naar aanleiding van de verklaringen van de Europese Raad en de Commissie
ingediend overeenkomstig artikel 103, lid 2 van het Reglement
door Andrew Duff
namens de ALDE-Fractie
over de opening van de onderhandelingen met Turkije
Resolutie van het Europees Parlement over de opening van de onderhandelingen met Turkije
B6‑0487/2005
Het Europees Parlement,
–
gezien zijn verslag over de vorderingen van Turkije op weg naar de toetreding, aangenomen op 15 december 2004,
–
gezien de conclusies van de Europese Raad van december 2004, die besloot de toetredingsonderhandelingen met Turkije op 3 oktober 2005 te starten,
–
gezien het onderhandelingskader dat de Commissie in juni 2005 heeft gepresenteerd, en het voorstel voor een maatschappelijke discussie tussen de EU en de kandidaat-lidstaten,
–
gezien de ondertekening van het protocol bij de associatieovereenkomst EU-Turkije op 29 juli 2005, waarbij de douane-unie is uitgebreid tot de nieuwe lidstaten,
–
gezien de aanvullende verklaring die Turkije heeft aangenomen met betrekking tot het protocol, en de reactie van de Raad op die verklaring,
–
gelet op artikel 103, lid 2 van zijn Reglement,
A.
overwegende dat de Europese Unie zich moet houden aan eerder gedane toezeggingen, met name die van de Europese Raad van december 2004 en van de Europese Raad van Helsinki in 1999,
B.
overwegende dat de onderhandelingen gericht zijn op een volledig lidmaatschap van de Europese Unie, maar dat de uitkomst niet vastligt met betrekking tot de vraag of dit doel al dan niet wordt bereikt, evenals bij voorgaande toetredingsonderhandelingen,
C.
overwegende dat het streven naar toetreding tot de Europese Unie noopt tot fundamentele politieke en economische hervormingen in de kandidaat-lidstaten en een bereidheid vraagt een samengevoegde en gedeelde soevereiniteit op belangrijke beleidsterreinen aan te gaan,
1.
spreekt nogmaals zijn steun uit voor de start, zoals gepland, op 3 oktober van de toetredingsonderhandelingen maar wijst erop dat de uitslag van de onderhandelingen niet vastligt, en dat dit gegeven een verdere stimulans voor Turkije zou moeten zijn om de noodzakelijke hervormingen goed te keuren en uit te voeren;
2.
is ingenomen met de goedkeuring van zes wetshervormingspakketten, maar onderstreept dat de praktische implicaties van een aantal bepalingen in het strafrecht nog niet duidelijk zijn; is bezorgd over de recente aanklacht tegen de schrijver Orhan Pamuk, die naar letter en geest indruist tegen het Europees Handvest van de grondrechten en Turkije's verplichtingen als lid van de Raad van Europa;
3.
juicht de ondertekening toe op 29 juli van het zogenaamde Ankara-protocol, dat de associatieovereenkomst tussen de EU en Turkije uitbreidt tot de nieuwe lidstaten; wijst erop dat Turkije verplicht is de douane-unie uit te breiden tot alle lidstaten, met inbegrip van de Republiek Cyprus, en betreurt derhalve de verklaring van Turkije met betrekking tot het protocol; onderstreept dat de verklaring weliswaar geen juridische effecten kan hebben die de tenuitvoerlegging van het Ankara-protocol verhinderen, maar dat het politieke signaal dat hiervan uitgaat contraproductief is ten aanzien van de verklaring van Turkije om de toetredingsonderhandelingen te willen starten en tot de Europese Unie toe te treden;
4.
wijst erop dat enerzijds Turkije het Ankara-protocol volledig en onverwijld moet uitvoeren, en de bepalingen inzake vrij verkeer van goederen tot alle lidstaten van de EU moet uitbreiden, en anderzijds de Raad onder het huidige Britse voorzitterschap hernieuwde pogingen in het werk moet stellen om een overeenkomst te bereiken over het financiële hulppakket en over regelingen ter facilitering van de handel met betrekking tot Noord-Cyprus zodat de EU haar eigen verplichtingen nakomt met betrekking tot de Turks-Cypriotische gemeenschap;
5.
herhaalt zijn oproep aan alle partijen op Cyprus om de besprekingen onder auspiciën van de VN over een alomvattende regeling van het conflict te hervatten;
6.
dringt er bij de Turkse autoriteiten op aan voort gang te maken met de hervormingsagenda en ervoor te zorgen dat de goedgekeurde hervormingen naar behoren worden uitgevoerd in heel het justitiële systeem, door de overheidsinstanties, de politie en de legermacht;
7.
benadrukt dat speciale aandacht moet worden geschonken aan de situatie in Zuidoost-Turkije, dat een verbetering van de politieke en economische omstandigheden in het zuidoosten noodzakelijk zijn voor de algehele stabiliteit in het land, en dat een sterke Koerdische identiteit en cultuur beschouwd zouden moeten worden als een positieve bijdrage aan de Turkse samenleving;
8.
is ingenomen met de bepalingen in het onderhandelingskader, als gepresenteerd door de Commissie, en in het bijzonder met de nadruk op een grotere controle op de politieke voorwaarden en de tenuitvoerlegging van politieke hervormingen; onderstreept dat de aanvullende waarborgen in het onderhandelingskader tegemoet zouden moeten komen aan een aantal punten van zorg als geuit in het openbaar debat in de Europese Unie;
9.
steunt volledig de voorstellen in het voorstel van de Commissie voor een maatschappelijke discussie tussen de EU en de kandidaat-lidstaten, en onderstreept dat de Turkse regering, samen met de Turkse burgerorganisaties, hun verantwoordelijkheid moeten nemen om samen met de publieke opinie in de EU een debat aan te gaan over kwesties die een gemeenschappelijke toekomst betreffen;
10.
verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de parlementen en regeringen van de lidstaten en het parlement en de regering van Turkije.