naar aanleiding van vraag voor mondeling antwoord B7‑0213/2009
ingediend overeenkomstig artikel 115, lid 5, van het Reglement
over democratieopbouw in de externe betrekkingen
Charles Tannock, Adam Bielan, Ryszard Antoni Legutko, Tomasz Piotr Poręba,
namens de ECR-Fractie
Resolutie van het Europees Parlement over democratieopbouw in de externe betrekkingen
B7‑0119/2009
Het Europees Parlement,
– gelet op de Universele verklaring van de rechten van de mens, met name artikel 21 daarvan, en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,
– gelet op de artikelen 3, 6, 11 en 19 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en de artikelen 177, 300 en 310 van het EG-Verdrag,
– gezien alle overeenkomsten tussen de EU en derde landen en de mensenrechtenclausules in die overeenkomsten,
– gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dat op 12 december 2007 in Straatsburg is afgekondigd,
– gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, de ‘VN-millenniumverklaring’, van 8 september 2000 (A/RES/55/2),
– gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over ‘bevordering en consolidatie van democratie’ van 4 december 2000 (A/RES/55/96),
– gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 15 september 2005, "Slotdocument van de Wereldtop van 2005" (A/RES/60/1),
– gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 23 maart 2005 over de versterking van de rol van regionale, subregionale en andere organisaties en verbanden bij het bevorderen en consolideren van de democratie (A/RES/59/201),
– gezien de Mededeling van de Commissie over verkiezingsondersteuning en verkiezingswaarneming door de EU(1),
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 maart 2001 over de mededeling van de Commissie over verkiezingsondersteuning en verkiezingswaarneming door de EU,
– gezien de mededeling van de Commissie over de rol van de Europese Unie bij de bevordering van de mensenrechten en de democratisering in derde landen(2),
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 april 2002 over de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de rol van de Europese Unie bij de bevordering van de mensenrechten en de democratisering in derde landen,
– gezien de Europese Veiligheidsstrategie van 12 december 2003,
– gezien de mededeling van de Commissie betreffende bestuur en ontwikkeling(3),
– onder verwijzing naar zijn verslag over de mededeling van de Commissie betreffende bestuur en ontwikkeling(4),
– gezien de EU-consensus over ontwikkeling van 2005,
– gezien de Verklaring van Parijs van 2005 over doeltreffendheid van ontwikkelingshulp en het actieprogramma van Accra van 2008,
– gezien de mededeling van de Commissie, getiteld “Het bestuur binnen de Europese consensus over het ontwikkelingsbeleid - Naar een geharmoniseerde aanpak in de Europese Unie”(5),
– gezien Verordening (EG) nr. 1889/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot instelling van een financieringsinstrument voor de bevordering van democratie en mensenrechten in de wereld (EIDHR),
– gezien het besluit van zijn Bureau van 18 juni 2007 tot oprichting van het Bureau voor de bevordering van de Parlementaire Democratie,
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 8 mei 2008 betreffende verkiezingswaarnemingsmissies van de EU: doelstellingen, praktijken en uitdagingen voor de toekomst,
– gezien de conclusies van de Raad van mei 2009 betreffende het steunen van democratisch bestuur - versterking van het EU-kader,
– onder verwijzing naar de vraag van 30 september 2009 aan de Commissie over de opbouw van democratie in buitenlandse betrekkingen(6)
– gelet op artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,
A. overwegende dat democratie en mensenrechten fundamentele waarden van de Europese Unie en haar lidstaten zijn en van meet af aan een vast onderdeel van het Europese integratieproces hebben gevormd,
B. overwegende dat in de oprichtingsverdragen van de Europese Unie de gehechtheid aan democratie en mensenrechten duidelijk wordt beklemtoond en dat de criteria van Kopenhagen inzake “stabiele instellingen die de democratie, de rechtsorde, de mensenrechten en de eerbiediging en de bescherming van minderheden garanderen” een kernpunt van het uitbreidingsproces hebben gevormd,
C. overwegende dat in de EU een ruime opvatting over democratie met succes is uitgebreid tot burgerrechten en politieke rechten alsook economische, sociale en culturele rechten, zoals vastgelegd in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de twee desbetreffende internationale verdragen, en een doorslaggevende rol hebben gespeeld bij het brengen van stabiliteit en welvaart op een nooit eerder in de wereldgeschiedenis vertoonde wijze,
D. overwegende dat in artikel 11 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) wordt verklaard dat “ontwikkeling en versterking van de democratie en de rechtsstaat, alsmede eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden” tot de doelstellingen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid behoort,
E. overwegende dat democratische stelsels verschillende verschijningsvormen kunnen aannemen, zoals dat ook binnen de EU het geval is, maar dat democratie een universele waarde is en dat de wezenlijke beginselen en elementen ervan zijn neergelegd in talrijke internationale verklaringen en verdragen; dat deze elementen, zoals gedefinieerd in twee resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Natie van 2000 en 2005 (A/RES/55/96 en A/RES/59/201) onder meer inhouden:
• eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, waaronder de vrijheid van vereniging en vreedzame samenkomst en de vrijheid van mening en van meningsuiting,
• het recht om rechtstreeks of via vrij gekozen vertegenwoordigers deel te nemen aan behandeling van openbare aangelegenheden, te stemmen en gekozen te worden via eerlijke, periodieke vrije verkiezingen met algemeen en gelijk stemrecht en bij geheime stemming, opdat de vrije uiting van de wil van het volk wordt gegarandeerd,
• een pluralistisch stelsel van politieke partijen en organisaties,
• eerbieding van de rechtsstaat,
• de scheiding van machten en onafhankelijke rechtspraak,
• transparantie en verantwoordingsplicht van de overheid,
• vrije, onafhankelijke en pluralistische media,
F. overwegende dat in de Millenniumverklaring wordt gesteld dat een op de wil van het volk steunend democratisch en participatief bestuur de beste waarborg vormt voor het recht van mannen en vrouwen om hun leven te leiden en hun kinderen op te voeden in waardigheid, zonder honger en zonder angst voor geweld, onderdrukking of onrecht,
G. overwegende dat van echte democratie slechts sprake is als mannen en vrouwen op voet van gelijkheid kunnen deelnemen aan het politieke leven en de besluitvorming,
H. overwegende dat democratie, ontwikkeling en eerbiediging van alle mensenrechten, met inbegrip van economische, sociale en culturele rechten, nauw met elkaar zijn verbonden en elkaar versterken,
I. overwegende dat democratie ook nauw samenhangt met veiligheid, zoals wordt erkend in de Europese Veiligheidsstrategie, waarin wordt verklaard dat de verspreiding van behoorlijk bestuur, steun voor sociale en politieke hervormingen, de aanpak van corruptie en machtsmisbruik, de vestiging van de rechtsstaat en de bescherming van de mensenrechten de beste manier vormen om de internationale orde te versterken,
J. overwegende dat de Europese Unie een breed scala aan instrumenten en middelen tot haar beschikking heeft, variërend van politieke dialoog en diplomatieke initiatieven tot specifieke instrumenten voor financiële en technische samenwerking, om de democratie wereldwijd te ondersteunen,
K. overwegende dat de externe financiële instrumenten van de Europese Unie, zoals het instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI), het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (ENPI) en het Stabiliteitsinstrument (IfS), alle belangrijke mogelijkheden bieden voor democratisch bestuur en de ondersteuning van institutionele uitbouw en capaciteitsopbouw,
L. overwegende dat het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR) een essentieel instrument is voor financiële bijstand op het gebied van mensenrechten en democratie, aangezien het de hele wereld bestrijkt, zonder de instemming van het gastland kan worden gebruikt en rechtstreeks steun biedt aan maatschappelijke organisaties; dat de door het EIHDR gefinancierde verkiezingswaarnemingsmissies van de EU een belangrijk deel uitmaken van de bijdrage die de Europese Unie levert aan de opbouw van democratische instellingen,
M. overwegende dat er behoefte is aan meer overzicht en een grondige analyse van de democratieondersteuning die EU momenteel biedt, van hoe het uitgebreide arsenaal aan middelen en instrumenten van de EU om de democratie wereldwijd te ondersteunen, in partnerlanden wordt ingezet en van hoe die verschillende instrumenten en actoren werken en met elkaar verbonden zijn,
N. overwegende dat in het verslag van het Europees Parlement van 2004 over de mededeling van de Commissie over bestuur en ontwikkeling het belang wordt benadrukt van “electorale en parlementaire hervormingen die verder gaan dan de invoering van verkiezingsstelsels met meer partijen, teneinde te zorgen voor meer en effectievere politieke activiteit onder de bevolking ”(7),
1. deelt de opvatting dat er een meer coherent en eenvormig kader nodig is om de steun van de EU voor democratieopbouw wereldwijd doeltreffender te maken;
2. is ingenomen met de inspanningen van het huidige EU-voorzitterschap en diens voorgangers voor een pijleroverschrijdend initiatief voor democratieopbouw in het externe optreden van de Unie, met als doel het beleid beter af te stemmen, het optreden te versterken en het werk beter te coördineren, en beklemtoont dat er continu in die richting moet worden gewerkt in het kader van de conclusies van de Raad die in november 2009 moeten worden vastgesteld;
3. beveelt aan dat in de conclusies van de Raad concrete en praktische voorstellen worden opgenomen voor verbetering van de coördinatie van de steun voor democratie in de instrumenten van de EU op het gebied van buitenlands, mensenrechten- en ontwikkelingsbeleid;
4. herhaalt dat democratisering en goed bestuur geen doelen op zich zijn, maar dat zij ook van vitaal belang zijn voor armoedevermindering, duurzame ontwikkeling, vrede en stabiliteit; dat democratie, zoals het interne integratieproces van de EU laat zien, niet alleen politieke en burgerrechten helpt realiseren, maar ook economische, culturele en sociale rechten, waaronder ook solidariteit;
5. is van oordeel dat het verankeren van democratie en democratische processen in derde landen de beste vooruitzichten oplevert voor de totstandbrenging van doeltreffend beleid in verband met wereldwijde vraagstukken, die ook voor de EU-burgers van belang zijn; meent dat democratische stelsels bijvoorbeeld beter kunnen optreden tegen grensoverschrijdende misdaad, illegale immigratie en mensenhandel en beter kunnen zorgen voor milieubescherming en duurzame en concurrerende energiebevoorrading;
6. beveelt aan dat de EU een gecoördineerde wereldwijde inzet ten behoeve van de democratie bevordert door publiekelijk de definitie van democratie van de Algemene Vergadering van de VN van 2005 te onderschrijven als het uitgangspunt voor haar eigen democratiseringswerk;
7. beklemtoont dat democratie niet kan worden geëxporteerd of van buitenaf kan worden opgelegd; onderstreept dat de EU nog steeds vasthoudt aan de beginselen inzake eigen inbreng van de partnerlanden in hun ontwikkelingsstrategieën en –programma’s; meent echter dat deze processen door alle verschillende EU-instrumenten kunnen worden gesteund, naar gelang van de specifieke situatie van elk land;
8. stelt voor dat de Raad en de Commissie een alomvattende en gedetailleerde analyse starten van alle democratieondersteunende acties van de EU in een aantal partnerlanden, zodat op basis daarvan praktische aanbevelingen kunnen worden opgesteld;
9. beveelt de Raad en de Commissie aan de Verklaring van Parijs en het Actieprogramma van Accra inzake de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp ten uitvoer te leggen bij hun acties ter ondersteuning van de democratie; stelt met name voor om op EU-niveau voor gezamenlijke democratiebeoordelingen en gezamenlijke programmering en lastenverdeling te zorgen, ten einde de impact en de zichtbaarheid van het democratieondersteunende optreden van de EU te vergroten;
10. stelt voor dat de Commissie stelselmatig een afdeling “stand van de democratie” opneemt in de landenstrategiedocumenten en dat zij waar mogelijk van de ondersteuning van de democratie een vast hoofdpunt maakt in de samenwerkingsprogramma’s met partnerlanden;
11. wijst op de noodzaak van betere coördinatie van de activiteiten die uit hoofde van de diverse externe financieringsinstrumenten worden uitgevoerd, ten einde optimaal gebruik te maken van de complementariteit tussen geografische en thematische instrumenten;
12. verzoekt de Raad en de Commissie met klem om, alvorens democratieopbouwinitiatieven te lanceren, een breed en alomvattend overleg te voeren met alle belanghebbende EU-landen en derde landen, met inbegrip van institutionele en regionale actoren;
13. moedigt de Commissie aan om de democratische instellingen, en met name de parlementen, stelselmatiger te betrekken bij de voorbereiding en uitvoering van specifiek voor een bepaald land bestemde instrumenten, zoals overeenkomsten tussen de EU en het betrokken land en landenstrategiedocumenten;
14. wijst erop dat de ondersteuning van de democratie door de EU alomvattend moet zijn en alle punten van de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 2005 moet bestrijken, en dat bij de verstrekking van die steun aan de lange termijn moet worden gedacht;
15. is ingenomen met de positieve bijdrage die de verkiezingswaarnemingsmissies van de EU hebben geleverd aan de versterking van de eerbiediging van de mensenrechten, de fundamentele vrijheden, goed bestuur en de rechtsstaat, en met name aan de verbetering van de verkiezingsprocessen overal ter wereld, maar wijst op de noodzaak van een coherent postelectoraal beleid waarin ontwikkelingssteun gekoppeld is aan democratische beginselen en waarden van democratisch bestuur;
16. wijst erop dat bij de inspanningen van de EU op het gebied van democratieopbouw stelselmatiger de nadruk moet liggen op de rol van gekozen vertegenwoordigers, politieke partijen en onafhankelijke media;
17. beveelt aan een specifieke strategie in te voeren voor de ondersteuning van nieuw- en democratisch gekozen parlementen, ten einde de democratie, de rechtsstaat en goed bestuur permanent te verankeren;
18. bevestigt zijn eigen vastberadenheid om bij te dragen aan de versterking van democratische processen door via zijn Bureau voor de Bevordering van Parlementaire Democratie (OPPD) een grotere rol te gaan spelen bij verkiezingswaarnemingen, de follow-up van verkiezingswaarnemingsmissies van de EU en parlementaire capaciteitsopbouw;
19. spoort de delegaties van de Commissie aan om samen te werken met het OPPD wanneer zij programma’s ter ondersteuning van de parlementaire democratie overwegen of in gang zetten;
20. beveelt aan een actieplan op te stellen als onderdeel van de conclusies van de Raad van november en voor eind 2010 een evaluatie van de geboekte vooruitgang te plannen;
21. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.