Europees parlement

Choisissez la langue de votre document :

Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B6-0024/2005

Ingediende teksten :

B6-0024/2005

Debatten :

PV 12/01/2005 - 10

Stemmingen :

PV 13/01/2005 - 6.4

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 106kDOC 39k
5 januari 2005
PE 352.988v01-00
 
B6‑0024/2005
naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie
ingediend overeenkomstig artikel 103, lid 2 van het Reglement
door Frithjof Schmidt, Marie-Hélène Aubert en Bernat Joan i Marí
namens de Verts/ALE-Fractie
over de schulden van de ontwikkelingslanden

Resolutie van het Europees Parlement over de schulden van de ontwikkelingslanden 
B6‑0024/2005

Het Europees Parlement,

–  gezien de resolutie van de Commissie voor de rechten van de mens van de Verenigde Naties (2001/27) over de gevolgen van het structurele aanpassingsbeleid en de buitenlandse schulden voor de feitelijke uitoefening van alle mensenrechten en in het bijzonder de sociaal-economische en culturele rechten,

–  gezien de petitie "Jubilee 2000", die werd getekend door 24 miljoen burgers en waarin werd verzocht om kwijtschelding van de schulden van de ontwikkelingslanden,   

–  gelet op artikel 103, lid 2 van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de schulden van de ontwikkelingslanden in 2001 ongeveer 2.450 miljard dollar bedroegen tegen ongeveer 560 miljard dollar in 1980 en dat deze landen in dezelfde periode 3.400 miljard dollar hebben afgelost,

B.  overwegende dat 20 jaar na het uitbreken van de schuldencrisis, in 1982, de landen met schulden meer dan zevenmaal het bedrag van hun schuld hebben terugbetaald, en dat zij thans vier maal zoveel schuld hebben,

C. overwegende dat de buitenlandse schulden van de ontwikkelingslanden in het algemeen en die van de minst ontwikkelde landen in het bijzonder een van de belangrijkste oorzaken zijn van de ondermijning van de inspanningen van economische en sociale ontwikkeling van die landen,

D.  overwegende dat in de jaren '60 de industrielanden en de financiële instellingen de landen van het Zuiden, met name de Afrikaanse landen die onlangs onafhankelijk waren geworden en de Latijns-Amerikaanse landen, tot het aangaan van leningen hebben aangezet,

E.  overwegende dat de bevolkingen niet hebben geprofiteerd van de massale leningen die de leiders van de zuidelijke landen zijn aangegaan, en dat een groot deel van de geleende bedragen door de dictatoriale regimes van deze landen is verduisterd,

F.  overwegende dat het begrip "schandelijke schuld" ("odious debt") voor het eerst werd gebruikt in 1898 bij de inlijving van Cuba door de VS, die weigerden de schuld van Cuba aan Spanje te betalen, onder het voorwendsel dat deze leningen niet ten goede waren gekomen aan het welzijn van de bevolking en dat de schandelijke schuld komt te vervallen bij een verandering van regime,    

G.  overwegende dat de minst ontwikkelde landen, het merendeel Afrikaanse landen met een zeer grote schuld, nog steeds meer dan 40% van hun BNP terugbetalen en dat de ontwikkeling door de schuldenlast in een flessenhals terecht komt,

H.  overwegende dat de Wereldbank, het IMF, de G7 en de Club van Parijs in 1996 het initiatief genomen hebben om de schulden van arme landen met zeer grote schulden te verlichten,

I.  overwegende dat volgens het rapport van de UNCTAD van 2002 en na twintig jaar structureel aanpassingsbeleid de armoede blijft toenemen, de groei onregelmatig is, de plattelandscrises zijn verergerd en de desindustrialisatie de groeivooruitzichten heeft teniet gedaan,

J.  overwegende dat het, om de spiraal van de armoede waarin de armste landen met zeer grote schulden zijn opgesloten, te doorbreken, voor alles noodzakelijk is dat de exclusieve logica van de economische groei wordt vervangen door het begrip duurzame plaatselijke ontwikkeling in overeenstemming met de noden van de meerderheid van de bevolking,

1.  verzoekt de Raad van de EU een moedig initiatief te nemen en de schulden van de armste landen kwijt te schelden, teneinde de benodigde gelden vrij te maken om de Millennium doelstellingen op het gebied van ontwikkeling te bereiken;

2.  verzoekt de Raad van de EU de door de Zuidelijke landen ten tijde van dictatoriale regimes aangegane leningen te beschouwen als een "odious debt" die niet hoeft te worden overgenomen door de democratisch gekozen regeringen;

3.  verlangt dat in de toekomst geen leningen meer worden verstrekt zonder toestemming van de nationale democratisch gekozen parlementen van de betrokken landen en acht het noodzakelijk dat het door de kwijtschelding van de schuld vrijgekomen bedrag wordt beheerd in een fonds voor duurzame sociale en ecologische ontwikkeling dat democratisch door de plaatselijke bevolking wordt gecontroleerd;

4.  onderstreept dat het beheer van de schuldencrisis van de ontwikkelingslanden en het door het akkoord van Washington, met inbegrip van het initiatief voor de armste landen met zeer grote schulden, voorgestelde redmiddel, er niet toe geleid heeft dat de spiraal van schulden waarin deze landen al twintig jaar verkeren en die alle strategieën voor duurzame ontwikkeling onmogelijk heeft gemaakt, werd doorbroken;

5.  acht het onaanvaardbaar dat de minst ontwikkelde landen, in meerderheid Afrikaanse landen, nog steeds 40% van hun totale begroting als rente van hun schulden aflossen, terwijl tegelijkertijd grote bedragen nodig zijn voor de ontwikkeling van het onderwijssysteem en de basisinfrastructuur voor de gezondheidszorg;

6.  betreurt dat de toepassing van structurele aanpassingsprogramma's door de armste landen een conditio sine qua non is om te kunnen profiteren van het initiatief voor de armste landen met zeer grote schulden en stelt vast dat de door de financiële instellingen, o.a. de Wereldbank en het IMF, met het oog op het herstel van het grote macro-economische evenwicht opgelegde voorwaarden bijgedragen hebben aan marginalisering en verpaupering van de bevolking;

7.  verlangt de tenuitvoerlegging van de Verklaring van de Verenigde Naties van 1986 over het recht op ontwikkeling en is van mening dat het recht op ontwikkeling als universeel en onvervreemdbaar mensenrecht door de EU als een van de grondrechten moet worden beschouwd;

8.  verlangt herziening van de regels van de WHO teneinde de in Rio in 1992 vastgestelde doelstellingen van duurzame ontwikkeling te bereiken en is van mening dat deze doelstellingen moeten dienen als uitgangspunt voor de vaststelling van nieuwe regels voor de sturende mechanismen van de wereldeconomie, zodat de armoede effectief kan worden bestreden;

9.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en aan de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

Laatst bijgewerkt op: 7 januari 2005Juridische mededeling