Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Debatten
Woensdag 16 februari 2011 - Straatsburg Uitgave PB

16. Vragenuur (vragen aan de Raad)
Video van de redevoeringen
PV
MPphoto
 

  De Voorzitter. − Aan de orde is het vragenuur (B7-0009/2011).

Wij behandelen een reeks vragen aan de Raad.

 
  
  

Vraag nr. 1 van Bernd Posselt (H-000010/11):

Betreft: De ontwikkeling van de rechtsstaat in Servië

Hoe beoordeelt de Raad de ontwikkeling van de rechtsstaat in Servië, in het bijzonder in het licht van het twijfelachtige proces tegen veronderstelde guerrillastrijders uit de Albanese minderheid in het Zuid-Servische Preševo-dal?

 
  
MPphoto
 

  Enikő Győri, fungerend voorzitter van de Raad. (HU) De mening van de Raad met betrekking tot de ontwikkeling van de rechtsstaat in Servië staat in de conclusies van de Raad van 14 december 2010. In deze conclusies toont de Raad zich verheugd dat Servië doorgaat met de uitvoering van haar hervormingsagenda en verdere vooruitgang toont bij de toepassing van de bepalingen van de tijdelijke overeenkomst die met de Europese Unie is gesloten. In de conclusies heeft de Raad tevens vastgesteld dat Servië nog altijd goede resultaten behaalt bij de naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit de stabilisatie- en associatieovereenkomst. Het land moet evenwel verdere inspanningen verrichten, in het bijzonder op de volgende gebieden: de hervorming van het openbaar bestuur, de rechtsstaat met inbegrip van de justitiële hervorming, de strijd tegen corruptie en georganiseerde misdaad, alsmede een verbetering van het ondernemingsklimaat. De Raad heeft de ontwikkeling van de rechtsstaat in Servië niet besproken met betrekking tot de concrete procedure waaraan de heer Posselt refereert.

 
  
MPphoto
 

  Bernd Posselt (PPE).(DE) Nadat ik mijn vraag had ingediend, is een groep Servische burgers met de Albanese nationaliteit in een showproces tot maximale straffen veroordeeld door een speciale rechtbank waarbij ze vanwege daden in Kosovo waren aangeklaagd. Had die zaak niet door EULEX moeten worden behandeld in plaats van door Servië? Kunt u zich hier alstublieft in verdiepen en concrete informatie inwinnen over dit speciale geval waarover ik een vraag heb gesteld?

 
  
MPphoto
 

  Enikő Győri, fungerend voorzitter van de Raad. (HU) Dank u wel, mijnheer Posselt. U moet weten dat de zogenoemde toetredingscriteria die door de Raad van Europa in 1993 in Kopenhagen zijn neergelegd bepalende overwegingen zijn voor het standpunt van de Raad met betrekking tot alle uitbreidingen en stabilisatie- en associatieovereenkomsten. Ze omvatten ook het respect voor de mensenrechten en de rechten van minderheden, en tijdens de onderhandelingen kan voor de Raad niets belangrijker zijn dan dit principe. Ik kan u vertellen dat het Hongaars voorzitterschap als vertegenwoordiger van de Raad uiteraard nota zal nemen van uw verzoek en het probleem, dat het zich bewust is van de ernst van de gebeurtenissen, en dat het, zoals bij alle procedures inzake toetredings- en associatieovereenkomsten, ook in dit geval speciale aandacht aan deze kwesties besteedt.

 
  
MPphoto
 

  Daniel Caspary (PPE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, ik heb nog een aanvullende vraag voor de Raad met betrekking tot de vraag van de heer Posselt. Mijn collega heeft al gevraagd of de Raad kan overwegen om juist in dit speciale geval nogmaals contact op te nemen met de regering en de verantwoordelijken ter plaatse. Daarom herhaal ik mijn vraag aan het voorzitterschap van de Raad: Kan het voorzitterschap in dit speciale geval overwegen om contact op te nemen met de verantwoordelijken ter plaatse?

 
  
MPphoto
 

  Enikő Győri, fungerend voorzitter van de Raad. (HU) Voorzitter, nu u gewag heeft gemaakt van het bredere verband en de geest waarin de Raad soortgelijke kwesties benadert, kan ik u natuurlijk vertellen dat de toetreding van Servië in voorbereiding is, aangezien het zijn verzoek om toetreding heeft ingediend, en ik meen dat we nu in een nieuwe fase zijn gekomen, aangezien Servië de vragenlijst heeft beantwoord die door de Europese Commissie is voorgelegd. Het heeft die antwoorden op 31 januari ingediend. Zoals bij elke belangrijke kwestie met betrekking tot het toetredingsproces zal zowel de Europese Commissie als de Raad natuurlijk speciale aandacht besteden aan zulke kwesties.

 
  
  

Vraag nr. 2 van Jim Higgins (H-000012/11):

Betreft: Kleine en middelgrote ondernemingen en het Hongaarse voorzitterschap

Een van de doelstellingen van het Hongaarse Raadsvoorzitterschap is verbetering van de situatie van kleine en middelgrote ondernemingen (KMO's). Kan de Raad op dit punt iets duidelijker zijn en nader aangeven hoe hij het bestaan van KMO's die vechten om te overleven in de praktijk zal verbeteren?

 
  
MPphoto
 

  Enikő Győri, fungerend voorzitter van de Raad. (HU) Kleine en middelgrote ondernemingen spelen een rol van vitaal belang in de Europese economie. Een van de speciale prioriteiten van het Hongaars voorzitterschap is een verbetering van de randvoorwaarden voor hun functioneren. In de loop van de komende maanden zal het voorzitterschap zich concentreren op de uitvoering van de Europa 2020-strategie en de daarin vervatte vlaggenschipinitiatieven voor innovatie en industriebeleid, alsmede op de volledige totstandkoming van de interne markt, aangezien slechts 8 procent van de Europese kleine en middelgrote ondernemingen momenteel grensoverschrijdende activiteiten ontplooit.

Op grond van het door voormalig commissaris Mario Monti opgemaakte verslag moeten in het kader van deze prestatie de barrières die het functioneren van de interne markt nog altijd belemmeren worden opgeheven. Dat kunnen we bereiken door alle richtlijnen, vooral de dienstenrichtlijn – met deze kwestie heeft dit Parlement zich ook op deze plenaire zitting beziggehouden – nauwkeurig en tijdig uit te voeren en te handhaven, door consumentvriendelijke oplossingen te bieden in de gemeenschappelijke eurobetalingsruimte, de SEPA, door naleving van de belastingregels voor ondernemingen die grensoverschrijdende handelsactiviteiten ontplooien te vereenvoudigen, alsmede door de aanneming van een mkb-vriendelijk EU-octrooi te promoten – en het Parlement heeft hier dienaangaand na het debat van maandag op dinsdag een heel belangrijk besluit genomen. Voorwaarde voor al deze zaken waarover ik het tot dusver gehad heb, is dat we kleine en middelgrote ondernemingen inspireren om zoveel mogelijk innovatieve investeringen te doen.

Daarnaast zal het Hongaars voorzitterschap zich ook bezighouden met de tussentijdse evaluatie van de "Small Business Act" voor Europa. Die zou een ware Magna Charta moeten zijn voor kleine en middelgrote ondernemingen. Het voorzitterschap wil verder een alomvattende benadering promoten ten aanzien van het nieuwe, geïntegreerde industriebeleid, in het kader waarvan we ernaar streven alle barrières voor informatieve, financiële en technische ondersteuning op te heffen die kleine en middelgrote ondernemingen ervan weerhouden de ware ruggengraat van de groene economie te worden.

Daarnaast streven we ernaar om via een beter en intelligenter regelgevingskader en institutionele wijzigingen de administratieve lasten en de kans op staatsingrijpen te verminderen. We zijn ervan overtuigd dat het van vitaal belang is de innovatieve capaciteit van kleine en middelgrote ondernemingen te versterken, en dit vraagt om de ontwikkeling van een nieuwe benadering van innovatie, die zich niet slechts concentreert op de bevordering van technologische innovatie. Ik wil u eraan herinneren dat de Europese Raad op 4 februari ook heel belangrijke besluiten heeft genomen met betrekking tot innovatie.

Ten aanzien van de kernvraag hoe kleine en middelgrote ondernemingen aan financiering komen, kan gezegd worden dat wij ons verbinden tot ondersteuning van gezonde kleine en middelgrote ondernemingen bij het verwerven van krediet en leningen via garanties, innovatieve financiële middelen en banken die gunstige voorwaarden bieden.

Tot slot zou ik hieraan willen toevoegen dat het Hongaars voorzitterschap voorstellen zal indienen bij de Raad met betrekking tot de tussentijdse evaluatie van meerjarige EU-uitgavenprogramma's met een groot budget op het gebied van onderzoek en ontwikkeling, die ook belangrijke steunmaatregelen voor kleine en middelgrote ondernemingen zullen omvatten, zoals de financieringsfaciliteit met risicodeling, de RSFF.

 
  
MPphoto
 

  Jim Higgins (PPE).(GA) Mijnheer de Voorzitter, ik wil het voorzitterschap feliciteren met wat er tot nu toe gerealiseerd is en ik ben verheugd over wat de minister heeft gezegd.

Een van de grootste problemen van kleine bedrijven is het teveel aan bureaucratie – red tape, zoals het in het Engels heet. Voorzitter Barroso beloofde in 2004 dat hij iets wezenlijks aan dit probleem zou doen, maar dat is nog niet gebeurd. Nu ik gehoord heb wat de fungerend voorzitter uit Hongarije gezegd heeft, wil ik zeggen dat ik zeer optimistisch ben.

Het is uiterst belangrijk dat we er alles aan doen om dit probleem te bestrijden, omdat het veel moeilijkheden veroorzaakt voor mensen die in het midden- en kleinbedrijf aan de slag gaan.

 
  
MPphoto
 

  Zigmantas Balčytis (S&D). - (LT) Mijnheer de Voorzitter, de Raad heeft in 2008 een pakket van 15 miljard euro van de Europese Investeringsbank goedgekeurd als belangrijkste maatregel om kleine en middelgrote ondernemingen door de crisis te helpen. Rapporten tonen aan dat deze middelen maar weinig werden gebruikt. Meestal werden ze aan grote bedrijven toegekend, terwijl kleine bedrijven onvoldoende financiering hebben ontvangen. Wat denkt het Hongaars voorzitterschap te ondernemen opdat deze goedgekeurde maatregelen voor kleine en middelgrote ondernemingen worden benut en op een eerlijke manier worden gerealiseerd?

 
  
MPphoto
 

  Nicole Sinclaire (NI). - (EN) Ik vraag me alleen af of mijn collega's het met mij eens zijn hoe teleurstellend het is dat er niet veel steun is geweest voor een schriftelijke verklaring waarvan mijn collega uit de West Midlands, Malcolm Harbour, voorzitter van de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de initiatiefnemer is geweest.

Hij heeft vandaag een e-mail verzonden waarin hij meldt dat slechts 184 van de 736 collega's deze verklaring hebben ondertekend. Blijkt hieruit dat samenwerking niet mogelijk is wanneer het gaat om kleine bedrijven in de Europese Unie, en dat het in feite aan de lidstaten zelf is om voor hun eigen kleine bedrijven te zorgen?

 
  
MPphoto
 

  Enikő Győri, fungerend voorzitter van de Raad. − (EN) Ik zal eerst de vraag van de heer Higgins met betrekking tot de regelgeving beantwoorden. Dit is echt zeer belangrijk voor het bestaan en de werkomstandigheden van het mkb.

De toepassing van het 'think small first'-principe bij het opstellen van wetten en beleidsregels vormt een hoeksteen voor het nieuwe kader dat we proberen te realiseren. Dit is belangrijk op alle niveaus, niet alleen op EU-niveau, maar ook op nationaal, regionaal en gemeentelijk niveau − ik denk dat u dat allemaal met mij eens bent.

De Commissie heeft haar regels voor staatssteun herzien om lidstaten te stimuleren meer steun aan kleine en middelgrote ondernemingen te richten op belangrijke gebieden zoals training, O&O en milieubescherming, en om een einde te maken aan de huidige focus op grote bedrijven.

De overeenkomst tussen lidstaten om het gebruik van lagere btw-tarieven voor lokaal geleverde diensten toe te staan, waaronder arbeidsintensieve diensten zoals kappers-, catering- en reparatiediensten, zal de economische activiteit verder stimuleren en banen scheppen, en de Commissie is erg verheugd over deze beslissing.

Op het gebied van betere regulering heeft de Commissie al belangrijke wetgevende initiatieven genomen. De Commissie heeft een voorstel aangenomen voor herziening van de btw-richtlijn, zodat barrières voor elektronisch factureren worden weggenomen. De kostenbesparende mogelijkheden hiervan bedragen miljarden euro's op middellange termijn.

Ook kwam de Commissie in februari met een voorstel om lidstaten minder bezwarende boekhoudkundige vereisten voor microbedrijven te laten aannemen. Zodoende voldeed de Commissie aan haar toezeggingen in het actieplan voor kleine bedrijven. Door dit voorstel zouden de lasten met maar liefst 6 miljard euro kunnen afnemen. De Commissie moedigt lidstaten aan om zo snel mogelijk tot een overeenkomst te komen, zodat lidstaten die graag van deze mogelijkheid willen profiteren, dat ook kunnen. Daarom moeten wij in de Raad absoluut ook langs deze lijnen voortgaan.

De Commissie zal de waarschijnlijke lasten als gevolg van alle nieuwe wetgevingsvoorstellen ook zorgvuldig beoordelen, niet alleen voor het mkb. Er is een behoorlijk aantal goede voorstellen ingediend, en in de Raad Concurrentievermogen volgen we dit punt aandachtig en proberen we zo veel mogelijk van deze kwesties te behandelen.

Met betrekking tot de tweede vraag, over een betere toegang tot financiering: daar probeerde ik in mijn inleidende opmerking al naar te verwijzen. Om de hoognodige kredieten vrij te geven, heeft de EIB in 2008 1 miljard euro geleend aan kleine en middelgrote ondernemingen, een toename van 60 procent ten opzichte van 2007.

Het streven is om in een later stadium nog meer geld uit te lenen voor deze kwesties. Ik weet nog goed dat ik als lid van het Europees Parlement verantwoordelijk was voor een advies over de EIB. In een advies voor de Commissie economische en monetaire zaken heb ik toen een evaluatie opgesteld. U moet weten dat de EIB zeer snel reageerde op de gewijzigde omstandigheden en haar prioriteiten opnieuw bepaalde. Dat waren dus erg welkome acties van de EIB.

Ik ben het met u eens dat geld soms niet naar de beoogde ontvangers gaat, en dat dit beter moet worden georganiseerd. Ik vind dat we op dit gebied echt aandacht moeten besteden aan de tegenhangers van de EIB in de lidstaten, omdat dit in de meeste gevallen de partners zijn. We moet de EIB niet altijd de schuld geven van de tenuitvoerlegging, waar de EIB zich niet direct mee bezighoudt.

Wat betreft de tweede vraag ben ik het er dus mee eens dat het zeer belangrijk is dat gemeenschapsgeld en leningen van de EIB terecht komen bij de beoogde ontvangers, namelijk de kleine en middelgrote ondernemingen.

Ik vind dat de Raad geen advies kan geven over schriftelijke verklaringen, dus als u het niet erg vind, meneer de Voorzitter, zal ik daar ook niet op ingaan.

 
  
  

Vraag nr. 3 van Georgios Papanikolaou (H-000014/11):

Betreft: Initiatieven op het gebied van water- en drinkwaterbeheer

Het Hongaarse voorzitterschap heeft in het informatiedocument over zijn prioriteiten de wens geuit meer aandacht te besteden aan water- en drinkwaterbeheer, alsook aan de acute problemen met de aquatische bronnen.

Het programma preciseert niet welke maatregelen hiervoor zullen worden genomen. Kan het voorzitterschap zeggen welke initiatieven zullen worden genomen op dit gebied? Denkt het dat er zich de volgende jaren een specifiek probleem zal voordoen met het beheer en de veiligheid van de aquatische bronnen en het drinkwater in de EU-lidstaten?

 
  
MPphoto
 

  Enikő Győri, fungerend voorzitter van de Raad. (HU) Ik wil de vraag van de heer Georgios Papanikolaou over de watervoorraden graag beantwoorden. Dit thema is van bijzondere betekenis voor de trojka Spanje, België en Hongarije. Het was een belangrijk aspect van het gemeenschappelijke programma dat we al meer dan twee jaar geleden hebben uitgewerkt, en elk land heeft er ten tijde van zijn eigen halfjaarlijks voorzitterschap iets aan toegevoegd om te zorgen dat de inhoud van het gemeenschappelijke programma gerealiseerd kan worden ten aanzien van een geïntegreerde benadering van het waterbeleid. Wij zetten het door Spanje en België aangevangen werk dus voort en willen graag onze eigen bijdrage leveren door tijdens de Raad van juni 2011 conclusies in te dienen in verband met het waterbeleid.

Deze conclusies zullen zich met drie hoofdthema’s bezighouden. Het eerste betreft de geïntegreerde aanpak van extreme verschijnselen, zoals overstromingen, waterschaarste, een overmaat aan oppervlaktewater en ongelijke verdeling van de neerslag. Het tweede thema is de rol van ecologische diensten die door water worden geleverd. Dat is een heel boeiend onderwerp dat we naar mijn mening tegenwoordig te weinig bespreken. We vinden het normaal dat we water hebben en gebruiken de zogenoemde ecologische diensten die de wetlands ons verschaffen, terwijl we die in grote mate zouden moeten waarderen. En het derde thema betreft de intensivering van de samenwerking op het gebied van waterbeheer, zowel op internationaal niveau als tussen de EU-lidstaten.

De conclusies van de Raad willen bijdragen aan de mededeling van de Europese Commissie over de Europese wateren, die naar verwachting in het jaar 2012 zal worden aangenomen en zal wijzen op het belang van het duurzaam beheer van de watervoorraden van EU-lidstaten, en van het behoud van de veiligheid van watervoorraden en drinkwaterbevoorrading.

Tot slot, dames en heren, zullen tijdens het Hongaars voorzitterschap ook een conferentie en een evenement op het gebied van water worden gehouden, zoals de conferentie over de toekomst van de zoetwatervoorraden van Europa, die in aansluiting op een informele bijeenkomst van de ministers van milieu tussen 23 en 25 maart in Boedapest zal worden gehouden. En een laatste opmerking: het is een prioritaire doelstelling van het Hongaars voorzitterschap om een Donaustrategie voor de EU te creëren, en ook daarin krijgen water, de bescherming van onze drinkwatervoorraad en een geïntegreerd waterbeleid uiteraard bijzondere betekenis.

 
  
MPphoto
 

  Georgios Papanikolaou (PPE).(EL) Mijnheer de Voorzitter, minister, ik dank u hartelijk voor uw antwoord. Ik wil hieraan toevoegen dat de Commissie in 2007 met haar mededeling getiteld "De aanpak van het probleem van watergebrek en droogte in de Europese Unie" heeft aangegeven dat zij het waarschijnlijk acht dat de Europese Unie met geldelijke middelen zal bijdragen aan het scheppen van extra infrastructuur voor watervoorziening.

Ik wijs er trouwens op dat vele geïsoleerde gebieden in Europa, met name kleine eilandgebieden in het zuiden, zoals de Egeïsche Eilanden, met ernstige problemen op het gebied van watervoorziening en drinkwater te kampen hebben en dat methoden als ontzilting bijzonder kostbaar zijn.

De vraag is daarom duidelijk: bent u van plan om het debat over directe steun van de EU aan watervoorzieningsprogramma's in afgelegen gebieden te stimuleren en staat u ook positief tegenover dit idee?

 
  
MPphoto
 

  Silvia-Adriana Ţicău (S&D).(RO) Aangezien Hongarije en Roemenië op 3 februari coördinatoren voor prioritaire gebieden toegewezen hebben gekregen voor milieubescherming in het Donaugebied, om precies te zijn voor het herstel en het behoud van de waterkwaliteit, wil ik u vragen wanneer de coördinatoren deze prioritaire actie zullen doorvoeren, omdat wij hierdoor de kwaliteit van het drinkwater kunnen garanderen. Dankzij de projecten die als voorbeeld zijn gegeven beschikken we over investeringen voor de bouw van afvalwaterzuiveringsinstallaties en voor de ontwikkeling van methodes en middelen voor de bescherming van drinkwaterbronnen. Het is daarom voor ons belangrijk om over de tenuitvoerlegging van de Europese strategie voor het Donaugebied te spreken.

 
  
MPphoto
 

  Paul Rübig (PPE).(DE) Mijn vraag heeft ook betrekking op de strategie voor het Donaugebied. We willen de kwaliteit van het water in de Donau natuurlijk drastisch verbeteren. Hebben alle lidstaten hiervoor een actieplan opgesteld waarin geleidelijk ook wordt gekeken naar de uit de zijrivieren komende afvoerkanalen, om te zorgen dat we ook schone zijrivieren krijgen zodat er tot aan de monding van de Donau een betere kwaliteit ontstaat? Hebben alle betrokken lidstaten hiervoor actieplannen opgesteld?

 
  
MPphoto
 

  Enikő Győri, fungerend voorzitter van de Raad. (HU) Dank u wel voor de vragen, en ook de vragen tonen aan dat dit een zeer belangrijk thema voor de Europese Unie is, waaraan we naar mijn mening in de verste verte niet voldoende aandacht hebben besteed. Het Hongaars voorzitterschap wil juist door conclusies in te dienen en te attenderen op bijvoorbeeld waterbevoorradingsproblemen als gevolg van extreme weersomstandigheden de weg effenen om te zorgen dat de Europese Commissie in deze 'waterblauwdruk' voor 2012 de best mogelijke voorstellen kan voorleggen aan het fungerend voorzitterschap en de Raad.

De heer Papanikolaou vermeldde de problemen van de eilanden in de Egeïsche Zee. Naar mijn mening is dat heel belangrijk voor de mensen die daar wonen, en is het net zo belangrijk in Zuid-Italië als in Barcelona – wellicht kunnen we ons allemaal herinneren dat het tekort aan drinkwater in Barcelona zo groot was dat zoetwater met tankschepen moest worden aangevoerd. Dit bewijst kortom allemaal dat het van levensbelang is dat we ons met deze kwesties bezighouden.

Door Raadsconclusies te formuleren inspireren we de Commissie, en ik vertrouw erop dat wanneer bijvoorbeeld het debat over het meerjarig financieel kader van start gaat, we die zodanig zullen moeten formuleren dat we middelen op de best mogelijke manier aan de gemeenschappelijke problemen van de Europese Unie kunnen besteden.

Mevrouw Ţicău en de heer Rübigs hebben beiden vragen gesteld in verband met de Donaustrategie. Staat u mij toe om daar ineens op te antwoorden. We hebben met grote voldoening vastgesteld dat commissaris Hahn begin februari in Hongarije de actieplannen heeft gepresenteerd. Er zijn dertien actieplannen, en wat betreft de vragen die u hier over de drinkwatervoorraad en de waterzuivering heeft gesteld, zijn er actieplannen ten aanzien van allerlei overstromingen en droogtes, en die worden elk door twee landen geleid. Naar mijn mening is dit een heel goede manier om ook de regionale samenwerkingsverbanden overeenkomstig de Donaustrategie te versterken, bovendien wordt eraan deelgenomen door acht EU-lidstaten en zes derde landen, en het is heel inspirerend dat we zo’n samenhangende strategie hebben waarmee we concrete stappen kunnen ondernemen in al deze kwesties. Er zijn weliswaar geen nieuwe middelen voor dit doel uitgetrokken, maar ik ben ervan overtuigd dat de bestaande projecten in dit kader gereorganiseerd kunnen worden en dat we door de grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden te versterken een veel doeltreffender eindresultaat kunnen bereiken dan als alle landen op eigen houtje pogingen zouden doen. Je kunt onmogelijk individuele acties ondernemen wanneer iedereen door dezelfde rivier wordt verbonden.

We kunnen natuurlijk altijd nog uitstekende plannen hebben als we deze niet uitvoeren, daarom hoop ik van ganser harte dat we ze nu nog tijdens het Hongaars voorzitterschap binnen de Raadsformaties kunnen bespreken. Wij hebben tenslotte op 31 januari het startschot gegeven in de Raad Algemene Zaken en houden goed in de gaten hoe het werk vordert. Het werk vordert goed, ook op het niveau van de werkgroepen, en tegen het eind van het Hongaars voorzitterschap zullen we de strategie in de Raad Algemene Zaken kunnen aannemen; de Europese Raad zal ons in dit verband kunnen ondersteunen, en daarna is het aan ons om ervoor te zorgen dat zij zo volledig mogelijk wordt uitgevoerd, van de waterzuivering tot en met het behoud van onze drinkwatervoorraad.

 
  
  

Vraag nr. 4 van Vilija Blinkevičiūtė (H-000016/11):

Betreft: Deelname van gehandicapten en de organisaties die hen vertegenwoordigen aan de besluitvorming betreffende gehandicapten

De Europese strategie inzake handicaps 2010-2020 die de Commissie bekend heeft gemaakt, zal gevolgen hebben voor zo'n 80 miljoen gehandicapten in de Europese Unie. De Commissie onderscheidt in deze strategie acht actieterreinen: toegankelijkheid, participatie, gelijkheid, werkgelegenheid, onderwijs en opleiding, sociale bescherming, gezondheid en externe actie. De EU-instellingen en de lidstaten wordt verzocht deze strategie gezamenlijk ten uitvoer te leggen. Volgens het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap moeten lidstaten die besluiten nemen inzake gehandicapten, nauw overleg plegen met de gehandicapten zelf en de organisaties die hen vertegenwoordigen en zorgen voor hun deelname aan de besluitvorming. Helaas is deze bepaling niet opgenomen in de nieuwe strategie inzake handicaps.

Heeft de Raad concrete maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat het beginsel in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap "geen besluit over gehandicapten zonder de gehandicapten zelf" wordt nageleefd? Wat denkt de Raad overigens van de oprichting van een handicapcomité (Disability Committee),dat verantwoording aflegt aan de Raad Werkgelegenheid, sociaal beleid, volksgezondheid en consumenten (EPSCO) en geleid wordt door het land dat het roulerende voorzitterschap van de Europese Unie bekleedt? Is de Raad niet van mening dat de Commissie en de lidstaten op die manier beter betrokken zouden worden bij de uitvoering van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap?

 
  
MPphoto
 

  Enikő Győri, fungerend voorzitter van de Raad. (HU) Mijnheer de Voorzitter, ik ben er ook mee ingenomen dat we nog tijd hebben kunnen vrijmaken voor deze kwestie. Het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap is een adequaat en effectief middel voor de bevordering en bescherming van de rechten van personen met een handicap in de Europese Unie, waaraan zowel de Gemeenschap als haar lidstaten grote betekenis toekennen. De Raad wil de geachte afgevaardigde erop wijzen al meermaals bevestigd te hebben dat als we willen voldoen aan de behoeften van personen met een handicap en we hun gelijkwaardige deelname aan de samenleving willen waarborgen, het belangrijk is hen te betrekken bij de vorming van de beslissingen en beleidsterreinen die op hen van toepassing zijn.

De Raad heeft er in zijn in 2008 en 2010 genomen besluiten constant op aangedrongen dat personen met een handicap en hun organisaties betrokken worden bij de beleidsvorming. We herinneren eraan dat de Raad tevens een richtlijn heeft aangenomen die een verbod op discriminatie op grond van handicap op de gebieden van arbeid en beroep uitspreekt. De vermelde richtlijn voorziet in het lidmaatschap van en deelname aan werknemers- en werkgeversorganisaties, en is kortom een concrete maatregel die door de Raad vastgesteld is om te garanderen dat personen met een handicap werkelijk kunnen deelnemen aan de besluitvorming.

De Commissie heeft ook een nieuwe gehandicaptenstrategie. Die is tot onze grote voldoening in het afgelopen najaar gepresenteerd en concentreert zich in eerste instantie op de uitvoering van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap. In verband met deze strategie wil het Hongaars voorzitterschap ontwerpconclusies aan de Raad voorleggen om te zorgen dat die nog in de slotfase van het Hongaars voorzitterschap, in juni, kunnen worden aangenomen. Betreffende de oprichting van een afzonderlijk handicapcomité heeft de Raad tot op heden geen voorstel ontvangen dat onder de loep kan worden genomen. In verband hiermee herinneren we eraan dat de Raad slechts op grond van een door de Commissie ingediend voorstel als wetgever kan optreden, en natuurlijk houden we altijd het Parlement in de gaten, maar zo werkt wetgeving in de EU.

 
  
MPphoto
 

  Vilija Blinkevičiūtė (S&D). - (LT) Mijnheer de Voorzitter, afgelopen januari heeft het Europees Gehandicaptenforum in het Europees Parlement een bijeenkomst georganiseerd. De vicevoorzitter van de Europese Commissie Viviane Reding heeft toen verklaard dat een aantal EU-lidstaten de richtlijn van de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid niet steunen. De antidiscriminatierichtlijn is nochtans een van de belangrijkste wetteksten op het vlak van mensenrechten, vooral voor de bescherming van de rechten van personen met een handicap. Is het huidige Hongaarse voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie van plan iets te doen aan de tenuitvoerlegging van deze richtlijn en welke concrete maatregelen wil het nemen opdat deze richtlijn toch nog kan worden goedgekeurd?

 
  
MPphoto
 

  Ádám Kósa (PPE).(HU) Minister, dank u wel voor uw antwoord. Ik wil de Raad aanmoedigen om aandacht te besteden aan het belang van de betrokkenheid van personen met een handicap. Dit is ook van invloed op het werk van het Parlement ten aanzien van de vraag in hoeverre de leden kunnen bijdragen aan dit proces, aangezien wij om zo te zeggen het volk vertegenwoordigen. Ik wil het voorzitterschap ermee feliciteren dat de trojka de gehandicaptenkwestie al die tijd op hoog niveau heeft aangepakt. Mijn vraag is of de volgende voorzitterschappen eveneens van plan zijn om de gehandicaptenkwestie op hetzelfde hoge niveau aan te pakken.

 
  
MPphoto
 

  Enikő Győri, fungerend voorzitter van de Raad. (HU) Dank u wel voor de aanvullende vragen. Wat betreft de eerste vraag van mevrouw Blinkevičiūtė betreffende de ontwikkelingen met betrekking tot de antidiscriminatierichtlijn zou ik tegen u kunnen zeggen: "dat lossen we wel even op", want dat zou geen moeite zijn, maar dat zal ik niet doen. We weten allemaal hoe pijnlijk traag in de afgelopen drie jaar vooruitgang is geboekt met betrekking tot deze ontwerpwetgeving. Wij streven natuurlijk ook naar vooruitgang. Om die te kunnen realiseren en geloofwaardig te blijven, proberen we ons juist te concentreren op het deel van de richtlijn dat gehandicapten betreft. We zijn daarom van plan om de gehandicaptenproblematiek in twee ronden te bespreken en vertrouwen erop dat we de lidstaten ertoe kunnen bewegen ten minste in dat opzicht vooruitgang te boeken. We schieten dus niet in het wilde weg, maar willen de aandacht graag geconcentreerd op deze kwestie richten.

Ik moet zeggen dat dit heel moeilijk is. De lidstaten beroepen zich vaak op financiële kwesties en financiële moeilijkheden. Ook in mijn eigen land heeft de vorige regering uitstel moeten vragen om het EU- en binnenlands beleid te kunnen uitvoeren, bijvoorbeeld op het gebied van toegankelijkheid, en dat is in tijden van crisis en bezuinigingen moeilijk voor de lidstaten. Maar zeker nu we ons verbonden hebben tot een voorzitterschap waarin de mens centraal staat ben ik van mening dat we wel degelijk vooruitgang moeten boeken in deze buitengewoon belangrijke kwestie, want zoals de heer Kósa steeds zegt gaat dit niet alleen personen met een handicap aan, maar ook heel veel anderen, van jonge moeders tot en met ouderen, veel meer mensen dan degenen die we personen met een handicap noemen; het is dus wel degelijk de verantwoordelijkheid van de Raad om in dezen vooruitgang te boeken.

De heer Kósa vroeg hoe we het Parlement beter kunnen betrekken of hoe er samengewerkt kan worden. Naar mijn mening verricht de heer Kósa als voorzitter van de Werkgroep gehandicapten uitstekend werk en onderhoudt hij heel goede contacten, niet alleen met de Raad en het fungerend voorzitterschap, maar ook met de Commissie. En zoals we bij talrijke kwesties zien: als het Parlement een leidende rol speelt, en ik ben ervan overtuigd dat het Parlement dat doet ten aanzien van de gehandicaptenkwestie, kunnen de Commissie en de Raad niets anders doen dan zijn voorbeeld te volgen. Dus kan de gehandicaptenkwestie wel degelijk in de voorstellen van de Commissie worden verwerkt, waarna deze bij de Raad worden ingediend. Als we denken aan de Romastrategie, dan maakt het voorstel van mevrouw Livia Járóka dat afgelopen maandag in de commissie LIBE is aangenomen grote kans om in het voorstel van de Commissie te worden verwerkt en vervolgens in die vorm bij de Raad te worden ingediend. Ik zou deze koers daarom willen aanraden, en ik zou graag zien dat deze uitstekende samenwerking werd voortgezet.

(EN) We zullen schriftelijke antwoorden versturen op de vragen waaraan we niet zijn toegekomen.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. − Dat is juist, maar ik geef de heer Chountis toch nog de mogelijkheid iets toe te voegen ten aanzien van dit punt.

 
  
MPphoto
 

  Nikolaos Chountis (GUE/NGL). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, ik wil niet dat er gedebatteerd wordt over de vraag die ik heb ingediend. Ik waardeer de moeite die u doet, maar ik wil niet dat de volgorde wordt veranderd.

Ik heb slechts één opmerking, die niet op de Voorzitter in het bijzonder slaat, en ik zal het kort houden. Ik wil zeggen dat het door ons probleem met de parlementaire controle – u weet heel goed dat wij dat hebben – drie keer voorgekomen is dat wij in de plenaire vergadering geen vragen aan de Raad hadden; de procedures aan het einde hebben tot gevolg dat er niet voldoende tijd overblijft. Ik vraag u daarom om in het Bureau te bespreken hoe deze tijd bewaakt kan worden.

Ik dank u hartelijk voor uw moeite. Ik wil niet dat we de tijd overschrijden en ook niet dat er over mijn eigen vraag gedebatteerd wordt. Ik dank de minister, die al klaarstond.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. − Mijnheer Chountis, ik heb kennis genomen van uw klacht, die ik volledig ondersteun.

Besluiten over de tijdstippen of inhoud van de debatten en over de spreektijd worden echter niet genomen door het Bureau maar door de Conferentie van voorzitters, die vreemd genoeg altijd probeert de agenda zo vol mogelijk te proppen. Het zijn de leden van het Bureau, onder wie ikzelf, die de hierdoor ontstane problemen moeten oplossen en de troep op moeten ruimen.

Mijn excuses aan iedereen die niet het woord heeft gekregen. Zoals mevrouw Győri terecht opmerkte, wordt op alle vragen die ze vanavond niet heeft kunnen beantwoorden – de vragen waar ze wel aan toe kwam, heeft ze overigens zeer kundig beantwoord – een schriftelijk antwoord gegeven.

Vragen die door gebrek aan tijd niet aan bod gekomen zijn, zullen schriftelijk worden beantwoord (zie bijlage).

Het vragenuur is gesloten.

 
Laatst bijgewerkt op: 19 juli 2011Juridische mededeling