De Voorzitter. – Aan de orde is de mondelinge vraag (O-000088/2011/rév.1) van Daniel Caspary en Jarosław Leszek Wałęsa, namens de PPE-Fractie, Syed Kamall, Robert Sturdy en Jan Zahradil, namens de ECR-Fractie, Niccolò Rinaldi, Metin Kazak en Marielle De Sarnez, namens de ALDE-Fractie, Emilio Menéndez del Valle, David Martin en Vital Moreira, namens de S&D-Fractie, aan de Commissie: Handelsbetrekkingen tussen de EU en Japan (B7-0220/2011).
Jarosław Leszek Wałęsa, auteur. − (PL) Mevrouw de Voorzitter, in de laatste maanden heeft Japan meer interesse getoond om eventuele onderhandelingen over een vrijhandelsakkoord met de Europese Unie aan te vatten. Vanuit het oogpunt van het Europees Parlement is de belangrijkste zaak de non-tarifaire belemmeringen, en dit is al vele malen benadrukt tijdens de vergaderingen van het Comité handelspolitiek. Het probleem is niet de tarieven, maar de talrijke restrictieve voorschriften en de moeilijkheden die Europese ondernemers ervaren om toegang tot de Japanse markt te krijgen. Ik ben voorstander van een sterkere economische samenwerking tussen de Europese Unie en Japan, maar ik ben ervan overtuigd dat het wegwerken van deze non-tarifaire belemmeringen, die de toegang van Europese goederen tot de Japanse markt beperken, een prioriteit moet worden.
Artikel 30 dat werd goedgekeurd in de conclusies van de Europese Raad in maart, geeft de lijn aan die de Europese Unie op de Top Unie-Japan moet volgen en voorstellen voor het openen van onderhandelingen over het vrijhandelsakkoord. Niet zonder reden wordt de aanvang van deze onderhandelingen afhankelijk gemaakt van het feit of Japan goede wil toont om onder andere de kwestie van de non-tarifaire belemmeringen en de beperkingen op het gebied van openbare aanbestedingen te bespreken. Het is goed om dit in het achterhoofd te houden, des temeer daar Japan lobbyt tegen het verlies van zijn concurrentiekracht op de Europese markt als gevolg van de verwachte invoering van het vrijhandelsakkoord EU-Korea.
Syed Kamall, auteur. − (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik denk – ik hoop – dat de meeste afgevaardigden het ermee eens zijn dat onze voorkeur uitgaat naar multilaterale onderhandelingen en een succesvolle uitkomst van de WTO-onderhandelingen in het kader van de Doha-ontwikkelingsronde. Echter, gezien de ons bekende moeilijkheden waarop men is gestuit, denk ik dat de Commissie wel een steuntje in de rug kan gebruiken bij de onderhandelingen over een aantal bilaterale overeenkomsten.
Om die reden vind ik dat wij onze inspanningen voor een vrijhandelsakkoord tussen de EU en Japan eigenlijk moeten voortzetten. Ik erken de bezorgdheid over de natuurrampen waar Japan door getroffen is, maar ik heb met een groot aantal Japanse collega's, vrienden en anderen gesproken die van mening zijn dat wij, als we behoedzaam te werk gaan, met een akkoord tussen de EU en Japan een signaal zouden afgeven dat dit land weer aan het opkrabbelen is en de weg naar herstel heeft ingeslagen.
De cijfers in ogenschouw genomen, zien we dat Japan en de EU in 2009 samen goed waren voor meer dan een kwart van het mondiale bbp, meer dan 20 procent van de wereldhandel en een gecombineerd volume aan buitenlandse rechtstreekse investeringen van circa 200 miljard euro. Aangezien de EU-lidstaten en Japan gemeenschappelijke uitdagingen hebben, lijkt het me belangrijk een aantal problemen onder de loep te nemen en door middel van handelsovereenkomsten aan te pakken.
Als we kijken naar het merendeel van de partnerschappen die de EU met andere belangrijke handelspartners heeft, zien we dat ondanks de lage tarieven de bilaterale handelsvolumes tussen de EU en Japan achterlopen. Volgens mij is dat grotendeels aan niet-tarifaire belemmeringen te wijten. Naar schatting zijn de kosten van enkele van die belemmeringen in feite hoger dan de bestaande tariefniveaus en ligt de grootste winst in het wegnemen van die belemmeringen. In EU-landen gevestigde ondernemingen zouden er baat bij hebben als we de obstakels konden aanpakken bij overheidsopdrachten, op de markt voor medische apparatuur – waar internationale normen onvoldoende worden erkend –, bij de dienstverlening – met inbegrip van financiële diensten en postdiensten –, en voor de toegang voor kmo's. Voor de Japanners valt er winst te behalen in de automobiel- en ICT-sector. Laten we daarbij niet vergeten dat het wegnemen of verminderen van belemmeringen voor ICT-producten uit Japan ook voor de EU voordelig zou uitpakken.
Ik denk dat er over het geheel genomen aan beide zijden het gevoel heerst dat een vrijhandelsakkoord tussen de EU en Japan het potentieel biedt voor een heuse win-winsituatie voor beide landen.
Metin Kazak, auteur. − (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik heb dit initiatief voor de indiening van een mondelinge vraag en een resolutie in de aanloop naar de 20e Top tussen de EU en Japan mede-ondertekend, omdat ik van mening ben dat het Europees Parlement, dat het verzoek zal krijgen instemming te verlenen met een mogelijk vrijhandelsakkoord met Japan, zo spoedig mogelijk de gelegenheid moet krijgen zijn reactie te geven.
Deze gelegenheid moet het Parlement aangrijpen om uiting te geven aan zijn krachtige steun voor een vrijhandelsakkoord, en wel om de volgende redenen.
De Europese Unie en Japan kunnen bogen op gedeelde democratische waarden. Daarnaast zijn zij industriële reuzen, die samen 38,5 procent van het mondiale bbp voor hun rekening nemen. Ook staan we voor gemeenschappelijke uitdagingen: de opkomst van China, de wereldwijde financiële crisis, dalende demografische tendensen, de noodzaak van toegang tot grondstoffen en energiebronnen en het zorgen voor prijsstabiliteit.
Als wij de handelsbetrekkingen met Japan, onze op vijf na grootste handelspartner, dus verder ontwikkelen, liggen er florissante mogelijkheden in het verschiet. De economische voordelen spreken boekdelen. In het rapport van Copenhagen Economics staat de conclusie dat de bilaterale afschaffing van tarieven en de vermindering van niet-tarifaire belemmeringen profijtelijk zijn voor zowel het bedrijfsleven als de consumenten en een impuls aan de economie zouden geven ter waarde van 33 miljard euro in de EU en 18 miljard euro in Japan.
De mogelijke start van onderhandelingen over een vrijhandelsakkoord kon rekenen op de steun van de Raad zolang Japan bereid was iets te doen aan de niet-tarifaire belemmeringen op het gebied van markttoegang en aan de beperkingen bij overheidsopdrachten. Ik herhaal dat niet-tarifaire belemmeringen en overheidsopdrachten thema's zijn die voor het Europese bedrijfsleven van cruciaal belang zijn en waarop Japan aanzienlijke concessies moet doen.
Uiteraard eist het Europees Parlement van de Commissie dat zij bij alle onderhandelingen volledige transparantie betracht en dat wij tijdig de beschikking krijgen over studies van de sectorale impact. Daarnaast zullen we steun verlenen aan bilaterale vrijwaringsmaatregelen, zoals bij het vrijhandelsakkoord met Zuid-Korea, om te voorkomen dat gevoelige sectoren als de automobielindustrie, elektronica, de luchtvaart en de machinebouw harde klappen oplopen.
Tot slot ben ik er vast van overtuigd dat het voor het Parlement hoog tijd is om zijn steun te betuigen aan een toekomstig vrijhandelsakkoord tussen de EU en Japan, voortbouwend op de oprichting van een groep op hoog niveau, zeker in de nasleep van de ramp in maart 2011.
David Martin, auteur. − (EN) Mevrouw de Voorzitter, een vrijhandelsakkoord tussen de EU en Japan biedt niet alleen mogelijkheden tot het scheppen van een fors aantal Europese banen, maar levert ook voordelen op voor het Europese bedrijfsleven. Dat komt door de momenteel zeer bescheiden uitvoer van de EU naar de Japanse markt in vergelijking met de EU-export naar andere gebieden.
Sterker nog, volgens de OESO bungelen we qua marktpenetratie in Japan ergens onderaan, en de oorzaken hiervan zijn door mijn collega's al uit de doeken gedaan. Het probleem wordt niet zozeer gevormd door hoge tariefbarrières – die betrekkelijk laag zijn – als wel door niet-tarifaire belemmeringen, waaronder complicaties in de regelgeving, knelpunten op het vlak van wederzijdse erkenning, gebrekkige toegang tot overheidsopdrachten, enzovoort.
De cruciale vraag voor zowel de Commissie als het Parlement is of we er bij Japan op aan moeten dringen vorderingen te blijven maken bij de aanpak van deze niet-tarifaire belemmeringen alvorens de onderhandelingen te openen, of de onderhandelingen moeten openen in de hoop dat dit voor Japan een aansporing is die belemmeringen te verminderen. Die vraag is niet eenvoudig te beantwoorden.
Ik bespeur echter voortekenen die erop wijzen dat Japan wel degelijk bereid is de niet-tarifaire belemmeringen aan te pakken. De Japanse premier heeft een oproep gedaan tot het voeren van een "open Japanbeleid", deels omdat hij erkent dat de Japanse industrie in haar huidige omgeving zich geleidelijk de das omdoet, maar natuurlijk ook vanwege de voorziene gevolgen van het vrijhandelsakkoord met Zuid-Korea voor de Japanse export. Ik denk echter ook dat hieruit de erkenning naar voren komt dat Japan nog niet zo veel ervaring heeft met het zich openstellen.
Europese ondernemingen hebben betere toegang verkregen tot de telecommunicatiemarkt, de automobielfabricage, de kleinhandel en de verzekeringssector in Japan, en dat heeft de Japanse economie niet geschaad. Integendeel, het heeft een impuls gegeven aan de innovatie en ontwikkeling in Japan. Ik denk dus dat de voortekenen goed zijn.
Per saldo is mijn fractie van mening dat Japan zich nog iets inschikkelijker moet opstellen voordat we aankondigen de onderhandelingen over een vrijhandelsakkoord te openen. Het is niet zo dat we tegen zo'n akkoord zijn, maar we vinden wel dat Japan nog iets beter zijn best moet doen om te laten zien dat de Japanse premier zijn woorden gestand kan doen.
Karel De Gucht, lid van de Commissie. − (EN) Mevrouw de Voorzitter, de tsunami en de aardbeving die Japan in maart hebben getroffen, veroorzaakten een ware tragedie. Met de veerkracht eigen aan het Japanse volk zal dit land de ramp het hoofd bieden en er sterker dan ooit uit tevoorschijn komen. De hulp van de EU en de solidariteit die zij tot uiting heeft gebracht, zullen eveneens van pas komen op de weg terug naar het herstel.
De ramp gebeurde een paar maanden voor een zeer belangrijke Top tussen de EU en Japan, op 28 mei 2011, waar de koers moet worden uitgestippeld voor de wederzijdse betrekkingen in de komende jaren.
Zoals u weet, is tijdens de vorige Top EU-Japan, die vorig jaar april werd gehouden, een gezamenlijke groep op hoog niveau opgericht, samengesteld uit hoge ambtenaren die de opdracht kregen de opties in kaart te brengen voor een brede bevordering van alle aspecten in de betrekkingen tussen de EU en Japan op politiek en economisch gebied en op de terreinen van sectorale samenwerking. Op het gebied van de handel heeft de groep op hoog niveau zich gebogen over methoden voor de versterking en integratie van de economische betrekkingen, waarbij alle aangelegenheden van wederzijds belang de revue zijn gepasseerd, zoals tarieven, niet-tarifaire maatregelen, investeringen en overheidsopdrachten.
Van de zijde van Japan is aangedrongen op het starten van onderhandelingen over een vrijhandelsakkoord waarin preferentiële tarieven zijn opgenomen. Van de zijde van de EU wordt er echter gesteld dat een op tarieven gerichte overeenkomst duidelijk niet voldoende is. Het probleem met Japan betreft niet zozeer de tarieven, als wel het feit dat EU-uitvoerders en -investeerders nog steeds met allerlei soorten niet-tarifaire belemmeringen worden geconfronteerd. Typerende voorbeelden zijn het moeizame goedkeuringsproces voor medische apparatuur en bepaalde levensmiddelen en het gebrek aan convergentie met internationaal erkende normen voor auto-onderdelen en -componenten.
De Japanse markt is al tientallen jaren opgetuigd met obstakels op deze gebieden. In diverse bilaterale besprekingen tussen de Japan en de EU hebben wij deze kwesties ter sprake gebracht, maar tot nu toe zijn er weinig vorderingen gemaakt.
Gelet op deze situatie hebben we behoefte aan een overeenkomst die tevens voorziet in de aanpak van niet-tarifaire belemmeringen, verbeterde markttoegang voor investeringen en openstelling van de Japanse markt voor overheidsopdrachten.
Tijdens de handelsbesprekingen van de groep op hoog niveau is tot dusverre steeds gepoogd manieren te vinden om op die punten voortgang te boeken. Van een zekere mate van vooruitgang is inmiddels sprake wat betreft een beperkt aantal niet-tarifaire maatregelen van een lijst die door de EU is vastgesteld. Het ging daarbij om drie van de 27 maatregelen. Ten aanzien van de meeste niet-tarifaire maatregelen op de lijst zijn wij echter van mening dat Japan verzuimd heeft een geloofwaardig stappenplan te presenteren waaruit blijkt hoe de problemen moeten worden aangepakt. De Commissie is derhalve van mening dat de stappen die in de groep op hoog niveau zijn gezet in dit stadium niet meer dan een goede basis vormen voor verdere besprekingen.
De Europese Raad herhaalde op 25 maart 2011 het strategisch belang van de betrekkingen tussen de EU en Japan, en bevestigde dat de komende Top moet worden benut om deze betrekkingen te versterken en de inspanningen op het gebied van onze gemeenschappelijke agenda vooruit te brengen. Wat dat betreft, moeten de randvoorwaarden om het vrijhandelsakkoord tot een goed einde te brengen worden verkend, zij het op basis van signalen waaruit blijkt dat Japan bereid is om, onder andere, de niet-tarifaire belemmeringen en restricties inzake overheidsopdrachten aan te pakken.
De besprekingen met Japan zijn nog steeds gaande. Vorige week had ik een ontmoeting met minister van Buitenlandse Zaken Matsumoto, waar juist over dit soort zaken is beraadslaagd. Naar mijn mening is het nog onduidelijk hoeveel vorderingen bij het voldoen aan de voorwaarden van de Raad er nog kunnen worden gemaakt in de beperkte tijd die ons tot aan de Top EU-Japan resteert. Er zijn vooral meer inspanningen nodig om te komen tot een gedeelde ambitie om overeenstemming te bereiken, niet alleen over de inhoud van de onderhandelingen, maar ook over een ambitieuze en realistische uitkomst daarvan.
Dit kan worden bereikt door de aard en reikwijdte van een en ander te onderzoeken en uit te werken zodra de Top is afgesloten. Zodra dat gedaan is, kunnen we ons buigen over de resultaten en vervolgens besluiten al dan niet in onderhandeling te treden.
Qua ambitieniveau op het gebied van handel en economie moeten we streven naar het volgende: alle goederen voor 100 procent vrijstellen van invoerrechten en contingenten; een robuust en geloofwaardig stappenplan tot stand brengen dat voorziet in het elimineren van een kritische massa van niet-tarifaire maatregelen; een open investeringsregeling invoeren om een niveau van buitenlandse directe investeringen in Japan te bereiken dat vergelijkbaar is met dat van andere OESO-landen; en een markt voor overheidsopdrachten tot stand brengen met een mate van openstelling die op alle bestuursniveaus vergelijkbaar is met die van de EU-landen.
Voorts wijs ik erop dat, mochten de leiders op de Top besluiten hun werkzaamheden aan de verwezenlijking van een breed bilateraal wettelijk kader voor te zetten, hierin ruimte moet worden geschapen voor handels- en investeringsrelaties, politieke betrekkingen en samenwerking.
Een dergelijke brede aanpak, waarin alle bilaterale, politieke en economische betrekkingen op een evenwichtige wijze zijn opgenomen, is noodzakelijk om onze doelstellingen en ambities met betrekking tot een verdiept strategisch partnerschap te verwezenlijken.
We zijn een cruciale fase ingegaan in onze economische betrekkingen met Japan, en er is nog steeds een aantal kwesties dat vraagt om verduidelijking. Ik ben daarom ingenomen met dit debat en ik ben benieuwd naar uw gezichtspunten over hoe wij deze betrekkingen in de komende jaren vorm moeten gaan geven.
Daniel Caspary, namens de PPE-Fractie. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ik zou de commissaris hartelijk willen bedanken voor het overzicht dat hij ons heeft gegeven over de stand van zaken bij de handelsrelaties tussen de Europese Unie en Japan.
Ik heb de indruk dat er in de afgelopen twee jaar in dat verband helaas niet veel verbeterd is. U bent ingegaan op de Top in 2009, en op de high-level dialogue, en ik heb de indruk dat u er in ieder geval tot nu toe niet in geslaagd bent om met behulp van deze dialoog een duidelijk betere toegang voor Europese ondernemingen tot de Japanse markt te verkrijgen.
Het eerste initiatief, deze high-level dialogue levert blijkbaar geen resultaten op, en daarom maak ik me grote zorgen, ik ben bang dat de onderhandelaars niet meer overwegen hoe het misschien alsnog mogelijk is om in het kader van deze high-level dialogue successen te boeken, ik ben bang, dat ze nu al overwegen of het misschien beter is om te onderhandelen over een vrijhandelsakkoord.
Ik kan me heel goed voorstellen dat het misschien zinvol is om een vrijhandelsakkoord met Japan te sluiten, maar voor we daarover onderhandelen moeten we toch eerst kijken of we met het bestaande instrument, met die high-level dialogue, ook bepaalde resultaten kunnen bereiken, dat is toch niet te veel gevraagd? Ik zeg dat in alle openheid, niet omdat ik omdat ik de Japanners voor het begin van het spel een troef af wil pakken, maar omdat ik werkelijk wil weten of de Japanners de handelsrelaties werkelijk willen verbeteren, en hun markten en hun mentaliteit werkelijk willen openen voor onze producten.
Ik ben ook heel nieuwsgierig hoe u het Europees Parlement wilt betrekken bij het uitwerken van een mandaat, daar bent u tot nu toe helaas helemaal niet op ingegaan, mijnheer de commissaris. Ik heb de indruk dat wij met name over Japan van alles te zeggen hebben. Wij als Parlement hebben in verband met de onderhandelingen met India, Canada en Korea telkens weer bekritiseerd dat we af en toe de indruk kregen dat tijdens die onderhandelingen de verkeerde prioriteiten waren gekozen. Daarom zou het zeer zinvol zijn wanneer u het Parlement al tijdens het opstellen van het mandaat heel nauw bij dit proces zou betrekken.
Gianluca Susta, namens de S&D-Fractie. – (IT) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, het verzoek van de Europese Raad om onderhandelingen te beginnen met Japan voor het afsluiten van een vrijhandelsakkoord moet zorgvuldig worden bestudeerd. We waarderen daarom de behoedzaamheid waarmee de commissaris dit onderwerp heeft aangepakt en we roepen het hele Parlement op zich te houden aan deze benadering die als inspiratie heeft gediend voor de ontwerpresolutie van onze fractie.
De nieuwe Japanse regering heeft – in elk geval met woorden – aangetoond dat zij de eigen markt, een van de meest gesloten markten van de ontwikkelde wereld, wil openstellen. Deze positieve houding moet in concreto worden geverifieerd, vooral met betrekking tot de 27 non-tarifaire belemmeringen die door de EU zijn vastgesteld. Deze belemmeringen moeten worden weggenomen om onderhandelingen te kunnen beginnen en deze op te nemen in de prioriteiten van ons handelsbeleid. We vinden dat de verbetering van deze betrekkingen kan bijdragen aan het Europese concurrentievermogen, omdat Japan 9 procent van het wereldwijde bbp uitmaakt en, opgeteld bij het onze, meer dan 35 procent.
We kunnen vandaag echter niet stemmen over resoluties die het openen van de onderhandelingen over het vrijhandelsakkoord niet laten afhangen van duidelijke, onwrikbare en controleerbare voorwaarden voor werkelijke wederkerigheid en een gepaste effectbeoordeling.
Allereerst maken we ons zorgen over het protectionistische beleid van Japan in de automobielsector, vanwege het bestaande verschil tussen de invoer en de uitvoer. Ten tweede willen we herinneren aan de kwestie van de non-tarifaire belemmeringen. Het gaat om een hele reeks voorschriften, van fytosanitaire en gezondheidsvoorschriften tot technische normen, vooral in de landbouw en automobielsector, en van subsidieregels voor de export tot douanecontroles en verschijnselen die namaakproducten en ook de economische driehoeksverhouding met China en Korea toelaten.
Dames en heren, tot slot vragen we dat Europa, voordat het verklaart te willen gaan onderhandelen over een vrijhandelsakkoord, precies vaststelt welk communautaire belang het wil beschermen en welke wederkerigheid het van Japan verlangt. We hopen dat de Europese Commissie rekening houdt met onze opmerkingen.
Kristiina Ojuland, namens de ALDE-Fractie. – (EN) Mevrouw de Voorzitter, vorig jaar december heb ik een bezoek gebracht aan Japan. Een van de aandachtspunten die door Japanse functionarissen telkens weer aan de orde werd gesteld, was de trage voortgang in de betrekkingen tussen de Europese Unie en Japan. We weten allemaal dat we met Japan, anders dan met sommige andere EU-partners in het Verre Oosten, dezelfde waarden delen op het gebied van democratie, mensenrechten en een vrije markteconomie. Het maakt dit land tot een natuurlijke partner voor de Europese Unie.
Op de 19e Top EU-Japan, die vorig jaar april werd gehouden, is afgesproken een gezamenlijke groep op hoog niveau op te richten die zich buigt over de voortgang in de betrekkingen tussen de EU en Japan en suggesties doet voor stroomlijning van onze huidige activiteiten. Ook in het kader van de gezamenlijke groep op hoog niveau is nadruk gelegd op het belang om de werkzaamheden op het gebied van niet-tarifaire aangelegenheden voort te zetten. Ik hoop dat de afspraken op dit terrein zo spoedig mogelijk kunnen worden uitgevoerd.
Met het oog op de liberalisering van de handelsbetrekkingen tussen de EU en Japan spreek ik mij uit voor spoedige en concrete stappen die moeten leiden tot een verlaging van niet-tarifaire drempels. Beide markten zouden veel baat hebben bij verbeterde handelsbetrekkingen, vooral als het gaat om innovatie en technologieën. Ik zou ook graag zien dat er meer samenwerking komt op gebieden die verband houden met cyberveiligheid.
Ik hoop dat we erin zullen slagen de handelsbetrekkingen met Japan te verbeteren en ik zie uit naar verdere vooruitgang op dit gebied.
Keith Taylor, namens de Verts/ALE-Fractie. – (EN) Mevrouw de Voorzitter, het is zeer wenselijk dat wij onze handelsafspraken met andere landen onder het licht houden. Ook is het heel begrijpelijk dat Japan, gezien het recente vrijhandelsakkoord met Korea, verlangend uitziet naar een eigen vrijhandelsakkoord met de EU.
Er zijn veel punten in de resolutie van de PPE, ALDE en ECR die onze steun verdienen, maar ik denk dat ze een fout begaan door hun "krachtige steun" (zie paragraaf 2) voor een vrijhandelsakkoord uit te spreken. Ik vind die steun wat prematuur omdat het akkoord nog niet is beoordeeld op zijn milieu- en sociale effecten. Ze komen al met een antwoord voordat de effecten überhaupt zijn onderzocht. Veel afgevaardigden hebben gesproken over niet-tarifaire belemmeringen en het werk dat nog door de groep op hoog niveau moet worden verricht. Ik denk dat daarmee een positieve stap voorwaarts moet worden gezet.
Gezien het feit dat Japan een belangrijke handelspartner is – de bilaterale handel met de EU is jaarlijks goed voor 120 miljard euro en de EU is voor Japan de op twee na grootste handelspartner en de op een na grootste investeerder – moeten we beseffen dat een bilateraal akkoord gepaard gaat met het risico dat multilaterale akkoorden met de rest van de wereld, vooral de ontwikkelingslanden, worden ondermijnd. Dat is volgens mij aanleiding genoeg om terug te komen op de onvoorwaardelijke steun voor een vrijhandelsakkoord.
Tot slot zou ik willen zeggen, hoezeer ik ook met Japan sympathiseer, dat toekomstig handelsbeleid zich simpelweg niet mag laten leiden door wie het meest recent door een natuurramp is getroffen.
Helmut Scholz, namens de GUE/NGL-Fractie. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, aan het einde van deze maand begint de Top tussen de Europese Unie en Japan. Dan zou eigenlijk maar één onderwerp hoog op de agenda moeten staan: de ramp die de Japanners heeft getroffen door de combinatie van een aardbeving, een tsunami en de radioactieve straling, die nog steeds schade aanricht. De vraag is welke concrete bijdrage de EU, de lidstaten en onze burgers kunnen leveren om de gevolgen op de korte, de middellange en de lange termijn op te vangen. Ook daarom spreek ik nogmaals mijn oprechte medeleven uit met het Japanse volk.
Ook gezien het debat dat we net over Pakistan hebben gevoerd, moeten we onze partners meteen hulp aanbieden om deze ramp het hoofd te bieden. Tijdens de Top moeten we met name concrete besluiten nemen over de samenwerking bij het opruimen van besmette gebieden, en bij het gezamenlijk onderzoek naar en het ontwikkelen van hernieuwbare energie.
Dit ongeluk mag echter niet de reden zijn om onze handelsrelaties eventueel aan te halen, en de economische samenwerking te versterken door daarover een akkoord te sluiten. Daarom moeten we nu dus niet overhaast gaan onderhandelen, we moeten dat heel goed voorbereiden, ook met het oog op de verschillende tradities en gewoontes.
Europa en Japan hebben allebei een grote en sterke economie, daarom moeten we heel zorgvuldig te werk gaan bij de onderhandelingen over een breed bilateraal handelsakkoord. Onder andere de intellectuele eigendomsrechten en de openbare aanbestedingen zijn al genoemd, en met name de buitenlandse investeringen zouden de politieke armslag aan beide kanten wel eens kunnen beperken. Daarom moeten we de gevolgen op de lange termijn evalueren van de verschillende hoofdstukken en aspecten van een toekomstige overeenkomst tussen de EU met 27 lidstaten en Japan voor samenwerking op het gebied van de economie en het handelsbeleid. Daarom moet het Europees Parlement, dat een medebeslissingsrecht heeft, worden betrokken bij het uitwerken van een mandaat, net als de publieke opinie.
William (The Earl of) Dartmouth, namens de EFD-Fractie. – (EN) Mevrouw de Voorzitter, de meeste mensen – hoewel lang niet allemaal – weten dat kort na de toetreding van een land tot de EU, de Commissie, meer bepaald de commissaris voor handel, de onderhandelingen voert over alle handelsovereenkomsten van dat land. Dit in het kader van een regeling die de belangen van alle 27 lidstaten moet waarborgen, waar in de praktijk uiteraard niets van terechtkomt.
Wanneer de EU namens de lidstaten de onderhandelingen voert, komt er waarschijnlijk een handelsakkoord uit de bus dat voor de afzonderlijke lidstaten – en ik moet zeggen, voor het Verenigd Koninkrijk in het bijzonder – minder gunstig uitpakt dan wanneer de lidstaten de onderhandelingen zelf hadden gevoerd.
De rationale achter dit alles is dat de EU een groot handelsblok is en door de macht die dit geeft, kan zij via onderhandelen een handelsverdrag tot stand brengen waar een afzonderlijke lidstaat niet aan kan tippen. Maar wat wil nu het verhaal? De onderhandelingen voor een handelsakkoord tussen de EU met Japan zijn nog niet eens behoorlijk opgestart, zoals de commissaris zei. Laten we dat eens vergelijken met Zwitserland, met zijn relatief kleine maar dynamische economie, dat inmiddels wel een handelsverdrag met Japan heeft af weten te sluiten, een verdrag dat al sinds 2009 van kracht is.
Daarmee is opnieuw het bewijs geleverd dat het Verenigd Koninkrijk en de andere bijdragende lidstaten veel beter af zijn buiten het bureaucratisch staketsel dat de Europese Unie is.
Franz Obermayr (NI). - (DE) Mevrouw de Voorzitter, de EU en Japan hebben in 2009 samen meer dan een kwart van de mondiale productie voor hun rekening genomen, en meer dan 20 procent van de mondiale handel. Daarom is een degelijk vrijhandelsakkoord met Japan van het grootste belang voor de EU. We moeten gebruik maken van synergieën, en uitdagingen samen aangaan, bijvoorbeeld de concurrentie met China, en de gegarandeerde toegang tot grondstoffen.
In dit akkoord moeten we echter ook bilaterale vrijwaringsclausules opnemen. Daarbij denk ik aan kwetsbare bedrijfstakken, zoals de auto-industrie, de elektronische industrie en de bouw van vliegtuigen en machines. Ik weet zeker dat Japan een faire en betrouwbare partner kan en uiteindelijk ook zal zijn.
Tot slot moeten we absoluut verhinderen dat de Europese burgers worden geconfronteerd met radioactief besmette producten, hoe belangrijk Japan als handelspartner ook is.
Jörg Leichtfried (S&D). - (DE) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer De Gucht, dames en heren, dit is misschien een ongebruikelijk begin van een toespraak in het Europees Parlement, maar ik moet toegeven dat ik niet zeker weet of het zinvol is om nu al een handelsakkoord met Japan te sluiten, en of het ooit zinvol kan zijn.
Ik aarzel om drie redenen. Ten eerste vraag ik me af of we onze pogingen om een multilateraal akkoord te sluiten niet torpederen door al die akkoorden over buitenlandse handel met al die belangrijke partners. Het gevaar bestaat dat we ons nu te zeer concentreren op het sluiten van individuele akkoorden, en dat het daardoor misschien moeilijk wordt om toch nog met de nodige nadruk te werken aan een multilateraal systeem.
Ten tweede heb ik tot nu toe niet het gevoel gekregen dat Japan ons werkelijk tegemoet komt, het land schermt zijn markt af, en voert non-tarifaire handelsbelemmeringen in. Dat moet veranderen, anders wordt het hele akkoord misschien een beetje te eenzijdig.
Ten derde: wat zijn de gevolgen? Ik wil nu niet beoordelen of het voor ons uiteindelijk wel of niet de moeite waard is, maar ik zou toch van tevoren wel even willen weten welke sociale gevolgen we verwachten, en wat de gevolgen zijn voor het milieu of de arbeidsmarkt. Dat is volgens mij nog niet helemaal duidelijk. Ik vind dat we dat van te voren beter moeten onderzoeken, zodat we het kunnen beoordelen.
Wanneer dat allemaal opgehelderd is moet de Commissie volgens ons – en dat hebben meerdere collega's al gezegd – ook het Parlement betrekken bij het uitwerken van het mandaat. Veel van de problemen die we bij andere handelsakkoorden zijn tegengekomen, zijn te wijten aan het feit dat we niet geraadpleegd waren, en dat kunnen we deze keer vermijden. Ik vind überhaupt dat we bij alle toekomstige handelsakkoorden zo te werk zouden moeten gaan.
Reinhard Bütikofer (Verts/ALE). - (DE) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, dames en heren, sommige fracties zijn er blijkbaar van overtuigd dat het juist is om nu te proberen om een ambitieus vrijhandelsakkoord met Japan te sluiten. U heeft al gehoord dat mijn fractie dat niet zo zeker weet. Ik heb er zelf wel sympathie voor, ik denk namelijk dat we Japan na de ramp die het land heeft getroffen, wel degelijk kunnen helpen door intensiever samen te werken op het gebied van de handel, en zo een impuls te geven aan de economie.
We kunnen echter niet onder een aantal principiële vragen uit. Er is gezegd dat we de effecten van bilaterale akkoorden moeten evalueren, dat het verkeerd zou zijn om eerst de prioriteiten in verband met de vrije handel te definiëren, en het Europees industriebeleid dan als daarvan afgeleide variabele te behandelen. Er is ook gezegd dat we moeten nadenken over de bijdrage van deze akkoorden aan de duurzame ontwikkeling. Dat wil ik allemaal niet herhalen.
Ik zou op een ander punt in willen gaan. Volgens mij moeten we veel serieuzer dan tot nu toe bespreken wat de gevolgen van een dergelijk vrijhandelsakkoord tussen twee van de reuzen op het gebied van de internationale handel zijn voor de hele structuur van de mondiale handel. Wanneer twee olifanten op het gebied van de handel met elkaar onderhandelen over een vrijhandelsakkoord, dan is dat geen zuiver bilaterale kwestie. Tot nu toe is er nog nooit een vrijhandelsakkoord gesloten tussen twee economische supermachten, dit zou een première zijn. Wat betekent dat? Wat is het strategisch perspectief? Wat heeft dat voor gevolgen?
Het is niet genoeg om zomaar te zeggen: we willen multilaterale handel, maar als dat niet lukt, leggen we dat voorlopig opzij, we wachten af, en drijven in de tussentijd bilateraal vrije handel. We zijn verplicht om ook de Europese burgers duidelijk te maken wat de gevolgen zijn, en daarom moet het Parlement een hoofdrol spelen bij het uitwerken van het mandaat, dat hebben meerdere collega's al geëist.
George Sabin Cutaş (S&D). - (RO) Mevrouw de Voorzitter, de economie van de Europese Unie en die van Japan bedragen samen 35 procent van het mondiale bbp. Ik ben van mening dat een vrijhandelsakkoord tussen deze twee economische grootmachten voordelig kan zijn voor beide zijden. Eerst moet echter een aantal moeilijkheden uit de weg worden geruimd, die een werkelijk winstgevend akkoord voor beide partijen in de weg staan.
De Japanse markt heeft momenteel, zoals ook mijn collega's hebben gezegd, een aantal niet-tarifaire barrières die de toegang voor import belemmeren en in het algemeen de handel en investeringen beïnvloeden. In het kader van de onderhandelingen moet de Europese Commissie zich richten op een meer transparante regelgeving, waardoor de Europese bedrijven een volledig begrip hebben van de regels voor de handel met Japanse partners. Ook moet de toegang tot openbare aanbestedingen worden geliberaliseerd. Tot slot ben ik van mening dat er een effectbeoordeling moet worden gemaakt van een eventueel akkoord, met name voor kwetsbare Europese industrieën zoals de auto-industrie, de elektronica-industrie of de luchtvaartindustrie.
Jaroslav Paška (EFD). – (SK) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, Japan deelt veel gemeenschappelijke belangen met de Europese Unie, niet alleen op politiek gebied, maar ook op het gebied van de economie en de handelssamenwerking.
Hoewel Japan en de Europese Unie tot de ontwikkelde economieën behoren, worden in hun handelssamenwerking tot nu toe niet de mogelijkheden benut die overeenstemmen met hun economische invloed. Afgezien van heffingen wordt betere handelssamenwerking ook bemoeilijkt door de barrières die Japan opwerpt op het gebied van standaardisering, de toegang tot overheidsopdrachten en openbare aanbestedingen. Ik ben ervan overtuigd dat het in ons belang is de handelssamenwerking met Japan te verbeteren. We moeten er echter naar streven deze samenwerking correct, open, evenwichtig en voordelig te maken voor beide partijen. Daarom wil ik de Commissie steunen in haar pogingen om dit doel te bereiken.
Karel De Gucht, lid van de Commissie. − (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik wil graag kort twee punten bespreken. Het eerste is de relatie tussen bilaterale en multilaterale overeenkomsten. Enkele leden hebben naar voren gebracht dat we ons zouden moeten concentreren op de multilaterale overeenkomsten, in plaats van op de bilaterale. Dat doen we ook! Zoals u weet, zijn de multilaterale onderhandelingen voor de Doha-ronde in het slop geraakt, en wij zijn het enige grote handelsblok dat onlangs voorstellen heeft gedaan om te proberen de verschillen tussen de ontwikkelde en de opkomende economieën wat betreft de industriesectoren te overbruggen. Maar terwijl wij ons werkelijk concentreren op de multilaterale aspecten van handel, mogen we aan de andere kant niet al onze bilaterale betrekkingen met belangrijke handelspartners verwaarlozen.
Mijn tweede punt betreft Japan, en dit is echt een ‘kip- en -ei’-situatie, zoals velen van u hebben gezegd. Begin je de onderhandelingen en hoop je vervolgens dat je in de loop van de onderhandelingen een oplossing kunt vinden voor de niet-tarifaire belemmeringen die al jaren van kracht zijn, of probeer je het merendeel van de niet-tarifaire belemmeringen af te schaffen als een voorwaarde voor onderhandelingen over de vrijhandelsovereenkomst? Ik denk dat we, tot op zekere hoogte, die voorwaardelijkheid nodig hebben, want het echte probleem met Japan is niet zozeer de tarieven. Natuurlijk is het de bedoeling om alle tarieven af te schaffen die je normaliter niet zou hebben bij een ontwikkelende of opkomende economie. Het echte probleem betreft de niet-tarifaire belemmeringen. We hebben een lijst van 27 niet-tarifaire belemmeringen voorgesteld waarvan wij denken dat ze doorslaggevend zijn voor onze handelsbetrekking, en er ligt momenteel pas in drie van de 27 gevallen een oplossing op tafel die acceptabel lijkt.
De Japanners eisen dat zij ook oplossingen krijgen voor alle overige belemmeringen, maar wij zien geen oplossing in de voorstellen die zij ons hebben gedaan.
Wij vinden dus dat we een onderzoek naar de omvang van het probleem nodig hebben, zodat we weten waar we het over hebben. Ik hoop dat we in de loop van dit onderzoek een aantal niet-tarifaire belemmeringen kunnen wegnemen en dat dit het juiste klimaat zal scheppen waarin we beginnen aan de echte handelsbesprekingen met Japan. Dat is hoe wij ertegenaan kijken. We zien het, op zijn minst gedeeltelijk, als een voorwaarde waaraan we moeten vasthouden.
De Voorzitter. – Tot besluit van het debat zijn er twee ontwerpresoluties ingediend(1), overeenkomstig artikel 115, lid 5, van het Reglement.
Het debat is gesloten.
De stemming vindt op woensdag 11 mei 2011 plaats.
Schriftelijke verklaringen (artikel 149)
Artur Zasada (PPE), schriftelijk. – (PL) Ik ben van mening dat een toenadering op het gebied van aeronautica voor de Europese en Japanse economie een enorme kans is. De Europese luchtvaartindustrie is al jarenlang de grootste leverancier van burgerlijke en militaire technologie op de wereldmarkt. Japan werkt ook aan geavanceerde technologieën voor de algemene luchtvaart en ook voor het passagiers- en vrachtvervoer. Er wordt verwacht dat personen- en vrachtvervoer via de lucht een van de snelst ontwikkelende sectoren van de komende decennia zal zijn. We hebben weliswaar al voorbeelden van samenwerking tussen partners uit de Europese Unie en Japan, onder andere de helikopter EC 145 die samen door de firma’s Europcopter en Kawasaki is ontworpen, maar het samenwerkingspotentieel is volgens mij veel groter. Ik roep op om stappen te ondernemen die tot een snelle Europees-Japanse samenwerking op het gebied van aeronautica zullen leiden, zowel op het niveau van ondernemingen als op het niveau van wetenschappelijke onderzoeksinstellingen.