Procedure : 2009/2557(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B6-0165/2009

Ingediende teksten :

B6-0165/2009

Debatten :

Stemmingen :

PV 02/04/2009 - 9.20
CRE 02/04/2009 - 9.20

Aangenomen teksten :

P6_TA(2009)0213

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 107kWORD 49k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B6-0165/2009
25 maart 2009
PE423.032
 
B6‑0165/2009
naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie
ingediend overeenkomstig artikel 103, lid 2 van het Reglement
door Tunne Kelam, Gunnar Hökmark, Jana Hybášková, Bernd Posselt, Charles Tannock, Alejo Vidal-Quadras, Mario Mauro, Struan Stevenson, Bogusław Sonik en József Szájer
namens de PPE-DE-Fractie
over het Europese geweten en het totalitarisme

Resolutie van het Europees Parlement over het Europese geweten en het totalitarisme 
B6‑0165/2009

Het Europees Parlement,

–  gezien de universele beginselen van de mensenrechten en de grondbeginselen van de Europese Unie, een gemeenschap die op gemeenschappelijke waarden stoelt,

–  gelet op de Universele Verklaring van de rechten van de mens, die de Verenigde Naties op 10 december 1948 hebben aangenomen,

–  gelet op het kaderbesluit inzake de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht, dat de Raad van de Europese Unie op 26 februari 2008 heeft goedgekeurd,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 12 mei 2005 over de 60e verjaardag van het einde van de Tweede Wereldoorlog in Europa,

–  onder verwijzing naar resolutie 1481 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa van 26 januari 2006 over de noodzaak van internationale veroordeling van de misdaden van totalitaire communistische regimes,

–  gezien de hoorzitting die de Commissie op 8 april 2008 in Brussel heeft georganiseerd over de door totalitaire regimes gepleegde misdaden,

–  onder verwijzing naar de door een aantal nationale parlementen aangenomen resoluties en verklaringen over de misdaden van totalitaire communistische regimes,

–  gezien de verklaring van Praag over "Het geweten van Europa en het communisme" van 3 juni 2008,

–  gezien zijn op 23 september 2008 aangenomen verklaring over het uitroepen van 23 augustus tot Europese herdenkingsdag voor de slachtoffers van het stalinisme en het nazisme,

–  gezien de binnenkort in Praag te houden conferentie over vermogens uit de holocaustperiode en de initiatieven die het Amerikaanse Congres op dit gebied heeft ontplooid,

–  gelet op artikel 103, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese geschiedenis van de twintigste eeuw wordt gekenmerkt door menselijke moordpartijen van uitzonderlijke omvang, die voornamelijk mogelijk werden gemaakt door de verovering van de absolute macht door het totalitaire communisme en nazisme,

B.  overwegende dat de extreme vormen van totalitair bestuur waarvoor de dictaturen van de nazi's, de fascisten en de sovjetcommunisten gekozen hadden, ertoe hebben geleid dat op een nooit eerder in de geschiedenis voorgekomen schaal met voorbedachten rade enorme misdaden tegen miljoenen mensen en hun onvervreemdbare grondrechten zijn begaan,

C.   overwegende dat de Europese integratie een rechtstreeks antwoord was op de oorlogen en de terreur die de totalitaire regimes op ons continent hebben veroorzaakt,

D.  overwegende dat de internationale morele en politieke beoordeling van deze misdaden asymmetrisch is, gezien het feit dat het bij de misdaden van het totalitaire communisme nog steeds ontbreekt aan een gezaghebbende en algemeen erkende Europese analyse,

E.  overwegende dat er duidelijk behoefte bestaat aan openbaarmaking en morele beoordeling van de praktijken van de totalitaire communistische regimes, die bestonden uit een stelselmatige en meedogenloze militaire, economische en politieke onderdrukking van de bevolking door middel van willekeurige executies, massale arrestaties, deportaties, een verbod op vrije meningsuiting, privé-eigendom en maatschappelijke organisaties alsmede de afbraak van de culturele en morele identiteit, hetgeen de grote meerderheid van de volkeren in Midden- en Oost-Europa van hun fundamentele mensenrechten en waardigheid heeft beroofd,

F.  overwegende dat een morele en politieke beoordeling van totalitaire misdaden geenszins afbreuk doet aan de suprematie van de individuele benadering van deze misdaden, die alleen kunnen worden beoordeeld aan de hand van rechtsstatelijke beginselen, die een collectieve strafrechtelijke verantwoordelijkheid uitsluiten,

G.  overwegende dat Europa nooit verenigd zal zijn, tenzij het erin slaagt zijn geschiedenis te herenigen, het communisme en nazisme als zijn gezamenlijk erfgoed te beschouwen en een eerlijk, diepgaand debat te voeren over alle totalitaire misdaden van de afgelopen eeuw,

H.  overwegende dat vijf jaar na de uitbreiding in 2004 de kennis onder Europeanen van de totalitaire regimes die meer dan 40 jaar lang hun medeburgers in Midden- en Oost-Europa hebben geterroriseerd en met het IJzeren Gordijn en de Berlijnse Muur van het democratische Europa hebben afgesneden, nog steeds verontrustend oppervlakkig en gering is,

I.  overwegende dat dit ook heeft geleid tot feitelijke ongelijkheid tussen de slachtoffers van verschillende totalitaire regimes, en dat miljoenen slachtoffers van het communistische totalitarisme het moeten stellen zonder gerechtigheid, internationale erkenning van hun lijden en solidariteit uit heel Europa,

J.  overwegende dat de aanhoudende ambiguïteit in onze benadering van de misdaden van totalitaire communistische regimes tegen miljoenen eigen burgers een hinderpaal is gebleken bij het versterken van de Europese solidariteit en gelijkheid, en ertoe bijdraagt dat de EU in de hoofden van de mensen in “west” en “oost” wordt verdeeld,

K.  overwegende dat een herenigd Europa in 2009 de twintigste verjaardag viert van de val van de communistische dictaturen in Midden- en Oost-Europa en van de Berlijnse Muur, hetgeen zowel een gelegenheid zou moeten zijn om het bewustzijn van het verleden te vergroten en de rol van democratische burgerinitiatieven te erkennen, als de aanzet zou moeten geven tot een versterking van de gevoelens van saamhorigheid en cohesie,

L.  overwegende dat Commissaris Jacquet Barrot tijdens een plenair debat op 21 april 2008 zijn overtuiging heeft uitgesproken dat alle Europeanen samen de plicht hebben tot een gemeenschappelijke waarheid te komen, zonder de misdaden die door verschillende totalitaire regimes zijn begaan, uit het oog te verliezen of te bagatelliseren,

   1.komt tot de slotsom dat elk slachtoffer van een totalitair regime dezelfde menselijke waardigheid heeft en rechtvaardigheid en herdenking verdient, alsmede erkenning in heel Europa en de garantie dat dergelijke gebeurtenissen zich nooit meer zullen herhalen;
   2.dringt aan op een Europese afspraak dat zowel het naziregime als de communistische totalitaire regimes van de twintigste eeuw moeten worden beoordeeld op hun eigen verschrikkelijke merites;
   3.merkt op dat al deze regimes staatsgeweld beschouwden als een aanvaardbare, bij voorkeur gebruikte en doeltreffende methode om absolute controle over hun onderdanen te kunnen blijven uitoefenen, en dat deze regimes vaak hun toevlucht hebben genomen tot extreme vormen van terreur, waarbij zij alle burgerlijke en menselijke vrijheden inperkten, aanvalsoorlogen begonnen en – als vast bestanddeel van hun ideologie – hele naties en etnische groepen uitroeiden, neersloegen en verlamden vanwege hun ras of om sociale en politieke redenen, zodat zij moeten worden beschouwd als de grootste morele, politieke en maatschappelijke ramp die de twintigste eeuw heeft geteisterd;
   4.ziet het communistische totalitarisme als een integraal, verschrikkelijk deel van de gemeenschappelijke Europese geschiedenis en roept op tot aanvaarding van een pan-Europese verantwoordelijkheid voor de begane misdaden;
   5.is van mening dat veel misdaden die uit naam van het totalitaire communisme zijn begaan, dienen te worden aangemerkt als misdaden tegen de menselijkheid en als waarschuwing voor toekomstige generaties moeten dienen, zoals ook de nazimisdaden zijn beoordeeld en worden herdacht;
   6.veroordeelt deze misdaden tegen de menselijkheid en grootschalige schendingen van de mensenrechten door totalitaire communistische regimes met kracht en op ondubbelzinnige wijze; spreekt de slachtoffers van deze misdaden en hun familieleden zijn medeleven, begrip en erkenning van hun lijden uit;
   7.vindt het zorgwekkend dat de ineenstorting van de totalitaire communistische regimes in Europa niet in alle gevallen is gevolgd door internationaal onderzoek naar de misdaden die zij hebben begaan, en dringt er bij alle voormalige communistische staten op aan een morele en politieke beoordeling van hun recente verleden uit te voeren en de nodige middelen beschikbaar te stellen voor academisch onderzoek en waarheidsvinding;
   8.beschouwt het ontbreken van een gezaghebbende morele en politieke beoordeling van deze misdaden als een mogelijke bron van frustratie, cynisme en maatschappelijke vervreemding voor miljoenen burgers, hetgeen moet worden gezien als een belangrijke hinderpaal voor de totstandbrenging van een robuust maatschappelijk middenveld in de voormalige communistische landen en een factor die de Europese integratie afremt;
   9.roept op tot een pan-Europees maatschappelijk en academisch debat over de aard, de geschiedenis en de erfenis van de totalitaire regimes, uitgaande van een internationaal rechtskader dat een onbeperkte toegang garandeert tot alle archieven en dossiers die informatie over de misdaden van het totalitaire communisme bevatten;
   10.verzoekt om oprichting van een Platform Europese nagedachtenis en Europees geweten, dat steun moet bieden voor de vorming van netwerken en de samenwerking tussen nationale onderzoeksinstituten die zich specialiseren in de geschiedenis van het totalitarisme, en voor het opzetten van een Europees documentatiecentrum/monument voor de slachtoffers van alle totalitaire regimes;
   11.is van mening dat de Europese geschiedenisboeken moeten worden herzien en bijgewerkt, om alle scholieren te onderwijzen over de rampzalige gevolgen van totalitaire dictaturen;
   12.verzoekt om versterking van de relevante bestaande financiële instrumenten met het oog op steunverlening voor de hierboven genoemde voorstellen;
   13.verzoekt alle regeringen van de lidstaten 23 augustus - de dag waarop in 1939 het Ribbentrop-Molotov-pact werd gesloten - uit te roepen tot Europese herdenkingsdag voor de slachtoffers van het stalinisme en nazisme;
   14.is ervan overtuigd dat met de openbaarmaking en beoordeling van de misdaden van de totalitaire communistische regimes uiteindelijk wordt gestreefd naar verzoening, die bereikt kan worden door het aanvaarden van verantwoordelijkheid, het vragen om vergeving en het bevorderen van een proces van morele vernieuwing;
   15.wenst als partner van de Raad en de Commissie naar wegen te zoeken om te komen tot een eerlijke, open beoordeling van onze gezamenlijke twintigste-eeuwse erfenis van totalitarisme, ten einde de integratie van alle Europese burgers te verdiepen en herhaling van de verschrikkingen van het totalitarisme, nu en in de toekomst, te voorkomen;
   16.verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

Laatst bijgewerkt op: 27 maart 2009Juridische mededeling