Europees parlement

Choisissez la langue de votre document :

Procedure : 2006/2627(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B6-0520/2006

Ingediende teksten :

B6-0520/2006

Debatten :

PV 27/09/2006 - 3
CRE 27/09/2006 - 3

Stemmingen :

PV 28/09/2006 - 7.5

Aangenomen teksten :

P6_TA(2006)0386

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 100kDOC 52k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B6-0508/2006
25 september 2006
PE 378.413v01-00
 
B6‑0520/2006
naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie
ingediend overeenkomstig artikel 103, lid 4 van het Reglement
door Jeanine Hennis-Plasschaert
namens de ALDE-Fractie
over het gemeenschappelijke immigratiebeleid van de EU

Resolutie van het Europees Parlement over het gemeenschappelijke immigratiebeleid van de EU 
B6‑0520/2006

Het Europees Parlement,

–  gelet op artikel 6 van het EU-Verdrag en artikel 63 van het EG-Verdrag,

–  gelet op artikel 42 van het EU-Verdrag,

–  gezien het programma van Tampere van 1999 en het programma van Den Haag van 2004 met betrekking tot de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid,

–  gezien de vergadering van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken in Tampere op 20-22 september 2006,

–  gezien de voortdurende discussies over de financiële vooruitzichten, met inbegrip van het Europees Vluchtelingenfonds en het Europees Terugkeerfonds,

–  gelet op artikel 103, lid 4 van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese Unie zeven jaar na de goedkeuring van het programma van Tampere geen coherent immigratiebeleid heeft, waarbij met name een beleid op het gebied van wettelijke migratie en terugkeer ontbreekt,

B.  overwegende dat het gemeenschappelijk Europees asielsysteem is gebaseerd op een pakket van regels waarvan geen enkele deelnemende lidstaat mag afwijken,

C.  overwegende dat artikel 42 van het EU-Verdrag en artikel 67, lid 2 van het EG-Verdrag voorzien in de brugprocedure ("passerelle") voor medebeslissing en stemming met gekwalificeerde meerderheid in de Raad wat kwesties in verband met de derde peiler betreft,

1.  benadrukt dat toenemende migratie een mondiaal verschijnsel is dat talrijke oorzaken en gevolgen heeft en een evenwichtige, mondiale en coherente aanpak vergt;

2.  is zich ervan bewust dat, doordat kanalen voor wettelijke migratie ontbreken, asielsystemen onder toenemende druk komen te staan als middel voor wettelijke vestiging;

3.  erkent de menselijke drama's en de moeilijkheden waarmee een aantal EU-lidstaten te maken krijgen, met name Cyprus, Malta, Italië en Spanje, met betrekking tot het beheer van de erg grote migratiestromen van de laatste paar jaren;

4.  betreurt de zeer aanzienlijke humanitaire kosten, inclusief de verloren levens van immigranten;

5.  is ten zeerste van mening dat de EU-lidstaten hun verplichtingen overeenkomstig de EU- en de internationale wetgeving op het gebied van asielzoekers en migranten moeten nakomen;

6.  dringt eropaan dat de lidstaten de regels inzake toegang tot de asielprocedure en de bepalingen van Richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten op coherente en consistente wijze toepassen en dat asielaanvragen snel en efficiënt worden verwerkt;

7.  benadrukt dat bij een alomvattende aanpak van immigratie de push-factoren niet kunnen worden genegeerd die mensen er in de eerste plaats toe brengen hun land te verlaten, welke reële mogelijkheden voor wettelijke migratie naar de Europese Unie (een EU-vorm van de "green card") nodig maken, alsmede duidelijke plannen voor ontwikkeling en investeringen in de herkomst- en doorgangslanden, inclusief een handels- en een landbouwbeleid waarmee economische kansen worden bevorderd;

8.  verzoekt om een partnerschapsbenadering met de herkomst- en de doorgangslanden, om ervoor te zorgen dat deze een actieve rol spelen door te helpen de migratiestromen te beheren, illegale immigratie te stremmen en effectieve informatiecampagnes op te zetten over de omstandigheden in de ontvangende EU-landen, inclusief de criteria voor het verkrijgen van asiel;

9.  is van mening dat een deling van de verantwoordelijkheden en financiële lasten onder de lidstaten integrerend deel van het EU-immigratiebeleid, alsmede van het gemeenschappelijke asielsysteem van de EU moet uitmaken;

10.  vraagt een grotere rol voor de Europese Unie met betrekking tot het beheer van humanitaire noodsituaties als gevolg van migratiestromen en asielzoekers;

11.  is bijgevolg van mening dat landen toegang moeten krijgen tot de technische ondersteuning en de financiering in het kader van het Argo-programma, het Europees Vluchtelingenfonds, het Europees Fonds voor de buitengrenzen, het Europees Integratiefonds en het Europees Terugkeerfonds voor de periode 2007-2013;

12.  vraagt dat meer geld ter beschikking wordt gesteld van de NGO's die op het terrein actief zijn met de verstrekking van levensbelangrijke noodhulp;

13.  verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk de oprichting voor te stellen van een noodfonds om humanitaire crises in de lidstaten aan te pakken en in de nieuwe fondsen voor de periode 2007-2013 een noodmechanisme op te nemen waarmee in noodsituaties financiële hulp kan worden verstrekt;

14.  dringt erop aan dat de lidstaten toegang tot de procedure voor asielaanvraag verlenen, de bepalingen van Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus op consistente en rigoureuze wijze toepassen en ervoor zorgen dat asielaanvragen snel en efficiënt worden verwerkt;

15.  erkent dat de EU-richtlijn inzake terugkeer dringend moet worden goedgekeurd en verzoekt de Raad zijn inspanningen te vergroten om een spoedige goedkeuring te garanderen;

16.  betreurt dat de Raad er vijf jaar na de Europese Raad van Tampere ondanks talrijke verzoeken van het Parlement niet in is geslaagd een gemeenschappelijk immigratiebeleid vorm te geven en in plaats hiervan eenstemmigheid en de raadplegingsprocedure voor alle kwesties in verband met wettelijke immigratie behoudt;

17.  dringt erop aan dat de Raad dringend gebruik maakt van de bepalingen in de huidige verdragen, namelijk de brugclausule ("passerelle") van artikel 42 van het EU-Verdrag en artikel 67, lid 2 van het EG-Verdrag, aangezien medebeslissingsprocedure en stemming met gekwalificeerde meerderheid kunnen helpen een oplossing voor de huidige wetgevingsimpasse te vinden;

18.  verzoekt de lidstaten meer middelen ter beschikking te stellen van Frontex, om dit in staat te stellen de reikwijdte en doeltreffendheid van de uitgevoerde opdrachten te vergroten;

19.  is evenwel van mening dat grenscontroles en optreden om illegale immigratie te bestrijden maar één aspect van het EU-beleid ten aanzien van derde landen kunnen zijn, en dat, wat deze landen betreft, een actief ontwikkelingsbeleid voor herkomst- en doorgangslanden moet worden gevoerd, om de schadelijke effecten van emigratie zoveel mogelijk te beperken;

20.  herhaalt dat een communautair immigratie- en asielbeleid nodig is dat gebaseerd is op de opening van kanalen voor wettelijke immigratie en op de vaststelling van gemeenschappelijke normen om de grondrechten van immigranten en asielzoekers in de hele Unie te beschermen, als vastgesteld op de Europese Raad van Tampere in 1999 en bevestigd in het programma van Den Haag;

21.  is van mening dat de lidstaten bij het ontbreken van een gemeenschappelijk immigratiebeleid van de EU verschillende benaderingen van het probleem van honderdduizenden illegale immigranten die illegaal en zonder sociale bescherming werken, kunnen volgen; is evenwel van mening dat een massaregularisatie van illegale immigranten geen langetermijnoplossing is, aangezien deze maatregel de reële onderliggende problemen niet oplost en als pull-factor kan werken;

22.  benadrukt dat alle maatregelen om illegale immigratie te bestrijden en de controles aan de buitengrenzen te intensiveren, zelfs waar dit gebeurt in samenwerking met derde landen, verenigbaar moeten zijn met de garanties en de grondrechten van het individu die zijn vastgesteld in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, met name het recht op asiel en het recht op niet-uitzetting;

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

Laatst bijgewerkt op: 26 september 2006Juridische mededeling