naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie
ingediend overeenkomstig artikel 103, lid 2 van het Reglement
door Jean Lambert en Angelika Beer
namens de Verts/ALE-Fractie
over de topconferentie EU-India
Resolutie van het Europees Parlement over de topconferentie EU-India
B6‑0444/2008
Het Europees Parlement,
–
gezien de negende topconferentie EU-India die op 29 september 2008 zal plaatsvinden in Marseille,
–
gezien het strategisch partnerschap EU-India, waarin een ambitieus en veelomvattend gezamenlijk actieplan is opgenomen dat op elke jaarlijkse topbijeenkomst zal worden geëvalueerd,
gezien het besluit dat op 6 september 2008 is genomen door de groep van nucleaire exportlanden, een multinationaal orgaan dat ernaar streeft de verspreiding van kernwapens in te perken door toezicht te houden op de uitvoer en overdracht van materiaal dat kan worden gebruikt voor de ontwikkeling van kernwapens en door de garanties en de beveiliging voor bestaand kernmateriaal te verbeteren, om een ontheffing toe te kennen voor India,
–
gezien het feit dat de groep van nucleaire exportlanden in 1974 als reactie op door India uitgevoerde kernproeven werd opgericht ter ondersteuning van de in het non-proliferatieverdrag (NPV) voorziene non-proliferatieregeling,
–
gezien het feit dat India één van de drie landen is die het non-proliferatieverdrag niet hebben ondertekend,
–
gelet op artikel 103, lid 2, van zijn Reglement,
A.
overwegende dat op de topconferentie vooral aandacht zal worden besteed aan het besluit van de groep van nucleaire exportlanden om India in de context van de nucleaire handel tussen de EU en India te ontheffen van de verplichting te voldoen aan de richtsnoeren van de groep inzake internationale garanties, die nochtans een voorwaarde vormen voor nucleaire handel;
B.
overwegende dat deze vrijstelling het historische einde vormt van de afspraak om India uit te sluiten van het ontvangen van kernbrandstof en kerntechnologie zolang het weigerde het non-proliferatieverdrag en het verdrag inzake een algeheel verbod op kernproeven te ondertekenen,
C.
overwegende dat India de rechten en voorrechten met betrekking tot nucleaire handel heeft gekregen ondanks zijn weigering om het Internationale Agentschap voor Atoomenergie uitgebreide en grondige onderzoeken van zijn kerninstallaties te laten uitvoeren en formeel af te zien van toekomstige kernproeven,
D.
overwegende dat dit nucleaire akkoord met India een flagrante inbreuk vormt op het principe dat alle landen die het non-proliferatieverdrag hebben ondertekend, op de NPV-toetsingsconferentie in 1995 hebben goedgekeurd, namelijk de vereiste van integrale garanties als voorwaarde voor de levering van kernmateriaal, aanleiding geeft tot het ontstaan van een gevaarlijke dubbele maatstaf die een onderscheid maakt tussen "goede proliferatoren" en "slechte proliferatoren", en de weg vrijmaakt voor een toekomstig nucleair conflict;
E.
overwegende dat India de laatste tijd wordt geplaagd door een reeks bomexplosies opgeëist door een groep die zich de "Indiase Mujahideen" noemt, dat de meest recente van die aanslagen plaatsvond op 13 september 2008 in New Delhi, na eerdere ontploffingen in Ahmedabad, Bangalore en Jaipur, en dat bij die aanslag 22 mensen om het leven kwamen en bijna 100 mensen gewond raakten,
F.
overwegende dat de spanningen in Jammu en Kasjmir tot gewelddadige confrontaties hebben geleid, waarin zo'"n 50 mensen zijn omgekomen, en tot de zwaarste onlusten sinds het probleem er twee decennia geleden in 1989 de kop opstak, en dat deze spanningen nog worden aangewakkerd door de controverse rond de overdracht van een stuk grond aan hindoes voor een jaarlijkse hindoebedevaart,
G.
overwegende dat in de deelstaat Orissa onlangs duizenden christenen op de vlucht zijn moeten slaan voor een menigte hindoe-extremisten,
1.
veroordeelt met klem het besluit van de groep van nucleaire exportlanden van 6 september 2008 om India vrij te stellen van de non-proliferatiegaranties, waarmee het licht op groen is gezet voor de nucleaire overeenkomst tussen de VS en India;
2.
is van mening dat dit besluit alle pogingen om landen met nucleaire ambities zoals Iran en Noord-Korea ervan te overtuigen hun nucleaire programma's te beperken, tenietdoet;
3.
vraagt dat de Amerikaanse wetgevers het instorten van de nucleaire non-proliferatieregeling en het uitbreken van een toekomstige kernwapenwedloop voorkomen door het akkoord tussen de VS en India af te wijzen;
4.
spreekt zijn sterke afkeuring uit voor de leidende rol van het Duitse voorzitterschap van de groep van nucleaire exportlanden en van het Franse EU-voorzitterschap in de aantasting van de beveiligingsfunctie van de groep van nucleaire exportlanden ter wille van de voordelen op korte termijn voor de Duitse en Franse kernindustrie, en spreekt zijn waardering uit voor de zes leden die zich tegen dit akkoord hebben proberen te verzetten;
5.
benadrukt dat de leden van de groep van nucleaire exportlanden nu de bijzondere historische verantwoordelijkheid dragen om de lamgelegde onderhandelingen over nucleaire ontwapening door middel van verregaande voorstellen opnieuw op gang te krijgen;
6.
verzoekt de Indiase regering officieel te verklaren dat het geen splijtbare materialen meer produceert voor de vervaardiging van kernwapens en zijn moratorium op kernproeven om te zetten in een juridisch bindend engagement;
7.
vraagt de EU en India een eind te maken aan hun gevaarlijke en kortzichtige beweging in de richting van een heropleving van kernenergie, waardoor de komende generaties zullen worden opgezadeld met een dodelijke nalatenschap, aangezien het probleem van de vernietiging van radioactief afval nog steeds onopgelost is;
8.
verklaart zich solidair met de ruim drie miljoen mensen die de gevolgen ondervinden van de overstromingen in Bihar en toont zich verheugd over de hulp van ECHO; verzoekt de EU en India om intensievere samenwerking voor wat maatregelen betreft ter verzachting van de impact van de klimaatverandering evenals op het vlak van hernieuwbare energiebronnen;
9.
betuigt zijn medeleven met de slachtoffers van de recente bomaanslag en hun families en geeft uiting aan zijn grote ongerustheid over het toenemende geweld en het stijgende aantal gewapende oppositiebewegingen in India;
10.
vraagt de Indiase overheid met aandrang om herziening van de wet inzake de speciale bevoegdheden van gewapende troepen (Armed Forces Special Powers Act), die soldaten en politie straffeloosheid verleent en leidt tot een algemene tegenzin bij ambtenaren om politie- of legerpersoneel aansprakelijk te stellen voor mensenrechtenovertredingen, wat dan weer de oppositie en het militantisme ten aanzien van de staat aanwakkert, zoals een internationale mensenrechtenorganisatie onlangs berichtte betreffende Manipur;
11.
toont zich hoogst bezorgd over de aanhoudende onlusten in Jammu en Kasjmir; neemt nota van het nieuwe verslag over de toestand in de deelstaten, waaruit blijkt dat Kasjmir weliswaar over de laagste armoedegraad in India beschikt maar ook een van de laagste ontwikkelingsniveaus van het land vertoont; beklemtoont dat de openstelling van Kasjmir voor het vrije verkeer van goederen en personen essentieel is om uit de impasse van repressie en geweld te raken; toont zich in dit verband verheugd over de aangekondigde openstelling voor grensoverschrijdende handel, en verzoekt de Indiase regering de Indiase militaire aanwezigheid in Kasjmir af te bouwen, niet in de laatste plaats opdat het toerisme opnieuw op gang zou kunnen komen;
12.
herhaalt zijn vraag om een grondig en onafhankelijk onderzoek van de massagraven die onlangs zijn ontdekt in de buurt van de controlelijn, de openbaarmaking van de resultaten van dit onderzoek en de vervolging van diegenen die verantwoordelijk zijn voor de moorden;
13.
verzoekt de Indiase overheid gepaste maatregelen te nemen om toekomstige aanvallen op de christelijke minderheid in Orissa te voorkomen; vraagt de overheid met aandrang een onpartijdig onderzoek in te stellen naar de aanvallen, de resultaten van het onderzoek te publiceren en de verantwoordelijken voor het gerecht te brengen; vraagt dat de regering zich buigt over de grondwettigheid van de antibekeringswetten die in de deelstaten worden toegepast, zoals in Orissa;
14.
herinnert er in dit verband aan dat er bij de rechtbanken nog ruim 200 onopgeloste zaken in behandeling zijn met betrekking tot de afslachting van moslims in Gujarat in 2002, en dat diegenen die verantwoordelijk zijn voor dit bloedbad nog altijd niet voor het gerecht zijn gebracht;
15.
dringt erop aan dat de onderhandelingen over een vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en India moeten voorzien in bindende bepalingen inzake de mensenrechten, sociale en milieuoverwegingen en de verplichte eerbiediging van de beginselen van degelijk werk, wat in het belang is van de duurzame ontwikkeling in beide gebieden;
16.
herhaalt dat het maatschappelijk middenveld moet deelnemen aan de discussies over principiële kwesties in de huidige bilaterale onderhandelingen; dringt in dit verband aan op een versterking van de rol van de in 2001 opgerichte rondetafelconferentie voor het maatschappelijk middenveld EU-India, en vraagt meer bepaald dat deze conferentie de nodige middelen krijgt om haar missie - de raadpleging van het maatschappelijk middenveld in de EU en India - naar behoren te kunnen uitvoeren; vraagt dat in het EU-besluitvormingsproces meer rekening wordt gehouden met de resultaten van deze uitwisselingen;
17.
vraagt dat de Commissie een verslag opstelt over het met India uitgevoerde beleid inzake de mensenrechten, en herinnert daarbij aan het feit dat de mensenrechtendialoog tussen de EU en India als exemplarisch geldt; stelt in deze context verbaasd vast dat India niet voorkomt op de lijst van landen die in aanmerking komen voor financiële steun van het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR) voor microprojecten in het maatschappelijk middenveld;
18.
verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de lidstaten en de regering en het parlement van India.