De Voorzitter. – Aan de orde is de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid: Zestiende zitting van de Mensenrechtenraad (Genève, 28 februari - 25 maart 2011).
Catherine Ashton, vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, het verheugt mij dat we vanmiddag ook de kans hebben om over het werk van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties te debatteren en in zekere zin te kijken hoe we het algehele effect van deze raad kunnen vergroten.
Zoals de geachte afgevaardigden wellicht weten, heb ik de Mensenrechtenraad vorige week toegesproken, samen met een groot aantal ministers van Buitenlandse Zaken vanuit de hele wereld. Om voor de hand liggende redenen stond de situatie in Libië bij die gelegenheid centraal in onze discussies.
Het doet mij genoegen dat de internationale gemeenschap een krachtig, ondubbelzinnig politiek signaal met betrekking tot de aanhoudende schendingen van de mensenrechten in Libië heeft afgegeven. Al voor de bijeenkomst op hoog niveau had de raad om een onderzoek gevraagd en aanbevolen om het lidmaatschap van Libië op te schorten – wat, zoals u weet, later door de Algemene Vergadering met eenparigheid van stemmen is bekrachtigd.
Dat is allemaal bewijs dat multilaterale instellingen in staat zijn hun mandaat te vervullen en kunnen handelen in wat wij realtime noemen. Zoals ik ook daar heb benadrukt, heeft de VN-Mensenrechtenraad een verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat verklaarde intenties worden vertaald in echte acties en echte vooruitgang. Ik denk dat mevrouw Pillay, de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN, die ik in Genève heb ontmoet, politiek gezien precies de goede richting aangeeft om daadwerkelijk een verschil te maken. Uiteindelijk gaat het niet om het aantal resoluties dat we aannemen, maar om resultaten in de echte wereld die een verschil maken voor mensen in nood.
Ook heb ik benadrukt dat de mensenrechten universeel zijn. Ik heb erop gewezen dat wij in Europa de beschuldiging dat de EU op een of andere manier zogeheten Europese waarden naar andere landen probeert te 'exporteren' ver van ons werpen. Het recht op vrije meningsuiting, het recht van vergadering en het recht op rechtvaardigheid en gelijkheid zijn geen Europese rechten: dat zijn universele rechten. We mogen nooit in de val trappen om te denken dat mensen in andere delen van de wereld – of dat nu Afrika, Azië of Latijns-Amerika is – minder gepassioneerd zijn over hun rechten. Daarom spreken we ons uit en treden we op tegen mensenrechtenschendingen, ongeacht waar ze plaatsvinden.
We erkennen ook dat de weg die Europa zelf naar bescherming van de mensenrechten heeft gevolgd geen rechte lijn is geweest en dat ook binnen Europa voortdurende inspanningen nodig zijn. We zijn bereid om in de Mensenrechtenraad over onze eigen uitdagingen te discussiëren, ervaringen te delen en overal ter wereld ondersteuning te geven aan iedereen die werkt aan een betere eerbiediging van mensenrechten.
We hebben diverse prioriteiten voor de zestiende zitting van de Mensenrechtenraad en die hebben we actief besproken met onze partners.
De EU zal een initiatief voor de vrijheid van godsdienst of overtuiging presenteren. We zijn de afgelopen maanden geconfronteerd met een groeiend aantal gevallen van discriminatie om religieuze redenen en geweld in verschillende delen van de wereld, en daarom moeten we een krachtig, collectief signaal afgeven tegen religieuze intolerantie en vóór de vrijheid van godsdienst of overtuiging, voor alle mensen, overal.
Ook zullen we resoluties over Birma/Myanmar en de Democratische Volksrepubliek Korea indienen. We zijn van mening dat in beide gevallen de ernst van en het aantal mensenrechtenschendingen het rechtvaardigen dat de mandaten van de respectieve speciale rapporteurs van de VN worden verlengd.
De EU steunt ook het initiatief om een speciale rapporteur in te stellen voor de mensenrechtensituatie in Iran, zoals verschillende landen en regio's hebben voorgesteld. We maken ons ernstig zorgen over de verslechtering van de mensenrechtensituatie in Iran. Hier is ook op gewezen door de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN, mevrouw Pillay. Een grote zorg is de dramatische toename van het aantal gevallen dat de doodstraf wordt voltrokken – tot dusver al meer dan honderd keer dit jaar – en de onderdrukking van personen die hun recht op vrijheid van meningsuiting en van vergadering uitoefenen.
We zijn van mening dat de Mensenrechtenraad de situatie in Egypte op een passende manier tegemoet moet treden, rekening houdend met de snelle ontwikkelingen in dat land. De EU verwelkomt de uitnodiging van Egypte aan mevrouw Pillay om leden van haar bureau naar het land te sturen. We hopen dat deze missie onverwijld zal worden uitgezonden.
De EU is ook in gesprek met de Tunesische autoriteiten over het indienen van een gezamenlijke ontwerpresolutie over het opvoeren van de technische bijstand van de VN op het gebied van mensenrechten in de context van de lopende transitie.
Andere belangrijke situaties die tijdens deze zitting van de Mensenrechtenraad aandacht verdienen zijn die in Wit-Rusland, waar het aantal politieke gevangenen ons grote zorgen baart, de Democratische Republiek Congo – waar verontrustende meldingen van aanhoudende mensenrechtenschendingen vandaan komen, met name van wijdverspreid seksueel geweld – en Ivoorkust.
Ik wil afsluiten door nogmaals het belang van de Mensenrechtenraad voor de EU te benadrukken: de debatten, de resoluties en de rapporteurs. Maar uiteindelijk is dat slechts input. Wat werkelijk telt is de output. De echte test is of we in de praktijk een verschil kunnen maken. Daarom zal de EU hard werken aan de versterking van de Mensenrechtenraad, en in het bijzonder aan het vermogen van de raad om snel actie te ondernemen in noodsituaties. Dit is een essentiële doelstelling van het lopende herzieningsproces. We zullen ons blijven inzetten voor een ambitieus resultaat.
Laima Liucija Andrikienė, namens de PPE-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil van deze gelegenheid gebruikmaken om te verklaren dat ik het besluit van de Algemene Vergadering van de VN van 1 maart om het Libische lidmaatschap van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties op te schorten volledig steun. Ik denk dat dit een krachtig signaal is, niet alleen aan kolonel Khadafi en zijn regime, maar ook aan alle landen in de wereld waar mensenrechtenschendingen aan de orde van de dag en wijdverspreid zijn.
In mijn verslag over de VN-Mensenrechtenraad en de rol van de EU daarin dat dit Huis in februari 2009 heeft aangenomen, heb ik sterk gepleit voor de invoering van criteria voor het lidmaatschap van dit belangrijke VN-orgaan.
In het geval van Libië heeft de Algemene Vergadering van de VN in overeenstemming met de resolutie van het Europees Parlement gehandeld en tijdig een correct besluit genomen.
Met betrekking tot de zestiende zitting wil ik speciale aandacht vragen voor de herziening van de raad. Het is belangrijk dat de EU-lidstaten en de Europese Dienst voor extern optreden zich actief inzetten in het herzieningsproces dat voor 2011 gepland staat om de raad beter in staat te stellen om zijn mandaat te vervullen.
De Mensenrechtenraad moet meer een mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing en preventie worden. Daarnaast is er behoefte aan een transparant en alomvattend herzieningsproces, waarbij ook ngo's, het maatschappelijk middenveld en relevante belanghebbende partijen worden betrokken.
Niet in de laatste plaats wil ik de oprichting van het directoraat voor mensenrechten en democratie binnen de Europese Dienst voor extern optreden verwelkomen. De oprichting van de Europese Dienst voor externe actie geeft ons ook een unieke kans om onze acties in het kader van de bescherming van de mensenrechten in de Mensenrechtenraad te stroomlijnen.
Ik wil de hoge vertegenwoordiger aanmoedigen ervoor te zorgen dat de Europese inspanningen in de Mensenrechtenraad goed worden gecoördineerd en dat de EU-lidstaten die lid van dit orgaan zijn verenigder en effectiever optreden dan ooit tevoren.
Richard Howitt, namens de S&D-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik zal beginnen met het verwelkomen van de benoeming gisteren van Mariangela Zappia tot hoofd van de delegatie in Genève. Haar benoeming draagt bij aan de gendergelijkheid binnen de Europese Dienst voor extern optreden. We zien ernaar uit om met haar samen te werken.
Ons Parlement zal aanwezig zijn op een cruciaal moment voor de herziening van de Mensenrechtenraad, als het mondiale steunpunt voor de eerbiediging van de mensenrechten, voor de universele periodieke evaluatie van alle VN-leden, voor de onafhankelijkheid van hun deskundigen en de zogeheten speciale procedures, en voor de versterkte rol van het maatschappelijk middenveld. Dat zijn essentiële kenmerken van de raad die we ten koste van alles moeten beschermen.
Ik betreur dat in het slotdocument van de werkgroep voor de herziening geen enkele onafhankelijke aanleiding voor het bijeenroepen van bijzondere zittingen wordt genoemd, dat de lidstaten verzuim om op aanbevelingen te reageren niet verplicht hoeven te rechtvaardigen en dat er geen enkele bepaling is opgenomen om specifieke situaties van landen aan te pakken. Het is ironisch dat tijdens deze zitting zeven individuele situaties van landen zullen worden besproken. Zoals ze dat ook doet ten aanzien van Libië en Ivoorkust, moet de EU blijven zoeken naar creatieve manieren binnen de bestaande regels om ervoor te zorgen dat schenders van mensenrechten nooit aan het afleggen van verantwoording kunnen ontsnappen.
Mag ik, om in dit debat te laten zien dat de hoge vertegenwoordiger antwoord geeft op vragen, drie vragen stellen? Ten eerste: gegeven wat ze zojuist zei over de Democratische Republiek Congo, zullen de Europeanen de benoeming van een speciale mandaathouder voor dat land steunen? Ten tweede: aanvaardt zij dat op een zeker moment een oordeel zal moeten worden geveld over de vraag of de Palestijnse en Israëlische onderzoeken in verband met het rapport-Goldstone aan de internationale normen voldoen, waarbij misschien moet worden overwogen om de zaak naar het Internationaal Strafhof te verwijzen als dat niet het geval blijkt? Ten derde: zal de EU bezwaar aantekenen tegen het voorbehoud van Pakistan tegen artikel 40 – de verplichting om te rapporteren – van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten?
Concluderend ben ik van mening dat de opschorting van het lidmaatschap van de Mensenrechtenraad van Libië een historisch precedent schept voor de eerbiediging van de mensenrechten in het VN-systeem, dat in deze donkere tijden een streepje licht laat schijnen.
Marietje Schaake, namens de ALDE-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, de Mensenrechtenraad van de VN heeft het potentieel om de steeds uitgebreidere en dringender om actie vragende mensenrechtenschendingen in landen overal ter wereld – Iran, Wit-Rusland, Birma, Tunesië, Libië, enzovoort, het zijn er te veel om op te noemen – aan te pakken, maar ook horizontale thema's als de rechten van homo-, bi- en transseksuelen, vrije meningsuiting, verkrachting als oorlogsmisdaad en de rol van verdedigers van de mensenrechten.
In een bepaald opzicht bevindt de VN-Mensenrechtenraad zich in een positie vergelijkbaar met die van de EU. De raad moet als een mondiale speler optreden. Maar beide organen lijden aan dezelfde kwaal – een gebrek aan geloofwaardigheid. Ze meten soms met twee maten en ze kunnen niet snel genoeg handelen. De EU is tot nu toe niet bereid geweest om haar eigen prestaties op het gebied van de mensenrechten voldoende te onderzoeken, bijvoorbeeld haar deelname aan de illegale CIA-vluchten en het gebrek aan persvrijheid in enkele van onze lidstaten.
Tot vorige week was Libië lid van de VN-Mensenrechtenraad. Het is daar terecht uit verwijderd. Dit is een zeer belangrijk precedent.
Heidi Hautala, namens de Verts/ALE-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, met hun doortastende en tijdige optreden tegen Libië hebben de EU en de Mensenrechtenraad laten zien dat ze actie kunnen ondernemen wanneer dat nodig is. Ze blijken daartoe in staat. Ze hebben laten zien dat verschillende regionale groepen samen kunnen optreden en ze hebben laten zien dat de raad niet verdeeld hoeft te zijn.
Er is nu geen enkele reden meer waarom Iran, Noord-Korea, de Democratische Republiek Congo, Birma en Soedan niet de volgende landen kunnen zijn waartegen de raad actie onderneemt.
Deze keer is de actie ook belangrijk om een andere reden. Een eerste alomvattende herziening van de werkmethoden van de raad is nu voltooid, en net als mijn collega's vind ik het feit dat de raad het belang van de herziening niet heeft erkend teleurstellend.
De EU heeft zich goed voorbereid, maar is er niet in geslaagd om de steun van anderen te verwerven. Maar de onafhankelijkheid van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten en van de speciale procedure is in elk geval niet aangetast, en dat is in de huidige omstandigheden al een resultaat.
In toekomstige discussies over het werk van de raad moet de Europese Unie allianties vormen met en de hand uitsteken naar andere partners. Ook moet de EU bereid zijn te luisteren en compromissen te sluiten. De bijdrage van de hoge vertegenwoordiger in de vergadering van een paar weken geleden was wat mij betreft bijzonder welkom. Hoge vertegenwoordiger, ik dank u voor het zetten van deze stap en voor de bijzonder indrukwekkende presentatie die u hier hebt gegeven.
Mijn laatste punt betreft het functioneren van de EU. Na de oprichting van een directoraat voor de mensenrechten en democratie binnen de Europese Dienst voor extern optreden zal de EU-delegatie in Genève een centrale rol in het mensenrechtenbeleid van de EU in de wereld krijgen. Daarvoor moeten meer middelen worden uitgetrokken, en het werk van de delegatie moet worden geïntegreerd in alle terreinen van het buitenlands beleid van de EU.
Het is voor mij een grote eer om volgende week, in deze cruciale tijd, tijdens de zestiende zitting van de Mensenrechtenraad de delegatie van het Parlement te leiden.
Willy Meyer, namens de GUE/NGL-Fractie. – (ES) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw Ashton, u begon uw werk in een ontregelde wereld, een wereld die in een financiële, voedsel-, en energiecrisis verkeert als gevolg van pogingen om de markt te reguleren. De waarheid is dat u nu een groot probleem heeft juist vanwege deze onderliggende benadering waarin een ongereguleerde vrije markt ons leven structureert. Dit heeft geleid tot een ernstig probleem voor de mensenrechten, zowel in de ontwikkelde als in de ontwikkelingslanden. Dat is nu ons probleem, een probleem dat we nog niet opgelost hebben, en er zijn nog geen tekenen van een heroverweging van het economisch beleid, dat de gehele mensheid naar een doodlopende weg leidt.
Ik denk dat we dit probleem moeten oplossen en dat dit voorrang heeft, gevolgd door het probleem van de instrumentalisering van de mensenrechten door de Europese Unie, en het probleem van ons buitenlands en nabuurschapsbeleid dat in het licht van opstanden in het noorden van Afrika een grondige heroverweging waard is.
We hebben de indruk gewekt – in het buitenlands beleid dat u geërfd heeft – dat we ons meer bekommeren om de vrije handel dan om de mensenrechten. Wij hebben nooit artikel 2 toegepast van de verenigingsovereenkomsten, noch met betrekking tot Tunesië, noch tot Egypte, noch in de verenigingsovereenkomst die we wilden sluiten met kolonel Khadafi, premier Netanyahu of koning Mohammed VI. Dat artikel is nooit nageleefd. Het lijkt wel alsof de verplichting tot de strikte naleving van de mensenrechten die in de verenigingsovereenkomsten is vastgelegd, ons niet interesseert. Deze kwestie moet nog steeds opgelost worden en ik hoop dat we in het Parlement en in de Europese Unie daar ooit een keer in slagen.
Nikolaos Salavrakos, namens de EFD-Fractie. – (EL) Mijnheer de Voorzitter, commissaris Ashton, ik wil niet zeggen dat wij, mensen, hypocriet zijn, maar we zijn wel tegenstrijdig. Heel de wereldfilosofie, heel de literatuur, alle geleerden en wij allen hier in deze zaal erkennen de mensenrechten, en zoals u ook zei, worden deze mensenrechten in de helft van de ledenlanden van de VN geschonden. Veel geschreeuw maar weinig wol! Wij weten dat de grootste misdaden in de geschiedenis van de mensheid zijn gepleegd in naam van grote ideeën.
Daarom verwelkom ik de zestiende zitting van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties in Genève en hoop dat, gelet op het tijdstip waarop deze plaatsvindt en de lessen die wij dankzij onze ervaringen hebben geleerd, er substantiële beslissingen zullen worden genomen. Ik heb in mijn veertig jaar ervaring als advocaat kunnen vaststellen dat eerbiediging van de mensenrechten voortkomt uit een levenshouding – en ik geloof daar in – en niet zo maar kan worden afgedwongen. Daarom vraag ik u om een effectiever beleid te voeren ten aanzien van dit vraagstuk.
Inese Vaidere (PPE). – (LV) Mijnheer de Voorzitter, de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties is een uniek internationaal podium, dat is opgericht om de mensenrechten en de democratie in de wereld te propageren. Zijn werkprogramma is moeilijk en buitengewoon belangrijk. Er zijn vele goede dingen bereikt, waaronder het sturen van een speciale missie naar Egypte en het besluit over Libië. Maar de raad kan vaak van een gebrek aan politieke gestrengheid, proactieve maatregelen en een snelle reactie worden beschuldigd. Het is juist om deze reden zeer belangrijk dat er om te beginnen een objectieve en transparante evaluatie wordt gehouden van het werk van de raad. De raad moet zijn werkwijze verbeteren om zo effectief aan langetermijnproblemen te kunnen werken, zoals die welke we zien in Iran, Wit-Rusland en elders, en ook om snel te kunnen reageren op buitengewone situaties, zoals...
(Spreekster wordt door de Voorzitter onderbroken)
… een actieve dialoog tussen de leden van de raad zou ook tussen de zittingen moeten worden nagestreefd. De politiek van landenblokken, die het werken van de raad begint te overheersen, moet worden uitgebannen, omdat het tot een selectief onderzoeken van kwesties leidt en zijn gezag en politieke betrouwbaarheid ondermijnt. Ten tweede moet de raad een actievere dialoog voeren met het maatschappelijk middenveld en niet-gouvernementele organisaties. Ten derde zou ik de noodzaak van een actievere rol van de Europese Unie in de Mensenrechtenraad willen benadrukken, waarin wij een gemeenschappelijk standpunt zouden moeten innemen. Dat is precies de reden waarom ik een beroep doe op de hoge vertegenwoordiger om ervoor te zorgen dat wij een duidelijke en machtige vertegenwoordiging hebben en ons werk in de raad onderling afstemmen. De Europese Dienst voor extern optreden moet op zijn beurt regelmatig verslagen presenteren over, en een evaluatie geven van het werk van de raad aan het Parlement, met inbegrip van de Subcommissie mensenrechten. Een grote uitdaging waarvoor de Mensenrechtenraad momenteel staat is het stimuleren van een vreedzaam proces van democratische verandering in het Midden-Oosten. De raad moet proberen te voorkomen dat het radicalisme zich verspreidt, hetgeen de mensenrechtensituatie in die regio nog slechter zou maken en een bedreiging van de internationale veiligheid en ook van het bestaansrecht van Israël is. Daarom moet de Egyptemissie worden gevolgd door nieuwe missies naar andere landen in het Midden-Oosten, waar de protesten nog feller zijn geweest en de politieke situatie nog ingewikkelder is.
Dank u.
Jörg Leichtfried (S&D). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, barones Ashton, dames en heren, mensenrechten, vrijheid en gelijkheid zijn voor ons te belangrijk om toe te laten dat ermee gesold wordt, dat zij worden afgewogen tegen politieke belangen of dat handelsbelangen meer tellen dan deze belangrijke waarden. We moeten ons volledig voor deze waarden inzetten en het is van essentieel belang dat de internationale gemeenschap snel, doelgericht en doeltreffend te hulp schiet als het om mensenrechtenkwesties gaat.
De Mensenrechtenraad is in dezen op de goede weg. We hebben gezien dat de missie in Tunesië zinvol was, evenals die in Egypte. Het feit dat Libië zijn zetel in de Mensenrechtenraad heeft verloren, was een goed en belangrijk signaal waarmee duidelijk werd gemaakt dat er grenzen zijn. Maar het is ook zo dat missies, resoluties en andere dingen die in dit verband worden besloten, in het veld moeten aankomen. U heeft gelijk, mevrouw de hoge vertegenwoordiger, het volstaat niet om besluiten te nemen, we moeten er ook voor zorgen dat die besluiten ten uitvoer worden gebracht. De Europese Unie zou hiertoe nog een grotere bijdrage kunnen leveren.
De Verenigde Naties moeten echter ook aanvaarden dat de situatie in de Europese Unie sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon is gewijzigd. Ik wil u verzoeken, mevrouw de hoge vertegenwoordiger, om ervoor te zorgen dat met name diegenen die altijd hebben beweerd onze vrienden te zijn, en met wie wij – vooral ook op het gebied van het handelsbeleid – in grote mate rekening houden, in de toekomst bedenken dat zij onze vrienden zijn en de Europese Unie niet zoals bij de stemming in september in de steek laten.
Charles Goerens (ALDE). – (FR) Mijnheer de Voorzitter, in dit debat zullen we wederom benadrukken hoe belangrijk het is om…
(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)
sociale, culturele, constitutionele en politieke rechten op gelijke voet te behandelen. Prima. Het is in de praktijk helaas niet zo eenvoudig om volledig aan deze eis te voldoen – hoe legitiem deze ook moge zijn. Waarom zijn we niet in staat om tweede generatie mensenrechten even bindend te maken als eerste generatie mensenrechten? Omdat traditionele mensenrechten – die zijn voortgebracht door de Franse revolutie – inmiddels naar behoren zijn gecodificeerd, wat helaas niet het geval is voor sociale rechten, om maar een voorbeeld te noemen. We moeten echter niet bij de pakken neer gaan zitten. Met haar instrumentarium kan de Europese Unie al haar gewicht in de schaal leggen, met name bij de Verenigde Naties, om teksten met betrekking tot rechten die nog niet naar behoren zijn gecodificeerd, en in het bijzonder sociale rechten, bij te schaven. Ik wil daaraan toevoegen dat door toedoen van ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp, deze eis iets minder illusoir wordt.
Marek Henryk Migalski (ECR). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw Ashton, ik moet bekennen dat ik er geen groot voorstander van was dat u de vooraanstaande positie zou krijgen die u vandaag de dag bekleedt, maar ik moet toegeven dat ik vandaag blij verrast ben met ten minste drie dingen die u in uw toespraak genoemd hebt. Ik wil dit benadrukken en u hiervoor prijzen. Ten eerste benadrukte u de universaliteit van mensenrechten. Ik ben het er helemaal mee eens dat, ongeacht waar wij ons bevinden – in Straatsburg, Libië, Rusland of Iran – deze universaliteit volledig gerespecteerd moet worden. Het doet mij veel plezier dat wij op dezelfde golflengte zitten. Het tweede is dat u religieuze onverdraagzaamheid, of beter nog de strijd daartegen, benadrukte. In de resolutie van het Europees Parlement worden de vertegenwoordigers van de lidstaten inderdaad verzocht hieraan aandacht te besteden. Het doet mij veel deugd dat u dit benadrukt hebt. De derde kwestie waarmee ik blij ben als lid van de delegatie voor de betrekkingen met Wit-Rusland is dat u de mogelijkheid benadrukte van interventie in zaken met betrekking tot Wit-Rusland, waar fundamentele mensenrechten geschonden worden. Er is een kans dat er een regionale raad zal worden ingesteld. Het doet mij veel genoegen dat u dit steunt omdat het iets is wat wij echt moeten doen. Dank u wel.
Gay Mitchell (PPE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik verwelkom deze kans om aan het debat deel te nemen en ik kan meteen al zeggen dat ik waardering heb voor het feit dat de hoge vertegenwoordiger gisteren een briefing over Libië heeft georganiseerd.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn hier in Europa zes miljoen joden vermoord. Tussen de twee wereldoorlogen in – de eerste Wereldoorlog en de Tweede Wereldoorlog – zijn zestig miljoen Europeanen vermoord, en dan hebben we het nog niet eens over alle mensen uit andere delen van de wereld die zijn omgekomen.
Volgens een recente uitgave van The Economist is er een tekort van honderd miljoen vrouwen als gevolg van het aantal abortussen van meisjes. Dat is niet omdat het leven van de vrouwen in gevaar was, of omdat ze ergens in een achterafstraatje abortus moesten laten plegen, maar omdat het om meisjes ging.
Gisteren was het Internationale Vrouwendag. Dat is hier niet ter sprake gebracht. Wanneer gooien we die politieke correctheid eens overboord, zodat we hier respectvolle debatten kunnen houden, zodat we niet een andere kant op hoeven te kijken, zoals in de eerste helft van de vorige eeuw gebeurde, zodat we deze problemen hier aan de orde kunnen stellen, zodat we kunnen vragen waarom dit gebeurt?
Dit Huis heeft zichzelf te schande gemaakt. Het heeft een amendement om infanticide niet te financieren, om gedwongen abortussen niet te financieren, weggestemd. Hoe is het in godsnaam mogelijk dat we dit hebben weggestemd? Ik verafschuw die politieke correctheid, die een respectvol debat over belangrijke kwesties in dit Huis, waarbij verschillende visies uiteengezet worden, onmogelijk maakt.
Ik wil van de hoge vertegenwoordiger weten of ze dit bij de VN aan de orde gaat stellen.
Tot slot wil ik zeggen dat ik de houding en sommige besluiten van het Europees Hof voor de rechten van de mens hier in Straatsburg, dat geen instelling van de Europese Unie is, absoluut opmerkelijk vind.
Wanneer zullen we hierover kunnen debatteren? Waarom waren er gisteren geen vrouwen die vragen stelden over de ontbrekende honderd miljoen vrouwen, van wie het leven is beëindigd omdat ze meisjes waren? Het is verkeerd, en over deze kwestie zou het Huis niet verdeeld moeten zijn.
(Spreker verklaart zich bereid een "blauwe kaart"-vraag krachtens artikel 149, lid 8 van het Reglement te beantwoorden)
Véronique De Keyser (S&D). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, tijdens de dag van de vrouw is het u wellicht ontgaan dat in het verslag van uw fractielid, mevrouw Nedelcheva, het abortusvraagstuk geen taboe was. Het is aan de orde gesteld, en er is democratisch over gedebatteerd en gestemd. Het is geen taboe; dit is een democratie.
Gay Mitchell (PPE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ken het standpunt van mevrouw De Keyser hierover en ik heb respect voor dat standpunt, wat meer is dan ik van haar heb gekregen met betrekking tot mijn standpunt.
We moeten in dit Huis een respectvol debat kunnen voeren, waarbij mensen naar elkaars opvatting luisteren en we vervolgens conclusies trekken. Ik heb niemand van de socialisten of liberalen in dit Huis het probleem van de gendergerelateerde abortussen horen aankaarten. En niet alleen hebben ze het niet aangekaart, maar ze hebben zelfs een aan dit Huis voorgelegde resolutie weggestemd waarin werd gevraagd om geen infanticide of gedwongen abortus te financieren. Dit is een schandelijke actie, die in de handelingen van dit Huis terechtkomt, van degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn.
Laten we alstublieft respectvol met elkaar debatteren in dit Huis. Dat is wat de Europese Unie behoort te zijn – in verscheidenheid verenigd.
(Spreker verklaart zich bereid een "blauwe kaart"-vraag krachtens artikel 149, lid 8 van het Reglement te beantwoorden)
Annemie Neyts-Uyttebroeck (ALDE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, natuurlijk heb ik respect voor de opvattingen van de heer Mitchell. Zoals de meeste, zo niet alle leden van dit Parlement betreur ik het feit dat in een aantal samenlevingen in de wereld vrouwelijke foetussen worden geaborteerd, hetzij met instemming van de moeder, hetzij gedwongen.
Ik vrees echter dat de heer Mitchell, door dit te verwarren met reproductieve vrijheid, het zicht op deze kwestie belemmert. Als dit onderwerp zou kunnen worden beperkt tot het feit dat vrouwelijke foetussen worden geaborteerd, zou het wellicht gemakkelijker worden om tot overeenstemming komen.
Gay Mitchell (PPE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de geachte afgevaardigde bedanken voor deze opmerking. Als we iets meer respect tonen voor elkaars standpunt en zouden proberen te zoeken naar waar we het over eens zijn, zouden we ontdekken dat er veel is wat we kunnen doen om deze agenda terug te dringen, maar mogen we alstublieft allemaal zeggen wat we vinden?
Ik heb er echt moeite mee dat het Parlement een amendement verwerpt waarin gevraagd wordt om gedwongen abortus niet te financieren, om infanticide niet te financieren. Laten we deze discussie voeren en kijken wat we kunnen doen om deze gendergerelateerde abortussen te stoppen. Dan kunnen we het op andere gebieden oneens met elkaar zijn.
Ik persoonlijk heb geen problemen met steun voor reproductieve gezondheid. Het is met abortussen dat ik problemen heb, om heel goede redenen, en ik ben graag bereid om daarover in debat te gaan. Ik ben geen boeman; ik ben niet iemand uit het verleden. Ik heb hier goed over nagedacht en ik wil hierover graag met iedereen in debat gaan. Ik dank de leden voor wat ze hebben gezegd.
Maria Eleni Koppa (S&D). – (EL) Mijnheer de Voorzitter, barones Ashton, de zitting van de Mensenrechtenraad wordt dit jaar overschaduwd door de gebeurtenissen in Noord-Afrika en meer algemeen de Arabische wereld. Die gebeurtenissen kunnen ons heel veel leren. Als Europa mogen wij het niet laten afweten. Dit is dan ook een goede gelegenheid om een echte evaluatie te maken van de Mensenrechtenraad, na te gaan hoe zijn werkmethoden kunnen worden verbeterd en duidelijk te maken dat wij zijn onafhankelijkheid en zijn rol als verdediger van de mensenrechten in de wereld steunen.
In deze tijd van historische veranderingen in onze buurlanden is de boodschap dat de mensenrechten universeel zijn, actueler dan ooit. Daarnaast moeten wij echter, evenals alle internationale spelers, ophouden met twee maten te meten als wij oproepen tot eerbiediging van de mensenrechten. Wij moeten consequent en rechtvaardig zijn. Net zoals wij de recente aanneming van de resolutie inzake de veroordeling van de schendingen van de mensenrechten in Libië toejuichen, moeten wij een harde houding aannemen ten aanzien van de bouw van illegale nederzettingen in de bezette Palestijnse gebieden, die alsmaar door gaat.
Sari Essayah (PPE). − (FI) Mijnheer de Voorzitter, ik wil mijn waardering uitspreken voor de interventie van de heer Mitchell, want natuurlijk is het eerste recht van elk meisje en elke jongen het recht om op deze wereld te worden geboren.
De Mensenrechtenraad is het belangrijkste orgaan van de VN dat verantwoordelijk is voor de mensenrechten, en nu moeten wij zijn positie en beleid eindelijk eens kritisch durven beoordelen. Deze raad kan heel goed een beslissende rol spelen als promotor van mensenrechten en democratie. Helaas wordt zijn werk gekenmerkt door een dubbele moraal, selectiviteit, politisering en de vorming van blokken bij mensenrechtenkwesties.
Het is typerend dat de raad bijna een resolutie had aangenomen over de verbetering van de mensenrechtensituatie in Libië. Verbetering nota bene! De landen die Libië hierin steunden waren onder andere Iran, Noord-Korea, Egypte, Soedan en Pakistan. Hebben verklaringen van deze landen enig gewicht? Zouden deze landen niet de volgende moeten zijn die uit de Mensenrechtenraad worden gezet? Alleen al het feit dat zo'n resolutie werd overwogen, toont aan hoe onwetend de internationale gemeenschap is of wil zijn met betrekking tot de situatie in Libië.
De afgelopen decennia had echter ongeveer twee derde van de veroordelende resoluties van de Mensenrechtenraad betrekking op Israël, dat toch de enige democratie in het Midden-Oosten is. Tegelijkertijd heeft hij de slechte staat van de rechten van vrouwen en minderheden in alle omliggende Arabische landen genegeerd. Het werk van de Mensenrechtenraad is niet geloofwaardig tenzij hij zijn werk en zijn manier van werken verandert.
Raimon Obiols (S&D). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik wil geen belangrijke punten herhalen die door mijn collega's al naar voren gebracht zijn, en daarom wil ik alleen opmerken dat ik verheugd was over de deelname van mevrouw Ashton aan de zitting van de Mensenrechtenraad die op een dergelijk belangrijk moment plaatsvond.
Laten we hopen dat dit een stap voorwaarts is die leidt tot een toename in de samenhang en de zichtbaarheid van EU-optreden, tot het innemen van gemeenschappelijke standpunten over alle relevante vraagstukken op het gebied van de mensenrechten, en tot het vormen, door middel van de Mensenrechtenraad, van coalities met landen en maatschappelijke en internationale organisaties die noodzakelijk zijn om concrete vorderingen te maken op het gebied van de mensenrechten, zoals mevrouw Ashton in haar toespraak opmerkte. Ook hopen wij dat de Europese Unie in staat zal zijn om het universele karakter van de mensenrechten te handhaven tegenover relativerende argumenten en dat zij eindelijk iets tot stand zal brengen dat binnen het bereik van onze generatie ligt; iets dat vergelijkbaar is met de wereldwijde afschaffing van de slavernij in het verleden, namelijk de wereldwijde afschaffing van de doodstraf.
Salvatore Iacolino (PPE). – (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het lijdt geen twijfel dat de onschendbaarheid van de mensenrechten de ware essentie is van elke samenleving en dat democratische rechten een voedingsbodem daarvoor zijn. Daarom moet de zitting van de Mensenrechtenraad in Genève nauwkeurige en actuele prioriteiten hebben. Daaronder valt zeker ook de bestrijding van elke vorm van discriminatie – discriminatie op grond van ras, geslacht, godsdienst, politieke overtuigingen – evenals de bescherming van minderheden en de bescherming van kwetsbare groepen.
De context waarbinnen de Mensenrechtenraad plaatsvindt, is bijzonder delicaat. Iedereen weet wat er in Noord-Afrika en vooral in Libië aan de hand is. Vandaag hebben wij een lang debat gevoerd en geluisterd naar de opmerkingen van barones Ashton, waar wij over het geheel genomen achter kunnen staan. Er is echter een Midden-Oostenprobleem en tegelijkertijd is er een Verdrag van Lissabon dat ons ertoe aanzet een nog krachtigere en standvastigere houding aan te nemen ten gunste van de Europese Unie.
Wij moeten blijk geven van vastberadenheid en solidariteit: dat moet de leidraad zijn in ons concreet en besluitvaardig optreden. De Libiërs, Tunesiërs en Marokkanen willen immers blijven waar ze nu zijn, en om dat mogelijk te maken moeten wij snel in actie komen.
Tot slot wil ik nog een opmerking maken die tevens een vraag is aan het adres van barones Ashton. Wij hebben geluisterd naar hetgeen u zei, en zoals ik zojuist al duidelijk maakte, kunnen wij daar algemeen gesproken achter staan. Een erge vorm van discriminatie is bijvoorbeeld discriminatie op grond van godsdienst. Waarom hebt u, gelet op het feit dat juist christenen het slachtoffer waren van het ergste geweld en bloedvergieten van de afgelopen tijd, in uw toespraak geen gewag gemaakt van de christenfobie?
Norica Nicolai (ALDE). – (RO) Mijnheer de Voorzitter, ik weet niet of de zitting die nu gaande is zal eindigen in succes of in mislukking. Wat ik wel weet, is dat het zinvol was geweest dit debat veel eerder te houden. De Europese Unie had dan een samenhangende, welsprekende en doeltreffende stem bij deze zitting gehad. Deze herziening die nu loopt, deels in New York en deels in Genève, geeft een zeer complex signaal af aan de wereld, die in verandering is en een groot probleem heeft met de mislukking van een bepaalde vorm van mensenrechtenbeleid.
Collega's, ik ben van mening dat we het door de VN opgezette institutionele mechanisme zeer serieus moeten bespreken, uiteraard zonder aan bepaalde rechten enige voorrang te geven. We moeten het echter hebben over de doeltreffendheid en met name nadenken over de vraag of een van de mondiale agentschappen zich niet bezig kan houden met onmiddellijke preventie. Ik denk namelijk niet dat we ons moeten beperken tot het simpelweg waarnemen van wat er tot nu toe is gebeurd, maar het ook proberen te voorkomen. In mijn overtuiging is een nieuwe manier van omgang met de mensenrechtenkwestie aanstaande.
Charles Tannock (ECR). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, het feit dat Libië lid van de VN-Mensenrechtenraad was, vertelt ons alles wat we over deze in diskrediet geraakte en gepolitiseerde organisatie moeten weten. Tijdens het 42-jarige bewind van Khadafi is elk spoortje van respect voor de mensenrechten in dit land uitgewist, en we zien nu de gevolgen van de cultuur van geweld waarop zijn schrikbewind was gebaseerd.
Het zou echter oneerlijk zijn om alleen Libië te noemen. Andere schenders van mensenrechten zijn ook lid van de raad, zoals China, Cuba, Saudi-Arabië, Pakistan en Oeganda, waar homoseksuelen worden vervolgd. Bizar genoeg is op een bepaald moment zelfs gesuggereerd dat Iran aan het hoofd zou moeten komen te staan van de commissie voor gendergelijkheid. De VN-Mensenrechtenraad besteedt ook veel tijd aan het in een kwaad daglicht stellen van onze democratische bondgenoot Israël.
Maar bij nader inzien is deze raad alles wat we op het niveau van de VN hebben op het gebied van de mensenrechten, dus we zullen het ermee moeten doen, zij het in het volledige besef dat het in innerlijke tegenspraak met elkaar is dat wrede niet-democratische regimes lid zijn van de VN-Mensenrechtenraad.
Struan Stevenson (ECR). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil tegen barones Ashton zeggen dat ze geen antwoord heeft gegeven op de vraag die mijn collega Jan Zahradil tijdens het vorige debat over Iran heeft gesteld over kamp Ashraf. De 3 400 mensen die daar verblijven worden psychologisch gemarteld. Daarmee worden hun mensenrechten geschonden. We geven 1,2 miljard euro uit voor de wederopbouw van Irak, maar elke keer dat we in dit Huis een resolutie aannemen en elke keer dat we met grote meerderheid een schriftelijke verklaring aannemen, worden we door de Iraakse regering en diens Iraanse handlangers simpelweg genegeerd.
Ze martelen de mensen in kamp Ashraf psychologisch door uit 210 luidsprekers zeer luid propaganda en bedreigingen te laten schallen, wat het afgelopen jaar dag en nacht is doorgegaan. Ze verbieden de toegang tot geneesmiddelen en het ziekenhuis aan gewonden en mensen die aan kanker sterven.
Waarom zegt u niet: 'Stop daarmee, of u krijgt geen hulp en geen geld meer van dit Huis'?
Diane Dodds (NI). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, in het licht van alle gebeurtenissen die zich op dit moment in Libië afspelen en de grote verontwaardiging die we terecht tentoonspreiden over de mensenrechtenschendingen in Libië, wil ik de hoge vertegenwoordiger vragen of ze steun zal geven aan de zaak van de ingezetenen van het Verenigd Koninkrijk van wie familie, vrienden en geliefden in Libië zijn opgeblazen met semtex of zijn doodgeschoten met door kolonel Khadafi en zijn moorddadige regime ter beschikking gestelde geweren? Zal ze hun zaak bepleiten bij het regime dat uit het conflict in Libië tevoorschijn zal komen?
José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra (PPE). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, in de context van dit debat over de mensenrechtensituatie en in relatie met het laatste verslag waarover gedebatteerd is, zou ik u, mevrouw Ashton, de volgende vraag willen stellen:
Vindt u dat dit een goed moment is om een delegatie van de Europese Unie in Iran te openen, gezien de huidige omstandigheden waarin sommige landen in het noorden van Afrika op dit moment verkeren?
Catherine Ashton, vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, opnieuw was dit een zeer interessant en breed debat, waarin een aantal punten naar voren is gebracht waar de afgevaardigden zich sterk bij betrokken voelen.
In de eerste plaats wil ik alle afgevaardigden bedanken voor de energie en de passie die ze in dit debat hebben gestoken. Ik moet nu denken aan het feit dat het twee jaar geleden is dat het verslag van mevrouw Andrikienė over de ontwikkeling van de VN-Mensenrechtenraad werd gepubliceerd, waarin ook op de rol van de EU werd ingegaan, en aan de resoluties die sinds de publicatie van dat verslag zijn aangenomen. Ik wil haar bedanken voor haar opmerkingen over het werk dat we in de Europese Dienst voor extern optreden verrichten en over het begin van onze nieuwe werkzaamheden op het gebied van de mensenrechten.
Het doet me ook veel genoegen dat mevrouw Hautala naar de zitting van de Mensenrechtenraad zal gaan. Ik denk dat het buitengewoon belangrijk is dat zij, met haar kennis en deskundigheid, aan die zitting kan deelnemen. Ik hoop dat ze onze inspanningen om het werk van de raad te verbeteren en te laten toenemen zal steunen. Ik hoor de kritiek die op de raad wordt gegeven. Ik denk dat we allemaal hard hebben gewerkt om er een zo goed mogelijke herziening van te maken. De raad is zeker nog niet de raad zoals we die graag zouden willen zien, maar nu we de verplaatsing naar New York van bepaalde discussies hebben gezien, kunnen we ook daaraan blijven werken. Dit is echt een terrein waar parlementariërs die met ons samenwerken een belangrijk verschil kunnen maken. Ik heb het volste vertrouwen in de kracht van mevrouw Hautala om daar vooruitgang te boeken.
Dan wil ik nu ingaan op enkele specifieke vragen die mij zijn gesteld. Ik zal beginnen met de vraag van de heer Howitt, omdat hij zei dat het er in feite drie waren. Wat betreft de Democratische Republiek Congo zijn we voor een duurzame oplossing, en we hebben ook gezegd dat er een specifiek mandaat voor deze situatie moet worden vastgesteld. Met betrekking tot het rapport-Goldstone proberen we consensus te bereiken. Daar zijn we nu mee bezig. In Pakistan hebben we besloten tot een demarche op 5 maart in verband met artikel 40, het punt waarover het gaat.
Tegen de geachte afgevaardigden die specifiek de vrijheid van godsdienst of overtuiging hebben genoemd, wil ik in de eerste plaats zeggen dat ik de verschrikkelijke tragedies voor christelijke gemeenschappen overal ter wereld waar die tragedies gebeuren aan de orde stel. Mijn algemene punt is dat we in het recht op vrijheid van godsdienst of overtuiging geloven, om welke religie of overtuiging het ook gaat. Het is belangrijk dat we dat zo duidelijk mogelijk blijven zeggen wanneer we terrorisme of aanvallen op religies zien, waaronder op het christendom.
Mijn team is recentelijk bijeengekomen met een groep afgevaardigden om verder te praten over wat we nog meer zouden kunnen doen. Ik heb al gezegd dat we van plan zijn om tijdens deze zitting van de Mensenrechtenraad iets op dit specifieke gebied te doen, juist omdat het zo belangrijk is.
Ik verontschuldig me voor het feit dat ik niet heb geantwoord op de vraag over kamp Ashraf. Ik was van plan om dat wel te doen, maar ik heb het papier te snel omgedraaid. Ik denk dat er in totaal 3 000 mensen – of 3 400, de cijfers lopen uiteen – in het kamp verblijven en we hebben wekelijks contact met de VN, die, zoals u weet, bezoeken aan het kamp brengt. Zij hebben mij verzekerd dat de basisbehoeften worden vervuld. Als we kijken naar wat we met betrekking tot kamp Ashraf kunnen doen, spelen er verschillende zaken – dat weet de geachte afgevaardigden heel goed. Ik ben mij er zeer van bewust dat over dit onderwerp verschillende opvattingen bestaan. De geachte afgevaardigde heeft echter volkomen gelijk als hij zegt dat het belangrijkste is dat de rechten van deze mensen niet worden geschonden en dat we ervoor moeten zorgen dat er humanitaire hulp wordt gegeven. Dat doen we ook, vandaar dat ik die wekelijkse rapporten ken. Dat is geen toeval, maar dat is omdat we daarmee bezig zijn en omdat we in gesprek zijn met de regering daar om te proberen dat op de best mogelijke manier te doen.
Ik ben het ook eens met de opvatting dat het nu belangrijk is om een sterke delegatie naar Genève te sturen. Het was opnieuw mevrouw Hautala die specifiek heeft gewezen op het feit dat we net een nieuw delegatiehoofd hebben benoemd. Toen ik in Genève was, heb ik met het team gesproken. We hebben de delegatie in tweeën opgesplitst, zodat één deel zich vooral kan concentreren op de Wereldhandelsorganisatie en het andere deel veel meer op de VN-agentschappen.
In mijn gesprekken hierover ben ik ook duidelijk over de noodzaak om beter en creatiever na te denken over de manier waarop we in Genève te werk zullen gaan. We moeten allianties voor de mensenrechten smeden en we hebben de kans om met partners van over de hele wereld te spreken, met wie we in een aantal van de belangrijkste dossiers gezamenlijk kunnen optrekken. Ik hoop dat we op dit gebied de komende weken en maanden vooruitgang kunnen boeken.
Tot slot was ik onder de indruk van de opmerking van de heer Salavrakos dat mensenrechten een manier van leven vormen. Ik dat hij waarschijnlijk gelijk heeft. Ik zeg altijd dat het heel eenvoudig is: mensenrechten zijn op jou van toepassing als je er als mens bent. Er zijn geen andere criteria van toepassing. Ik denk dat in alles wat we doen, het van groot belang is dat we dit heel eenvoudige basisprincipe niet vergeten.
Geachte afgevaardigden, er zullen veel onderwerpen zijn waarover we van mening verschillen, en veel onderwerpen die – zoals ik heb gezien – echte passie en echte zorgen opwekken, maar het vermogen om over die onderwerpen te debatteren, en het vermogen om onze gevoelens over de mensenrechten tot de kern van onze opvattingen te maken, is absoluut essentieel.
Ik heb nog geen besluit genomen over het openen van een delegatie in Iran. Dat is deels een kwestie van geld, maar ik zal de geachte afgevaardigden uiteraard op de hoogte houden van de ontwikkelingen.
Ondertussen wil ik iedereen bedanken voor dit debat en de geachte afgevaardigden verzekeren dat ik alles in het werk zal stellen om de Mensenrechtenraad zo effectief mogelijk te maken en – nog belangrijker – om het Europees Parlement en de Europese Unie in mensenrechtenkwesties zo goed mogelijk te vertegenwoordigen.
José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra (PPE). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik heb het antwoord van mevrouw Ashton niet helemaal goed begrepen. Ik weet niet of zij mij geantwoord heeft, of dat zij gezegd heeft dat zij op een later moment antwoord geeft op mijn vraag of dit het juiste moment is, in de context van het respect voor de mensenrechten, om een delegatie van de Europese Unie in Iran te openen, of dat zij mij inderdaad niet geantwoord heeft. Omdat ik het antwoord niet begrepen heb, zou ik mijn vraag graag willen herhalen.
Catherine Ashton, vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, in antwoord op de vraag van de heer Salafranca Sánchez-Neyra probeerde ik te zeggen dat er twee dingen spelen. In de eerste plaats zijn dat de financiële middelen. Dat is onvermijdelijk. Het tweede is dat er een besluit moet worden genomen en voorstellen moeten worden gedaan, door mij, uiteraard aan de Commissie, over het openen van een delegatie. In de Raad Buitenlandse Zaken zal hierover worden gesproken en ook het Parlement zal hierover een opvatting formuleren. Ik heb hier met nog niemand discussies over gevoerd. Zoals u weet, hebben mijn gesprekken met Iran op dit moment vooral betrekking op nucleaire kwesties en op de mensenrechten.
De Voorzitter. – Tot besluit van het debat zijn er zes ontwerpresoluties(1) ingediend, overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement.
Het debat is gesloten.
De stemming vindt op donderdagmiddag 10 maart plaats.
Schriftelijke verklaringen (artikel 149)
Tunne Kelam (PPE), schriftelijk. – (EN) In het licht van de huidige situatie in Noord-Afrika, en rekening houdend met het feit dat de mensenrechten meer dan ooit worden geschonden in een groot aantal landen in de wereld, moet de VN-Mensenrechtenraad worden hervormd. De Mensenrechtenraad moet tijdig en efficiënt reageren op de nieuwe uitdagingen. Helaas is dit niet de realiteit. Het probleem kan gedeeltelijk worden opgelost als er naast de huidige zittingen extra vergaderingen worden gehouden. Verder moet de Mensenrechtenraad de criteria voor het lidmaatschap serieus herzien om te waarborgen dat de leden aan bepaalde minimumcriteria voldoen. Het is een schande dat dictaturen als Libië zo gemakkelijk een zetel kunnen krijgen in een orgaan dat is bedoeld om de mensenrechten te waarborgen. Meer dan ooit staat de geloofwaardigheid van de Mensenrechtenraad onder druk als gevolg van politiek gemotiveerd gedrag. Door gebruik te maken van de Europese Economische Ruimte (EER) heeft de EU nu een kans om met één stem te spreken en om als een mondiale speler te functioneren. De vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger moet ervoor zorgen dat de acties coherent zijn en dat de vertegenwoordigingen in Genève en New York efficiënt worden gecoördineerd. Er is geen praktisch alternatief voor een op EU-waarden gebaseerd buitenlands beleid.
Alexander Mirsky (S&D), schriftelijk. – (EN) Er kan geen overtuigende en doelmatige resolutie worden aangenomen zolang de mensenrechten in de Europese Unie ernstig worden geschonden. Alle luidkeelse verklaringen en woorden gaan cynisch klinken en ondergraven het fundament van de strijd tegen onrechtvaardigheid en leugens in andere delen van de wereld. De Europese Unie zou geen adviezen aan derde landen moeten geven terwijl op haar eigen grondgebied, namelijk in Letland, de regering geringschattend doet over en de spot drijft met de resolutie van 11 maart 2004 van het Parlement. Het is niet aanvaardbaar dat de EU andere landen eisen stelt die ze niet aan de Republiek Letland kan stellen. Hoe kan de EU 'verenigd' worden genoemd als de regels niet voor elke lidstaat gelden? Totdat de resolutie over 335 000 Letse niet-onderdanen wordt uitgevoerd, is het onzinnig om aan derde landen te vragen om de mensenrechtensituatie te veranderen. Dat is een vorm van minachting van de democratie en de mensenrechten.
Joanna Senyszyn (S&D), schriftelijk. – (PL) Het is toe te juichen dat op de agenda van de zestiende zitting van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties (UNHRC) niet alleen het algemene vraagstuk staat van de eerbiediging van de mensenrechten, maar ook verslagen en panels over de rechten van het kind, geweld tegen vrouwen, de rechten van personen die tot nationale of etnische, godsdienstige en taalminderheden behoren en de strijd tegen het terrorisme. Tijdens de zitting zal ook een transregionale verklaring over LHBT-rechten worden voorgesteld. De UNHRC heeft behoefte aan nieuwe juridische instrumenten om voortdurend toezicht te kunnen uitoefenen op constante schendingen van mensenrechten en om snel te kunnen reageren op urgente situaties die zich voordoen vanwege de politieke situatie in de wereld (Tunesië, Egypte, Iran, Wit-Rusland). Daarom onderschrijf ik het in de resolutie voorgestelde idee om gebruik te maken van onafhankelijke 'triggers' om snel te kunnen reageren op mensenrechtencrises. Ik ben ingenomen met de instelling van het nieuwe directoraat voor mensenrechten en democratie en de oprichting van een in Brussel te vestigen EU-werkgroep van de Raad voor de mensenrechten, omdat dit betere coördinatie van en toezicht op EU-beleid ten aanzien van mensenrechten mogelijk maakt. De speciale EU-vertegenwoordiger voor mensenrechten op hoog niveau moet een belangrijke rol gaan spelen. Niet alleen tijdens de zittingen maar ook daartussenin moet gebruik worden gemaakt van UNHRC-panels en de zittingen op zich moeten ook in andere regio's worden georganiseerd, waaronder plekken waar zich op dat moment conflicten voordoen. Ten slotte roep ik de EU-lidstaten op de mensenrechten te respecteren in hun eigen binnenlands beleid, want als dit wordt nagelaten verzwakt de positie van de Unie binnen de UNHRC.