Europese regio’s hier zijn gekomen om hun initiatieven, inspanningen en resultaten te presenteren, maar ook hun ontevredenheid op verschillende gebieden van regionale ontwikkeling, sterkt mij in de overtuiging dat het cohesiebeleid van de EU concrete resultaten levert.
Een bijzonder aspect waarover tijdens de huidige programmeringsperiode wordt gesproken is de efficiëntie van het gebruik van de huidige fondsen. We zullen ons moeten richten op het uitvoeren van maatregelen ter verhoging van het absorptieniveau van de toegekende fondsen, vooral in de regio’s die daar moeilijkheden bij ondervinden. Daarom moeten op Europees, nationaal en regionaal niveau de inspanningen doorgaan ter vereenvoudiging van de uitvoering van het cohesiebeleid. Er moet zeker een goed evenwicht worden bewaard tussen het vereenvoudigen van de procedures en het zorgen voor efficiëntie en goed financieel management, zodat we beleid produceren dat, met een verhoogd profiel, eenvoudig is uit te voeren.
Seán Kelly (PPE). − (GA) Ik heb niet veel tijd, mijnheer de Voorzitter. Daarom zal ik me beperken tot enkele punten.
(EN) Mijnheer de Voorzitter, in de eerste plaats kan er geen sprake zijn van renationalisering van het Europees Sociaal Fonds, zoals er ook geen sprake kan zijn van renationalisering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. We hebben méér, niet minder Europa nodig.
In de tweede plaats moet de aanvraagprocedure heel nodig worden vereenvoudigd. Ik heb groepen ontmoet die niet eens de moeite namen om een aanvraag in te dienen, hoewel ze recht hadden op financiering, omdat de aanvraagprocedure zo ingewikkeld was. Sommige groepen hadden zelfs een deskundige ingehuurd om de aanvraag voor hen in te dienen. Dat is belachelijk en dat moet stoppen.
In de derde plaats denk ik dat zowel doelstelling 1 als doelstelling 2 moet worden behouden. Ik vertegenwoordigde mijn fractie in Mannheim en ik zag de voordelen van doelstelling 2. Ik denk dat dit belangrijk is.
Tot slot wil ik zeggen, hoewel enkele van mijn collega's van de Fractie van de Europese Volkspartij (christendemocraten) het niet met me eens zijn, dat we moeten overwegen om het bbp niet als enige criterium te gebruiken. Het bbp moet zeker het belangrijkste criterium zijn, maar niet het enige. Ik denk dat we dat debat moeten voeren en daar zie ik naar uit.
Luís Paulo Alves (S&D). - (PT) Het Europees Sociaal Fonds is waarschijnlijk het belangrijkste instrument voor de cohesie. Daarom moet er goede afstemming plaatsvinden met het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling. Het is van groot belang dat de problemen op lokaal niveau aangepakt worden, met andere woorden: een alomvattende visie ten behoeve van lokale actie. Lokale en regionale overheden zijn het beste op de hoogte van wat er op hun niveau speelt, waar moet worden geïnvesteerd om werkgelegenheid te scheppen en welke maatregelen het meest geschikt zijn om de werkgelegenheid in hun regio’s te bevorderen. We moeten de positieve ervaringen van de regio’s meenemen.
In de Azoren, een van de ultraperifere gebieden waar de werkloosheid meestal recordhoogtes bereikt, bedraagt de werkloosheid momenteel 6,5 procent, het laagste cijfer van Portugal. Dat is grotendeels te danken aan de strategie van langetermijnplanning die gehanteerd wordt ten aanzien van de werkgelegenheid, waarin is vastgelegd op welke factoren het beleid zich richt en hoe de gewenste situatie gerealiseerd kan worden, en ook aan de inzet van het ESF als een operationeel instrument van deze strategie, die zich richt op onderwijs, opleiding en het stimuleren van de werkgelegenheid.
Het breed inzetten van het cohesiebeleid is de enige manier om het welslagen van de Europa 2020-strategie te garanderen.
Piotr Borys (PPE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, het cohesie- en regionaal beleid kan een van de grote drijfveren achter de ontwikkeling van de Europese Unie zijn. Meer dan de meeste andere beleidsterreinen is het een beleid dat burgervriendelijk is, dat zich concentreert op praktische doelen en waarmee grote, praktische problemen worden opgelost. Dat is waarom kwesties met betrekking tot territoriale samenhang moeten worden aangepakt in het kader van het cohesiebeleid. Wegenbouw, hogesnelheidstreinverbindingen en volledige samenhang zijn belangrijke factoren waardoor de mobiliteit in geheel Europa zal toenemen.
Wat betreft het Europees Sociaal Fonds lijkt het erop dat wij niet bij machte zijn de ambitieuze voorstellen van de Europa 2020-strategie invulling te geven. Vandaag de dag heeft een op de drie Europeanen geen beroepskwalificatie. Ik denk dat dit fonds juist in grote mate zou moeten investeren in beroepsopleidingen en een leven lang leren, en zou moeten zorgen voor een toename van de kwalificaties die mensen hebben in de Europese samenleving. Bovendien kunnen wij zorgen dat dit fonds niet alleen gericht is op zaken als sociale inclusie, maar ook op een grotere beroepsmobiliteit bij de Europese burger.
Miroslav Mikolášik (PPE). - (SK) Het regionaal ontwikkelingsbeleid is van cruciaal belang voor de economische, sociale en territoriale ontwikkeling van de Europese Unie. Daarom verdient de voortdurende modernisering ervan in reactie op nieuwe trends bijzondere aandacht en moet dat ook na 2013 een prioriteit van de Europese Unie blijven.
De talloze ervaringen uit het verleden moeten voorkomen dat fouten worden herhaald en leiden tot verhoogde efficiëntie, een snelle en feilloze uitvoering van het cohesiebeleid, een goed functionerend partnerschap en grotere transparantie. Ik ben ervan overtuigd dat de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid in de toekomst meer gericht moet zijn op resultaat en kwaliteit. Dat vereist verbetering van het toezicht en evaluatie van de effectiviteit van programma’s in het kader van het regionaal beleid en het cohesiebeleid, opdat de middelen daadwerkelijk worden besteed aan infrastructuur, wetenschap en onderzoek en de strijd tegen de werkloosheid, zowel voor ondernemingen als voor burgers, zodat de regio’s zich kunnen ontwikkelen en hun achterstand ten opzichte van de besten kunnen inhalen.
Silvia Costa (S&D). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, ik ben voor het behoud van de eigen begroting en bepalingen van het Europees Sociaal Fonds, al vind ik wel dat het fonds meer moet worden geïntegreerd in de andere structuurfondsen.
De verordening moet in ten minste vijf opzichten worden herzien: meer vereenvoudiging en meer controle op de resultaten en niet alleen op de procedures; ervaringen moeten maximaal worden benut, bijvoorbeeld de ervaringen die de afgelopen twee jaar in de Italiaanse regio’s zijn opgedaan met geïntegreerde pakketten voor begeleiding, opleiding, bijscholing en steun om werkzoekenden of werklozen bij kleine en middelgrote ondernemingen geplaatst te krijgen; het bevorderen van opleidingspartnerschappen tussen onderwijsinstellingen, universiteiten en ondernemingen om plaatsen te creëren voor permanente educatie die rekening houden met de behoefte aan nieuwe competenties; meer transnationale projecten die tot dusver alleen experimenteel waren, en meer nationale en transnationale werkbeurzen voor jongeren.
Dit zijn naar mijn mening een paar denkrichtingen die we moeten verkennen bij het opstellen van nieuwe bepalingen voor het Europees Sociaal Fonds.
Mairead McGuinness (PPE). − (EN) Mijnheer de Voorzitter, we debatteren over het cohesie- en regionaal beleid. Zoals enkele van u wellicht al weten, is er een uitgelekt document over de toekomst van het gemeenschappelijk landbouwbeleid tegen 2020, waarin ook de territoriale uitdagingen van de toekomst worden besproken. Dus al ons beleid is onderling met elkaar verbonden. Voor elk beleid willen we een adequaat gefinancierd beleidskader.
Ik heb enkele punten met betrekking tot de resolutie. Ook in de lidstaten is cohesie nodig. We hebben gezien hoe beleid van de lidstaten het goede werk van het cohesie- en regionaal beleid teniet heeft gedaan. Deze week hebben we een ontmoeting met leden van regionale autoriteiten gehad, die hebben verteld hoe frustrerend het is om financiering aan te vragen. Hun stem moet niet alleen worden gehoord, maar er moet ook naar worden geluisterd en op worden gereageerd.
Ik steun de resolutie.
Csaba Sógor (PPE). – (HU) Het cohesie- en regionale beleid van de Europese Unie is niet alleen vanwege de bevordering van economische concurrentie uitermate belangrijk, maar is ook absoluut noodzakelijk voor de verwezenlijking van het ideaal van de Europese eenheid. Ik denk dat we het er allemaal mee eens zijn dat een echt verenigd Europa op de middellange en lange termijn alleen kan worden opgebouwd met een evenwichtig verdeeld economisch ontwikkelingsniveau. Voor de effectieve uitvoering van de Europa 2020-strategie en voor de verwezenlijking van de doelen daarvan is het juist daarom onontbeerlijk dat regio’s met uiteenlopende ontwikkelingsniveaus stuk voor stuk goed uit dit proces komen. Daarom is het cruciaal dat de middelen die zijn bestemd voor het cohesiebeleid ten gunste van de economisch minder ontwikkelde regio’s op het huidige niveau gehandhaafd blijven. We moeten voorkomen dat Europa vanwege een langzamere aansluiting van de lidstaten die na 2004 zijn toegetreden, in twee delen uiteenvalt.
Anna Záborská (PPE). - (SK) In al deze strategieën en kaders moeten we rekening blijven houden met het essentiële feit dat Europa geen project is om een openluchtmuseum te bouwen. Het is geen communistische utopie waar iedereen werkt en iedereen krijgt wat hij wil. Het Europees Sociaal Fonds is geen instrument om dit soort ideeën te verwezenlijken. Het is een instrument dat helpt in de ontwikkeling, maar in de eerste plaats dient het om hulp te bieden aan diegenen, die zichzelf niet kunnen helpen.
Wanneer iemand er niet toe in staat is te zorgen voor werk, onderdak, voedsel of zijn eigen gezondheid, dan moeten we diegene helpen, dat is een kwestie van solidariteit. Dat heeft niets te maken met kunstmatig gecreëerde arbeidsplaatsen, die de arbeidsmarkt vervormen, of egalisering van sociale en regionale verschillen, die riekt naar gelijkstelling. Als we niet willen eindigen als prins Potjomkin, moeten we het woord “sociaal” niet vaker gaan gebruiken dan het woord “verantwoord”. De wereldwijde economische crisis waarschuwt ons voor irreële voorstellingen en onverantwoord gedrag.
Jiří Havel (S&D). - (CS) Mijnheer de Voorzitter, ik zou willen bedanken voor de presentatie van vandaag, alsook voor de daaropvolgende vruchtbare discussie. Het vervult me allemaal met een enorm optimisme. Het feit dat er overeenstemming bestaat over de noodzaak tot een cohesiebeleid is zonder twijfel goed nieuws voor iedereen. Het feit dat er ook binnen het Parlement hierover overeenstemming bestaat, is natuurlijk alleen maar beter.
Ik zou de Commissie graag willen bedanken voor het feit dat zij werkt aan de vereenvoudiging van de formaliteiten rond de toekenning van middelen. Ik ben in de gelegenheid geweest het voorstel voor de nieuwe financiële verordening te bestuderen en kan bevestigen dat het inderdaad een stap in de goede richting is.
Tot slot zou ik willen opmerken dat cohesie zowel een absolute als een relatieve dimensie heeft. De absolute dimensie bestaat uit steun aan de allerarmste regio's, wat niet wegneemt dat de relatieve dimensie, binnen die individuele lidstaten, evenzo belangrijk is. Ik heb er echter alle hoop op dat we dat niet uit het oog zullen verliezen.
Paul Rübig (PPE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, allereerst wil ik commissaris Hahn hartelijk bedanken omdat hij hier als voormalige minister voor Economie en Innovatie van Oostenrijk een nieuw debat begint dat een grote bijdrage aan de groei in Europa kan leveren. We zouden in Europa geen werklozen meer hebben, indien iedere kleine en middelgrote onderneming in Europa een extra arbeidsplaats zou creëren. We moeten dus bedenken hoe we het juist voor de kleine en middelgrote ondernemingen mogelijk kunnen maken om nieuwe werknemers aan te stellen en actiever op de internationale exportmarkten te worden.
Ook de onderzoeksinfrastructuur is echter een belangrijke zaak, evenals de vervoersinfrastructuur. Op dit gebied heeft de Commissie veel te doen, vooral als het gaat om de herstructurering van de Oost-West-verbinding, bijvoorbeeld Parijs-Boedapest, of de Noord-Zuid-verbinding. Hier kunnen extra arbeidsplaatsen worden gecreëerd die we in Europa nu dringend nodig hebben.
Nuno Teixeira (PPE). - (PT) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, het cohesiebeleid is de belangrijkste pijler van de Europese solidariteit. Met behulp van het cohesiebeleid wordt de doelstelling bereikt van het terugdringen van de ongelijkheid tussen de regio’s en wordt een harmonieuze ontwikkeling in de hele Europese Unie bevorderd. We moeten voor de komende periode, van 2014 tot 2020, een kader vaststellen dat kan bijdragen aan een grotere efficiëntie van het regionaal beleid. Goed bestuur moet op alle niveaus worden gestimuleerd, door regionale en lokale instanties meer te betrekken en te laten participeren, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en op de manier zoals is vastgelegd in het Verdrag van Lissabon.
De bijzondere situatie van de ultraperifere gebieden mag niet uit het oog verloren worden. Deze regio’s staan voor grote uitdagingen, en ze moeten ook in de toekomst gebruik kunnen maken van specifieke maatregelen bij de uitvoering van het Europees beleid. Het bbp moet het belangrijkste criterium blijven om voor steun in aanmerking te komen, maar we moeten ook rekening houden met andere indicatoren die een completer beeld kunnen geven van de regionale realiteit.
Johannes Hahn, lid van de Commissie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, dit is inderdaad een zeer levendig en enthousiast debat geweest. Ik wil iedereen bedanken en er nog eens aan herinneren en herhalen en bevestigen dat regionaal beleid een investeringsbeleid is dat alle regio’s moet omvatten, dat moet worden beschouwd als een geïntegreerd beleid. Daarom moeten beslist de steden een centrale plaats innemen, ook omdat juist in de steden verschillende beleidsterreinen geconcentreerd zijn: energieverspilling, vermindering van energieverbruik, energiegebruik, vervoer, sociale problematiek – allemaal factoren die in hun onderlinge samenhang moeten worden bekeken.
De verzoeken om vereenvoudiging van de regels ondersteunen wij van harte, maar ik vraag uw begrip voor het feit dat wij ook rekening moeten houden met de behoeften van de belastingbetaler. Er is hier vandaag vaak gevraagd om een vereenvoudiging van zaken, maar dan moeten we dat ook op zo’n manier doen dat we, voor zover dat haalbaar en mogelijk is, uniforme regels voor verschillende fondsen instellen.
Ik dank u voor het debat en de steun van het Parlement. Ik wil u echter ook verzoeken uw stem op nationaal niveau te laten horen om steun te zoeken voor de zaken die u vandaag hebt behandeld, om ervoor te zorgen dat regionaal beleid ook in de toekomst in het Europees beleid centraal staat.
László Andor, lid van de Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, ook voor mij was dit een buitengewoon zinvolle en behulpzame discussie over de toekomst van het cohesiebeleid en daarbinnen over de toekomst van het Europees Sociaal Fonds.
Ik ben het eens met iedereen die heeft benadrukt dat dit financieel instrument van cruciaal belang is voor de ondersteuning van de Europa 2020-strategie en de drie doelstellingen van die strategie: het is slim, het is duurzaam en het leidt tot inclusieve groei. Binnen de inclusieve groei moeten we beide subdoelstellingen steunen: het vergroten van de werkgelegenheid en het verminderen van de armoede. Deze twee subdoelstellingen zijn onderling met elkaar verbonden en we moeten ervoor zorgen dat het ESF een breed scala aan doelstellingen binnen een sociale agenda kan bedienen.
Het is duidelijk dat in het debat de drie grote bedreigingen voor het cohesiebeleid zijn geïdentificeerd, namelijk sectorale spreiding, nationalisering en verzwakking van de algehele capaciteit door verlaging van de beschikbare middelen. We moeten deze routes vermijden en vaststellen op welke punten verdere actie nodig is. We moeten zorgen voor innovatie in de wijze waarop het ESF de doelstellingen financiert.
Ik sta volledig open voor samenwerking met afgevaardigden op het gebied van bijvoorbeeld vereenvoudiging, het verbeteren van de evaluatie, versterking van de voorwaardelijkheid, het onderzoeken van de mogelijkheden met financiële instrumenten en samenwerking met andere financieringsbronnen, omdat de uitdagingen enorm zijn.
We zijn ons bewust van de absorptieproblemen, met name in Griekenland over een paar jaar, en we werken er met de diensten en met de autoriteiten in de lidstaten hard aan om de belemmeringen voor een snellere uitbetaling weg te nemen. Het is in het gemeenschappelijke belang van de Commissie en de lidstaten om op dit gebied vooruitgang te boeken. Maar het is heel duidelijk, en samen met commissaris Hahn denk ik dat we het er allemaal over eens zijn dat we in de toekomst een robuust cohesiebeleid moeten hebben, en mijn doel is ook om ervoor te zorgen dat we daarbinnen een sterk en zichtbaar Europees Sociaal Fonds zullen hebben.
De Voorzitter. – Tot besluit van het debat zijn er twee ontwerpresoluties ingediend(1), overeenkomstig artikel 115, lid 5 en artikel 110, lid 2 van het Reglement.
Het debat is gesloten.
De stemming vindt dadelijk plaats.
Schriftelijke verklaringen (artikel 149)
Dominique Baudis (PPE), schriftelijk. – (FR) Door vandaag, donderdag 7 oktober 2010, te stemmen over een resolutie eist het Europees Parlement dat de Commissie nadenkt over een aanzienlijke verbetering van de instrumenten van het cohesiebeleid. Dankzij het Verdrag van Lissabon is cohesie niet meer alleen een economische en sociale aangelegenheid, maar ook een territoriale. Het regionaal beleid is een van de speerpunten van de Europese eenwording. Het vertegenwoordigt de tweede begrotingspost van de Unie, na het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Europa dient een geïntegreerde strategie aan te nemen voor de ontwikkeling van de regio´s. De ontwikkeling van grensoverschrijdende transportverbindingen vormt een van de grote uitdagingen van dit beleid. Een van de prioriteiten op dit gebied is de route over de Pyreneeën tussen Frankrijk en Spanje, die met name van belang is voor het Europese kiesdistrict Zuidwest-Frankrijk. Momenteel voldoen de weg- en spoorwegverbindingen niet aan de verwachtingen. Sommige regio´s horen er vanuit sociaaleconomisch opzicht bij, maar profiteren nu niet van adequate communicatiemogelijkheden. De verschillende projecten die de Commissie zal uitvoeren in deze geografische regio zullen pas op de middellange en lange termijn plaatsvinden. Zij moeten daarom worden meegenomen in de discussie over het cohesiebeleid na 2013.
Vilija Blinkevičiūtė (S&D), schriftelijk. − (LT) In de huidige economische en sociale crisis is het Europees Sociaal Fonds (ESF) een van de belangrijkste financiële instrumenten van de Europese Unie voor de bestrijding van omvangrijke werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting. Bovendien speelt dit fonds een belangrijke rol bij de scholing van werknemers, een leven lang leren, het verbeteren van de kansen op werk en de integratie van werknemers in de arbeidsmarkt. Ik ben het eens met de opvatting dat om de doelstellingen van de Europa 2020-strategie te verwezenlijken, met name op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken, we het ESF moeten versterken en de doelmatigheid ervan moeten vergroten en tegelijkertijd de financieringsprocedures van het fonds moeten verbeteren. Op dit moment is het financieringssysteem van het fonds veel te ingewikkeld, en daarom is het heel belangrijk dat de Commissie de financieringsprocedures voor de structuurfondsen vereenvoudigt en flexibeler maakt, omdat de lidstaten alleen op die manier de gelden uit het ESF op een zo doelmatig en efficiënt mogelijke wijze kunnen gebruiken voor het scheppen van nieuwe en betere banen. Wat betreft de financiering uit de structuurfondsen, mogen we transparantie en versterking van de controle over de voor steun geoormerkte gelden niet vergeten. Bovendien roep ik de Commissie op om het geld van het ESF in de toekomst op een nog doelmatigere en gerichtere manier te verdelen en om alle mogelijke maatregelen te nemen om te waarborgen dat de EU-gelden direct terechtkomen bij de mensen die in armoede leven, die de steun het hardst nodig hebben. Alleen een doelmatiger en sterker fonds kan in de toekomst bijdragen aan het terugdringen van de werkloosheid en de armoede in Europa.
Zuzana Brzobohatá (S&D), schriftelijk. – (CS) Deze op basis van een mondelinge vraag ingediende resolutie is in mijn ogen om meerdere redenen van groot belang. Allereerst is vermeldenswaardig dat het in de ontwerpresolutie uiteengezette gezamenlijk standpunt naar aanleiding van de tijdens de huidige programmaperiode opgedane ervaringen onderstreept dat het van groot belang is dat de structuur van het cohesiebeleid na 2013 eenvoudig, rechtvaardig en transparant dient te zijn. Wat dit betreft is voor mij van cruciaal belang dat het bbp gehandhaafd wordt als belangrijkste criterium voor de allocatie van steun in het kader van het regionaal beleid. Er kan desalniettemin wel degelijk ook gesproken worden over de aanvulling met een aantal aanvullende indicatoren, met dien verstande dat is aangetoond dat ze van betekenis zijn. Verder acht ik het van belang dat het Europees Sociaal Fonds onderdeel blijft van de verordening inzake algemene bepalingen ten aanzien van de financiële middelen voor het cohesiebeleid. Ik ben stellig van mening dat dit fonds over zijn eigen regels dient te beschikken. Bij het uitstippelen van het regionaal beleid en het cohesiebeleid voor na 2013 is in mijn ogen coördinatie met de tweede pijler van gemeenschappelijk landbouwbeleid op het vlak van de plattelandsontwikkeling van cruciaal belang, dit om ervoor te zorgen dat er geen overlapping plaatsvindt tussen deze twee beleidsgebieden of, erger nog, er tegenstrijdige doelstellingen worden geformuleerd.
Alain Cadec (PPE), schriftelijk. – (FR) De structuurfondsen dragen bij aan honderden economische, sociale en culturele projecten in alle Europese regio´s, zo dicht mogelijk bij de burgers. De rol van die fondsen is essentieel voor het succes van de Europa 2020-strategie. Evenals het overgrote merendeel van mijn collega´s in de Commissie regionale ontwikkeling, vind ik het noodzakelijk om voor de toekomst een sterk, goed gefinancierd cohesiebeleid te waarborgen, dat zich richt op alle Europese regio´s. Vorig jaar gingen er geruchten dat de Europese Commissie een gedeeltelijke hernationalisering van de structuurfondsen zou overwegen. Dat is onaanvaardbaar! Ik zal strijden voor het behoud van de Europese meerwaarde van het cohesiebeleid op regionaal niveau. Sommigen zouden de structuurfondsen ook nog meer willen richten op de armste regio´s. Dat is dwaasheid: het cohesiebeleid is niet bedoeld voor financiële bijstand, en de zogenaamd rijke regio´s hebben ook talloze structurele sociale en economische problemen. Cohesie vereist solidariteit tussen de regio´s. Het zou goed zijn om de relevantie van de ontvankelijkheidscriteria van de structuurfondsen te evalueren. Als het bbp de belangrijkste voorwaarde moet blijven, dan zou de Commissie zich ook moeten buigen over andere indicatoren waarmee de problemen van regio's beter in aanmerking genomen kunnen worden.
Vasilica Viorica Dăncilă (S&D), schriftelijk. – (RO) We weten allemaal dat het Europees Sociaal Fonds het voornaamste financiële instrument van de Europese Unie is voor de ondersteuning van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten. Op dit moment hebben we te maken met een crisisscenario in de EU, en de lidstaten hebben uiteenlopende capaciteiten om de door de economische en financiële crisis ontstane situatie te beheersen. Ik waardeer de intentie van het Europees platform tegen armoede dat er economische, sociale en territoriale cohesie moet worden bereikt, hetgeen passende financiële steun zou moeten krijgen. Ik ben echter van mening dat steun van de Europese Unie gebaseerd moet zijn op solidariteit. Het toekomstige Europees Sociaal Fonds moet de inspanningen van de regio’s ondersteunen om mensen op te leiden, zodat ze aan de ontwikkelingsrichtlijnen kunnen voldoen tegen de laagst mogelijke arbeidskosten.
Zita Gurmai (S&D), schriftelijk. − (EN) In de geschiedenis van het ESF is het fonds altijd aangepast aan de economische prioriteiten van de EU. Het is evident dat het ESF opnieuw moet worden aangepast, omdat de omstandigheden zijn gewijzigd. Het ESF moet worden aangepast aan de Europa 2020-strategie, waarvan het vergroten van de werkgelegenheid een hoofddoel is. Het moet worden aangepast aan de crisis. Het ESF is niet per se een crisisbeheersingsinstrument, maar het moet wel functioneren in een tijd van crisis. We mogen niet vergeten dat wanneer de crisis voorbij is, de werkgelegenheid nog steeds laag zal zijn. De werkloosheid in Europa is gestegen. Enkele Europese landen moeten gedwongen in hun begrotingen snijden, waardoor banen worden bedreigd, met name in de publieke sector. De meerderheid van de werknemers in de publiek sector is vrouw. Daarom zullen ontslagen in de publieke sector in de eerste plaats vrouwen treffen. Het vergroten van de participatie van vrouwen in de arbeidsmarkt is een belangrijke doelstelling van de Europa 2020-strategie en van alle redelijke beleidsmakers – de participatie van vrouwen is vooral belangrijk om ons sociale model te beschermen en opnieuw vorm te geven. Daarom moeten we degenen die door de bezuinigingen hun baan verliezen hulp geven. Enkele landen willen dat het ESF in de volgende begroting tot op zekere hoogte wordt genationaliseerd, maar ik ben sterk van mening dat het Europees Sociaal Fonds een integraal onderdeel van het EU-beleid moet blijven.
Edit Herczog (S&D), schriftelijk. – (HU) Als we het hebben over de toekomst van het cohesiebeleid en in het bijzonder over de doelstellingen, de prioriteiten en de structuur van het cohesiebeleid, moeten we zonder meer melding maken van de integratie van de Europese en regionale energiemarkten in de gehele Europese Unie, en van het strategische infrastructuurnetwerk waarmee het gebruik van hernieuwbare energiebronnen wordt bevorderd. Een zeer belangrijk deel van de Europese energie-investeringen bestaat namelijk uit projecten voor de ontwikkeling van steden en plattelandsgebieden, die worden gefinancierd uit de structuurfondsen. Hiertoe behoren onder andere investeringen in blokverwarming, bepaalde projecten op het gebied van energie-efficiëntie en lokale en regionale projecten voor de ontwikkeling van het energienetwerk. In de toekomst moet de besteding van Europese fondsen waarmee energie-efficiënte maatregelen worden gesteund, worden verbeterd; tevens moet worden gestimuleerd dat meer middelen uit de structuurfondsen en het Cohesiefonds aan dit doel worden besteed. Op energiegebied moeten de middelen bestemd voor onderzoek, ontwikkeling en demonstraties tot 2020 worden verdubbeld ten opzichte van het huidige niveau, inclusief een aanzienlijke toename van middelen die in de toekomstige EU-begroting vooral moeten worden toegekend aan hernieuwbare energie, intelligente netwerken en energie-efficiëntie. Een van de instrumenten die hiertoe kan bijdragen, is het cohesie- en regionale beleid van de Europese Unie na 2013.
Tunne Kelam (PPE), schriftelijk. − (EN) Het is van cruciaal belang om het toekomstige cohesiebeleid van de EU te verbinden met en aan te passen aan de Europa 2020-strategie, omdat alleen dat voor duurzame economische groei, concurrentievermogen en nieuwe banen kan zorgen. Tegelijkertijd moeten we ervoor zorgen dat het cohesiebeleid niet versnippert. Europa 2020 zal een belangrijke component van het toekomstige cohesiebeleid vormen, maar kan het cohesiebeleid niet vervangen. Een radicale vereenvoudiging van de financieringsregels is hard nodig om de EU-middelen toegankelijker te maken op lokaal en ngo-niveau. Die niveaus bieden het beste potentieel voor een betekenisvolle en goedgerichte aanwending van EU-gelden. Op dit moment kost de vaak buitensporige bureaucratische verantwoordingsplicht meer tijd en energie dan de daadwerkelijke uitvoering van het project. Deze onbalans vormt in toenemende mate een ernstige praktische en morele belemmering voor verdere vooruitgang. Bij het opstellen van het kader voor de komende financiële periode zal het belangrijk worden om vertegenwoordigers van de regio's en het bedrijfsleven tijdig bij het proces te betrekken. Hun ervaring en praktische zin moeten worden gezien als waardevolle bijdragen aan een efficiënte uitvoering van het toekomstige regionaal beleid en aan het verkrijgen van extra middelen.
Ádám Kósa (PPE), schriftelijk. – (HU) De ontwerpresolutie van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken onderstreept terecht de noodzaak van de steun aan kleine en middelgrote ondernemingen en het cruciale belang van het creëren van synergie tussen de structuurfondsen, want ook al is het Europees Sociaal Fonds een succesverhaal, het kampt wel met diverse gebreken en problemen, vooral ten tijde van de financiële en economische crisis. Bovendien zullen de positieve mogelijkheden en effecten van het Europees economisch herstelplan in de toekomst afnemen. In het kader hiervan maakten de bepalingen van de algemene groepsvrijstellingsverordening (Verordening (EG) nr. 800/2008) het lidstaten voorheen mogelijk om tijdelijk extra subsidies en compensatie te verstrekken voor de tewerkstelling van gehandicapte werknemers, waarbij wel verscheidene voorwaarden moesten worden nageleefd.
Bij de voorgestelde vereenvoudiging van het Europees Sociaal Fonds zouden we ons echter niet in de eerste plaats moeten concentreren op kwesties in verband met het beheer van de fondsen, maar op het feit dat er bij de planning en uitvoering door de lidstaten daadwerkelijk synergie tot stand komt (kruissubsidies en subsidiabiliteit). Daarnaast zou de toename van het aantal experts zonder gedegen opleiding moeten worden ingedamd, omdat de werkloosheid onder kansarme groepen moet worden teruggedrongen. Tegelijkertijd zouden deskundigennetwerken en professionele samenwerkingsverbanden moeten worden versterkt. Eén kader hiervoor zou de ontwikkeling van grensoverschrijdende samenwerking kunnen zijn, gebaseerd op intraregionale betrekkingen.
Ten slotte, maar niet in de laatste plaats, wil ik graag reageren op de woorden van commissarissen Hahn en Andor: we moeten ons in grotere mate concentreren op de kwesties verstedelijking en duurzaamheid. De verlaging van de lasten van gezinnen, de onevenredige taakverdeling binnen de samenleving, die zwaar drukt op het stichten van een gezin, en de verbetering van toegankelijkheid zijn onontbeerlijk voor het bereiken en garanderen van een actievere en gezondere oude dag.
Marian-Jean Marinescu (PPE), schriftelijk. – (RO) Het cohesiebeleid is cruciaal voor het Europese integratieproces. We hebben een uniform regionaal beleid nodig dat duurzame groei, banen en modernisering zal brengen in de hele Europese Unie. We kunnen onze doelstellingen alleen bereiken door een levensvatbare synergie tussen alle Europese beleidsterreinen en door middel van geschikte begrotingsinstrumenten. Men moet ten volle rekening houden met de regionale dimensie bij de voorgestelde herziening van de EU-begroting, en in het toekomstige financiële kader. Het cohesiebeleid na 2013 zal een eenvoudige, transparante overgang moeten bieden op basis van een geschikte, meetbare beoordeling van ervaringen uit het verleden, en een correcte evaluatie van de specifieke economische en sociale kenmerken van de betrokken regio’s, waarbij voor die regio’s tastbare vooruitgang wordt bereikt. Het bbp moet het belangrijkste criterium blijven om te bepalen welke regio’s in het kader van het regionale beleid voor steun in aanmerking komen. Andere indicatoren moeten echter ook worden geaccepteerd als deze na uitgebreide beoordeling levensvatbaar blijken te zijn. Het subsidiariteitsbeginsel, sturing op verschillende niveaus, strategische planning en vereenvoudigde uitvoering van het regionaal beleid moeten op effectieve wijze worden gekoppeld voor een ideale balans tussen kwaliteit, prestaties en financiële controle.
Jiří Maštálka (GUE/NGL), schriftelijk. – (CS) Ik zou graag een aantal opmerkingen willen plaatsen. Ingewijden weten dat het debat over de toekomstige gedaante van dit beleid de laatste tijd steeds intenser begint te worden. Sterker nog: soms wordt zelfs gesuggereerd dat dit beleid helemaal kan worden opgedoekt. Het cohesiebeleid heeft zo zijn voor- en tegenstanders. Ik wil dan ook graag verwijzen naar de basisgedachte achter het cohesiebeleid toen het in 1974 tot stand kwam, namelijk het beginsel van solidariteit tussen de economisch sterker ontwikkelde lidstaten en de economisch zwakkere. Er is in de EU nog altijd sprake van grote verschillen. Als deze niet uit de weg worden geruimd, is een probleemloze invulling van de beginselen van het vrije verkeer van diensten en kapitaal binnen de Europese Unie ondenkbaar. Er bestaan talloze deskundigenstudies waarin wordt aangetoond dat het cohesiebeleid in principe werkt en aldus de gewenste meerwaarde oplevert. Ik vat de kritische stemmen alhier dan ook in eerste instantie op als verwijzingen naar procedurele gebreken en als een oproep tot verbeteringen op dat vlak in de toekomst.
We weten dat de situatie er sinds 1974 heel anders uit is komen te zien en dat het cohesiebeleid een belangrijk instrument is geworden voor de ontwikkeling van Europese regio's en steden. Dat is een sterk argument ten faveure van voortzetting van dit beleid op het volledige grondgebied van de Europese Unie. Wel dient te worden gesproken over de intensiteit van de steun in de verschillende regio's, die bepaald zal worden door onderhandelingen tussen de Raad en het Parlement. Ik heb er alle vertrouwen in dat de Commissie met goede voorstellen komt. Ik ben ervan overtuigd dat wanneer het geheel goed wordt vormgegeven de kritiek zal wegebben en het cohesiebeleid zijn bestaansrecht voor alle Europese burgers zal weten te bewijzen.
Alexander Mirsky (S&D), schriftelijk. − (LV) Ik ben mevrouw Hübner dankbaar voor haar verantwoordelijke werk. Alle punten die in de resolutie aan de orde worden gesteld zijn op dit moment van belang voor Letland. Helaas wordt Letland in het cohesiebeleid vertegenwoordigd door slechts één regio. Een land als Polen daarentegen, om een voorbeeld te noemen, bestaat uit zestien regio's. In dit verband vinden er grove inbreuken plaats bij het aanvragen van steun uit de structuurfondsen van de EU in Letland. Ik heb veel berichten ontvangen dat ambtenaren van de Letse ministeries van Economische Zaken en Regionale Ontwikkeling in plaats van het aanvragen van EU-fondsen te bevorderen, dit proces juist belemmeren door illegale betalingen van gewone mensen in Letland te eisen. Het aanvragen van steun wordt ook al niet geholpen door het feit dat Letland als één regio telt. Dit geeft politieke machten de mogelijkheid om 'een rem te zetten' op projecten in gebieden waar hun politieke partijen niet vertegenwoordigd zijn. Ook geven ze groen licht aan personen die tot hun gesloten corrupte kringen behoren. Door dit alles kan een regio als Latgale niet volledig profiteren van de middelen die zijn gereserveerd voor de uitvoering van het cohesiebeleid. Er moet dringend een algemene evaluatie van de aanvraagprocedure en de doelmatigheid van de structuurfondsen in Letland plaatsvinden. Ik ben bereid daar een actieve rol in te spelen.
Marie-Thérèse Sanchez-Schmid (PPE), schriftelijk. – (FR) Ondanks de waarborgen van de Commissie en de Raad wordt het cohesiebeleid bedreigd, want de omvang van het budget leidt tot afgunst. Dit beleid voor de evenwichtige ontwikkeling van de Europese regio's vertegenwoordigt een derde van de communautaire uitgaven in de periode 2007-2013. Het is belangrijk om enkele van de beginselen in herinnering te brengen: het cohesiebeleid moet een communautair beleid blijven, een consequente financiering houden, een decentraal beheer van fondsen en een bestuur op meerdere niveaus waarborgen, en een globale en geïntegreerde benadering houden om tegemoet te komen aan de complexe uitdagingen waaraan alle Europese regio's het hoofd moeten bieden. Hoewel het bbp de belangrijkste voorwaarde moet blijven voor het bepalen of regio’s in aanmerking komen voor Europese steun, hebben we moeten strijden om de discussie over andere voorwaarden voort te zetten. Vanuit zijn humanistische traditie moet Europa het voortouw blijven nemen in het debat over nieuwe methoden om de rijkdom en het welzijn van onze medeburgers te beoordelen. Tot slot verdient territoriale samenwerking bijzondere aandacht in het nieuwe cohesiebeleid. Deze doelstelling is de incarnatie van Europa in het dagelijks leven van onze medeburgers en waarborgt "een steeds hechter verbond tussen de volkeren".
Richard Seeber (PPE), schriftelijk. – (DE) Het Europees regionaal beleid na 2013 moet alle regio’s omvatten en daarbij voldoende flexibel zijn om rekening te kunnen houden met regionale en territoriale verschillen. Om het groeipotentieel van de regio’s ten volle te benutten en zo in de Europese Unie economische, sociale en territoriale samenhang tot stand te brengen, is het bovendien noodzakelijk dat naast het cohesiedoel ook belang wordt gehecht aan het concurrentievermogen. Er moet vooral ook worden gekeken naar kleinschalige problemen in rijke lidstaten. Er moet bijvoorbeeld bij de planning en omzetting van structuurmaatregelen in het bijzonder rekening worden gehouden met de behoeften van berggebieden. Deze gebieden hebben door hun specifieke geografische kenmerken te kampen met speciale problemen waarmee rekening moet worden gehouden in afgestemde strategieën en maatregelen. Naast de stedelijke dimensie moet onder de paraplu van het regionaal beleid speciale betekenis worden toegekend aan de plattelandsontwikkeling. Door de coördinatie van sectorale en territoriale maatregelen kan daarbij een optimale synergie gecreëerd worden en kunnen mogelijke conflicten worden vermeden.