Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Debatten
Waarschuwing
Donderdag 17 februari 2011 - StraatsburgUitgave PB
BIJLAGE (Schriftelijke antwoorden) - VRAGEN AAN DE COMMISSIE

Vraag nr. 45 van Bendt Bendtsen (H-000054/11 )  
 Betreft: EU-mededingingsrecht en overheidsopdrachten in de EU
H-000054/11
 

Bepaalde ondernemingen uit derde landen hebben overheidsopdrachten in de EU binnengehaald, omdat zij in hun land van herkomst grote bedragen aan steun ontvangen, waardoor zij in staat zijn hun prijzen aanzienlijk te laten zakken. Dit ten koste van hun concurrenten.

Kan de Commissie aangeven of zij het juist vindt dat ondernemingen concurreren op basis van de grootte van de staatskas?

Is het acceptabel dat ondernemingen staatssteun ontvangen om de toegang tot de nationale of regionale markt te vergemakkelijken, of zelfs om een concreet project binnen te halen?

Is het acceptabel dat ondernemingen gedurende langere tijd of zelfs permanent een onevenredig groot bedrag aan staatssteun ontvangen?

Welke EU-bepalingen van mededingingsrecht kunnen worden ingezet om dergelijke toestanden aan te pakken? Welke van deze bepalingen zijn al eens toegepast? Is het nodig om het bestaande regelgevingskader aan te passen?

Ingediend: 1.2.2011

 
  
 

(EN) De EU-mededingingsregels op grond van het EU-Verdrag zijn niet van toepassing op subsidies die door buitenlandse staten (van buiten de EU) zijn verstrekt; dat geldt in het bijzonder voor de regels voor staatssteun.

Zoals echter uiteengezet in het recente beleidsdocument over handel, groei en wereldvraagstukken(1) heeft de EU een strategisch belang bij de ontwikkeling van internationale regels om te zorgen dat Europese ondernemingen in derde landen niet te lijden hebben onder oneerlijke subsidiëring van plaatselijke ondernemingen of onder concurrentieverstorende praktijken.

De EU probeert deze kwestie dan ook actief op internationaal niveau aan te pakken, mede door de ontwikkeling van meer ambitieuze internationale regels over subsidies, met name in het kader van de Doha-onderhandelingsronde van de Wereldhandelsorganisatie (WTO). De Commissie volgt ook nauwlettend de evaluatie van de transparantieregels in de relevante organen van de WTO. Daarnaast worden die subsidies actief aangepakt op bilateraal niveau bij de onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten.

Wat een mogelijke schending van de handelsregels op subsidiegebeid betreft, kan de Commissie op basis van formele klachten van de relevante Europese sectoren, onderzoeken in gang zetten naar subsidies die buiten de EU zijn verstrekt. Waar nodig kunnen handelsbeschermende maatregelen worden genomen, zoals invoerbeperkingen, ter compensatie van de schadelijke effecten van die subsidies voor de Europese industrie.

Met betrekking tot bedrijven die afkomstig zijn uit derde landen die partij zijn bij de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (GPA) van de WTO, heeft de EU wat die overheidsopdrachten betreft, voor bepaalde landen uitzonderingen toegestaan voor de toegang tot een aantal Europese aanbestedingsmarkten. Het bleek namelijk niet mogelijk om op bepaalde gebieden een wederzijdse toegang voor Europese bedrijven tot die derde landen te waarborgen. De uitzonderingen die door de EU uit hoofde van de GPA worden gehanteerd, vormen een essentieel aspect van de EU-strategie voor de lopende onderhandelingen over de toegang tot de markten en vloeien voort uit wezenlijke offensieve belangen van de EU.

Bedrijven uit landen die geen partij zijn bij de GPA en waarmee de EU geen andere overeenkomst heeft gesloten met bepalingen over de toegang tot de Europese aanbestedingsmarkten, hebben geen rechtmatige toegang tot die markten. De Europese aanbestedende instanties zijn echter juridisch gezien niet verplicht om dergelijke bedrijven de toegang tot bepaalde aanbestedingsprocedures te ontzeggen.

In de EU-regelgeving (Richtlijn 2004/18/EG(2) en Richtlijn 2004/17/EG(3) ) is vastgelegd dat aanbestedende EU-instanties van inschrijvers uit derde landen kunnen verlangen dat zij abnormaal lage biedingen rechtvaardigen. Indien de betreffende inschrijvers niet kunnen aantonen dat de staatssteun die verantwoordelijk is voor het prijsverschil, rechtmatig is verleend, mogen dergelijke abnormaal lage inschrijvingen afgewezen worden.

 
 

(1) Handel, groei en wereldvraagstukken. Handelsbeleid als kernelement van de Europa 2020-strategie (doc. COM (2010) 612).
(2) Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten, PB L 134 van 30.4.2004.
(3) Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten, PB L 134 van 30.4.2004.

 
Laatst bijgewerkt op: 19 juli 2011Juridische mededeling