naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie
ingediend overeenkomstig artikel 103, lid 2 van het Reglement
door Armin Laschet
namens de PPE-DE-Fractie
over Oezbekistan
Resolutie van het Europees Parlement over Oezbekistan
B6‑0374/2005
Het Europees Parlement,
–
gezien de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst met Oezbekistan,
–
gezien het strategisch document van de Commissie voor Centraal-Azië voor de periode 2002-2006,
–
gezien de conclusies van de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van 23 en 24 mei 2005 over Oezbekistan,
–
onder verwijzing naar zijn vorige resoluties over Kirgizstan en Centraal-Azië,
–
gelet op artikel 103, lid 2 van zijn Reglement,
A.
overwegende dat op 13 mei onlusten zijn uitgebroken in Andijan, de vierde grootste stad van Oezbekistan, toen gewapende overvallers een plaatselijke gevangenis en de zetel van de regering hebben bezet en duizenden mensen op straat hebben gedemonstreerd,
B.
overwegende dat mensenrechtengroeperingen en oppositiepartijen hebben verklaard dat ongeveer 500 mensen zijn gedood toen Oezbeekse veiligheidstroepen het vuur op de menigte hebben geopend, terwijl de Oezbeekse president Islam Karimov de schuld van het geweld bij islamitische groeperingen heeft gelegd, heeft ontkend dat de veiligheidstroepen het vuur hebben geopend op ongewapende burgers en heeft gezegd dat er slechts 169 doden zijn gevallen, voor het merendeel "islamitische extremistische terroristen",
C.
overwegende dat de Verenigde Naties op 18 mei hebben aangedrongen op een onafhankelijk onderzoek naar de beweerde massamoorden om opheldering te verschaffen met betrekking tot de tegenstrijdige berichten van de kant van de regering en de oppositie over de schietpartijen en daarbij hebben onderstreept dat voor Oezbekistan internationaal isolement en stopzetting van de hulp dreigt als het geen volledig onderzoek toestaat,
D.
overwegende dat de Oezbeekse president Islam Karimov op 20 mei de verzoeken van de Verenigde Naties om een internationaal onderzoek heeft afgewezen en heeft verklaard dat de Oezbeekse autoriteiten een eigen onderzoek zouden instellen,
E.
overwegende dat de bewoners van Andijan bijna drie weken na de onlusten nog steeds bang zijn voor represailles van de regering omdat zij zich over de gebeurtenissen hebben uitgesproken en dat de stad grotendeels gesloten blijft voor journalisten en voorvechters van de mensenrechten, terwijl de regering de Oezbeekse media aanwijzingen heeft gegeven over de wijze van berichtgeving over de gewelddadigheden en de toegang naar een steeds groter aantal websites van buitenlandse media heeft geblokkeerd,
F.
overwegende dat de Oezbeekse regering een lange traditie heeft van foltering, mishandeling en ernstige schendingen van de mensenrechten jegens gevangenen en van repressief optreden tegen mensenrechtenactivisten en politieke tegenstanders,
G.
overwegende dat de Oezbeekse president Islam Karimov zijn hardhandige optreden rechtvaardigt met het argument dat radicale islamitische fundamentalisten uit de Ferghana-vallei zijn regering omver willen werpen en een islamitisch kalifaat in Centraal-Azië willen stichten,
H.
overwegende dat Oezbekistan een bondgenoot van de VS is in hun strijd tegen het terrorisme en zijn luchtmachtbasis in Khanabad ter beschikking stelt van het Amerikaanse leger dat deze als uitvalsbasis gebruikt voor zijn operaties in het naburige Afghanistan,
1.
betreurt ten zeerste het ontstellende verlies aan mensenlevens tijdens het geweld van 13 mei in Andijan, betuigt zijn medeleven aan de bevolking die onder het geweld heeft geleden en dringt er bij de Oezbeekse autoriteiten op aan zich terughoudend op te stellen om verder verlies aan mensenlevens te voorkomen;
2.
dringt er bij de Oezbeekse regering op aan haar internationale verplichtingen inzake democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten na te komen en derhalve haar onvoorwaardelijke weigering om toestemming te geven voor een onafhankelijk internationaal onderzoek naar de gebeurtenissen te heroverwegen;
3.
benadrukt dat de Oezbeekse regering, als zij een internationaal onderzoek blijft weigeren, zelfs haar meest essentiële verplichtingen in het kader van de in de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst opgenomen mensenrechten- en democratieclausule niet nakomt;
4.
dringt er bij de Raad en de Commissie op aan de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst met Oezbekistan op te schorten als de Oezbeekse regering niet instemt met een onafhankelijk internationaal onderzoek en zich daarbij te beroepen op de mensenrechten- en democratieclausule in die overeenkomst;
5.
onderstreept dat het onderzoek moet worden opgezet door het VN-Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten en moet worden uitgevoerd door internationale deskundigen die ervaring hebben met het uitvoeren van onderzoek en het verzamelen van bewijsmateriaal en die moet worden opgedragen de daders op te sporen en aldus de rol van de autoriteiten bij het vermoorden van ongewapende burgers op te helderen, waarbij in het kader van het internationale onderzoek volledige en onbelemmerde toegang moet worden verleend tot alle delen van Andijan en dit een onderdeel moet vormen van de voorwaarden van de EU om de opschorting van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst op te heffen of om hierop geen beroep te doen;
6.
dringt bij de Raad en de Commissie aan op verlening van humanitaire hulp in nauwe samenwerking met de VN-agentschappen en andere internationale organisaties en dringt er bij de Oezbeekse autoriteiten op aan deze hulp onmiddellijk tot het gebied toe te laten;
7.
dringt er bij de Amerikaanse regering op aan de onderhandelingen met de Oezbeekse regering op te schorten over een formele overeenkomst voor de lange termijn die de VS in staat zou stellen hun militaire basis in Oezbekistan te handhaven en de Oezbeekse regering aanzienlijke financiële voordelen zou bieden, alsook andere alternatieven in de regio te overwegen; dringt er bij de Raad en de Commissie op aan dit onderwerp tijdens de komende top EU-VS aan de orde te stellen;
8.
dringt er bij de Raad en de Commissie op aan in afwachting van een onafhankelijk onderzoek naar het geweld te overwegen een wapenembargo in te stellen naar het voorbeeld van het wapenembargo tegen China na de militaire actie van de veiligheidstroepen van de Chinese regering op het Plein van de Hemelse Vrede in 1989;
9.
dringt bij de NAVO aan op opschorting van de deelname van Oezbekistan aan het programma partnerschap voor vrede en dringt bij de NAVO-lidstaten aan op stopzetting van hun steun voor het Oezbeekse leger als geen internationaal onderzoek wordt uitgevoerd;
10.
onderstreept dat het van belang is de fundamentele oorzaken van de instabiliteit in de regio aan te pakken en dringt bij de Oezbeekse autoriteiten aan op interne hervormingen die van essentieel belang zijn voor de economische ontwikkeling en de totstandbrenging van democratie en stabiliteit in het land; dringt er bij de Raad en de Commissie op aan deze hervormingen daadwerkelijk te steunen in nauw overleg met andere relevante internationale actoren;
11.
verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, de president, de regering en het parlement van Oezbekistan, de secretaris-generaal van de VN, de OVSE en de regeringen van China, Rusland en de VS.