Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B6-0151/2009

Ingediende teksten :

B6-0151/2009

Debatten :

PV 23/03/2009 - 14
CRE 23/03/2009 - 14

Stemmingen :

PV 25/03/2009 - 3.9
CRE 25/03/2009 - 3.9

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 124kDOC 58k
18 maart 2009
PE420.437
 
B6‑0151/2009
naar aanleiding van vragen voor mondeling antwoord B6‑0204/2009 en B6‑0203/2009
ingediend overeenkomstig artikel 108, lid 5, van het Reglement
door David Martin
namens de PSE-Fractie
over de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Cariforum-staten, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds

Resolutie van het Europees Parlement over de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Cariforum-staten, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds 
B6‑0151/2009

Het Europees Parlement,

–  onder verwijzing naar zijn resoluties van 25 september 2003 over de Vijfde ministersconferentie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) in Cancún(1), van 12 mei 2005 over de evaluatie van de Doha-Ontwikkelingsronde na het besluit van de Algemene Raad van de WTO van 1 augustus 2004(2), van 1 december 2005 over de voorbereiding van de Zesde ministersconferentie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) te Hongkong(3), van 23 maart 2006 over de invloed van de economische partnerschapsovereenkomsten (EPO´s) op de ontwikkeling(4), van 4 april 2006 over de evaluatie van de Doha-Ontwikkelingsronde na de ministersconferentie van de WTO in Hongkong(5), van 1 juni 2006 over handel en armoede: naar een handelsbeleid dat de bijdrage van de handel aan armoedebestrijding maximaliseert(6), van 7 september 2006 over de opschorting van de onderhandelingen over de ontwikkelingsagenda van Doha(7) (DDA), van 23 mei 2007 over economische partnerschapsovereenkomsten(8), van 12 juli 2007 over de TRIPS-overeenkomst en de beschikbaarheid van medicijnen(9), van 12 december 2007 over economische partnerschapsovereenkomsten(10), en van 5 juni 2008 over het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2011 en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 552/97 en nr. 1933/2006 van de Raad en Verordeningen (EG) nr. 964/2007 en nr. 1100/2006 van de Commissie(11),

–  gezien de economische partnerschapsovereenkomst (EPO) tussen de Cariforum-staten enerzijds en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten anderzijds,

–  gezien de gezamenlijke verklaring over de ondertekening van de economische partnerschapsovereenkomst,

–  gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS), enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend in Cotonou op 23 juni 2000 (Overeenkomst van Cotonou),

–  gezien de conclusies van de vergaderingen van de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van april 2006, oktober 2006, mei 2007, oktober 2007, november 2007 en mei 2008,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 23 oktober 2007 getiteld "Economische partnerschapsovereenkomsten" (COM(2007)0635),

–  gezien de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel (GATT), en in het bijzonder artikel XXIV daarvan,

–  gezien de ministeriële verklaring van de Vierde bijeenkomst van de ministersconferentie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), die op 14 november 2001 in Doha is aangenomen,

–  gezien de op 18 december 2005 in Hongkong op de zesde bijeenkomst van de ministersconferentie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) aangenomen ministeriële verklaring,

–  gezien het verslag en de aanbevelingen van de Taakgroep Hulp voor handel, die op 10 oktober 2006 zijn goedgekeurd door de Algemene Raad van de WTO,

–  gezien de Millenniumverklaring van de Verenigde Naties van 8 september 2000, waarin de millenniumontwikkelingsdoelstellingen (MOD's) zijn geformuleerd als door de internationale gemeenschap gezamenlijk vastgestelde criteria voor de uitbanning van armoede,

–  gezien het op 8 juli 2005 door de Groep van Acht in Gleneagles uitgebrachte communiqué van Gleneagles,

–  gelet op artikel 108, lid 5, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de eerdere handelsrelatie van de EU met de ACS-landen - die zonder wederkerigheid preferentiële toegang hadden tot de EU-markten - sinds 1 januari 2008 niet meer in overeenstemming is met de WTO-regels,

B.  overwegende dat economische partnerschapsovereenkomsten (EPO’s) met de WTO-regels verenigbare overeenkomsten zijn ter ondersteuning van regionale integratie en ter bevordering van de geleidelijke integratie van de ACS-economieën in de wereldeconomie, waardoor hun duurzame socio-economische ontwikkeling wordt gestimuleerd en een bijdrage wordt geleverd aan de globale inspanningen om de armoede in de ACS-landen uit te bannen,

C.  overwegende dat EPO's moeten worden gebruikt voor het opbouwen van een relatie op lange termijn waarin de handel de ontwikkeling ondersteunt,

D.  overwegende dat de huidige financiële en economische crisis betekent dat het handelsbeleid belangrijker dan ooit wordt voor de ontwikkelingslanden,

E.  overwegende dat de complexe, verstrekkende verplichtingen die in de overeenkomst zijn opgenomen, op nationaal en regionaal vlak een zeer ingrijpend effect zouden kunnen hebben,

F.  overwegende dat de EPO onvermijdelijk invloed zal hebben op het toepassingsgebied en de inhoud van toekomstige overeenkomsten tussen het Cariforum en andere handelspartners en op de positie van de regio in de onderhandelingen,

G.  overwegende dat elk Cariforum-land een afzonderlijk liberaliseringsschema heeft, met een zekere mate van overlapping tussen de landen, zodat er in de loop van de tijd convergentie optreedt en een regionaal tijdschema ontstaat; overwegende dat de Caricom tegen 2015 een interne markt wil creëren,

H.  overwegende dat het absolute effect van de handelsvoorschriften die in de EPO worden vastgesteld, veel groter zou kunnen zijn dan de afschaffing van de tarieven,

I.  overwegende dat verbeterde handelsregels gepaard moeten gaan met een verhoging van de handelsgerelateerde bijstand,

J.  overwegende dat "Hulp voor handel" tot doel heeft de ontwikkelingslanden beter in staat te stellen van nieuwe handelsmogelijkheden te profiteren,

K.  overwegende dat de laatste zin van artikel 139, lid 2, van de overeenkomst luidt dat "niets in deze overeenkomst mag worden uitgelegd als aantasting van het vermogen van de partijen en ondertekenende Cariforum-staten om de beschikbaarheid van geneesmiddelen te bevorderen",

L.  overwegende dat de EPO wel een verklaring over ontwikkelingssamenwerking bevat maar geen juridisch bindende financieringsverplichtingen,

1.  benadrukt dat deze overeenkomsten pas als bevredigend kunnen worden beschouwd als de volgende doelstellingen worden bereikt: het verlenen van middelen aan de ACS-landen om zich duurzaam te ontwikkelen, het bevorderen van een betere aansluiting op de wereldeconomie, het versterken van het regionaliseringsproces, de revitalisering van het handelsverkeer tussen de Europese Unie en de ACS-landen en het bieden van stimulansen voor de economische diversificatie van de ACS-landen;

2.  herinnert eraan dat de EPO de doelstellingen, beleidsmaatregelen en prioriteiten van de Cariforum-staten op ontwikkelingsgebied moet ondersteunen, niet alleen door de opzet en inhoud van de overeenkomst, maar ook door de manier waarop en de geest waarin deze wordt uitgevoerd;

3.  onderstreept dat de EPO moet bijdragen tot de verwezenlijking van de millenniumontwikkelingsdoelstellingen;

4.  verzoekt de Commissie alles in het werk te stellen om de onderhandelingen over de ontwikkelingsagenda van Doha (DDA) weer vlot te trekken en ervoor te zorgen dat de ontwikkeling van arme landen verder kan worden bevorderd door middel van akkoorden tot liberalisering van de handel;

5.   wijst op het belang van interregionale handel en de noodzaak van meer regionale handelsconnecties om duurzame groei in de regio te verzekeren; onderstreept het belang van samenwerking en harmonische afstemming tussen de verschillende regionale entiteiten;

6.  is voorstander van een verdere verlaging van douanerechten - die 15 tot 25% van de handelswaarde uitmaken - tussen ontwikkelingslanden en regionale landengroepen, om de handel tussen landen in het zuiden, de economische groei en de regionale integratie te bevorderen;

7.  herinnert eraan dat een echte regionale markt een essentiële voorwaarde vormt voor de succesvolle tenuitvoerlegging van de EPO en dat regionale integratie en samenwerking van fundamenteel belang zijn voor de maatschappelijke en economische ontwikkeling van de Cariforum-landen;

8.  benadrukt dat bij de uitvoering van de overeenkomst naar behoren moet worden gekeken naar de integratieprocessen in het Cariforum, met inbegrip van de doelstellingen van de CSME (interne markt en economie van de CARICOM (Caribbean Community)), zoals uiteengezet in het herziene Verdrag van Chaguaramas;

9.  stelt vast dat Cariforum-staten die lid zijn van de Caribbean Community, verplichtingen zijn aangegaan op terreinen die nog niet zijn geregeld in het kader van de CSME of waarvan de uitvoering nog niet is afgerond, waaronder financiële diensten, andere diensten, investeringen, concurrentie, openbare aanbestedingen, e-handel, intellectuele eigendom, vrij verkeer van goederen en het milieu; vraagt dat conform artikel 4, lid 3, van de EPO met de Cariforum-landen naar behoren rekening wordt gehouden met de CSME bij de uitvoering van bepalingen betreffende de genoemde terreinen;

10.  vraagt dat de Commissie duidelijkheid verschaft over de feitelijke verdeling van financiële middelen over de ACS-regio als gevolg van de toegezegde prioritaire uitgaven binnen het verhoogde "Hulp voor handel" -budget;

11.  dringt erop aan dat hulp, in overeenstemming met de Beginselen van Parijs inzake de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, onder meer vraaggestuurd moet zijn, en verzoekt de ACS-landen daarom aan te geven welke aanvullende EPO-gerelateerde middelen nodig zijn, in het bijzonder met betrekking tot regelgevingskaders, vrijwaringsmaatregelen, handelsfacilitering, steun bij het voldoen aan internationale sanitaire en fytosanitaire voorschriften en regels inzake intellectuele eigendom, en de samenstelling van het EPO-toezichtmechanisme;

12.  herinnert aan de goedkeuring, in oktober 2007, van de strategie van de Europese Unie inzake hulp voor handel, waarbij de toezegging is gedaan de gezamenlijke handelsgerelateerde EU-bijstand tegen 2010 te verhogen tot 2 miljard euro per jaar (1 miljard van de Gemeenschap en 1 miljard van de lidstaten); dringt erop aan dat de Cariforum-landen een gepast en gelijkwaardig deel ontvangen;

13.  verzoekt om de snelle bepaling en beschikbaarstelling van een billijke portie van de middelen voor "Hulp voor handel"; benadrukt dat de Commissie en de EU-lidstaten ervoor moeten zorgen dat deze middelen aanvullend zijn en niet louter een andere verpakking vormen voor financiering uit het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), dat ze aansluiten bij de Cariforum-prioriteiten, en dat de uitbetaling ervan zoveel mogelijk gebeurt via het Fonds voor Regionale Ontwikkeling, op tijd plaatsvindt, voorspelbaar is en in overeenstemming is met de uitvoeringsschema’s van de nationale en regionale strategische ontwikkelingsplannen; beveelt de Commissie en de Cariforum-landen aan deze middelen doelmatig te gebruiken om het mogelijke verlies aan douane-inkomsten te compenseren en om te voldoen aan de behoeften op het vlak van concurrentievermogen en ontwikkelingsbevordering;

14.  verzoekt de Commissie duidelijk te maken welke middelen een aanvulling vormen op de financiering uit het 10de EOF; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat aan alle bepalingen inzake ontwikkelingssamenwerking, ook over de financiering daarvan, snel, adequaat en doeltreffend uitvoering wordt gegeven;

15.  merkt op dat als gevolg van de liberalisering van de handel voor de Bahama’s, Antigua en Barbados een verlies van douane-inkomsten wordt geanticipeerd; aanvaardt, voor wat andere Cariforum-landen betreft, dat een aanzienlijk deel van de EU-uitvoer ofwel reeds vrij is van handelsbelemmeringen ofwel grotendeels zal worden geliberaliseerd 10 à 15 jaar na het begin van het uitvoeringsschema;

16.  benadrukt dat het initiatief voor heffingvrije en quotavrije (DFQF) markttoegang met het oog op een aanzienlijke toename van de uitvoer van goederen indien nodig vergezeld moet gaan van ingrijpende wijzigingen van de oorsprongregels; verheugt zich in dit verband over de recente verklaringen van de Commissie dat de oorsprongsregels uit hoofde van artikel 10 en overeenkomstig het cumulatiebeginsel verbeterd zouden kunnen worden;

17.  vraagt de Commissie met aandrang erop toe te zien dat de bepalingen betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten niet worden aangegrepen om de legitieme concurrentie van leveranciers van generieke geneesmiddelen te dwarsbomen en/of inkoopbureaus van de overheid te beletten partijen generieke medicijnen aan te schaffen;

18.  verzoekt de Commissie regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement over het aantal octrooiaanvragen en -geschillen in het kader van het Verdrag inzake samenwerking bij octrooien (PCT); verzoekt de Commissie regelmatige verslagen in te dienen over de uitvoering van de verplichtingen in de overeenkomst op het gebied van technologieoverdracht; dringt er bij de Commissie op aan niet te streven naar een harmonisatie van de normen voor intellectuele-eigendomsrechten die verder gaat dan wat aangewezen is voor het ontwikkelingsniveau van de Cariforum-landen; onderstreept hoe belangrijk het is de Cariforum-landen bij te staan bij het toezicht op concurrentieverstorend gedrag in de farmaceutische sector;

19.  beklemtoont dat in de EPO rekening moet worden gehouden met de specifieke belangen van kleine en middelgrote ondernemingen uit zowel de Cariforum-landen als de EU;

20.  verzoekt om toepassing door de Europese Unie van het beginsel van meest begunstigde natie (MBN) op alle subregionale groepen ACS-landen;

21.  erkent de selectieve toepassing van de MBN-behandeling op de Europese Unie door de Cariforum-landen en andere subregionale groepen;

22.  onderstreept de behoefte aan ontwikkelingsindicatoren voor het meten van de verwachte economische en sociale resultaten van de uitvoering van de EPO (zoals armoedevermindering, een betere levensstandaard en de openstelling van de economie);

23.  is van mening dat geschikte EPO-ontwikkelingsindicatoren, rekening houdend met de in artikel 5 van de EPO voorziene speciale en differentiële behandeling en met het oog op het verminderen van de armoede, drie grote doelstellingen moeten dienen: het stimuleren van de uitvoering door de Cariforum-landen van hun verplichtingen krachtens de EPO of het toekennen van vrijstellingen hiervoor aan de Cariforum-landen; het monitoren van de impact van de uitvoering van de EPO op duurzame ontwikkeling en armoedebstrijding; het monitoren van de uitvoering van de verplichtingen van de EG, in het bijzonder de uitbetaling en daadwerkelijke verstrekking van de beloofde financiële en technische bijstand;

24.  dringt aan op adequate en transparante controlemechanismen – met een duidelijke taak en invloed – om de effecten van de EPO’s te volgen, met meer zeggenschap voor de ACS-landen en een brede raadpleging van alle betrokkenen;

25.  vraagt de Commissie steun te verlenen aan het opzetten van een onafhankelijk controlemechanisme in de Cariforum-staten, dat over de noodzakelijke middelen beschikt voor het uitvoeren van de analyses die nodig zijn om te bepalen in hoeverre de EPO de gestelde doelen haalt;

26.  is ingenomen met de oprichting van een parlementaire commissie Cariforum-EU waarin onder meer leden zitten van de Commissie internationale handel en de Commissie ontwikkelingssamenwerking, ter garantie van een gepast evenwicht tussen het behoud door de Commissie internationale handel van haar leidersrol en een globale coherentie op het vlak van handel en ontwikkelingsbeleid; acht het voorts van belang dat deze parlementaire commissie flexibel opereert en actief samenwerkt met de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU (PPV);

27.  vreest dat er voor heel wat aspecten die door de regionale raden onder de aandacht van de Commissie zijn gebracht onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van de ultraperifere regio’s van de Gemeenschap, en dat de integratie van de ultraperifere regio’s in de interregionale handel als gevolg hiervan niet genoeg aandacht heeft gekregen, dit in weerwil van het door de Raad op 17 juni 2002 goedgekeurde onderhandelingsmandaat van de Commissie voor de EPO’s, waarin staat dat er tijdens de onderhandelingen rekening moet worden gehouden met de bijzondere belangen van de ultraperifere regio’s van de Gemeenschap, en dat de EPO’s met het oog op de snelle integratie van deze regio’s in de interregionale handel in specifieke maatregelen kunnen voorzien ten voordele van producten uit deze regio’s;

28.  benadrukt de cruciale rol van de parlementen van de Cariforum-landen en van niet met de staat verbonden actoren voor wat het toezicht op en het management van de EPO betreft; stelt dat de EU en de Cariforum-landen over een gedeelde duidelijke en veelomvattende agenda moeten beschikken opdat de betrokkenheid van deze partijen doeltreffend zou zijn;

29.  vraagt dat de Europese Raad de regionale raden van de ultraperifere regio's van de Europese Unie in de Caraïben (Martinique, Guadeloupe en Frans-Guyana) raadpleegt vóór de ratificering van de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Cariforum-landen en de lidstaten van de Europese Unie;

30.  is verheugd over de eerder genoemde gezamenlijke verklaring en het feit dat er uiterlijk vijf jaar na de datum van ondertekening en vervolgens om de vijf jaar een verplichte, veelomvattende evaluatie van de overeenkomst zal plaatsvinden om de impact van de overeenkomst te bepalen, met inbegrip van de kosten en de gevolgen van de uitvoering; wijst erop dat de partijen zich ertoe hebben verplicht om de bepalingen van de overeenkomst waar nodig te wijzigen en de uitvoering ervan aan te passen; vraagt dat het Europees Parlement en de parlementen van de Cariforum-landen betrokken worden bij alle herzieningen van de EPO;

31.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen van de lidstaten en van de ACS-landen, de Raad ACS-EU en de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.

(1) PB C 77 E van 26.3.2004, blz. 393.
(2) PB C 92 E van 20.4.2006, blz. 397.
(3) PB C 285 E van 22.11.2006, blz. 126.
(4) PB C 292 E van 1.12.2006, blz. 121.
(5) PB C 293 E van 2.12.2006, blz. 155.
(6) PB C 298 E van 8.12.2006, blz. 261.
(7) PB C 305 E van 14.12.2006, blz. 244.
(8) PB C 102 E van 24.4.2008, blz. 301.
(9) PB C 175 E van 10.7.2008, blz. 591.
(10) PB C 323 E van 18.12.2008, blz. 361.
(11) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0252.

Laatst bijgewerkt op: 20 maart 2009Juridische mededeling