Procedure : 2007/2683(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B6-0048/2008

Ingediende teksten :

B6-0048/2008

Debatten :

PV 30/01/2008 - 16
CRE 30/01/2008 - 16

Stemmingen :

PV 31/01/2008 - 8.8
CRE 31/01/2008 - 8.8

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0031

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 119kWORD 82k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B6-0046/2008
23 januari 2008
PE401.028v01-00
 
B6‑0048/2008
naar aanleiding van de verklaringen van de Hoge Vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en de Commissie
ingediend overeenkomstig artikel 103, lid 2 van het Reglement
door Pasqualina Napoletano, Christa Prets, Libor Rouček en Vicente Miguel Garcés Ramón
namens de PSE-Fractie
over Iran

Resolutie van het Europees Parlement over Iran 
B6‑0048/2008

Het Europees Parlement,

–  onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over Iran, met name die welke de nucleaire kwestie en de mensenrechten in dat land betreffen, meer in het bijzonder die van 13 oktober 2005, 17 november 2005, 15 februari 2006 en 25 oktober 2007,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad, met name die van 14 december 2007,

–  gezien de resoluties 1696 (31 juli 2006), 1737 (27 december 2006) en 1747 (24 maart 2007) van de VN‑Veiligheidsraad over het kernprogramma van Iran,

–  gezien het werkplan dat tussen Iran en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (IAEA) is overeengekomen en dat gericht is op het oplossen van kwesties in verband met het kernprogramma van Iran (tenuitvoerlegging van de overeenkomst inzake nucleaire veiligheidscontrole van het NPV in de Islamitische Republiek Iran COV/2007/48 (30 augustus 2007), en bijlage INFCIRC/711),

–  gezien de rapporten van de raad van beheer van de IAEA, met name rapport GOV/207/58 van 15 november 2007 over de tenuitvoerlegging van de overeenkomst inzake nucleaire veiligheidscontrole van het NPV en van de desbetreffende bepalingen van de resoluties 1737 en 1747 van de VN‑Veiligheidsraad in de Islamitische Republiek Iran,

–  gezien het op 3 december 2007 gepubliceerde rapport van de National Intelligence Estimate over de bedoelingen en capaciteit van Iran op nucleair gebied en de verklaring (persbericht 2007/22) van de directeur-generaal van de IAEA hierover,

–  gezien resolutie 61/176 van de Algemene Vergadering van de VN van 19 december 2006 en met name resolutie 62/168 van de Algemene Vergadering van de VN over de situatie van de mensenrechten in de Islamitische Republiek Iran, die op 18 december 2007 is aangenomen,

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN over een moratorium op de doodstraf, die op 18 december 2007 is aangenomen,

–  gezien de tweede interparlementaire vergadering EP-Iran in Teheran van 7 t/m 12 december 2007,

–  gelet op artikel 103, lid 2 van zijn Reglement,

Over de nucleaire kwestie

A.  overwegende dat in artikel IV van het NPV is vastgelegd dat niets in het Verdrag mag worden geïnterpreteerd als een inbreuk op het onvervreemdbare recht van alle partijen bij het Verdrag om het onderzoek, de productie en het gebruik van kernenergie voor vreedzame doeleinden te ontwikkelen zonder onderscheid en in overeenstemming met de artikelen I en II van het Verdrag,

B.  overwegende dat Iran tot dusverre niet alle verrijkings- en opwerkingsactiviteiten heeft opgeschort, en de aanvullende protocollen van het NPV niet ten uitvoer heeft gelegd, waarop werd aangedrongen in de resoluties 1696/2006, 1737/2006 en 1747/2007 van de VN‑Veiligheidsraad ten einde het vertrouwen te herstellen in de volstrekt vreedzame aard van zijn kernprogramma,

C.  overwegende dat de laatste discussies in Londen op 30 november 2007 tussen Javier Solana, Hoge Vertegenwoordiger van de EU, en Saeed Jalili, de Iraanse onderhandelaar over nucleaire kwesties, geen positief resultaat hebben opgeleverd, met name ten aanzien van de naleving door Iran van de eisen van de VN‑Veiligheidsraad met betrekking tot het opschorten van de nucleaire verrijking,

D.  overwegende dat directeur-generaal Mohamed el-Baradei van de IAEA in het laatste rapport (GOV/207/58) van 15 november 2007 heeft geconstateerd dat vooruitgang is geboekt bij de tenuitvoerlegging van de veiligheidscontrole van de IAEA in Iran en dat Iran meer informatie heeft verstrekt over de vroegere aspecten van zijn kernprogramma; niettemin overwegende dat hij heeft onderstreept dat meer samenwerking nodig was om de huidige activiteiten te verklaren, met inbegrip van sporen hoogverrijkt uranium die inspecteurs in kerninstallaties hebben aangetroffen, en overwegende dat hij bij Iran erop heeft aangedrongen om het aanvullende protocol onverwijld uit te voeren,

E.  overwegende dat het Amerikaanse National Intelligence Estimate (NIE) in zijn rapport van 3 december 2007 heeft vastgesteld dat Iran zijn kernwapenprogramma in 2003 heeft stopgezet en dit medio 2007 nog niet opnieuw heeft gestart, ondanks bezorgdheid over de verrijking van uranium en het potentiële toekomstige gebruik ervan in kernwapens,

F.  overwegende dat de aanneming van de resoluties 1737 en 1747 van de VN‑Veiligheidsraad verdere politieke en diplomatieke initiatieven van de internationale gemeenschap vergt om concrete vooruitgang te kunnen boeken,

G.  overwegende dat de G8-leiders tijdens hun jaarlijkse top van 6 t/m 8 juni 2007 het belang hebben onderstreept van het ontwikkelen en toepassen van een mechanisme voor multilaterale benaderingen van de splijtstofcyclus als een mogelijk alternatief voor nationale verrijkings- en opwerkingsactiviteiten,

Over de mensenrechten

H.  overwegende dat alle betrokken internationale instellingen, internationale organisaties voor de mensenrechten, Iraanse maatschappelijke organisaties en voorvechters van de mensenrechten het erover eens zijn dat de situatie in Iran ten aanzien van de mensenrechten in de afgelopen jaren verslechterd is, ondanks diverse toezeggingen door de Iraanse autoriteiten dat zij universele waarden zullen bevorderen;

I.  overwegende dat het aantal terechtstellingen in Iran, vaak door openbare ophanging, in de afgelopen jaren en vooral in 2007 dramatisch is toegenomen, met inbegrip van de terechtstellingen van minderjarigen en homoseksuelen,

J.  overwegende dat in de afgelopen maanden journalisten, voorvechters van vrouwenrechten, vakbondsleden, intellectuelen, studenten en leraren zijn gearresteerd, in hechtenis zijn gehouden en vaak zijn gefolterd,

K.  overwegende dat de onderdrukking en discriminatie van etnische en religieuze groepen die hun recht uitoefenen om hun meningen en geloofsovertuigingen vrij te uiten, toenemen, vooral jegens Koerden (zo'n 500 personen zitten in de gevangenis, de meesten van hen studenten), Arabieren en leden van de baha'i- en soefibewegingen,

L.  overwegende dat in de afgelopen maanden tientallen studenten zijn vastgehouden na protesten tegen de vervanging van tientallen professoren en tegen andere acties die bedoeld waren om de vrije meningsuiting op de universiteitscampussen nog ver in te perken, met inbegrip van het verbieden van een aantal studentenpublicaties, en schorsingen en uitsluitingen van studenten van hun hogere opleiding,

M.  overwegende dat Iran nog steeds geen partij is bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de afschaffing van alle vormen van discriminatie tegen vrouwen,

Over de betrekkingen tussen de EU en Iran

N.  overwegende dat de alomvattende dialoog tussen de EU en Iran in december 2003 door Iran werd opgeschort en dat sedert juni 2004 geen enkele bijeenkomst in het kader van de mensenrechtendialoog tussen de EU en Iran heeft plaatsgevonden,

O.  overwegende dat de betrekkingen van de EU met Iran in de afgelopen jaren gebaseerd waren op een drievoudige benadering, die werd gekenmerkt door onderhandelingen over een handels- en samenwerkingsovereenkomst, een politieke dialoog en een mensenrechtendialoog, en overwegende dat deze drie aspecten niet los van elkaar kunnen worden gezien,

P.  overwegende dat de Europese Commissie geen enkele contractuele betrekkingen met Iran heeft en dat er geen delegatie van de Europese Commissie in Iran bestaat,

Over de nucleaire kwestie

1.  betuigt zijn steun aan de inspanningen van de EU om via onderhandelingen te komen tot een oplossing op lange termijn voor de nucleaire kwestie met Iran en onderstreept de belangrijke rol die door de IAEA moet worden vervuld; is bezorgd over feit dat de meest recente discussies tussen Javier Solana, Hoge Vertegenwoordiger van de EU, en Saeed Jalili, de Iraanse onderhandelaar over nucleaire kwesties, geen tastbare resultaten hebben opgeleverd;

2.  constateert dat vooruitgang is geboekt bij de tenuitvoerlegging van het werkplan van de IAEA en Iran en dringt er bij Iran op aan met de IAEA te blijven samenwerken en volledige, duidelijke en geloofwaardige antwoorden te geven over zijn voorbije en huidige nucleaire activiteiten, en om de aanvullende protocollen te ratificeren en uit te voeren; onderstreept voorts dat het uitvoeren van deze acties en van de door het IAEA gevraagde transparantiemaatregelen een positieve stap zou betekenen voor het scheppen van vertrouwen ten aanzien van het Iraanse kernprogramma;

3.  betuigt zijn steun aan alle politieke en diplomatieke initiatieven die, zoals vermeld in de resoluties 1696, 1737 en 1747, bedoeld zijn om via onderhandelingen te komen tot een oplossing van het Iraanse nucleaire vraagstuk; steunt de conclusies van de Europese Raad van 14 december 2007 over de debatten die momenteel binnen de VN-Veiligheidsraad worden gehouden om de doelstellingen van deze resoluties te verwezenlijken;

4.  herhaalt zijn standpunt dat een oplossing van het vraagstuk van de huidige nucleaire escalatie mogelijk is en dat geen militair optreden mag worden overwogen; doet een beroep op de Amerikaanse regering en alle andere betrokken actoren zich te onthouden van elke retoriek over militaire opties en beleid met het oog op een wisseling van het bewind in Iran;

5.  erkent dat Iran het recht heeft om een kernprogramma te ontwikkelen, overeenkomstig artikel IV van het NPV, en is van oordeel dat de initiatieven en voorstellen van de EU en andere internationale partners voor samenwerking met Iran op het gebied van kernenergie voor vreedzaam gebruik zouden kunnen bijdragen tot het vinden van een oplossing voor de huidige crisis;

6.  neemt nota van de recente bevindingen van het Amerikaanse NIE over het Iraanse militaire en civiele kernprogramma; is van mening dat deze bevindingen het EU-beleid van een tweesporenbenadering staven dat erop gericht is om Iran met diplomatie ervan te overtuigen volledig te voldoen aan de verzoeken van de IAEA om op geloofwaardige en controleerbare wijze af te zien van het potentieel militaire gebruik van het civiele kernprogramma;

7.  dringt er derhalve bij Iran op aan om onverwijld een nieuwe ronde van onderhandelingen over de toekomstig koers van zijn kernprogramma te beginnen en alle met verrijking verband houdende activiteiten op te schorten; doet een beroep op de Verenigde Staten om, na hun diplomatieke succes in de onderhandelingen met Noord-Korea, met de EU rechtstreeks aan onderhandelingen met Iran deel te nemen, aangezien zij in een positie zijn om extra veiligheidsgaranties te bieden;

8.  dringt aan op geloofwaardige stappen op weg naar multilaterale nucleaire ontwapening via een versterking van het NPV en doet een beroep op de EU om het voortouw te nemen bij het doorbreken van de huidige impasse in de onderhandelingen over nucleaire ontwapening;

9.  onderstreept het belang van samenwerking met de VS, Rusland, China en niet-gebonden landen om aanvullende concepten te overwegen ten einde een allesomvattende overeenkomst met Iran te sluiten over zijn nucleaire installaties en het gebruik ervan waarin rekening wordt gehouden met de bekommernis van Iran om zijn veiligheid;

10.  is van oordeel dat een allesomvattende overeenkomst een bijdrage zou leveren tot een duurzaam regionaal veiligheidsstelsel waartoe India, Pakistan en ander kernmachten behoren, en is van mening dat Iran zijn verantwoordelijkheid als regionale speler op zich moet nemen en moet bijdragen tot een Midden-Oosten dat vrij wordt van massavernietigingswapens;

11.  doet een beroep op de internationale gemeenschap om ernstig na te denken over en zich onverwijld actief in te zetten voor het opzetten van een nieuw multilateraal kader voor het gebruik van kernenergie, waarbij de levering van kernbrandstof wordt gewaarborgd en het risico van proliferatie tot een minimum wordt beperkt, zoals voorgesteld door de IAEA;

Over de mensenrechten

12.  toont zich ernstig verontrust over de verslechtering van de situatie van de mensenrechten in Iran in de afgelopen jaren, de enorme toename van de repressie van alle groepen die hun recht op vrije meningsuiting uitoefenen en de steeds stringentere beperkingen van de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting in Iran, en wijst op zijn resolutie van 25 oktober 2007 over deze kwestie;

13.  veroordeelt de doodstraf als zodanig en in het bijzonder doodstraffen en executies van jonge overtreders en minderjarigen; doet een beroep op Iran om de onlangs aangenomen resolutie van de Algemene Vergadering van de VN over een moratorium op terechtstellingen toe te passen met als uiteindelijk doel het afschaffen van de doodstraf; herinnert aan de internationale verbintenissen van Iran, met name het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Verdrag inzake de rechten van het kind, waarin duidelijk de terechtstelling wordt verboden van minderjarigen en van mensen die zijn veroordeeld voor misdaden die zij pleegden toen zij nog minderjarig waren; doet een dringend beroep op de Iraanse autoriteiten om het wetboek van strafrecht te wijzigen ten einde het moratorium op steniging in een definitief verbod om te zetten;

14.  is verheugd over de op 18 december 2007 aangenomen resolutie van de Algemene Vergadering van de VN over een moratorium op de doodstraf waarin wordt opgeroepen tot een wereldwijd moratorium als een stap op weg naar de afschaffing van de doodstraf;

15.  veroordeelt de behandeling van religieuze en etnische minderheden, zoals de Koerden en Arabieren en de leden van de baha'i- en soefibewegingen, die worden gediscrimineerd, lastiggevallen en vervolgd vanwege hun religieuze overtuiging en etnische afstamming; doet derhalve een beroep op de internationale gemeenschap om de aandacht te vestigen op de verslechtering van de situatie van de etnische en religieuze minderheden in Iran;

16.  herinnert de regering van Iran aan haar verplichtingen, als verdragspartner bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, om de fundamentele mensenrechten te waarborgen, en met name de vrijheid van mening te respecteren, en dringt aan op de vrijlating van alle journalisten, studenten, activisten die zich voor de rechten van vrouwen en gevangenen inzetten, intellectuelen en vakbondsleden die in hechtenis zijn;

17.  doet een beroep op het voorzitterschap van de Raad, de Commissie en de diplomatieke vertegenwoordigers van de lidstaten in Iran om onverwijld geconcerteerde actie te ondernemen ten aanzien van voornoemde punten van zorg;

18.  verzoekt de Commissie om in nauwe samenwerking met het Europees Parlement doelmatig gebruik te maken van het nieuwe instrument voor de democratie en de mensenrechten ten einde de democratie en de eerbiediging van de mensenrechten in Iran te bevorderen door de diverse aspecten van het maatschappelijk middenveld te ondersteunen, zoals vrouwenrechten, economische en sociale rechten, ongecensureerde media en de culturele dialoog met Europese gesprekspartners;

Over de betrekkingen tussen de EU en Iran

19.  onderstreept dat de mogelijke toekomstige sluiting van een samenwerkings- en handelsovereenkomst tussen Iran en de EU afhangt van een aanzienlijke verbetering van de situatie van de mensenrechten in Iran en van de volledige samenwerking van Iran met de IAEA, alsmede van het bieden van objectieve garanties ten aanzien van het vreedzame karakter van zijn kernprogramma;

20.  doet een beroep op de Commissie om een mededeling voor te leggen over de stand van zaken en de vooruitzichten voor de betrekkingen tussen de EU en Iran, en om de mogelijkheid te overwegen voor het opnieuw starten van de dialoog over de mensenrechten, parallel met onderhandelingen over een samenwerkings- en handelsovereenkomst die zou kunnen worden afgesloten als Iran essentiële vooruitgang boekt op het gebied van de mensenrechten en de nucleaire kwestie;

21.  verzoekt de Commissie een delegatie in Iran op te richten om de onderhandelingen over vluchtelingenhulp en de strijd tegen de drugshandel te intensiveren en om de dialoog met de autoriteiten en het maatschappelijk middenveld te stimuleren;

22.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de VN-Veiligheidsraad, de mensenrechtencommissie van de VN, de president van het hooggerechtshof van Iran, en de regering en het parlement van de Islamitische Republiek Iran.

Laatst bijgewerkt op: 28 januari 2008Juridische mededeling