Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2009/2219(INI)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

A7-0312/2010

Debatten :

PV 24/11/2010 - 20
CRE 24/11/2010 - 20

Stemmingen :

PV 25/11/2010 - 8.2
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0434

Debatten
Woensdag 24 november 2010 - Straatsburg Uitgave PB

20. Mensenrechten, sociale en ecologische normen in internationale handelsovereenkomsten - Internationaal handelsbeleid in de context van de klimaatveranderingsvereisten - Maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van internationale handelsovereenkomsten (debat)
Video van de redevoeringen
PV
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is de gecombineerde behandeling van de volgende verslagen over internationale handel:

A7-0312/2010 van Tokia Saïfi, namens de Commissie internationale handel, over mensenrechten, sociale normen en milieunormen in internationale handelsovereenkomsten (2009/2219(INI));

A7-0310/2010 van Yannick Jadot, namens de Commissie internationale handel, over het internationaal handelsbeleid met de verplichtingen zoals door de klimaatverandering geboden (2010/2103(INI));

A7-0317/2010 van Harlem Désir, namens de Commissie internationale handel, over maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van internationale handelsovereenkomsten (2009/2201(INI)).

 
  
MPphoto
 

  Tokia Saïfi, rapporteur. (FR) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, het onderwerp van dit verslag heeft een debat binnen de internationale gemeenschap teweeg gebracht. De ontwikkelingslanden denken dat de ontwikkelde landen clausules inzake mensenrechten gebruiken om een verhuld soort protectionisme door te voeren. Ondertussen veroordelen ontwikkelde landen de sociale en milieudumping van de opkomende landen. Ik kies graag voor een positieve benadering door te laten zien hoe sociale en milieunormen en handelsbelangen elkaar kunnen versterken, indien alle landen zich aan dezelfde spelregels houden.

De Europese Unie moet haar invloed in het internationale handelsverkeer aanwenden om een verandering in gang te zetten. Dit zou in overeenstemming zijn met haar oprichtingsverdragen, uit hoofde waarvan de Europese Unie met name moet bijdragen aan duurzame ontwikkeling, vrije en eerlijke handel en bescherming van mensenrechten. Haar handelwijze moet naar mijn idee een multilaterale, bilaterale en unilaterale weerslag hebben.

Op multilateraal niveau moet de Europese Unie internationale organisaties aanmoedigen, met name de Wereldhandelsorganisatie, en meer rekening houden met sociale en milieunormen. Deze internationale organisaties moeten tezelfdertijd hun samenwerking uitbreiden. Daarom stel ik met name voor dat de Internationale Arbeidsorganisatie een waarnemersstatus krijgt toebedeeld in de Wereldhandelsorganisatie.

Op milieugebied ben ik van opvatting dat er prioriteit moet worden gegeven aan de toegang tot groene producten en technologieën, omdat die niet alleen bevorderlijk zijn voor nieuwe vormen van werkgelegenheidsbeleid, maar ook nieuwe groeikansen bieden voor Europese bedrijven die op dit terrein zeer goed presteren. Ook moet de instelling van een echte wereldmilieuorganisatie, die kan worden ingeschakeld in geval van milieudumping, worden overwogen.

Het bilaterale niveau is het niveau waarop de Europese Unie werkelijk het goede voorbeeld kan geven. Ik ben blij dat de nieuwe generatie vrijhandelsakkoorden een dwingende clausule inzake mensenrechten bevat, maar ik zou willen dat deze praktijk zich ook uitstrekt tot het hoofdstuk betreffende duurzame ontwikkeling.

Bovendien is het de Commissie die over dergelijke overeenkomsten onderhandelt. De Commissie behoort ervoor te zorgen dat in deze overeenkomsten een reeks sociale en milieunormen worden opgenomen die door alle handelspartners dienen te worden geëerbiedigd. Deze basisnormen kunnen van geval tot geval worden aangevuld door verdragen, naar gelang de mate van economische, sociale en milieuontwikkeling van het betrokken land. Deze geleidelijke en flexibele aanpak zal ons in staat stellen onze verschillende handelspartners rechtvaardiger te behandelen en zou voor iedereen billijker zijn. Bovenal moet het toezicht op de uitvoering van de bilaterale overeenkomsten worden versterkt. Zo stel ik voor dat er voor, tijdens en na de onderhandelingen effectbeoordelingen worden uitgevoerd en dat deze effectbeoordelingen niet alleen meer betrekking hebben op duurzame ontwikkeling, maar ook op de mensenrechten.

Tot besluit: ik heb er zeer goede hoop op dat de zaken zich op unilateraal niveau snel zullen ontwikkelen, aangezien het stelsel van algemene preferenties in de zeer nabije toekomst moet worden hervormd. Zoals u weet moet er krachtens het stelsel van algemene tariefpreferenties (SAP) een dertigtal internationale verdragen met betrekking tot mensenrechten, werkgelegenheid, milieu en goed bestuur worden geratificeerd. Deze verdragen zijn voor het grootste deel geratificeerd, maar ze worden in de praktijk slecht toegepast en het is op dat punt dat we onze inspanningen moeten richten. De Commissie moet onderzoeken instellen, of zelfs preferenties afschaffen indien er aanwijzingen zijn dat de verdragen niet worden toegepast.

Ter afsluiting nu: sommige van onze acties kunnen onmiddellijk worden ondernomen, maar de mentaliteit zal niet in één dag veranderen. De Europese Unie moet op alle niveaus stap voor stap actie ondernemen om rechtvaardigere en eerlijkere handelsbetrekkingen tot stand te brengen.

 
  
MPphoto
 

  Yannick Jadot, rapporteur. (FR) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, ik meen dat, nu de Europese Unie haar handelsbeleid na het Verdrag van Lissabon probeert te herijken en dit beleid tezelfdertijd in overeenstemming tracht te brengen met haar industriebeleid, we het moeten toejuichen dat dit Parlement tegelijkertijd debatteert over drie verslagen waarin zaken aan de orde worden gesteld die uiteindelijk binnen hetzelfde openbare en politieke debat vallen: “Wat is handel en hoe kan handel op sociale en milieukwesties en mensenrechten worden afgestemd?”

Feitelijk bevinden we ons in een permanent schizofrene situatie: overal verplaatsen bedrijven hun activiteiten, zijn sociale rechten op de tocht komen te staan, gaat het milieu steeds harder achteruit – en tegelijkertijd onderhandelen we over vrijhandelsovereenkomsten, onderhandelen we bij de Wereldhandelsorganisatie over een hele reeks maatregelen die jammer genoeg volkomen zijn losgezongen van het publieke debat waaraan burgers proberen deel te nemen.

Hoe kunnen we het publiek nog uitleggen dat een voetbal die op de Europese markt wordt gebracht en onder fatsoenlijke arbeidsomstandigheden is geproduceerd, met respect voor het milieu, en een voetbal die het resultaat is van kinderarbeid of gemaakt is in een land waar vakbonden verboden zijn – dat dit dezelfde voetbal is? Dat kunnen we ons publiek niet uitleggen; het is dus nu onze verantwoordelijkheid om milieu- en sociale vraagstukken in de handel op te nemen.

Specifieker over mijn verslag: met betrekking tot de handel is er momenteel in Europa een aantal landen waarvan de invoer van goederen de afname van hun eigen uitstoot in ruime mate compenseert. Een derde van de Europese uitstoot wordt niet in Europa voortgebracht maar hangt samen met ingevoerde producten. Het klimaatvraagstuk moet dus absoluut bij ons handelsbeleid worden betrokken.

Hoe kunnen we ons publiek uitleggen dat we op hetzelfde moment dat we een vrijhandelsovereenkomst sluiten die mogelijk ontbossing in de hand werkt, naar Cancún gaan om te onderhandelen over een overeenkomst inzake de reductie van broeikasgasemissies ten gevolge van ontbossing en bosdegradatie in ontwikkelingslanden, die bedoeld is om de niet-ontbossing in de zuidelijke landen financieel te vergoeden? Deze zaken dienen absoluut aan elkaar te worden gekoppeld.

Toen dit verslag werd opgesteld – en ik zou de schaduwrapporteurs van de diverse fracties willen bedanken – hebben we geprobeerd zo constructief mogelijk te zijn. Ik hoop dat dit uit de stemming van morgen zal blijken. We hebben geprobeerd een einde te maken aan de zwart-wit discussies. We zijn ermee opgehouden te zeggen dat de liberalisering van de handel en de strijd tegen klimaatverandering al onze Europese industrieën zullen vernietigen omdat ons dat in zekere zin niets kan schelen, aangezien de klimaatkwestie voorrang moet krijgen.

Toen we bijvoorbeeld de kwestie van de koolstoflekkages uitwerkten, hebben we geprobeerd elke keer te preciseren welke bedrijfssector in gevaar zou kunnen komen en met welke instrumenten deze sector kon worden beschermd. Hetzelfde geldt voor de wetten inzake het kader voor discussies over antidumping bij de Wereldhandelsorganisatie. Hetzelfde geldt voor de productiemethodes en -procedés. Over al deze onderwerpen hebben we geprobeerd met andere fracties voorstellen te doen waarmee vooruitgang kan worden geboekt en ik meen dat we met concrete voorstellen zijn gekomen die recht doen aan onze ambities en aan het mandaat van de Europese Commissie en dat van alle Europese instellingen.

Ik wil alleen nog een keer zeggen dat ik hoop dat morgen de coöperatieve, constructieve geest waarin wij dit verslag hebben opgesteld in de stemming tot uiting zal komen en ik wil, nogmaals, al mijn collega’s bedanken voor het verrichte werk.

 
  
MPphoto
 

  Harlem Désir, rapporteur. (FR) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, ook ik wil beginnen met het feliciteren van de collega’s van de Commissie internationale handel, en in het bijzonder de schaduwrapporteurs van de diverse fracties, voor hun samenwerking bij het opstellen van dit derde verslag over een verwant onderwerp. Dankzij deze samenwerking kunnen wij vandaag enkele vernieuwende en concrete voorstellen indienen om in het kader van de handelsbeleid van de Europese Unie de maatschappelijke verantwoordelijkheid van bedrijven te verbeteren.

Na de internationale crisis en de economische en sociale schade die deze heeft aangericht, maar ook na de discussies die de crisis heeft aangewakkerd, de verwachtingen die door de burgers zijn geuit en de politieke verwachting dat er lering uit de crisis wordt getrokken, is het onze gezamenlijke overtuiging dat het Europese handelsbeleid meer dan ooit moet bijdragen aan het verwezenlijken van de doelstelling om de globalisering te reguleren, en in het bijzonder aan onze sociale en milieudoelstellingen.

Deze regelgeving betreft de staten en hun economieën, maar duidelijk is dat de voornaamste economische spelers ondernemingen zijn, en in het bijzonder de multinationale ondernemingen: zij zijn de belangrijkste spelers in de internationale handel. Meer dan wie ook hebben zij geprofiteerd van de liberalisering van de markten, niet alleen doordat ze toegang kregen tot consumenten, maar ook doordat ze hun productie konden uitbesteden en hun bevoorradingsnetwerk konden diversifiëren, vaak door te steunen op landen met lage productiekosten en, vooral, minder strenge sociale en milieuregels.

De liberalisering van de handel ging gepaard met een grimmige concurrentie tussen landen om buitenlandse investeerders aan te trekken en met een hevigere concurrentie tussen bedrijven. Dat heeft al te vaak geleid tot ontoelaatbaar misbruik op het gebied van arbeidsomstandigheden, schending van mensenrechten en aantasting van het milieu.

Van de ramp in Bhopal, bij de dochteronderneming van een chemiemultinational in India, die duizenden slachtoffers eiste en waarbij het moederbedrijf tot op de dag van vandaag onbestraft is gebleven, tot aan het gedrag van oliemaatschappijen en mijnbouwbedrijven in Afrika, Birma en een groot aantal andere landen, waardoor hun milieu is verwoest en hun arbeiders tot slaven zijn gemaakt; en van kinderarbeid in textielfabrieken tot aan de moordaanslagen op vakbondsleden in landbouwbedrijven in Midden-Amerika – er zijn legio voorbeelden. En die zijn des te onaanvaardbaarder omdat het vaak gaat om bedrijven uit geïndustrialiseerde landen, hun dochterbedrijven of hun bevoorradingsketen, Europese ondernemingen inbegrepen.

Zo is al vele jaren geleden een discussie ontstaan en een campagne gestart, die, zo kan ik eraan toevoegen, meerdere malen in dit Parlement is gesteund met de aanneming van resoluties over de maatschappelijke en milieuverantwoordelijkheid van ondernemingen. Tot nu toe houdt het maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) nog geen gelijke tred met het debat over sociale normen in handelsovereenkomsten, dat het onderwerp was van het verslag van mevrouw Saïfi. Dat is enerzijds begrijpelijk, omdat handelsakkoorden bindende juridische regels tussen staten betreffen, terwijl MVO gaat over vrijwillig aangegane verplichtingen van bedrijven, maar het is ook paradoxaal omdat MVO en de sociale en milieuclausules zich in dezelfde richting begeven, dat wil zeggen die van een globalisering die beter overeenstemt met mensenrechten, het milieu en duurzame ontwikkeling.

Wij stellen daarom voor om MVO in handelsakkoorden in te voeren, om concreet een clausule over de maatschappelijke verantwoordelijkheid van ondernemingen in de hoofdstukken over duurzame ontwikkeling op te nemen, in het bijzonder vrijhandelsakkoorden, met een aantal duidelijke en verifieerbare verplichtingen van de bedrijven. In de eerste plaats moeten de Europese Unie en haar partners zich er wederzijds toe verbinden om bedrijven aan te moedigen MVO-verplichtingen aan te gaan en deze te verifiëren: er moeten contactpunten komen, niet alleen om gegevens beschikbaar te maken, maar ook om klachten van vakbonden en het maatschappelijk middenveld te kunnen ontvangen; ondernemingen moeten worden verplicht hun balansen regelmatig openbaar te maken; er moet een verplichting tot rapportage komen en bedrijven dienen voortvarendheid te tonen bij het nemen van preventieve maatregelen.

Tot slot stellen wij voor dat indien men in gebreke blijft, indien de aangegane MVO-verplichtingen ernstig worden geschonden, maar ook wanneer sociale en milieurechten worden geschonden, er mechanismen moeten zijn die ...

(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Ik vraag u allen om begrip, maar sommige dingen mogen gewoon niet gebeuren. U hebt vier minuten spreektijd. Ondanks mijn interruptie bent u meer dan vierenhalve minuut aan het woord geweest. Ik trek een globale grens voor elk lid van dit Parlement. Ik probeer zo eerlijk mogelijk te zijn, maar halverwege uw betoog zei u: “Ik houd de tijd in de gaten”. Als we levendiger debatten willen voeren, betekent dit niet per se dat we onze betogen sneller moeten voorlezen. U moet niet alleen aan de Franse kiezer denken – en dit geldt voor alle leden: houd niet alleen rekening met uw eigen achterban – omdat alle burgers van de Europese Unie via de website kunnen luisteren naar de vertolking van betogen. Als de tolken het niet kunnen bijbenen, begrijpen mensen elders in Europa niet waar u het over hebt omdat u te snel praatte. Daarom moet iedereen zich aan zijn spreektijd houden en mag hij andere sprekers niet in de rede vallen, omdat deze tijd uiteindelijk wordt afgetrokken van de “catch-the-eye”-procedure.

 
  
MPphoto
 

  William (The Earl of) Dartmouth (EFD). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, dit is de tweede keer dat ik hier aanwezig ben en meemaak dat de Voorzitter een van de sprekers onderbreekt omdat er te snel wordt gesproken.

Ik weet niet hoe vaak u zelf een gehoor toespreekt, maar u zou moeten begrijpen dat door een dergelijke onderbreking de toespraak volledig wordt verpest.

Ik ben het toevallig volledig oneens met de heer Désir, maar de tolken zijn betaalde werknemers en als ze het niet kunnen bijhouden, is dat hun probleem. Het is niet aan de Voorzitter om mensen te onderbreken zoals u net hebt gedaan.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Het is wel degelijk mijn taak om sprekers te onderbreken. Je kunt een sprinter op de honderd meter één miljoen euro geven als hij de honderd meter in tien seconden haalt. Maar als je hem honderd miljoen euro geeft, loopt hij dezelfde afstand echt niet in vijf seconden. Ik moet leden onderbreken als ze te snel praten. Ik ben al dertien jaar lid van dit Parlement, en ik weet maar al te goed dat de tolken wanneer ze het niet meer kunnen bijbenen op een knop drukken, waardoor op mijn bureau een lampje gaat branden. Kom gerust kijken. Er staat ‘slow down’ op. Ik heb dit eerder meegemaakt in de commissies. Op een bepaald moment zeggen de tolken dat zij ermee ophouden. Als een Parlementslid vervolgens hierover zijn beklag doet, komt alles plat te liggen en kan de spreker niet doorgaan met zijn betoog.

(Rumoer)

Mevrouw Berès, ik doe wat u ook in uw commissie doet, namelijk uitleggen hoe een en ander in zijn werk gaat wanneer een beroep wordt gedaan op het Reglement.

(Rumoer)

Dit is precies hetzelfde.

 
  
MPphoto
 

  Karel De Gucht, lid van de Commissie.(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik kan u verzekeren dat als ik ooit honderd meter zou hardlopen, ik er minimaal vijftien seconden over zou doen, dus bij mij geen grote problemen, in ieder geval wat dit betreft.

Ten eerste wil ik de rapporteurs en de Commissie internationale handel bedanken voor deze verslagen, die belangrijke onderwerpen aan de orde stellen met betrekking tot de bijdrage van het handelsbeleid van de Europese Unie aan het realiseren van een aantal fundamentele doelstellingen van het overheidsbeleid: eerbiediging van de mensenrechten, het streven naar economische welvaart en sociale rechtvaardigheid, het bereiken van duurzame groei en respect voor het milieu en het klimaatsysteem in het bijzonder.

U zult begrijpen dat ik in de korte tijd die me vandaag ter beschikking staat niet kan ingaan op de details van elk onderwerp, maar ik zou graag enkele algemene opmerkingen willen maken.

De drie verslagen komen op veel punten overeen. Ze gaan allemaal in op politieke coherentie en, meer in het bijzonder, de behoefte aan uitvoering van het handelsbeleid binnen het kader van de algemene doelstellingen van de EU, met name haar economische, sociale en milieudoelstellingen. Ik steun volledig de doelstelling om alle instrumenten die ons ter beschikking staan te gebruiken om deze doelstellingen te bereiken. Tegelijkertijd moet worden benadrukt dat doeltreffend optreden gebaseerd moet zijn op de instrumenten die het meest geschikt zijn als benadering voor iedere kwestie afzonderlijk.

Ik zie het handelsbeleid als een van de belangrijkste factoren voor het bevorderen en waarborgen van het sociale model van de Europese Unie, van de waarden en de beginselen ervan, en ik ben me ervan bewust dat de verwachtingen in dit verband hooggespannen zijn. We moeten echter in het oog houden dat niet alle problemen noodzakelijkerwijs door middel van het handelsbeleid opgelost kunnen worden. We moeten ons ook realiseren dat het bereiken van een evenwicht tussen verschillende belangen centraal staat binnen elk politiek handelen. Met andere woorden, er zullen altijd keuzes gemaakt moeten worden.

Ook de uitdagingen kunnen variëren, afhankelijk van de vraag of we kijken naar autonome instrumenten zoals het stelsel van algemene preferenties (SAP), bilaterale overeenkomsten of multilaterale overeenkomsten. Het door mevrouw Saïfi opgestelde verslag over mensenrechten, sociale normen en milieunormen in handelsovereenkomsten erkent dat elk van deze dimensies andere mogelijkheden biedt.

In het algemeen heeft internationale samenwerking het potentieel om meer doeltreffende actie op gang te brengen. Anderzijds moet het wel van beide kanten komen. We moeten rekening houden met wat acceptabel is voor onze handelspartners – en tegen welke prijs.

Met name wanneer het gaat om de internationale context, kan het heel lastig zijn om consensus te bereiken. De EU heeft een algemeen belang bij de verbetering van internationale governance, mede door middel van een grotere mate van samenhang tussen activiteiten binnen verschillende fora: de Wereldhandelsorganisatie, de Internationale Arbeidsorganisatie, de internationale klimaatonderhandelingen, enz.

De drie verslagen zetten in dit verband verschillende mogelijke richtingen uiteen. We moeten pragmatisch zijn en in staat zijn een onderscheid te maken tussen de praktische stappen met een grote kans van slagen op de korte termijn en de stappen die meer kans hebben om een effect te hebben binnen de langetermijndoelstellingen. We moeten onszelf de ruimte geven om vooruit te denken en in het groot te denken. Anderzijds wil de Commissie dat ons handelsbeleid en ons optreden binnen handelsorganen invloed heeft en tot resultaten leidt.

Dit geldt ook voor onze bilaterale overeenkomsten. De bepalingen in onze vrijhandelsovereenkomsten zijn niet slechts bedoeld als goede bedoelingen. Ze moeten ‘uitvoerbaar' zijn.

Wat betreft het door de heer Jadot opgestelde verslag over klimaatverandering zou ik willen benadrukken dat we zeker moeten stellen dat de opties inderdaad het risico van koolstoflekkage doeltreffend kunnen beperken en dat ze tegen redelijke kosten toegepast kunnen worden. We weten bijvoorbeeld allemaal dat opties zoals grensmaatregelen een aantal vragen opwerpen: hoe te meten, hoe te bewaken en dergelijke. De realiteit is dat we met omzichtigheid moeten handelen en alle relevante kwesties moeten analyseren alvorens tot conclusies te komen. Dat gezegd zijnde, moet de EU in ieder geval doorgaan met het overwegen van alle haalbare opties.

Wat betreft het verslag van de heer Désir over maatschappelijk verantwoord ondernemen, wil ik de aandacht vestigen op de verklaring dat “eventuele initiatieven van de zijde van de Commissie zich moeten concentreren op ondersteuning in plaats van regulering van MVO-activiteiten”. De grens tussen ondersteuning, regulering en handhaving is echter dun, en die grens is door de rapporteur weliswaar zeer kundig onderzocht, maar brengt een groot aantal politieke en praktische overwegingen met zich mee. Inderdaad, maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) kan geen staten vervangen of staten ontslaan van de verantwoordelijkheid voor de handhaving van hun wetten, net zoals staatsorganen er niet zijn om bedrijfsbeleid als zodanig te handhaven. Het is in dit verband nuttig om op te merken dat veel van deze onderwerpen in overweging worden genomen in het kader van de bijwerking van de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen die in 2011 zal worden aangenomen. Dit is een voorbeeld van het nuttige werk dat wordt verricht en waar we actief bij betrokken zijn.

De verslagen die we vandaag bespreken, bevatten zeer specifieke oriëntaties op mogelijke trajecten om de reikwijdte, doeltreffendheid, consistentie en transparantie van ons handelen te vergroten met betrekking tot sociale en milieubepalingen in vrijhandelsovereenkomsten, met inbegrip van bepalingen inzake MVO-kwesties of klimaatverandering. Uiteraard zal de Commissie doorgaan met het overwegen van deze oriëntaties. Aansluitend op de waarschuwingen die ik reeds in detail uiteen heb gezet, moet u rekening houden met belangrijke voorbehouden met betrekking tot verschillende punten, alsmede met volmondige steun voor andere punten.

We zullen nog veel kansen krijgen, bijvoorbeeld tijdens de herziening van het SAP, om in de komende maanden of jaren nader over deze onderwerpen te debatteren, mede in de context van aanstaande wetgevings- of goedkeuringsprocedures. De Europese Commissie is bereid om, samen met het Europees Parlement, passende, doeltreffende en werkbare middelen te onderzoeken om te waarborgen dat de kwesties die voor de samenleving van belang zijn correct worden weerspiegeld in het handelsbeleid. Het leidende principe moet zorgvuldige, analytische beleidsvorming zijn op basis van toekomstgerichte doelstellingen maar ook op basis van realistische verwachtingen.

 
  
MPphoto
 

  David Martin, rapporteur voor advies van de Commissie buitenlandse zaken.(EN) Mijnheer de Voorzitter, moet het handelsbeleid van Europa simpelweg gaan over het behalen van het grootst mogelijke economische voordeel of moet het worden gebruikt om onze bredere doelstellingen een basis te geven en te bevorderen: duurzaam milieubeleid, bestrijding van de klimaatverandering, ons sociaal model, de bevordering van de mensenrechten en democratische waarden? De drie voorgaande sprekers, de drie rapporteurs, hebben allen bevestigd dat het antwoord daarop bevestigend is, en ook de commissaris is die mening toegedaan, wat mij zeer verheugt. Inderdaad, in het kader van al onze activiteiten nemen we mensenrechten, milieubescherming en arbeidsnormen op in onze bilaterale handelsovereenkomsten. De vraag is echter: doen we dit op een manier die ons in staat stelt te waarborgen dat deze normen op de juiste manier worden toegepast en nageleefd?

De Subcommissie mensenrechten van dit Parlement heeft ernstige twijfels over onze doeltreffendheid tot dusver. Voor eventuele toekomstige vrijhandelsovereenkomsten zouden we willen garanderen dat, voordat enige overeenkomst wordt getekend, een vrijhandelsovereenkomst wordt onderworpen aan een effectbeoordeling inzake mensenrechten om te waarborgen dat de overeenkomst niet alleen economische voordelen oplevert, maar dat de mensenrechten er door een dergelijke overeenkomst op vooruitgaan.

Wij zijn van mening dat het systeem voor het opschorten van vrijhandelsovereenkomsten wegens schending van de mensenrechten transparanter en toegankelijker moet worden gemaakt en ik erken het feit dat de heer De Gucht in de vrijhandelsovereenkomst met Korea begonnen is om die richting in te slaan.

Wij zijn ook van mening dat in verband met de SAP Plus-regeling begunstigden onderworpen moeten worden aan een consistente en eerlijkere toetsing om te garanderen dat hun toepassing van milieu-, sociale en menselijke normen op een hoog niveau en consistent blijft.

Mevrouw Saïfi, de heer Désir en de heer Jadot hebben alle drie zeer duidelijk gemaakt dat handel niet moeten worden beschouwd als een doel op zich, maar onderdeel moet zijn van een bredere, wereldwijde strategie voor de bevordering van een meer rechtvaardige, veilige en gezonde planeet.

 
  
MPphoto
 

  Filip Kaczmarek, rapporteur voor advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik ben verheugd dat de heer De Gucht, de heer Désir en mevrouw Saïfi zo goed begrijpen, dat vergaande harmonisatie van de normen, inclusief mensenrechten, sociale normen en milieunormen, noodzakelijk is om voor iedereen gelijke handelsvoorwaarden te creëren. De normen zijn niet alleen buitengewoon belangrijk voor de wereldhandel, maar ook voor ontwikkelingssamenwerking, en ze zijn zelfs nog belangrijker voor het streven naar de waarden die wij fundamentele waarden noemen.

De Commissie ontwikkelingssamenwerking heeft een aantal kanttekeningen geplaatst bij het verslag van mevrouw Saïfi. Wij betreuren het bijvoorbeeld dat het in de Europese Unie nog steeds ontbreekt aan een holistische benadering van de manier waarop ondernemingen de mensenrechten eerbiedigen, wat bepaalde staten en bedrijven de mogelijkheid geeft ze te omzeilen. Wij dringen erop aan om de eerbiediging van de fundamentele arbeidsnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie als voorwaarde te stellen bij het aangaan van handelsovereenkomsten.

 
  
MPphoto
 

  Catherine Grèze, rapporteur voor advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking. (FR) Mijnheer de Voorzitter, in de eerste plaats zou ik, als u mij toestaat, namens de Commissie ontwikkelingssamenwerking enkele bepalende ideeën andermaal voor het voetlicht willen brengen.

Ik wil er nogmaals op wijzen dat wat de klimaatverandering betreft, de meest kwetsbare bevolkingsgroepen, en met name de autochtone, worden getroffen en dat hun deelname aan de uitwerking van dit beleid, met name op handelsgebied, dus van essentieel belang is.

Ik hecht er tevens aan te herhalen dat het beleid van de Europese Unie op handelsgebied moet samenhangen met de bestrijding van de klimaatverandering en armoede. Wij verzoeken om opname van milieuclausules in alle handelsovereenkomsten van de EU en de Wereldhandelsorganisatie, om herziening van de mechanismen voor schone ontwikkeling, om een reële overdracht van technologieën en om bestrijding van biopiraterij.

Tot slot, maar niet in de laatste plaats: aangezien 20 procent van de uitstoot is toe te schrijven aan vervoer, moeten we streven naar korte afzetkanalen, in de eerste plaats in de landbouw, wat zal leiden tot nieuwe banen, zowel in onze eigen landen als in de ontwikkelingslanden, en tot een vermindering van onze uitstoot.

 
  
MPphoto
 

  Pervenche Berès, rapporteur voor advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken. (FR) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken sluit zich aan bij de redenering in het verslag dat onze collega Harlem Désir van de Commissie internationale handel heeft opgesteld. Net als elders, is in onze commissie een van de meest besproken onderwerpen de vraag waartoe maatschappelijk verantwoordelijk ondernemen dient. Is dit een doel op zichzelf, of moet maatschappelijk verantwoord ondernemen leiden tot wetgeving zodra veel ondernemingen dit concept toepassen? Dit debat is nog niet beslecht; het noodt ons tot voortgaande bezinning op het ondernemingsbeleid en het in overeenstemming brengen van beide discussies.

In de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken zijn wij van mening dat deze maatschappelijke verantwoordelijkheid van essentieel belang is wanneer wij aan de hand van de handelsovereenkomsten willen strijden tegen belastingfraude en zwartwerken. Ook menen wij dat onder de belanghebbenden die onontbeerlijk zijn voor de bevordering van deze maatschappelijke verantwoordelijkheid van bedrijven, volledige betrokkenheid van vakbonden, sociale dialoog en Europese ondernemingsraden is vereist, omdat zij een essentiële bijdrage leveren. Daarnaast zijn wij van mening dat om deze instrumenten volledig te benutten, de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties in het kader van zijn initiatief ‘Beschermen, respecteren en herstellen’, een cruciale rol heeft te spelen, die moet worden gebruikt.

Wij vinden ook dat de maatschappelijk verantwoord ondernemen een concurrentie-instrument is dat moet worden verkend. Maar wanneer, nogmaals, een consensus is bereikt, wanneer maatschappelijk verantwoord ondernemen is gedefinieerd aan de hand van normen die uiteindelijk algemeen worden aanvaard, moet het kunnen slagen zonder in de plaats te komen van arbeidsregelgeving of collectieve overeenkomsten.

Tot besluit menen wij dat de maatschappelijk verantwoordelijk ondernemen, ook wat handelsovereenkomsten betreft, dynamisch moet zijn en zich moet aanpassen aan nieuw te bestrijken terreinen.

 
  
MPphoto
 

  Richard Howitt, rapporteur voor advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken.(EN) Mijnheer de Voorzitter, als rapporteur inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) gedurende drie parlementaire termijnen verwelkom ik ten zeerste het initiatiefverslag van mijn collega, de heer Désir, over handel en MVO.

Bedrijven zeggen vaak dat ze MVO volledig moeten integreren, en dit initiatiefverslag stelt dat dit in het overheidsbeleid ook moet gebeuren. Ik hoop van harte dat de commissaris, de heer De Gucht, de aanbevelingen uit het verslag zal laten terugkomen in de nieuwe mededeling over handelsbeleid.

In de afgelopen jaren ben ik in mijn eigen werk steeds meer bezig geweest met het vertegenwoordigen van Europese belangen bij de bevordering van wereldwijde MVO-mechanismen. Derhalve steun ik volmondig, als voorstander van de OESO-richtsnoeren – naar mijn mening de leidende internationale MVO-norm, die ook door regeringen is ondertekend – paragraaf 25, waarin wordt voorgesteld dat de richtsnoeren in toekomstige EU-handelsovereenkomsten expliciet worden geciteerd.

Krachtens deze richtsnoeren beheert de Commissie officieel nationale contactpunten en ik hoop dat deze verplichting ook opnieuw zal worden beoordeeld.

Als overlegpartner van professor John Ruggie met betrekking tot het bedrijfsleven en mensenrechten steun ik de eis in overweging Q van het verslag dat bedrijven ‘due diligence’ moeten toepassen en feliciteer ik het eerdere Zweedse voorzitterschap voor het opnemen van de aanbevelingen van de speciale vertegenwoordiger van de VN in de conclusies van de Raad.

De commissaris zou, wanneer de Commissie haar nieuwe bevoegdheid inzake investeringen ontwikkelt, met name de hevige kritiek van professor Ruggie op het verzuim van de overheid om overwegingen op het gebied van de mensenrechten te respecteren moeten lezen.

Als lid van het adviescomité van het Global Reporting Initiative kan ik de doelstelling van transparantie in paragraaf 15 steunen, maar vraag ik tevens dat de aanstaande openbare raadpleging door de Commissie over niet-financiële openbaarmaking veel meer in de richting gaat van geïntegreerde rapportage door bedrijven over de impact van hun beleid op financieel, sociaal en milieugebied en op het gebied van de mensenrechten.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Ik wil u hier nogmaals op attent maken. Ditmaal heb ik ervan afgezien het lid kort voor het einde van zijn spreektijd te onderbreken. Zodra hij echter was uitgesproken, zeiden de tolken: ‘Hij praat echt te snel. Het spijt ons.’ Ik verzoek de Parlementsleden om een normale spreeksnelheid aan te houden.

 
  
MPphoto
 

  Daniel Caspary, namens de PPE-Fractie.(DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte heer Wieland, geachte collega's, ik feliciteer alle drie de rapporteurs uitdrukkelijk met hun verslagen. Volgens mij waren de beraadslagingen over deze drie verslagen ook een zeer goed voorbeeld van de manier waarop we in het Parlement op zulke belangrijke punten tot een gemeenschappelijk standpunt kunnen komen.

Ik zou me op één aspect willen concentreren. Ik heb de indruk dat we in deze verslagen terdege ingaan op de bijdrage die het handelsbeleid kan leveren aan de drie beleidsterreinen waar de verslagen betrekking op hebben. Bij collega Désir, waar het om de bedrijven gaat, bij collega Saïfi, waar mensenrechten en milieunormen de invalshoek vormen, bij collega Jadot, waar het om het klimaatbeleid gaat – overal gaan we zeer zorgvuldig na welke bijdrage het handelsbeleid aan deze beleidsterreinen zou kunnen leveren. Maar ik vraag mij wel vaak af wat er nu uit deze afzonderlijke beleidsterreinen zelf voortkomt en of we, kortom, de beleidsmakers op deze terreinen wel voldoende op hun verantwoordelijkheid aanspreken.

Laat er geen misverstand over bestaan: ik denk dat we het over de koers eens zijn. Alleen ben ik soms bang dat we te veel van het handelsbeleid vergen als het steeds vaker voorkomt dat beleidsmakers op andere terreinen hun huiswerk niet doen en als men er bijvoorbeeld in het klimaat- en milieubeleid niet in slaagt om op de conferentie van Kopenhagen een oplossing te vinden. Als het daar niet lukt, is het werkelijk te veel gevraagd om van het handelsbeleid te verwachten dat het de steken die men daar heeft laten vallen ongedaan zou kunnen maken.

Ik zou het bijzonder op prijs stellen als we ons ook hier in het Parlement de komende weken en maanden grondig konden bezighouden met de vraag wat de andere beleidsterreinen op hun beurt aan het handelsbeleid zouden kunnen bijdragen. Vandaar mijn wens om het voortaan te kunnen hebben over "handel en …" en niet steeds over "van alles en nog wat en ook handel".

 
  
MPphoto
 

  Kriton Arsenis, namens de S&D-Fractie. – (EL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, ik weet zeker dat uw diensten u heel vaak uitleggen dat bepaalde maatregelen, maatregelen die noodzakelijk zijn tegen de klimaatverandering, niet genomen en toegepast kunnen worden.

De dreiging die van de klimaatverandering uitgaat is echter enorm, zo enorm dat we ons niet moeten afvragen wát we gaan toepassen maar of we überhaupt in staat zijn een manier te vinden om dit verschijnsel te bestrijden, of we in staat zijn een manier te vinden om de daarvoor noodzakelijke maatregelen te treffen.

Een oplossing waarover momenteel in verband met de bijdrage van de handel aan de klimaatverandering wordt gesproken, zijn de zogenaamde fiscale aanpassingen aan de grens, dat wil zeggen belastingen op importen uit landen die tegen de klimaatverandering niet dezelfde maatregelen nemen als wij.

Ook moeten we onderzoeken welke maatregelen we kunnen nemen om de handel van bepaalde goederen tegen te gaan. Water is bijvoorbeeld een lokale bron, maar er zijn landen – Frankrijk bijvoorbeeld, of België – die momenteel zowel tot de grootste Europese importeurs als tot de grootste exporteurs van water behoren.

 
  
MPphoto
 

  Metin Kazak, namens de ALDE-Fractie.(BG) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, allereerst wil ik graag de drie rapporteurs, mevrouw Saïfi, de heer Désir en de heer Jadot, bedanken voor het uitstekende werk dat zij hebben verricht aan hun verslagen. Ik ben het eens met de oproep om wettelijk bindende bepalingen over mensenrechtennormen in internationale handelsovereenkomsten op te nemen en steun het voorstel om meer aandacht te besteden aan de tenuitvoerlegging ervan.

Ik wil met name de aandacht vestigen op de naleving van arbeidswetgeving, vooral voor vrouwen en kinderen, in de landen waarmee de Europese Unie handel voert. Zowel het SAP (stelsel van algemene tariefpreferenties) als SAP+ zijn efficiënte instrumenten om partnerlanden aan te sporen democratische waarden te bevorderen. Er moet echter een nauwer verband komen tussen mensenrechtenbepalingen en SAP+. Tevens moet er meer coördinatie plaatsvinden tussen de Wereldhandelsorganisatie enerzijds en de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN en de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) anderzijds. Daarom ben ik van mening dat de ILO in de Wereldhandelsorganisatie de status van officieel waarnemer moet worden toegekend.

Tenslotte moeten wij, als vertegenwoordigers van de Europese burgers en overeenkomstig de nieuwe bevoegdheden van het Europees Parlement uit hoofde van het Verdrag van Lissabon, uitgebreid worden geïnformeerd over internationale onderhandelingen over handelsakkoorden.

Met betrekking tot het verslag van Yannick Jadot moeten we ‘groene’ handel uiteraard bevorderen. We moeten echter wel zeer voorzichtig zijn bij het bepalen welke goederen ‘groen’ zijn. Bovendien moeten we meer nadruk leggen op het bevorderen van milieuvriendelijke hernieuwbare energiebronnen, in plaats van fossiele brandstoffen te subsidiëren.

Een ander belangrijk punt van het verslag, waar ik het mee eens ben, is het bepalen van een eerlijke milieuprijs, in overeenstemming met wereldwijde normen op het gebied van klimaatbescherming. Aangezien het er niet naar uit ziet dat we in de nabije toekomst een multilateraal klimaatakkoord zullen bereiken, is het van belang op Europees niveau te werken aan de ontwikkeling van een mechanisme om de CO2-emissies te beperken. Ik denk dat zowel biobrandstoffen als biomassa moeten worden opgenomen in de verplichte duurzaamheidscriteria, gezien de tegenstrijdige gevolgen die zij hebben voor het milieu.

Ik wil de overige leden nogmaals bedanken en ik hoop dat deze verslagen echt een belangrijke impact zullen hebben op internationaal overleg over handelsakkoorden.

 
  
MPphoto
 

  Keith Taylor, namens de Verts/ALE-Fractie.(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik was namens de Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie schaduwrapporteur voor zowel het verslag-Saïfi als het verslag-Désir. Wij verwelkomen deze verslagen als belangrijke stappen voorwaarts op weg naar en betere waarborging van de mensenrechten en sociale en milieunormen in de landen die onze handelspartners zijn.

Indien deze landen hun producten willen verkopen op de lucratieve EU-markten, moeten we ze aanmoedigen om fatsoenlijke en duurzame normen in eigen land in te voeren. Verbetering waarborgen door verplichte clausules en vereisten in handelsovereenkomsten op te nemen is een manier om dit te bereiken.

Mevrouw Saïfi, die uitstekend werk heeft verricht als rapporteur, bespreekt op constructieve wijze de verschillende niveaus en aspecten van de mensenrechten en milieu- en sociale normen. We zijn het eens met haar suggestie om een mondiale milieuorganisatie op te richten en de status van de IAO te versterken. We waren verheugd over het hoofdstuk over duurzame ontwikkeling in vrijhandelsovereenkomsten, maar hadden graag gezien dat deze normen bindend waren in plaats van vrijwillig. Op vergelijkbare wijze moeten de SAP-regelingen echt tanden krijgen en handhaafbaar zijn.

We konden het echter niet met de rapporteur eens zijn dat de mensenrechtenclausule in de vrijhandelsovereenkomst met Colombia bevredigend was. In feite vonden we het een betekenisloze, formuleachtige mensenrechtenclausule die een farce maakt van de aspiraties van dit Parlement in dit opzicht.

Wat betreft het door de heer Désir opgestelde verslag zijn wij het volledig met hem eens wanneer hij de transnationale ondernemingen noemt als een bron van negatieve effecten op het milieu en onze sociale normen. Zij hebben geprofiteerd van de liberalisering van de handel en hebben goedkope arbeid geëxploiteerd – en maar al te vaak ook goedkope materialen – maar hebben verzuimd om de welvaart die ze op kosten van anderen hebben gecreëerd adequaat te herverdelen.

We zijn erin geslaagd om beide verslagen te amenderen en zullen ze beide steunen bij de stemming. Tot slot zou ik nog snel willen benadrukken dat we meer moeten doen om te specificeren aan welke mensenrechten en sociale verantwoordelijkheden we prioriteit geven. Dit moeten we doen door middel van verplichte vereisten, en we moeten ons niet verlaten op vrijwillige gedragscodes.

 
  
MPphoto
 

  Peter van Dalen, namens de ECR-Fractie. Collega Saïfi heeft een goed verslag geschreven. De zorg voor onze naasten in andere landen, in het bijzonder in ontwikkelingslanden, mag nooit ten koste gaan van pure handelsbelangen. Ik denk hierbij ook aan landen waar christenen en andere religieuze minderheden om hun geloof worden vervolgd. De EU heeft handelsrelaties met bijvoorbeeld Pakistan. We willen dat land nu extra handelsvoordelen geven om het er na de overstromingen weer bovenop te helpen. Laten we de handelsrelaties gebruiken om de geloofsvervolging en de blasfemiewetgeving in Pakistan aan de kaak te stellen. Ook noem ik hier de onderhandelingen tussen de Europese Unie en India. Europa moet niet toegeven aan de Indiase druk om niet-handelsonderwerpen buiten de nieuwe handelsovereenkomst te laten. Je kunt mensenrechten en kinderarbeid niet los zien van handel en investeringen. Ik doe een beroep op de Commissie en de collega's hierover een stevig standpunt in te nemen, conform de EP-resolutie van maart 2009.

 
  
MPphoto
 

  Helmut Scholz, namens de GUE/NGL-Fractie.(DE) Mijnheer de Voorzitter, commissaris De Gucht, geachte collega's, het is niet voor niets dat we alle drie deze verslagen in hetzelfde debat bespreken. Ik dank de drie rapporteurs zeer voor het uitstekende werk dat zij geleverd hebben. Stuk voor stuk geven ze uiting aan de breed gedeelde wens van het Parlement om het handelsbeleid van de EU in groter verband te bespreken.

De tijden van de harde, eenzijdige exportbevordering zouden achter ons moeten liggen. Het debat van vandaag vindt dan ook op een zeer passend tijdstip plaats, omdat hierin met tal van voorstellen en overwegingen, maar ook met concrete projecten, gereageerd wordt op de door de commissaris gepresenteerde handelsstrategie.

Klimaatbescherming, milieubescherming, bescherming van de menselijke waardigheid en de wereldwijde armoedebestrijding worden de mensheid tot gemeenschappelijke taak gesteld. De traditionele handelsbelangen zijn aan deze doelen ondergeschikt. En een waarlijk modern handelsbeleid dient deze doelen tot een integraal onderdeel van het takenpakket te maken.

Groeiend welzijn, zoals gemeten aan de ‘human development index’, en respect voor het rechtsstaatbeginsel zijn een rechtstreeks belang van de Europese economie en daarmee stelt u het Europese bedrijfsleven ook in staat om succesvolle verbindingen met andere economieën aan te gaan. De MVO-gedachte geeft zich daar gedeeltelijk rekenschap van, maar zonder wettelijk kader laat zich dit niet in praktijk brengen.

Ik zal er geen geheim van maken dat mijn fractie op een aantal punten die de drie verslagen ter sprake brengen graag nog verder gegaan zou zijn. Natuurlijk zien we graag dat ondernemingen uit eigen beweging hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen, maar toch ondervinden dagelijks overal ter wereld duizenden mensen aan den lijve dat hun rechten in het leven van alledag niet meer zijn dan een vodje papier. Vooral bij onderaannemers en toeleveringsbedrijven heersen vaak schandalige toestanden, zoals films over kinderarbeid op cacaoplantages maar weer eens bewijzen.

Een duurzame, ononderbroken energie- en grondstoffenvoorziening, zoals u, mijnheer de commissaris, het in uw strategie omschrijft, vraagt van ons om werk te maken van deze aspecten uit de drie verslagen.

 
  
MPphoto
 

  William (The Earl of) Dartmouth, namens de EFD-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, handel leidt tot wederzijdse voorspoed en ik leg de nadruk op het woord ‘wederzijds’. Daaruit vloeit voort dat handelsbeleid bijna nooit moet worden belast met een politieke agenda.

Op persoonlijk vlak heb ik groot respect voor de rapporteurs van deze drie verslagen, maar de onderliggende filosofie daarvan is bij een groot aantal verkiezingen naar voren gebracht en meestal weggestemd.

Wat we zien is een poging het handelsbeleid van de Europese Unie – waaraan het Verenigd Koninkrijk op dit moment helaas is gebonden – te manipuleren om zo tersluiks een grotendeels socialistische agenda door te voeren die consequent is verworpen.

Op politiek niveau zijn de machinaties van de rapporteurs tamelijk indrukwekkend. Maar als democraat moet ik nee zeggen en daarom zullen wij morgen tegenstemmen.

 
  
MPphoto
 

  Laurence J.A.J. Stassen (NI). - Voorzitter, de oorzaken en gevolgen van de klimaatverandering zijn gebaseerd op een theorie, maar het lijkt meer weg te hebben van een religieuze overtuiging. Desalniettemin wordt alles ondergeschikt gemaakt aan deze religie, zoals valt te lezen in dit verslag met betrekking tot internationale handel. Er wordt zelfs een ware klimaatdiplomatie geopperd, oftewel, de Europese Unie wil best handel drijven, maar alleen onder strikte klimaatneutrale voorwaarden, precies zoals de Europese Unie die graag ziet. Of deze handelspartners zich bovendien het liefst per direct willen gaan toeleggen op de ontwikkeling van een binnenmarkt. Export betekent namelijk transport, en meer transport is erg slecht voor de mondiale CO2-uitstoot. Nu, hier zal Europa de ontwikkelingslanden echt mee van dienst zijn. Landen die het juist moeten hebben van de export van bijvoorbeeld concurrerende landbouwproducten. Waar bemoeit de Europese Unie zich eigenlijk mee? Voorzitter, het document geeft blijk van een gebrekkig economisch inzicht. Ik citeer uit het verslag van meneer Jadot, paragraaf 57: "betreurt dat de internationale handel voor een groot deel gelijksoortige producten betreft die even gemakkelijk ter plaatse geproduceerd kunnen worden". Einde citaat. Welk economisch wonder heeft dit bedacht? Iedereen die ook maar enig economisch onderwijs heeft genoten, is bekend met de economische wetmatigheid dat specialisatie en handel juist de drijvende kracht achter economische groei zijn. Voorzitter, de naïeve redeneringen in dit verslag zijn funest voor de globale economie. Geen wonder dat het gros van de burgers en bedrijven niet op Europese klimaatdoelen zit te wachten. Ondertussen gaat Europa stug verder en formuleert het de zoveelste reeks onzinnige klimaatdoelstellingen. Opkomende economieën als China en India trekken zich hier niets van aan en zullen garen spinnen bij de zelfrestricties die Europa oplegt. En wie betaalt uiteindelijk de prijs voor het najagen van Europa's utopie? De burgers en het bedrijfsleven.

 
  
MPphoto
 

  Małgorzata Handzlik (PPE). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, om te beginnen wil ik de heer Désir bedanken voor de bijzonder goede samenwerking bij het verslag over maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van internationale handelsovereenkomsten. Ik was schaduwrapporteur voor dit verslag namens de Fractie van de Europese Volkspartij (Christendemocraten). Maatschappelijk verantwoord ondernemen is al enige tijd onderwerp van het debat over internationale handel. Zo bevatten de handelsovereenkomsten die de Unie onlangs heeft afgesloten met onder andere Zuid-Korea, Colombia en Peru een verwijzing naar maatschappelijk verantwoord ondernemen.

Ik ben verheugd dat het Parlement dankzij dit verslag de noodzaak onderstreept tot verdere uitbreiding van dit soort verwijzingen, die in het verslag clausules voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO-clausules) worden genoemd. Ik ben ervan overtuigd dat het opnemen van MVO-clausules in internationale overeenkomsten zal leiden tot betere herkenbaarheid van de instrumenten van maatschappelijk verantwoord ondernemen en de ondernemers zelf zal stimuleren om ze op grote schaal toe te passen. We mogen namelijk niet vergeten dat het goed functioneren van deze instrumenten in belangrijke mate afhangt van de wil van de ondernemers zelf. Het zijn namelijk de bedrijven die besluiten of zij verder willen gaan dan de geldende wettelijke normen.

Dames en heren, tijdens mijn laatste bezoek aan India heb ik vertegenwoordigers van bedrijven ontmoet en gevraagd wat zij doen op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Ze hebben allemaal bijzonder concrete voorbeelden gegeven van dergelijke activiteiten. Dit stemt mij persoonlijk erg optimistisch. Ik hoop dat het verslag van de heer Désir een nieuw geluid vertegenwoordigt in de activiteiten van de Unie en zal bijdragen aan verdere verbreiding van de normen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen.

 
  
MPphoto
 

  George Sabin Cutaş (S&D).(RO) Mijnheer de Voorzitter, ik zou willen beginnen Yannick Jadot te feliciteren met de ambitieuze voorstellen die hij in dit verslag doet, en in het bijzonder met zijn bereidheid om tot een compromis te komen met alle fracties die amendementen hebben ingediend.

Wij moeten toegeven dat er belangrijke momenten zijn geweest waarop de Europese Unie de kans had om met één stem te spreken. Kopenhagen was een van die momenten. De hele planeet verwachtte toen van de Europese Unie dat zij het voortouw zou nemen in de strijd tegen de klimaatverandering en de meer behoudende landen in dezelfde richting zou meetrekken. Helaas kwamen deze verwachtingen niet uit en was de teleurstelling overeenkomstig groot.

Wij kunnen daaruit concluderen dat er een gebrek aan consensus was binnen de Unie. Er zijn nationale regeringen die niet bereid zijn wezenlijke toezeggingen te doen ten aanzien van de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. Het lijdt weinig twijfel dat een van de verklaringen hiervan gelegen is in de economische en financiële crisis, die het enthousiasme om een ambitieus klimaatbeleid uit te zetten heeft doen verdampen.

De strijd tegen de klimaatverandering op zowel lokaal als mondiaal niveau zou echter voor alle landen in de wereld een voortdurend punt van zorg moeten zijn. Het gaat er niet alleen om dat de toekomst van komende generaties op het spel staat, het gaat ook om mondiale rechtvaardigheid.

Het is niet eerlijk dat ontwikkelingslanden moeten opdraaien voor de kosten van de mondiale opwarming, terwijl de geïndustrialiseerde landen zich in de praktijk richten op hun eigen behoeften. Daarom is er behoefte aan echte wereldwijde solidariteit.

Om deze reden zie ik de top in Cancún als een gelegenheid om verder te gaan dan enkel een operationele overeenkomst. Cancún moet zorgen voor een wereldwijde, wettelijk bindende overeenkomst, die eraan bijdraagt dat de mondiale opwarming beperkt blijft tot twee graden Celsius.

Ook is er een verificatieprocedure vereist die wat helderder omlijnd is dan de procedure die is vastgesteld in Kopenhagen. Daarnaast geldt dat alleen de inspanningen van de Europese Unie ter bestrijding van de klimaatverandering het succes van een overeenkomst voor de periode ná 2012 niet kunnen garanderen. Wij zullen daarom zo goed mogelijk de overige partijen moeten overhalen om eveneens ambitieuze toezeggingen te doen ten aanzien van de vermindering van gasemissies, waaronder de uitstoot van broeikasgassen.

Tot slot, maar daarom niet minder belangrijk, zou ik iets willen zeggen over de relatie tussen internationale handel en klimaatverandering. Handel is een belangrijk instrument voor de overdracht van technologie aan ontwikkelingslanden. Daarom moeten de barrières voor groene handel worden weggenomen. Dit zou bijvoorbeeld kunnen in de vorm van afschaffing van de handelstarieven voor groene producten, in ieder geval in het kader van de Wereldhandelsorganisatie. Tegelijkertijd moeten we ons bewust zijn van de splitsing die door het huidige handelssysteem wordt veroorzaakt ten aanzien van werk en productie op basis van transport. Daarom zou ik willen afsluiten met een pleidooi voor lokale productie binnen de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 

  Catherine Bearder (ALDE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik zou de commissaris erop willen wijzen dat het concept en de praktijk van maatschappelijk verantwoord ondernemen zich het afgelopen decennium in hoog tempo in het bedrijfsleven hebben verspreid. Wie kan bezwaar maken tegen basiswaarden als een goede behandeling door bedrijven van hun werknemers en het respecteren van de mensenrechten en het milieu?

Maar desondanks is de link tussen handel en maatschappelijk verantwoord ondernemen tot op heden op zijn best zwak te noemen en daarvoor zijn argumenten te over. De internationale handel wordt bepaald door overeenkomsten tussen staten, maar zou MVO een bindende voorwaarde moeten zijn, iets waartoe ondernemingen zich moeten verplichten? Of kunnen ze daar op vrijwillige basis aan voldoen?

Europese burgers worden bewuster. Talloze recente rampen – niet in de laatste plaats het olielek bij BP – hebben aangetoond dat moet worden toegezien op de normen en ethiek die onze Europese bedrijven in het buitenland hanteren.

Gewone Europeanen zijn niet langer bereid de groei van de internationale handel uitsluitend op economische gronden te verwelkomen en te steunen. Wanneer de handel de natuurlijke omgeving verwoest en de levensstandaard van de plaatselijke bevolking schaadt, zeggen wij: genoeg is genoeg. Alleen regeringen kunnen normen stellen die garanderen dat diegenen die zich ethisch en transparant gedragen niet gedupeerd worden door diegenen die dat niet doen.

De Europese Unie moet ondernemingen aanmoedigen MVO-verplichtingen te aanvaarden en hiervan verslag te doen bij al hun zakelijke activiteiten, zowel in eigen land als in het buitenland. Gebeurt dat niet, dan blijft MVO weinig meer dan een oefening in public relations voor een paar multinationale ondernemingen.

Ik verwelkom dit initiatiefverslag, waarin een beroep op de Commissie wordt gedaan om MVO een centrale positie te geven in de internationale handelsovereenkomsten van de EU. We moeten garanderen dat respect voor een duurzame ontwikkeling en mensenrechten van belang is bij het behartigen van de commerciële belangen van de Europese Unie elders in de wereld.

 
  
MPphoto
 

  Jacky Hénin (GUE/NGL). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, door wilde vrijhandel te verdedigen, door de ontmanteling van de Unie als handelsmacht te organiseren, heeft de Commissie haar rol van nederig instrument ten dienste van hoogst particuliere belangen volledig vervuld, en dit ten nadele van de Europese werknemers. Vrije, niet vervalste concurrentie is een mythe die banen en levens vernietigt.

Wanneer de concurrentie namelijk vrij is, zijn alle vormen van dumping mogelijk, te beginnen met fiscale, sociale, monetaire en ecologische dumping. Vanzelfsprekend wordt de concurrentie vervalst. Om uit deze situatie te komen, die de industriële werkgelegenheid teniet doet en werknemers en hun gezinnen in de ellende stort, moet er een strikt toezicht op de kapitaaloverdrachten door de lidstaten worden ingesteld, moeten de belastingparadijzen worden vernietigd, moeten sectoren die essentieel zijn voor het leven – energie, water, geneesmiddelen, landbouw en opleiding – aan de handel worden onttrokken en dienen vooral ecologische normen te worden omschreven en gehandhaafd, alsmede sociale normen die borg staan voor gelijkheid inzake handelsactiviteiten en rechten van werknemers.

 
  
MPphoto
 

  Elisabeth Köstinger (PPE). (DE) Mijnheer de Voorzitter, de Europese Unie draagt in de bestaande, maar ook in de toekomstige handelsbetrekkingen een grote verantwoordelijkheid voor mensenrechten, sociale rechten en milieubescherming. De normen die daarvoor gelden, vormen belangrijke discussiepunten in de onderhandelingen over vrijhandelsverdragen. Bij elk van die onderhandelingen kan de EU een signaal afgeven, door te staan op eerlijke arbeidsverhoudingen en een duurzame omgang met hulpbronnen. Wat dat betreft vraag ik expliciet de aandacht voor de momenteel met de Mercosur en India gevoerde onderhandelingen. Is de Europese Unie bijvoorbeeld geneigd kinderarbeid en de vernietiging van hulpbronnen omwille van goedkope importen op de koop toe te nemen? Het moet ons streven zijn om goede levensomstandigheden en inkomensverhoudingen in deze landen te creëren, in plaats van winst op korte termijn. De Europese Commissie dient ook in de toekomst duidelijke normen in toekomstige handelsverdragen te integreren en die internationaal uit te onderhandelen.

Bij het vaststellen van deze normen gaat het echter niet alleen om de ethiek en waarden waar de EU voor staat, maar ook om de gelijke behandeling van producenten in en buiten Europa. Verder gaat het nog om de stijgende Europese consumptievraag en om voldoende zicht op het productieproces. In dit verband zou ik, tot slot, op het verslag van collega Jadot in willen gaan. In punt 48 wordt ongezouten kritiek geuit op het gemeenschappelijke Europese landbouwmodel, dat echter wel garant staat voor veilige producten van hoge kwaliteit. De tekst rept van negatieve uitwerkingen op de klimaatverandering. Daar zou ik in alle duidelijkheid tegenover willen stellen dat voor mij de voedselveiligheid van onze vijfhonderd miljoen burgers op de eerste plaats komt. De EU dient op het terrein van de voedselvoorziening soeverein te blijven en mag zich niet afhankelijk maken van importen. Dat zou fataal zijn. Ik weet maar al te goed wat de EU-burgers van mij vragen en kan dit deel van de tekst dan ook niet voor mijn rekening nemen.

 
  
MPphoto
 

  Zuzana Roithová (PPE). - (CS) Ik ben uitermate tevreden met de nieuwe strategie voor de internationale handel. Als lid van de Commissie internationale handel heb ik tijdens de vorige zittingsperiode telkens geduldig gepleit voor een Europees handelsbeleid als middel ter ondersteuning van de eerlijke mededinging en als cruciaal element voor de verdediging van de Europese waarden en handelsbelangen in de mondiale markt. Door druk uit te oefenen om de sociale en milieutechnische normen te versterken, kan worden bijgedragen aan de bestrijding van onrechtvaardigheid en ongelijke voorwaarden in de internationale economische concurrentiestrijd. Al meer dan zes jaar pleit ik voor een mensenrechtenclausule in alle handelsovereenkomsten, waarbij de naleving ervan dan voorwaarde is voor voorkeursbeleid.

Het Europees Parlement verzoekt de Commissie met het onderhavige verslag nu eindelijk een ontwerpverordening in te dienen waarmee een invoerverbod wordt opgelegd voor goederen die zijn geproduceerd onder gebruikmaking van moderne vormen van slavernij en gedwongen arbeid, in landen waarin de fundamentele normen van de mensenrechten worden geschonden. Dit verbod dient dan te gelden voor zowel de ACS-landen als China. Ik wil mevrouw Saïfi van harte bedanken en complimenteren met dit verslag, dat nog weer eens aantoont dat het Parlement steeds meer op de goede weg is.

 
  
MPphoto
 

  Miroslav Mikolášik (PPE). - (SK) Met de nieuwe mogelijkheden op basis van het Verdrag van Lissabon kan het lang verbeide evenwicht tussen het handelsrecht en de mensenrechten nu eindelijk tot stand worden gebracht. Het is van cruciaal belang dat de Europese Unie ter versterking van haar geloofwaardigheid en integriteit deze gelegenheid actief aangrijpt door op het vlak van zowel het binnenlands beleid als het buitenlands beleid de mensenrechten actief toe te passen en het vraagstuk consistent voor het voetlicht te brengen.

Ik benadruk nogmaals de oproep aan de Commissie om overeenkomsten en akkoorden te allen tijde te voorzien van een clausule over democratie, mensenrechten en de naleving van de normen op sociaal, medisch en ecologisch gebied. Ook dient de Commissie te zorgen voor een doeltreffende monitoring van de naleving en toepassing van de genoemde normen in de praktijk. In overeenkomsten ten aanzien van de handelsaspecten van het intellectuele eigendom dient speciale aandacht te worden besteed aan de bescherming van de rechten op gezondheid, rechten die nauw verbonden zijn met het fundamentele recht op leven. Ik wil mevrouw Saïfi bedanken voor haar evenwichtige en consistente verslag.

 
  
MPphoto
 

  Carl Schlyter (Verts/ALE).(SV) Mijnheer de Voorzitter, ik denk dat we deze drie verslagen als volgt kunnen samenvatten: in plaats van mensen te zien als instrumenten in dienst van de handel, beginnen we handel te zien als instrument in dienst van de mensen. We willen een einde maken aan de logica waarin een euro winst uit handel overeenkomt met twee euro verlies voor het milieu of aan sociale uitgaven. De verslagen bevatten ook veel concrete voorstellen, zoals het uitstekende voorstel van mevrouw Saïfi om een mondiale milieuorganisatie op te richten, of het voorstel om de IAO meer macht te geven, of het voorstel met betrekking tot fiscale grensmaatregelen om oneerlijke concurrentie te bestrijden en de uitstoot van broeikasgassen te reduceren, en ook het voorstel om overleg met de plaatselijke gemeenschap te plegen voordat er wordt geïnvesteerd.

Dat, commissaris, zijn niet slechts goede intenties waar u nota van moet nemen. Wij willen nu veeleer de concrete resultaten van onze eisen zien. We willen wetgeving zien wanneer dat nodig is. We willen aanpassingen in de tenuitvoerlegging zien wanneer dat nodig is, en we willen de Commissie in internationale onderhandelingen het initiatief zien nemen om de regels te verbeteren.

 
  
MPphoto
 

  Csanád Szegedi (NI). (HU) Dames en heren, voor mijn partij, Jobbik Magyarországért Mozgalom (de Beweging Rechts voor Hongarije) zijn het behoud van het milieu en het herstel van het ecologische evenwicht uitermate belangrijk. We zijn ervan overtuigd dat er in Europa niet alleen een economische crisis – een recessie – aan de gang is, maar ook een milieucrisis. In verband hiermee vinden we het buitengewoon belangrijk om voedselsoevereiniteit en soevereiniteit in de lichte industrie te creëren in de Europese Unie. Niemand begrijpt waarom we tonnen Chinese knoflook en paprika’s en Braziliaanse kip naar de Europese Unie moeten transporteren als deze producten ter plaatse zouden kunnen worden geproduceerd. Daarom zeggen we dat we lokale voedselsoevereiniteit en soevereiniteit in de lichte industrie nodig hebben. Het is de plicht van het Europees Parlement, dus van ons, om de Europese boeren en de KMO’s te beschermen. Tevens moeten we onze burgers beschermen zodat ze zuivere, hoogwaardige levensmiddelen van de plaatselijke boeren kunnen afnemen. Daarnaast vinden we het essentieel dat milieuvriendelijke technologieën in zo breed mogelijke kring verplicht worden gesteld.

 
  
MPphoto
 

  Seán Kelly (PPE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, concurrentie is elementair bij het drijven van handel. Het is duidelijk: om concurrentie te hebben moet je in staat zijn te concurreren, en een aantal regelingen die wij hebben getroffen met derde landen benadeelt onze eigen producenten.

Elisabeth Köstinger verwees naar Mercosur en het is beslist waar dat een groot aantal landbouw- en visserijproducten die de EU binnenkomen volgens aanzienlijk lagere normen is geproduceerd dan de normen die we intern verlangen. Daar moet beslist iets aan worden gedaan.

Dat gezegd hebbende, is het positief dat enkele overeenkomsten die we de afgelopen tijd hebben afgesloten bijzonder goed zijn, zoals de vrijhandelsovereenkomst met Korea. Daar hebben we er meer van nodig. Ik denk dat de meeste mensen het ermee eens zouden zijn dat wij daarvan zouden profiteren, en zij ook.

Ik zou de commissaris willen vragen of er plannen bestaan om een economische partnerschapsovereenkomst aan te gaan met Japan. De ‘Economische Studie van Kopenhagen’ heeft aangetoond dat wij 33 miljard euro aan een dergelijke overeenkomst zouden verdienen en dat deze Japan 18 miljard euro zou opleveren.

 
  
MPphoto
 

  Karel De Gucht, lid van de Commissie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik denk dat dit een zeer vruchtbaar debat is geweest. Hoewel de filosofie achter de drie verslagen gelijk is, kunnen de details, ideeën en antwoorden die we vandaag hebben gedeeld niet adequaat worden behandeld in de korte tijd die ik tot mijn beschikking heb. Sommige ideeën zijn werkbaar, en andere minder, omdat we binnen een juridisch, institutioneel en politiek kader werken, als een unie van 27 lidstaten én als lid van de WTO. Ik zal proberen de nadruk te leggen op wat naar mijn mening de in het oog springende overwegingen met betrekking tot elk verslag zijn. Helaas kan ik niet al te uitputtend zijn.

Bij het verslag-Saïfi heeft een aantal van u de mogelijkheid geopperd dat de IAO bij de WTO de status van waarnemer zou moeten krijgen. Mijn uitgangspunt is dat het internationaal bestuur en de coördinatie tussen internationale organisaties beslist beter kunnen. Mijn volgende overweging is dat we haalbare doelen moeten stellen als we handelsbeleid willen inzetten om betere resultaten op sociaal en milieugebied te realiseren. De implementatie van structurele wijzigingen heeft veel tijd nodig en als we realistisch zijn over het WTO-lidmaatschap naar een ‘handel en …’-agenda, vraagt dit inspanningen op de lange termijn.

Ik wil hieraan toevoegen dat ik van mening ben, naar aanleiding van het voorstel in het verslag-Saïfi dat er bij vrijhandelsovereenkomsten een beoordeling van de mensenrechten moet komen, dat dit tijdens het gehele onderhandelingsproces moet plaatsvinden. Ik zou tamelijk sceptisch zijn over het instellen van een speciale periode tussen het eind van de onderhandelingen en het paraferen van de overeenkomst. Vanmorgen is hier ook in een andere context over gesproken, maar ik denk dat we ons aan de procedure in het Verdrag van Lissabon moeten houden, dat heel duidelijk stelt dat het aan de Commissie is om dergelijke overeenkomsten te paraferen. Vervolgens gaat de ratificatieprocedure van start en tekent de Raad, wat zijn manier van ratificeren is. Daarna heeft het Europees Parlement het recht en de plicht tot ratificatie bij stemming. Wat betreft het idee van een beoordeling van de mensenrechten voorafgaand aan de parafering, laten we het een soort voorwaarde vooraf noemen: daar zou ik niet positief over zijn. Aan de andere kant is de feitelijke gedachte om het effect op de mensenrechten van een overeenkomst te beoordelen naar mijn idee zinvol en ik sta daar positief tegenover.

Er zijn ook specifieke vragen gesteld over bijvoorbeeld kinderarbeid. U weet dat we op dit moment onderhandelen over een vrijhandelsovereenkomst met India, waarin ook de hele kwestie van duurzaamheid moet worden aangepakt. India staat bijzonder sceptisch tegenover een dergelijk duurzaamheidshoofdstuk in de overeenkomst, maar wij houden staande, en dat zullen wij ook blijven doen, dat een dergelijk hoofdstuk op zijn plaats is. Uiteindelijk zal het er naar mijn idee ook komen.

Ik zou u gewoon willen vragen, als u hier later over gaat spreken, om rekening te houden met het feit dat de ideeën van afzonderlijke derde landen over een dergelijk duurzaamheidshoofdstuk niet alleen betrekking kunnen hebben op de inhoud daarvan, maar ook op de filosofie van sommige derde landen over deze zaak.

Met betrekking tot het verslag-Jadot heb ik bij elke bilaterale overeenkomst oproepen voor een klimaathoofdstuk gehoord. Ik ben volledig voor een duurzaam milieubeleid, omdat de toekomst niet aan ons toebehoort. Maar we moeten volgens mij voorzichtig zijn en erkennen dat de vele factoren die een rol moeten spelen bij het vinden van een bevredigend antwoord op de uitdaging van de klimaatverandering – van emissieplafonds tot financiering – niet vertaald kunnen worden in bepalingen in onze handelsovereenkomsten. Ik denk dat daarvoor een breder forum bestaat en, wanneer in dat bredere forum overeenstemming wordt bereikt, moet die overeenstemming uiteraard weerspiegeld worden in de bilaterale vrijhandelsovereenkomsten. Of dat ook mogelijk is in de ontwikkelingsronde die we zojuist hebben besproken, de Doha-ronde, is veel twijfelachtiger, omdat lang niet alle deelnemers aan dit multilaterale proces het erover eens zijn dat het uiteindelijke resultaat een milieuhoofdstuk moet bevatten. Onze positie is echter dat we daar vóór zijn.

Tot slot het verslag van de heer Désir. Ik denk dat dat precies op tijd komt, gezien het feit dat een nieuwe mededeling van de Commissie over maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) in voorbereiding is.

De Commissie en de leden van de OESO leveren een actieve bijdrage aan een update van de huidige OESO-criteria, zodat deze bijtijds gereed is voor de ministeriële bijeenkomst van de OESO in mei 2011.

Bij al onze activiteiten met betrekking tot MVO zullen we zorgvuldig diverse opties overwegen om verantwoord gedrag van Europese ondernemingen te stimuleren, ongeacht de plaats waar zij actief zijn en met speciale aandacht voor de haalbaarheid en consequenties.

Ik wil daaraan toevoegen dat dit niet alleen kwestie van handel of van bilaterale en multilaterale overeenkomsten is. In de Verenigde Staten is recentelijk wetgeving aangenomen waarin multinationale ondernemingen – en niet alleen ondernemingen met activiteiten in de Verenigde Staten, maar ook ondernemingen die daar hun zetel hebben – worden verplicht zich verantwoordelijk te gedragen en een certificaat van hun financiële handel en wandel met betrekking tot grondstoffen te overleggen.

Ik vind dat initiatief, dat in feite volledig buiten bilaterale overeenkomsten om gaat, zeer loffelijk. Het merendeel van deze activiteiten met betrekking tot grondstoffen valt niet onder bilaterale overeenkomsten en zijn gewoon financiële en industriële activiteiten van multinationale ondernemingen, maar als deze hun zetel in de Verenigde Staten hebben, kunnen de Verenigde Staten actie ondernemen tegen deze ondernemingen. Naar mijn idee zou het een zeer goed idee zijn als wij zouden overwegen hetzelfde te doen ten aanzien van Europese ondernemingen die veelal in landen van de Derde Wereld actief zijn, om deze benadering vervolgens uit te breiden naar landen als Canada en Australië, zodat uiteindelijk wereldwijd het grootste deel van dit soort industriële activiteiten en extractieve bedrijven eronder zou vallen. Ik denk dat dat een aanzienlijke bijdrage aan ontwikkeling van duurzame omstandigheden zou leveren.

Om kort te gaan, mijn felicitaties voor deze drie verslagen. Ik ben beslist bereid om de komende maanden en jaren de discussie over deze zaken met u voort te zetten.

 
  
MPphoto
 

  Tokia Saïfi, rapporteur. (FR) Mijnheer de Voorzitter, we hebben te weinig tijd, commissaris, om weer een discussie te beginnen over wat u ons zojuist hebt geantwoord. We zullen de discussie dus voortzetten, zoals u hebt gezegd.

Ik wil in de eerste plaats alle sprekers bedanken, in het bijzonder de schaduwrapporteurs, alsmede mijn collega’s Yannick Jadot en Harlem Désir voor de samenwerking. De onderwerpen waren gelijksoortig en aanvullend en daardoor konden we ideeën uitwisselen. Het heeft ons ook in staat gesteld om in ons werk een samenhangende aanpak aan de dag te leggen: het handelsverkeer minder ongevoelig maken voor de begrippen mensenrechten, arbeidsrecht en milieurecht.

Zoals ik net al heb benadrukt, kost het tijd, zoals u hebt opgemerkt, commissaris, eer de mentaliteit verandert, maar we kunnen niet wachten totdat die uit zichzelf verandert. Als we enkele van de maatregelen uitvoeren die worden voorgesteld in de diverse verslagen die wij u deze avond hebben gepresenteerd, gaan we beetje bij beetje in de richting van een rechtvaardigere en groenere economie. De Europese Unie moet deze verandering initiëren en een voorbeeld stellen aan haar handelspartners.

 
  
MPphoto
 

  Yannick Jadot, rapporteur. (FR) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, ik bedank commissaris De Gucht voor zijn antwoorden en voor dit werkvoorstel. Ik heb zeker notitie genomen van zijn hoofdstuk ‘klimaat’, en ik hoop dat we ook in staat zullen zijn de andere aspecten uit te werken en tot voorstellen te komen die zullen leiden tot concrete actie en tot opname van een aantal elementen in handelsovereenkomsten. Tenslotte: het feit dat onderhandelingen in de Wereldhandelsorganisatie – die zonder enige twijfel zeer gecompliceerde onderhandelingen zijn – in het ongerede zijn geraakt, biedt de Europese Unie aardig wat kansen om in bilaterale overeenkomsten meer vernieuwende elementen op te nemen en te proberen nieuwe soorten handelsakkoorden tot stand te brengen die de doelstellingen van de Europese Unie op het gebied van milieu, klimaat en mensenrechten en sociale rechten beter integreren.

In zekere zin is dit dus een kans. Ik meen dat het een zeer krachtig verzoek is, en als deze verslagen morgen met ruime meerderheid worden aangenomen, zal dat toch – dat wil ik graag denken – een uiterst belangrijk signaal van het Europees Parlement aan de Commissie en de Raad zijn.

Een antwoord aan mevrouw Stassen, die is vertrokken, betreffende de economie. Ook na de negentiende eeuw zijn er boeken over economie geschreven. En daarom kunnen we nu zien dat de problemen met betrekking tot de manier waarop sociale en milieukwesties moeten worden opgenomen in de productiekosten een belangrijke factor zijn bij het bepalen van comparatieve voordelen.

Op dezelfde manier zal u, mevrouw Muscardini, mij altijd aan uw zijde weten wanneer het gaat om het verdedigen van de voedselsoevereiniteit van de Europese Unie. En als u, met mij en anderen, bereid bent de Blair House-overeenkomst aan te vechten, die toch wel het voornaamste obstakel is naar werkelijke voedselsoevereiniteit, naar werkelijke voedselzekerheid, nu in Europa, dan zult u mij aan uw zijde vinden.

Dank, kortom, aan al mijn collega’s, en dank, commissaris, voor uw openheid inzake concrete werkzaamheden en concrete acties met het oog op overeenkomsten waarover binnenkort zal worden onderhandeld en die vervolgens zullen worden gesloten.

 
  
MPphoto
 

  Harlem Désir, rapporteur. (FR) Mijnheer de Voorzitter, zoals u ziet, had ik twee minuten over. Dat wist u, dus als u zonet een probleem had met de tijd, dan had u die tijd kunnen aftrekken van dit deel van mijn toespraak, die korter had gekund. Ik wil vooral de collega’s bedanken, en de commissaris voor zijn antwoord.

Wat treffend was in dit debat, is de zeer brede consensus die de verschillen tussen de fracties overstijgt. Dat komt evenwel door de noodzaak om werkelijk meer rekening te houden met de sociale- en de milieudimensies in het handelsbeleid, in de overeenkomsten waarover wij onderhandelen.

Op het moment waarop u mij onderbrak voor uw zeer interessante toespraak, die zonder twijfel onze medeburgers in de gehele Unie uitermate heeft geboeid, zou ik met name een punt willen aanhalen dat de commissaris zelf heeft aangehaald: dat is maatschappelijk verantwoord ondernemen, dat – daarin heeft hij volkomen gelijk – niet in de plaats kan komen van naleving van de wet en de verantwoordelijkheid van staten.

Daarnaast heeft de heer De Gucht ook gelijk wanneer hij zegt dat op dit moment in de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), maar ook in de VN, met het rapport van professor Ruggie dat door onze collega Howitt ter sprake is gebracht, er nieuwe stappen worden voorgesteld op het gebied van verantwoordelijkheid van multinationale ondernemingen: niet alleen op het gebied van mijnbouw, maar ook met betrekking tot veel andere aspecten van verantwoordelijkheid – met name ten aanzien van hun dochters in het buitenland – binnen hun invloedsfeer, of in hun hele bevoorradingsketen. Dankzij justitiële samenwerking kan er ook voor worden gezorgd dat een moederbedrijf niet kan ontsnappen aan zijn verantwoordelijkheden ten aanzien van het doen en laten van een van zijn dochters of onderaannemers, wanneer deze milieu- of sociale regels hebben geschonden. Dit is allemaal van doorslaggevend belang.

Ik meen simpelweg dat we een koppeling met internationale handelsakkoorden tot stand moeten brengen, ook al weet ik dat dat moeilijk is. Er is al een klein aantal verwijzingen naar maatschappelijk verantwoord ondernemen in de overeenkomst met Korea en in de overeenkomsten met Latijns-Amerikaanse landen. Ik denk dat we ons, op basis van de dialoog die we vandaag met de Commissie zijn begonnen, moeten blijven inspannen om ervoor te zorgen dat in internationale handelsovereenkomsten onze doelstellingen op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen en onze doelstellingen op het gebied van duurzame ontwikkeling met elkaar in overeenstemming zijn.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Hartelijk dank, mijnheer Désir.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen, donderdag 25 november 2010, om 12.00 uur plaats.

 
Laatst bijgewerkt op: 3 mei 2011Juridische mededeling