Procedure : 2009/2718(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0118/2009

Ingediende teksten :

B7-0118/2009

Debatten :

PV 20/10/2009 - 13
CRE 20/10/2009 - 13

Stemmingen :

PV 22/10/2009 - 8.7

Aangenomen teksten :

P7_TA(2009)0056

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 145kDOC 85k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0118/2009
19.10.2009
PE428.726v01-00
 
B7-0118/2009

naar aanleiding van vraag voor mondeling antwoord B7‑0213/2009

ingediend overeenkomstig artikel 115, lid 5, van het Reglement


over democratieopbouw in de externe betrekkingen van de EU


Heidi Hautala, Eva Joly, Franzisca Brantner, Barbara Lochbihler, Hélène Flautre, Judith Sargentini and Ulrike Lunacek

namens de Verts/ALE-Fractie


Resolutie van het Europees Parlement over democratieopbouw in de externe betrekkingen van de EU  
B7‑0118/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens, en met name artikel 21, en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

 

–   gelet op de artikelen 3, 6, 11 en 19 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en de artikelen 177, 300 en 310 van het EG-Verdrag,

 

–   gezien alle overeenkomsten tussen de EU en derde landen en de bepalingen betreffende mensenrechten en democratie in die overeenkomsten,

 

–   gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dat op 12 december 2007 in Straatsburg is afgekondigd,

 

–   gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 8 september 2000, de “Millenniumverklaring” (A/RES/55/2),

 

–   gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 4 december 2000 over de bevordering en consolidering van de democratie (A/RES/55/96),

 

–   gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 15 september 2005, “Slotdocument van de Wereldtop van 2005” (A/RES/60/1),

–   gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 23 maart 2005 over de versterking van de rol van regionale, subregionale en andere organisaties en overeenkomsten bij het bevorderen en consolideren van de democratie (A/RES/59/201),

 

–   gezien de mededeling van de Commissie over verkiezingsondersteuning en verkiezingswaarneming door de EU (COM(2000) 191),

 

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 maart 2001 over de mededeling van de Commissie over verkiezingsondersteuning en verkiezingswaarneming door de EU,

 

–   gezien de mededeling van de Commissie over de rol van de Europese Unie bij de bevordering van de mensenrechten en de democratisering in derde landen (COM(2001) 252),

 

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 april 2002 over de mededeling van de Commissie over de rol van de Europese Unie bij de bevordering van de mensenrechten en de democratisering in derde landen,

 

–   gezien de Europese Veiligheidsstrategie van 12 december 2003,

 

–   gezien de mededeling van de Commissie over governance en ontwikkeling (COM(2003) 615),

 

–   onder verwijzing naar zijn verslag (A5-0219/2004) over die mededeling van de Commissie,

 

–   gezien de EU-consensus over ontwikkeling van 2005,

 

–   gezien de Verklaring van Parijs van 2005 over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp en de Actieagenda van Accra van 2008,

 

–   gezien de mededeling van de Commissie “Het bestuur binnen de Europese consensus over het ontwikkelingsbeleid – Naar een geharmoniseerde aanpak in de Europese Unie” (COM(2006) 421),

 

–   gezien Verordening (EG) nr. 1889/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot instelling van een financieringsinstrument voor de bevordering van democratie en mensenrechten in de wereld (EIDHR),

 

–   gezien het besluit van zijn Bureau van 18 juni 2007 tot oprichting van het Bureau voor de bevordering van de parlementaire democratie,

 

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 8 mei 2008 over verkiezingswaarnemingsmissies van de EU: doelstellingen, praktijken en uitdagingen voor de toekomst,

–   gezien de conclusies van de Raad van mei 2009 over het steunen van democratisch bestuur – versterking van het EU-kader,

 

–   onder verwijzing naar de vraag van 30 september 2009 aan de Commissie over democratieopbouw in de externe betrekkingen (O-0093/2009 – B7‑0213/2009),

–   gelet op artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat democratie en mensenrechten fundamentele waarden van de Europese Unie en haar lidstaten zijn en van meet af aan een vast onderdeel van het Europese integratieproces hebben gevormd,

B.  overwegende dat in de oprichtingsverdragen van de Europese Unie de gehechtheid aan democratie en mensenrechten duidelijk wordt beklemtoond en dat de criteria van Kopenhagen inzake “stabiele instellingen die de democratie, de rechtsorde, de mensenrechten en de eerbiediging en de bescherming van minderheden garanderen” een kernpunt van het uitbreidingsproces hebben gevormd,

C. overwegende dat de bevordering en bescherming van alle mensenrechten een basisvoorwaarde is voor het bestaan van een democratische maatschappij, zoals nogmaals is bevestigd in resolutie 59/201 van de Algemene Vergadering van de VN,

D. overwegende dat in de EU een ruime opvatting van democratie met succes is uitgebreid tot burgerrechten en politieke rechten alsook economische, sociale en culturele rechten, zoals vastgelegd in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de twee desbetreffende internationale verdragen, en een doorslaggevende rol heeft gespeeld bij het brengen van stabiliteit en welvaart op een nooit eerder in de wereldgeschiedenis vertoonde wijze,

E.  overwegende dat artikel 11 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) bepaalt dat “ontwikkeling en versterking van de democratie en de rechtsstaat, alsmede eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden” tot de doelstellingen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid behoren,

F.  overwegende dat artikel 21 van het Verdrag van Lissabon bepaalt dat het internationaal optreden van de Unie berust en gericht is op de wereldwijde verspreiding van de beginselen die aan de oprichting, de ontwikkeling en de uitbreiding van de Unie ten grondslag liggen,

G. overwegende dat democratische stelsels verschillende verschijningsvormen kunnen aannemen, zoals dat ook binnen de EU het geval is, maar dat democratie een universele waarde is en dat de wezenlijke beginselen en elementen ervan zijn neergelegd in talrijke internationale verklaringen en verdragen; dat deze elementen, zoals gedefinieerd in twee resoluties van de Algemene Vergadering van de VN van respectievelijk 2000 en 2005 (A/RES/55/96 en A/RES/59/201), onder meer het volgende inhouden:

•    eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, zoals de vrijheid van vereniging en vreedzame samenkomst en de vrijheid van mening en van meningsuiting,

•    het recht om hetzij rechtstreeks, hetzij via vrij gekozen vertegenwoordigers deel te nemen aan de behandeling van openbare aangelegenheden, en te stemmen en gekozen te worden via eerlijke en regelmatige vrije verkiezingen met algemeen en gelijk stemrecht en bij geheime stemming, zodat de vrije uiting van de wil van het volk wordt gegarandeerd,

•    een pluralistisch stelsel van politieke partijen en organisaties,

•    eerbieding van de rechtsstaat,

•    de scheiding der machten en een onafhankelijke rechtspraak,

•    transparantie en verantwoordingsplicht van de overheid,

•    vrije, onafhankelijke en pluralistische media,

H. overwegende dat in de Millenniumverklaring wordt gesteld dat een op de wil van het volk steunend democratisch en participatief bestuur de beste waarborg vormt voor het recht van mannen en vrouwen om hun leven te leiden en hun kinderen op te voeden in waardigheid, zonder honger en zonder angst voor geweld, onderdrukking of onrecht,

I.   overwegende dat van echte democratie slechts sprake is als mannen en vrouwen op voet van gelijkheid kunnen deelnemen aan het politieke leven en de besluitvorming,

J.   overwegende dat democratie, ontwikkeling en eerbiediging van alle mensenrechten, met inbegrip van economische, sociale en culturele rechten, nauw met elkaar zijn verbonden en elkaar versterken,

K. overwegende dat democratie ook nauw samenhangt met veiligheid, zoals wordt erkend in de Europese Veiligheidsstrategie, waarin wordt verklaard dat de verspreiding van behoorlijk bestuur, steun voor sociale en politieke hervormingen, de aanpak van corruptie en machtsmisbruik, de vestiging van de rechtsstaat en de bescherming van de mensenrechten de beste manier vormen om de internationale orde te versterken,

L.  overwegende dat de Europese Unie beschikt over een breed scala aan instrumenten en middelen, variërend van politieke dialoog en diplomatieke initiatieven tot specifieke instrumenten voor financiële en technische samenwerking, waarmee zij de democratie en de mensenrechten wereldwijd kan ondersteunen,

M. overwegende dat de externe financiële instrumenten van de Europese Unie, zoals het instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI), het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (ENPI) en het Stabiliteitsinstrument (IfS), alle belangrijke mogelijkheden bieden voor democratisch bestuur, institutionele ondersteuning en bijstand bij capaciteitsopbouw,

N. overwegende dat in de Overeenkomst van Cotonou wordt voorzien in zowel politieke dialoog als technische en financiële samenwerking met de ACS-landen via het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), en overwegende dat deze overeenkomst een bepaling betreffende mensenrechten en democratie omvat, die als een essentieel onderdeel van de overeenkomst wordt beschouwd, alsook een regeling voor raadpleging en uitwisseling van informatie alvorens de overeenkomst tijdelijk wordt opgeschort,

O. overwegende dat het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR) een essentieel instrument is voor financiële bijstand op het gebied van mensenrechten en democratie, aangezien het de hele wereld bestrijkt, zonder de instemming van het gastland kan worden gebruikt en rechtstreeks steun biedt aan maatschappelijke organisaties; dat de door het EIHDR gefinancierde verkiezingswaarnemingsmissies van de EU een belangrijk deel uitmaken van de bijdrage van de EU aan de opbouw van democratische instellingen, die met name de follow-up van de aanbevelingen van de verkiezingswaarnemingsmissies van de EU omvat,

P.  overwegende dat er behoefte is aan meer overzicht en een grondige analyse van de democratieondersteuning die EU momenteel biedt, en met name van hoe het uitgebreide arsenaal aan middelen en instrumenten van de EU om de democratie wereldwijd te ondersteunen, in partnerlanden wordt ingezet en hoe die verschillende instrumenten en actoren werken en met elkaar verbonden zijn,

Q. overwegende dat in het verslag van het Europees Parlement van 2004 over de mededeling van de Commissie over bestuur en ontwikkeling het belang wordt benadrukt van “electorale en parlementaire hervormingen die verder gaan dan de invoering van verkiezingsstelsels met meer partijen, teneinde te zorgen voor meer en effectievere politieke activiteit onder de bevolking”(1),

1.  deelt de opvatting dat er absoluut een coherenter en eenvormiger kader nodig is om de steun van de EU voor democratieopbouw wereldwijd doeltreffender te maken;

2.  is tegelijk van mening dat de samenhang en de doeltreffendheid van het externe optreden van de EU bestaan in bewustmaking en het tot stand brengen van een consensus in de hele EU over het belang van democratie en mensenrechten ten opzichte van andere prioriteiten;

3.  is ingenomen met de inspanningen van het huidige EU-voorzitterschap en diens voorgangers voor een pijleroverschrijdend initiatief voor democratieopbouw in het externe optreden van de EU, met als doel het beleid beter af te stemmen, het optreden te versterken en het werk beter te coördineren, en beklemtoont dat er continu in die richting moet worden gewerkt in het kader van de conclusies van de Raad die in november 2009 moeten worden vastgesteld; benadrukt in dit verband dat de Raad daarbij naar behoren rekening moet houden met een aantal belangrijke beginselen zoals transparantie, toegang tot documenten, raadpleging en verantwoordingsplicht;

4.  beveelt aan dat in de conclusies van de Raad concrete en praktische voorstellen worden opgenomen voor een betere coördinatie van de democratieondersteuning in het kader van de EU-instrumenten voor buitenlands, mensenrechten- en ontwikkelingsbeleid; verzoekt het huidige EU-voorzitterschap in deze geest een standaardmethode voor te stellen om ervoor te zorgen dat mensenrechten en democratie sectoroverschrijdende kernpunten zijn in alle externe beleidsinstrumenten en contractuele en financiële instrumenten; herhaalt dat de samenhang, de coördinatie en de doeltreffendheid van het externe optreden van de EU aanzienlijk kunnen worden verbeterd door landenstrategieën voor mensenrechten en democratie vast te stellen, die moeten worden beschouwd als referentiedocument waarin voor het betreffende derde land specifieke prioriteiten ter zake worden vastgesteld, die in alle desbetreffende externe beleidsmaatregelen en instrumenten van de EU met betrekking tot het betreffende land worden gemainstreamd;

5.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om bij het opzetten van de nieuwe Dienst voor extern optreden met institutionele middelen te zorgen voor een effectieve mainstreaming van mensenrechten en democratieopbouw in alle beleidsgebieden, en lering te trekken uit bestaande processen en ervaringen teneinde in het veld vooruitgang te boeken;

6.  herhaalt dat democratisering, verkiezingen en goed bestuur geen doelen op zich zijn, maar ook van vitaal belang zijn voor armoedevermindering, duurzame ontwikkeling, vrede en stabiliteit; dat democratie, zoals het interne integratieproces van de EU laat zien, niet alleen politieke en burgerrechten helpt realiseren, maar ook economische, culturele en sociale rechten, waaronder ook solidariteit;

7.  is van oordeel dat het verankeren van democratie en democratische processen in derde landen de beste vooruitzichten oplevert voor de totstandbrenging van doeltreffend beleid in verband met wereldwijde vraagstukken die ook voor de EU-burgers van belang zijn; dat democratische stelsels bijvoorbeeld beter kunnen optreden tegen grensoverschrijdende misdaad en mensenhandel en het milieu beter kunnen beschermen; benadrukt tegelijk dat de geloofwaardigheid van het externe optreden van de Unie van essentieel belang is om de ondersteuning van democratische ontwikkelingen in het buitenland te doen slagen; verzoekt de EU-lidstaten en de Commissie in deze geest erop toe te zien dat het interne EU-beleid op gebieden zoals terrorismebestrijding, asiel en migratie volledig strookt met de beginselen die in de desbetreffende VN-verdragen zijn vastgelegd;

8.  beveelt aan dat de EU een gecoördineerde wereldwijde inzet ten behoeve van de democratie bevordert door publiekelijk de definitie van democratie van de Algemene Vergadering van de VN van 2005 te onderschrijven als uitgangspunt voor haar eigen democratiseringswerk;

9.  wijst erop dat democratie niet kan worden geëxporteerd of van buitenaf kan worden opgelegd, en onderstreept dat de EU nog steeds vasthoudt aan de beginselen inzake eigen inbreng van de partnerlanden in hun ontwikkelingsstrategieën en -programma’s; meent echter dat deze processen door de verschillende EU-instrumenten kunnen worden ondersteund, naar gelang van de specifieke situatie van elk land;

10. stelt voor dat de Raad en de Commissie een alomvattende en gedetailleerde analyse verrichten van alle soorten EU-steun voor de democratie en de mensenrechten in een aantal partnerlanden, zodat op basis daarvan praktische aanbevelingen kunnen worden gedaan;

11. beveelt de Raad en de Commissie aan de Verklaring van Parijs en het Actieprogramma van Accra inzake de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp ten uitvoer te leggen bij hun maatregelen ter ondersteuning van de democratie; stelt met name voor om op EU-niveau voor gezamenlijke democratiebeoordelingen, gezamenlijke programmering en lastenverdeling te zorgen, teneinde de impact en de zichtbaarheid van het democratieondersteunende optreden van de EU te vergroten;

12. stelt voor dat de Commissie stelselmatig een afdeling “stand van de democratie en de mensenrechten” opneemt in de landenstrategiedocumenten en dat zij de ondersteuning van de democratie en de mensenrechten mainstreamt in de samenwerkingsprogramma’s met partnerlanden alsook in alle overige beleids- en financieringsinstrumenten;

13. wijst op de noodzaak van betere coördinatie van de activiteiten die uit hoofde van de verschillende externe financieringsinstrumenten worden uitgevoerd, teneinde optimaal gebruik te maken van de complementariteit tussen geografische en thematische instrumenten; is van mening dat deze inspanningen met het oog op meer doeltreffendheid gepaard moeten gaan met nauwere samenwerking tussen de donoren in de EU; deelt de mening dat de Commissie moet onderzoeken of er steun kan worden verleend aan de projecten van het VN-fonds voor de democratie die tot doel hebben de activiteiten van plaatselijke maatschappelijke organisaties te versterken en de mensenrechten te bevorderen;

14. verzoekt de Raad en de Commissie met aandrang een breed en alomvattend overleg te voeren met alle belanghebbende partijen in de EU en in derde landen, met bijzondere aandacht voor ngo’s en verdedigers van de mensenrechten, waaronder ook institutionele en regionale en lokale actoren, alvorens nieuwe initiatieven voor democratieopbouw nemen;

15. verzoekt de Commissie alle belanghebbende partijen, waaronder ngo’s en verdedigers van de mensenrechten en met name parlementen van partnerlanden, stelselmatig te betrekken bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van specifiek voor een bepaald land bestemde instrumenten, zoals overeenkomsten tussen de EU en het betreffende land en landenstrategiedocumenten;

16. wijst erop dat de ondersteuning van de democratie door de EU alomvattend moet zijn en alle punten van de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 2005 moet bestrijken, en dat bij de verstrekking van die steun aan de lange termijn moet worden gedacht;

17. is ingenomen met de positieve bijdrage die de verkiezingswaarnemingsmissies van de EU hebben geleverd aan de versterking van de democratische processen, de eerbiediging van de mensenrechten, de fundamentele vrijheden, goed bestuur en de rechtsstaat, en met name aan de verbetering van de verkiezingsprocessen overal ter wereld, maar wijst op de noodzaak van een coherent postelectoraal beleid op basis van de follow-up van de aanbevelingen van deze missies met inbreng van het maatschappelijk middenveld, waarin ontwikkelingssteun is gekoppeld aan democratische beginselen en waarden van democratisch bestuur; is in dit verband van mening dat de verkiezingswaarnemingsmissies en de verkiezingsondersteuning van de EU meer kans hebben om een blijvend effect te hebben als zij gebaseerd zijn op een verkiezingsaanpak op lange termijn en deel uitmaken van een algemene strategie waarbij het maatschappelijk middenveld bij alle fasen van het proces wordt betrokken;

18. verzoekt de Commissie voort te bouwen op de geslaagde samenwerking met de VN bij verkiezingswaarnemingsmissies en meer gezamenlijke strategieën en projecten ter bevordering van democratie en mensenrechten te ontwikkelen in samenwerking met de VN en andere regionale organisaties, zoals de OVSE en de Afrikaanse Unie.

19. benadrukt dat bij de inspanningen van de EU voor democratieopbouw stelselmatig bijzondere aandacht moet worden besteed aan de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en vrije, onafhankelijke en pluralistische media, door het financieren van projecten op deze gebieden;

20. beveelt aan een specifieke strategie in te voeren voor de ondersteuning van nieuw- en democratisch gekozen parlementen, teneinde de democratie, de rechtsstaat en goed bestuur permanent te verankeren;

21. bevestigt zijn eigen vastberadenheid om democratische processen te helpen versterken door een grotere rol te gaan spelen bij verkiezingswaarnemingen, de follow-up van de verkiezingswaarnemingsmissies van de EU en parlementaire capaciteitsopbouw; verzoekt zijn Bureau voor de bevordering van de parlementaire democratie (OPPD) daartoe een omvattend actieplan bij de desbetreffende parlementaire commissies in te dienen, dat een duidelijke regeling voor samenwerking met interparlementaire delegaties en gemengde parlementaire commissies moet bevatten;

22. moedigt de delegaties van de Commissie aan om met het OPPD samen te werken wanneer zij programma’s ter ondersteuning van de parlementaire democratie overwegen of in gang zetten;

23. beveelt aan dat in de conclusies van de Raad van november een actieplan wordt opgenomen en dat vóór eind 2010 de tot dan toe gemaakte voortgang wordt beoordeeld; verzoekt het huidige voorzitterschap en de komende voorzitterschappen van de EU de resultaten van de Raad Algemene Zaken en Buitenlandse Betrekkingen aan de desbetreffende parlementaire commissies te presenteren;

24. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de lidstaten.

 

(1)

A5-0219/2004.

Laatst bijgewerkt op: 19 mei 2010Juridische mededeling