Procedure : 2007/2683(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B6-0057/2008

Ingediende teksten :

B6-0057/2008

Debatten :

PV 30/01/2008 - 16
CRE 30/01/2008 - 16

Stemmingen :

PV 31/01/2008 - 8.8
CRE 31/01/2008 - 8.8

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0031

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 99kWORD 48k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B6-0046/2008
23 januari 2008
PE401.038v01-00
 
B6‑0057/2008
naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie
ingediend overeenkomstig artikel 103, lid 2 van het Reglement
door Romano La Russa, Konrad Szymański en Adam Bielan
namens de UEN-Fractie
over Iran

Resolutie van het Europees Parlement over Iran 
B6‑0057/2008

Het Europees Parlement,

–  onder verwijzing naar zijn voorgaande resoluties over Iran betreffende het nucleaire vraagstuk en de mensenrechten, inzonderheid de resoluties van 25 oktober 2007, 16 november 2006, 15 februari 2006, 17 november 2005, 13 oktober 2005, 13 januari 2005 en 28 oktober 2004,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 14 december 2007,

–  gezien de resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties nr. 1747 van 24 maart 2007, nr. 1737 van 27 december 2006 en nr. 1696 van 31 juli 2006 over het Iraanse kernprogramma,

–  gezien de conclusies van het werkprogramma van de IAEA (International Atomic Energy Agency),

–  gezien het verslag van de raad van de IAEA van 15 november 2007,

–  gezien de conclusies van het NIE-verslag (National Intelligence Estimate) over de bedoelingen en de capaciteit op het gebied van kernenergie van Iran,

–  gezien de conclusies van de tweede bijeenkomst van de Interparlementaire delegatie EP-Iran, in Teheran, van 7 t/m 9 december 2007,

–  gelet op artikel 103, lid 2 van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Iran zijn activiteiten in verband met de verrijking van uranium niet heeft opgeschort, zoals was overeengekomen in de overeenkomst over het vrijwaringsprotocol van het NPV en waarop door de VN-Veiligheidsraad was aangedrongen in zijn resoluties 1747/2007, 1737/2006 en 1696/2006,

B.  overwegende dat de leider van de delegatie van de IAEA, El Baradei, op 12 januari 2008 heeft verklaard dat de Iraanse autoriteiten zijn ingegaan op het verzoek om binnen vier weken een passend antwoord te verstrekken op de tot nu toe onbeantwoord gebleven vragen betreffende de nucleaire activiteiten van Iran,

C.  overwegende dat de meeste informatie weliswaar is doorgespeeld maar dat er niettemin een dringende behoefte bestaat aan echte bereidheid tot samenwerking van de Iraanse autoriteiten opdat de inspecteurs van de IAEA de ontwikkelingen in de installaties kunnen nagaan en een overzicht krijgen van het niveau van de activiteiten en onderzoek kunnen verrichten naar de sporen die in enkele installaties zijn gevonden en die wijzen op een hoog niveau van verrijking van uranium,

D.  overwegende dat het Amerikaanse NIE-verslag (National Intelligence Estimate), dat op 3 december 2007 is gepubliceerd, aan het licht heeft gebracht dat het militaire kernenergieprogramma in Iran in 2003 was stilgelegd en tot en met medio 2007 niet opnieuw is opgestart, hetgeen de facto bewijst dat er plannen zijn voor de productie van kernwapens, zonder uit te sluiten dat een hoog niveau van verrijking van uranium in de toekomst kan worden gebruikt voor de vervaardiging van kernwapens,

E.  overwegende dat de situatie van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden in Iran de afgelopen tweeënhalf jaar, d.w.z. vanaf de laatste presidentsverkiezingen in 2005, geleidelijk is verslechterd, ondanks het feit dat het land internationale overeenkomsten heeft ondertekend tot naleving van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden,

F.  overwegende dat in de loop van 2007 het aantal terechtstellingen (meer dan 320) aanzienlijk is toegenomen, ook van minderjarigen, met onder meer opknopingen op openbare plaatsen, stenigingen, dit alles in naam van de sharia,

G.  overwegende dat in Iran de meest elementaire fundamentele rechten regelmatig met voeten worden getreden en de mensen in hun waardigheid worden vernederd,

H.  overwegende dat de aan de gang zijnde harde repressie alle geledingen van de maatschappij treft: politieke opponenten, studenten, journalisten, professoren, vrouwen, vakbondsleden, maar ook leden van etnische en religieuze minderheden, op de generieke beschuldiging van het verrichten van activiteiten die het systeem in gevaar brengen,

I.  overwegende dat tal van universiteitsstudenten, verenigd in de beweging "Versterking van de eenheid" en activisten van de Beweging voor de rechten van de vrouw vervolgd en mishandeld zijn en nog steeds opgesloten zitten in speciale gevangenissen,

1.  is van mening dat het Iraanse kernprogramma en de verrijking van uranium een ernstig gevaar inhouden voor de internationale gemeenschap, zoals werd onderstreept in de resoluties 1747, 1737 en 1696 van de VN-Veiligheidsraad;

2.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de houding van de Iraanse autoriteiten, die zich niet houden aan internationale overeenkomsten en aan het bijkomend protocol betreffende de stopzetting van de verrijking van uranium voor andere dan civiele doeleinden;

3.  doet een beroep op Iran om zich te schikken naar de aanbevelingen van de IAEA en in te stemmen met inspecties in zijn nucleaire installaties die nodig zijn om de capaciteit en het doel van de kernactiviteiten ervan na te gaan;

4.  bevestigt zijn onvoorwaardelijke steun aan de besluiten van de vijf ministers van Buitenlandse Zaken van de landen van de VN-Veiligheidsraad die op 22 januari 2008 in Berlijn bijeen waren;

5.  verzoekt de lidstaten van de Europese Unie in hun betrekkingen met Iran niet af te wijken van de vastberaden lijn, met één enkele stem te spreken, de sterke druk aan te houden maar tegelijkertijd ook de dialoog te stimuleren;

6.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de verslechtering van de situatie van de mensenrechten in Iran in de afgelopen jaren, en roept de Iraanse autoriteiten ertoe op hun verplichtingen na te komen die voortvloeien uit de internationale wetteksten en instrumenten betreffende de rechten van de mens, die door Iran zijn ondertekend, de universele waarden te bevorderen en alle burgers het recht toe te kennen om hun civiele rechten en politieke vrijheden uit te oefenen;

7.  dringt er bij de Iraanse regering, die internationale overeenkomsten over de civiele en politieke rechten, alsook over de economische, sociale en culturele rechten heeft ondertekend, op aan dat zij de fundamentele mensenrechten, en in het bijzonder de vrijheid van mening, waarborgt en alle gewetensgevangenen onmiddellijk vrijlaat;

8.  veroordeelt ten stelligste de terdoodveroordelingen en executies in Iran, in het bijzonder van minderjarigen en minderjarige daders, en dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan dat zij de juridische garanties naleven die worden erkend door de internationale gemeenschap ten aanzien van minderjarigen, zoals het Verdrag van de Verenigde Naties en het Verdrag over de rechten van het kind;

9.  spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over het feit dat het afgelopen jaar de onderdrukking van bewegingen uit het maatschappelijk middenveld in Iran dramatisch is toegenomen; verzoekt de Iraanse autoriteiten een eind te maken aan de harde repressie tegen de bewegingen van studenten, actievoerders voor de rechten van de vrouw, activisten van de campagne "Een miljoen handtekeningen", mensen die opkomen voor de rechten van de minderheden, intellectuelen, leraren, journalisten en vakbondsleden;

10.  dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan dat zij iedere vorm van marteling en andere vormen van wreedheden, onmenselijke en mensonterende straffen en behandelingen uit het strafrecht schrappen en dat zij bij processen alle rechten van de verdediging garanderen;

11.  spreekt zijn afkeuring uit over de weigering van de Raad om het arrest van het Hof van Justitie van 12 december 2006 betreffende de PMOI uit te voeren en om het recente Britse arrest van 30 november 2007 waardoor de PMOI niet langer als terroristische organisatie wordt erkend, te accepteren; verzoekt de Raad deze organisatie te schrappen van de lijst van terroristische organisaties;

12.  onderstreept dat de toekomst van de samenwerkings- en handelsovereenkomsten tussen de EU en Iran afhangt van de ontwikkeling van de situatie van de mensenrechten in Iran, en van de vraag of het land al dan niet zijn volledige medewerking verleent aan de IAEA om er zeker van te zijn dat de doelstellingen van het Iraanse kernprogramma vredelievend zijn;

13.  verzoekt de Commissie een verslag op te stellen over de vooruitzichten van de betrekkingen tussen de EU en Iran en na te denken over manieren om de dialoog over de mensenrechten opnieuw op gang te brengen, hetgeen als voorwaarde moet gelden voor de onderhandelingen over samenwerking en handel, een overeenkomst die uitsluitend afhankelijk is van het boeken van vooruitgang op het vlak van de mensenrechten en het kernvraagstuk;

14.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de VN, de VN-Veiligheidsraad, de Raad voor de rechten van de mens van de Verenigde Naties, de voorzitter van het Hoge Gerechtshof van Iran, alsook aan de regering en het parlement van de Islamitische Republiek Iran.

Laatst bijgewerkt op: 28 januari 2008Juridische mededeling