Procedure : 2007/2665(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B6-0512/2007

Ingediende teksten :

B6-0512/2007

Debatten :

PV 12/12/2007 - 12
CRE 12/12/2007 - 12

Stemmingen :

PV 13/12/2007 - 6.9
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2007)0623

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 106kDOC 51k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B6-0512/2007
5 december 2007
PE398.192v01-00
 
B6‑0512/2007
naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie
ingediend overeenkomstig artikel 103, lid 2 van het Reglement
door Kristian Vigenin, Bárbara Dührkop Dührkop, Justas Vincas Paleckis en Csaba Sándor Tabajdi
namens de PSE-Fractie
over de bestrijding van het opkomende extremisme in Europa

Resolutie van het Europees Parlement over de bestrijding van het opkomende extremisme in Europa 
B6‑0512/2007

Het Europees Parlement,

–  onder verwijzing naar zijn vorige resoluties inzake racisme, vreemdelingenhaat en extremisme, en met name de resoluties TA(1997)0067 van 20 februari 1997 en de resolutie inzake de toename van het racistisch en homofobe geweld in Europa (P6_TA(2006)0273),

–  onder verwijzing naar zijn wetgevingsresolutie van 29 november 2007 over het voorstel voor een kaderbesluit van de Raad ter bestrijding van bepaalde vormen en uitdrukkingsvormen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht (verslag-Roure),

–  gelet op de artikelen 6 en 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 13 van het EG-Verdrag, die de EU en haar lidstaten ertoe verplichten de mensenrechten en fundamentele vrijheden te beschermen, en die Europa instrumenten verschaffen om racisme, vreemdelingenhaat en discriminatie te bestrijden,

–  gelet op het Handvest van de grondrechten en het Statuut van het Bureau voor de grondrechten,

–  gezien de internationale mensenrechteninstrumenten, die discriminatie verbieden welke gebaseerd is op raciale en etnische afkomst, en met name het Internationaal Verdrag voor de afschaffing van alle vormen van rassendiscriminatie en het Europees Verdrag inzake de bescherming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden (ECHR), dat door alle lidstaten en een groot aantal derde landen is ondertekend,

–  gezien Aanbeveling 1438 (25 januari 2000) van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa inzake "De dreiging voor democratie die uitgaat van extremistische partijen en bewegingen in Europa",

–  gezien de activiteiten van de Europese Unie ter bestrijding van racisme, vreemdelingenhaat, antisemitisme en homofobie, en met name de antidiscrimatierichtlijnen 2000/43/EG, die uitvoering geeft aan het beginsel van gelijke behandelingen tussen personen ongeacht hun raciale of etnische oorsprong, en 2000/78/EG tot invoering van een algemeen kader voor gelijke behandeling bij tewerkstelling, alsook het kaderbesluit voor de bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat,

–  gezien resolutie 1344 (2003) van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa inzake de "Dreiging voor de democratie die uitgaat van extremistische partijen en bewegingen in Europa",

–  gezien het verslag inzake racisme en vreemdelingenhaat in de lidstaten van de EU in 2007, dat gepubliceerd werd door het Bureau voor de grondrechten,

–  gezien het OESO-document "Challenges and responses to hate motivated incidents in de OSCE-region" (oktober 2006),

–  gelet op artikel 103, lid 2 van zijn Reglement,

A.  maakt zich ernstige zorgen over de opleving in Europa van extremistische bewegingen en partijen, die hun ideologie en politieke toon, praktijken en gedrag baseren op onverdraagzaamheid, uitsluiting, vreemdelingenhaat, antisemitisme, anti-Roma-sentiment en extreem nationalisme,

B.  overwegende dat deze ideologie onverenigbaar is met democratie en mensenrechten, alsook met de beginselen en waarden waarop de EU is gegrondvest,

C.  overwegende dat geen enkele lidstaat immuun is voor de intrinsieke bedreigingen voor de democratie die van het extremisme uitgaan en dat het daarom een taak voor Europa is om de verspreiding van xenofobe attitudes en extremistische politieke bewegingen in Europa te bestrijden,

D.  overwegende dat enkele politieke partijen en bewegingen, waaronder ook enkele partijen die in enkele landen aan de macht zijn of op lokaal, nationaal en Europees niveau vertegenwoordigd zijn, welbewust onverdraagzaamheid gebaseerd op ras, etnische oorsprong, nationaliteit, godsdienst en seksuele oriëntatie een centrale plaats op hun agenda hebben gegeven, waardoor deze politieke leiders woorden kunnen gebruiken die tot raciale haat aanzetten en andere vormen van haat en het extremisme in de samenleving aanwakkeren,

E.  overwegende dat neonazi's en rechts-extremisten gewelddadige aanvallen doen op een reeks kwetsbare gemeenschappen, zoals migranten, homoseksuelen, antiracistische activisten, daklozen en jongeren die tot niet-rechts-extremistische subcultures behoren,

F.  overwegende dat activiteiten van extremistische paramilitaire organisaties, die in een aantal lidstaten van de EU actief zijn, bezorgdheid doen rijzen, zowel in de betrokken landen als in de naburige landen,

G.  overwegende dat er in sommige lidstaten van de EU een tendens bestaat tot geleidelijke ondermijning van het democratische politieke systeem en het bepleiten van de verdringing van de traditionele politieke partijen door populistische bewegingen, hetgeen de weg effent voor extremistische krachten,

H.  gelet op het bestaan van bepaalde media en een groot aantal internetsites, die de belangrijkste bron van informatie vormen over bewegingen en groeperingen welke oproepen tot haat, alsook op de aanvallen op democratische instellingen, stabiliteit en geweld, hetgeen bezorgdheid doet rijzen over de wijze waarop wij een antwoord moeten geven op dit probleem, zonder daarbij de vrijheid van meningsuiting te schenden,

I.  overwegende dat rechts-extremistische bewegingen voornamelijk aantrekkingskracht uitoefenen op sociaal geïsoleerde, uitgesloten en kwetsbare personen, die in een economisch onzekere positie verkeren en een laag opleidingsniveau hebben,

1.  veroordeelt ten stelligste alle racistische en op haat gebaseerde aanvallen; dringt er bij de nationale autoriteiten op aan om alles in het werk te stellen dat in hun macht ligt om de personen die hiervoor verantwoordelijk zijn te bestraffen en een einde te maken aan het klimaat van straffeloosheid ten aanzien van deze aanvallen; geeft uitdrukking aan zijn solidariteit met alle slachtoffers van zulke aanvallen en hun families;

2.  wijst erop dat extremistische bewegingen die tot geweld oproepen, of dit nu binnen of buiten de politieke partijen gebeurt, vanuit politiek oogpunt misbruik maken van het recht op vereniging; is van oordeel dat maatregelen tot beperking van het actievermogen van deze bewegingen moeten worden genomen die proportioneel zijn aan het gevaar voor geweld, en wel met het duidelijke doel om gelijkheid en vrijheid voor eenieder te verzekeren;

3.  geeft zich ervan rekenschap dat de groei van extremistische, extreemrechtse en irredentische organisaties (vaak met antisemitische en neofascistische elementen) samenhang met de verslechtering van de sociale situatie, werkloosheid, collectieve angst voor het globaliseringsproces, sociale marginalisatie en een mislukte schoolloopbaan;

4.  verzoekt de lidstaten om een antwoord te geven op de sociale en economische uitdagingen, zoals werkloosheid, immigratie en veiligheid, factoren die de voedingsbodem vormen voor deze partijen en bewegingen en om in het onderwijsbeleid de nadruk te leggen op de ontwikkeling van een democratisch burgerschap, dat op de rechten en verantwoordelijkheden van de burgers stoelt;

5.  verzoekt de Commissie en de Raad om leiding te geven bij het zoeken van gepaste politieke en juridische antwoorden, vooral in het preventieve stadium, waarbij ook niet moet worden vergeten de nodige maatregelen te nemen op het gebied van de opleiding van de jongeren en de informatie van het publiek, het onderwijs over het totalitarisme en de verspreiding van de beginselen van de mensenrechten en fundamentele vrijheden, zulks om de herinnering levend te houden van de gebeurtenissen zoals die in Europa werkelijk zijn voorgevallen;

6.  dringt er bij de Commissie op aan om toe te zien op de volledige toepassing van de bestaande wetgeving die het aanzetten tot politiek geweld, racisme en vreemdelingenhaat verbiedt, en om de uitbreiding van deze wetgeving te bevorderen, niet alleen tot individuen, maar ook tot politieke partijen en organisaties en bewegingen;

7.  dringt er bij alle politieke groeperingen, zowel ter linker als ter rechter zijde, op aan om elke samenwerking te weigeren met extremistische partijen met een racistisch of xenofoob karakter, of dit nu expliciet of impliciet is, en daarom elke alliantie af te wijzen met hun verkozen vertegenwoordigers om meerderheden te vormen die de macht kunnen uitoefenen;

8.  doet een beroep op de democratische media om in hun boodschappen de beginselen en waarden van democratie, gelijkheid en verdraagzaamheid te bevorderen en te verspreiden;

9.  is ingenomen met de ontbinding van de extreemrechtse fractie "Onafhankelijkheid, traditie en soevereiniteit" (ITS) binnen het EP, en verlangt een verstrakking van de voorwaarden die vereist zijn voor de vorming van een fractie binnen het EP; verzoekt de leden en fracties in het Europees Parlement om geen steun te verlenen aan enig initiatief van individuele leden van het EP of fracties tot ondersteuning van ideeën die strijdig zijn met de beginselen waarop de Europese Unie gebaseerd is;

10.  waarschuwt, in het vooruitzicht van de Europese verkiezingen van 2009, voor de mogelijkheid dat extremistische partijen een vertegenwoordiging krijgen in het Europees Parlement en verzoekt de fracties om passende maatregelen te nemen om te voorkomen dat een democratische instelling misbruikt wordt als platform voor de financiering en verspreiding van antidemocratische boodschappen;

11.  verzoekt alle lidstaten om tenminste de mogelijkheid in te voeren tot intrekking van openbare financiële steun aan politieke partijen die geen respect tonen voor de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en democratie en rechtsstaat, zoals geformuleerd in het ECHR en het Handvest van de grondrechten; doet een beroep op de lidstaten die reeds over deze mogelijkheid beschikken om onverwijld hieraan uitvoering te geven; verzoekt ook de Commissie om ervoor te zorgen dat geen middelen van de EU beschikbaar worden gesteld aan media die gebruikt worden als een platform voor de ruime verspreiding van racistische, xenofobe en homofobe ideeën;

12.  verzoekt de Commissie om NGO's en maatschappelijke organisaties te ondersteunen die zich de bevordering tot doel hebben gesteld van democratische waarden, solidariteit, sociale integratie, interculturele dialoog en sociaal bewustzijn, als wapens in de strijd tegen radicalisering en gewelddadig extremisme;

13.  verzoekt de Raad en de Commissie om meer steun te geven aan Europese programma's die gericht zijn op sociale integratie, opleiding in democratisch burgerschap, en het aanpakken van sociale en economische euvels als onveiligheid, werkloosheid en sociale uitsluiting; verzoekt de Commissie om te eisen dat de kandidaat-landen voor de EU meer aandacht schenken aan hun beleid tot vermindering van armoede, sociale integratie en opleiding in democratisch burgerschap;

14.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen van de lidstaten en de Raad van Europa.

Laatst bijgewerkt op: 7 december 2007Juridische mededeling