Procedure : 2010/2543(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0151/2010

Ingediende teksten :

B7-0151/2010

Debatten :

Stemmingen :

PV 10/03/2010 - 7.2

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0053

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 172kDOC 97k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0151/2010
3.3.2010
PE433.013v01-00
 
B7-0151/2010

naar aanleiding van vraag voor mondeling antwoord B7‑0000/2010

ingediend overeenkomstig artikel 115, lid 5, van het Reglement


over EU 2020 – Follow-up van de informele Europese Raad van 11 februari 2010


Martin Schulz, Stephen Hughes namens de S&D-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over EU 2020 – Follow-up van de informele Europese Raad van 11 februari 2010  
B7‑0151/2010

Het Europees Parlement,

- gezien de informele Europese Raad van 11 februari 2010,

 

- gezien de conclusies van het voorzitterschap na de bijeenkomsten van de Europese Raad in maart 2000, 2001, 2005, 2006, 2007 en december 2009,

 

- gezien de openbare raadpleging die de Commissie heeft gehouden over EU 2020 en de resultaten daarvan (SEC(2010)116),

 

- gezien de evaluatie van de Lissabon-strategie door de Commissie (SEC(2010)114),

 

- gelet op artikel 3 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 

- gelet op artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de wereldwijde financiële, economische en sociale crisis op dramatische wijze de kwetsbaarheid van onvoldoende gereguleerde markten heeft blootgelegd en de solidariteit en sociale rechtvaardigheid in onze maatschappijen en tussen de lidstaten onderling in gevaar heeft gebracht,

 

B.  overwegende dat de lidstaten geconfronteerd worden met steeds omvangrijker werkloosheid met meer dan 23 miljoen vrouwen en mannen die geen werk hebben, wat immense maatschappelijke en menselijke problemen veroorzaakt,

 

C.  overwegende dat de klimaatverandering de bestaande verspillende en niet-duurzame productie-, distributie- en consumptiepatronen ter discussie stelt, wat noopt tot een nieuw duurzaam ontwikkelingsmodel,

 

D.  overwegende dat de Lissabon-strategie ten doel had een uiterst concurrerende kenniseconomie tot stand te brengen, die duurzame groei, meer en betere banen, een grotere sociale cohesie en eerbiediging van het milieu zou moeten brengen,

 

E.  overwegende dat de Lissabon-strategie te lijden heeft gehad van het feit dat haar centrale doelstelling te ambitieus was en ook niet duidelijk omdat vele afzonderlijke doelen werden gebundeld tot een enkele zeer complexe doelstelling, die zowel scherpte miste als transparantie,

 

F.  overwegende dat de Lissabon-strategie vervangen moet worden door een nieuwe strategie 2020 met het oog op een krachtige, geïntegreerde en coherente ontwikkeling van de EU in de komende tien jaar die tot een volledig herstel van de economische crisis leidt en aan de wieg staat van een hernieuwd Europees economisch en sociaal model dat stoelt op duurzaamheid en solidariteit,

 

1. roept de Europese Raad op om de historische kans die de herziening van de bestaande Lissabon-strategie biedt, aan te grijpen om de ontwikkelingsagenda van de EU zodanig om te buigen dat de grenzen en de onvolkomenheden van het huidige financiële, economische en sociale model, die door de crisis op dramatische wijze aan het licht zijn gekomen, bij de wortel worden aangepakt; herinnert in dit verband aan de toezegging van de voorzitter van de Commissie, de heer Barroso, met een pakket maatregelen te zullen komen om Europa om te vormen en verlangt dat de nieuwe Commissie de Europese Raad en het Europees Parlement voorstellen op economisch, sociaal en milieugebied voorlegt die volledig stroken met deze uitgesproken wens;

 

2. is van mening dat het fragiele herstel dat zich aftekent ten volle in de nieuwe strategie 2020 tot uiting moet komen door het formuleren van een samenhangende en omvattende beleidsagenda die de macro-economische beleidsvoornemens op zodanige wijze in deze strategie integreert dat ervoor wordt gezorgd dat de noodzakelijke begrotingsconsolidatie de uitvoering van de strategie niet ondergraaft, vooral ten aanzien van de bestrijding van de werkloosheid en passende goed gecoördineerde investeringen in infrastructuur en kennis;

 

3. is van mening dat Europa’s strategie voor het komende decennium niet alleen gericht moet zijn op economische groeicijfers, maar ook op de vraag hoe groei kan bijdragen tot de opbouw van een betere, rechtvaardiger en duurzamer economie die allen laat delen in de welvaart en is afgeschermd tegen de hebzucht en excessen van de financiële sector;

 

4. meent dat de EU behoefte heeft aan een uniforme ontwikkelingsstrategie, die de hoofdkoers voor de lange termijn duidelijk aangeeft en één geheel maakt van de elkaar overlappende strategieën die Europa nu wordt verondersteld te volgen, met name de Lissabon-strategie, de strategie voor duurzame ontwikkeling en het Stabiliteits- en groeipact (SGP);

 

5. pleit voor een nieuwe ontwikkelingsstrategie die een duidelijk beeld geeft van de kerndoelstellingen en de middelen en belangrijkste maatregelen aangeeft die genomen moeten worden om het doel te bereiken; meent dat duurzaamheid, hoogwaardige volledige werkgelegenheid met fatsoenlijke arbeid en sociale insluiting voor mannen en vrouwen, bestrijding van armoede en ongelijkheid, een uiterst productieve kenniseconomie die is gegrondvest op educatie, vaardigheden en ontwikkeling in het beroep, sociale en territoriale cohesie en een rechtvaardige globalisering de kerndoelstellingen van de nieuwe strategie moeten zijn;

 

Herstel en omvorming

 

6. is van mening dat een strategie 2020 moet streven naar een volledig Europees herstel op zo kort mogelijke termijn, gevolgd door duurzame en gestadige groei op middellange en lange termijn ten einde de overgang van crisisbeheer naar duurzame economische groei op lange termijn te begeleiden;

 

7. is van mening dat de strategie allereerst moet zorgen voor een coherent en doeltreffend antwoord op de economische en sociale crisis, waarbij het herstelproces in de EU nieuwe doeleinden en een veel grotere Europese coherentie krijgt doordat alle Europese en nationale herstelinstrumenten met voldoende geldmiddelen worden uitgerust en worden gecoördineerd; herhaalt dat het kerndoel moet bestaan in het herstel van de werkgelegenheid, onder meer door voldoende te investeren in opleiding en onderwijs; benadrukt dat de noodzakelijke consolidering van de begrotingen van de afzonderlijke lidstaten onderling nauw gecoördineerd moet worden en zo wordt uitgevoerd dat dit leidt tot meer groei en nieuwe arbeidsplaatsen, zonder ten koste te gaan van de uitgaven van onze sociale systemen en openbare diensten;

 

8. herinnert eraan dat het besluit van de Raad tot herziening van het Stabiliteits- en groeipact in 2005 als een van zijn hoofddoelstellingen had om de lidstaten meer speelruimte te geven in tijden van economische neergang; is overeenkomstig dit besluit van mening dat de marges voor flexibiliteit van het herziene Stabiliteits- en groeipact volledig benut moeten worden om ervoor te zorgen dat de terugkeer naar gezonde overheidsfinanciën niet ten koste gaat van de sociale bescherming en de solidariteit, maar ook de groeivooruitzichten niet in gevaar brengt;

 

9. is bovendien van mening dat het onvermogen van enkele lidstaten in de eurozone om te voldoen aan de herziene Stabiliteits- en groeipact-criteria erop wijst dat de economische coördinatie in de EMU tekort is geschoten; is ervan overtuigd dat de eurozone de huidige crisis in de eerste plaats te boven moet komen door de economische coördinatie te versterken en een krachtig economisch bestuur in te stellen, ten einde een duurzaam, krachtiger en gecoördineerd Europees antwoord mogelijk te maken, de bestaande kloof in het concurrentievermogen van de diverse Europese economieën te verminderen en tot een stabiele en duurzame economische en sociale samenhang te komen;

 

10. is van mening dat het solidariteitsbeginsel dringend versterkt moet worden omdat het rechtstreeks samenhangt met het kerndoel van de eurozone, want het versterkt het vermogen van de eurozone om te reageren op asymmetrische schokken en aanvallen van speculanten;

 

11. beklemtoont dat de recente aanvallen van speculanten tegen Griekenland hebben geleid tot een extreme toename van het verschil in rente op staatsobligaties, zodat Griekenland niet meer tegen dezelfde rente kan lenen als andere landen van de eurozone; onderstreept dat deze aanvallen, die een beletsel kunnen vormen voor de inspanningen van Griekenland om de overheidsfinanciën te saneren en maatregelen te nemen om het extreme staatstekort te verminderen, in de eerste plaats gericht zijn tegen de euro zelf en de economische convergentie van de eurozone; betreurt het ontbreken van mechanismen om de stabiliteit van de euro te behoeden en is van mening dat dit de noodzaak om de financiële markten in Europa op gecoördineerde, efficiënte en doeltreffende wijze te reguleren en te controleren nog klemmender maakt;

 

12. onderstreept dat de problemen van de eurozone met oplossingen van de eurozone aangepakt moeten worden; dringt daarom aan op de vaststelling van een consistent kader dat ervoor zorgt dat de eurozone de interne middelen heeft om het gevaar van een staatsbankroet te vermijden door een combinatie van nationale fiscale discipline en financiële steuninstrumenten als laatste redmiddel;

 

13. is van mening dat de crisis de gelegenheid biedt om een krachtiger strategie voor duurzame groei op te bouwen die stoelt op sociale rechtvaardigheid en milieuefficiëntie, zorgt voor een rechtvaardiger verdeling van de welvaart en resulteert in een economisch doeltreffender en sociaal rechtvaardiger inkomensverdeling; waarschuwt er in dit verband tegen om vooral aan te dringen op loonmatiging, omdat deze ten koste zou gaan van een eerlijke verdeling van de lasten voor het herstel en een domper zou zetten op de groei van de inkomens van de huishoudens en dus op de particuliere bestedingen; wijst erop dat de crisis duidelijk heeft gemaakt dat het dereguleringsbeleid van de laatste jaren tekort is geschoten; benadrukt de noodzaak van een nieuwe strategie voor de interne markt die meer concrete resultaten voor de burgers oplevert, met name door een meer consumentgerichte aanpak van de regulering;

 

14. bepleit een regulerings- en toezichtkader voor financiële diensten, dat waakt voor nieuwe financiële debacles, speculatieve zeepbellen voorkomt en het oorspronkelijke doel van de financiële sector, namelijk om geldmiddelen te verstrekken aan de reële economie voor investeringen en het scheppen van arbeidsplaatsen, herstelt, met name door middel van een tweede actieplan voor financiële diensten;

 

Een ‘new deal’ voor duurzaamheid en solidariteit

 

15. is van mening dat de EU op de klimaatverandering en de economische crisis moet reageren door duurzame wijzen van productie, handel, vervoer, distributie en consumptie te ontwikkelen die de grondslag leggen voor een echt duurzame welvaart die stoelt op nieuwe groene arbeidsplaatsen, milieuvriendelijke economieën, gelijkheid en eerlijke handel;

 

16. herinnert aan de toezegging van de EU van december 2008 om de uitstoot van broeikasgassen in 2020 met 20% te verminderen, het energieverbruik afkomstig van hernieuwbare energiebronnen met 20% te verhogen en het energieverbruik met 20% te verlagen dankzij energie-efficiëntie; verzoekt de Commissie met klem duidelijk te maken hoe zij dit doel zal bereiken door een nieuwe generatie beleidsmaatregelen en wetten voor te stellen, die zorgen voor een ingrijpende verandering in de productie, distributie en consumptie in de richting van echte duurzaamheid, zonder dat de welvaart en arbeidsplaatsen in gevaar worden gebracht;

 

17. benadrukt dat dit nieuwe duurzame beleid gebaat is bij investeringen in passende infrastructuur, duurzame vervoeroplossingen en een steunbeleid voor KMO’s, al was het alleen maar omdat deze ondernemingen een wezenlijke rol spelen bij de bestrijding van de hoge werkloosheid;

 

18. wijst erop dat de EU door onze klimaat- en energiedoelstellingen voor 2020 te halen, nieuwe groene arbeidsplaatsen kan scheppen in sectoren als hernieuwbare energie, vervoer en energie-efficiëntie, mits voldoende financiële steun en prikkels worden gegeven voor het daarmee samenhangende onderzoek, innovatie, onderwijs en opleiding, zodat deze kans wordt aangegrepen en nieuwe bronnen voor het concurrentievermogen van de EU in de wereld worden aangeboord;

 

19. is van mening dat de overgang op een milieuvriendelijke economie gebaseerd moet zijn op een duurzaam industriebeleid dat innovatie bevordert om milieuvriendelijke productiewijzen en een passend EU-beleid te ontwikkelen, met name voor de herscholing van werknemers in groene banen en, indien nodig, tijdelijke compensatie voor het opgroenen van de Europese industrie in de context van de wereldmarkten;

 

20. is van mening dat de grote en nog toenemende werkloosheid, vooral onder jongeren en gehandicapten, alsook de toenemende ongelijkheid en wijdverbreide armoede alleen volledig aangepakt kunnen worden als de EU een nieuwe ambitieuze sociale agenda krijgt in het kader van een strategie 2020 die stoelt op hoogwaardige volledige werkgelegenheid, sociale insluiting en armoedebestrijding; wenst dat deze nieuwe sociale agenda in het kader van de strategie gestuurd wordt door een reeks ambitieuze doelstellingen voor het terugdringen van de armoede, ook onder kinderen en ouderen, de armoede onder werkende armen, voortijdige schoolverlaters en het aantal jongeren die noch werken noch schoolgaan of een opleiding volgen, en voor een bredere deelneming aan levenslang leren, zodat daadwerkelijk vooruitgang wordt geboekt op deze cruciale gebieden; dringt er in dit verband op aan om bij het vaststellen van communautaire en nationale streefcijfers op dit gebied gebruik te maken van het relatieve armoedepercentage;

 

21. herhaalt dat duurzame volledige en hoogwaardige werkgelegenheid in de strategie 2020 voorop moet staan; pleit daarom voor een strategie voor toetreding tot de arbeidsmarkt die is gebaseerd op insluiting, fatsoenlijke arbeid en concrete streefcijfers voor het scheppen van arbeidsplaatsen in combinatie met financiële prikkels voor lidstaten alsmede een nieuwe wetgevingsagenda ter versterking van de rechten en arbeidsomstandigheden van de werknemers, met inbegrip van een herziening van de richtlijn terbeschikkingstelling van werknemers en nieuwe of herziene richtlijnen inzake een minimuminkomen, arbeidstijden, onrechtmatig persoonlijk ontslag, voorlichting en overleg, erkenning van vakbonden, grensoverschrijdende collectieve arbeidsovereenkomsten, gelijke behandeling van atypische werknemers, gelijke beloning en arbeidsinspectie;

 

22. dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om de werkloosheid onder jongeren aan te pakken met structurele werkgelegenheidsmaatregelen, die elke jongere een opleiding of een kans op een baan garanderen en hem beschermen tegen onrechtmatige arbeidspraktijken door middel van een statuut voor stagiaires;

 

23. bepleit een wetgevingsagenda voor gendergelijkheid om de bestaande verschillen in beloning tussen mannen en vrouwen weg te werken, een volwaardige deelneming van vrouwen aan de arbeidsmarkt te verzekeren en tegelijk de carrièrekansen van vrouwen te verbeteren;

 

24. stelt nogmaals vast dat het onaanvaardbaar is dat mensen in armoede leven, vaak vrouwen en kinderen, maar ook mensen die werken of een pensioen genieten; pleit voor een ambitieuze langetermijnstrategie voor armoedebestrijding met deugdelijke kwantitatieve Europese en nationale streefcijfers, onder meer door er met een gecoördineerde strategie voor de huisvesting in Europa te voor te zorgen dat er in 2015 geen onbehuisden meer zijn;

 

25. herhaalt dat de gelijke toegang tot onderwijs, cultuur en vrije media, die niet alleen vanuit een economisch gezichtspunt bekeken moeten worden, in de strategie EU 2020 verbeterd moet worden en blijvend verzekerd moet zijn ongeacht de sociale herkomst en financiële omstandigheden van mensen; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom met klem een actief Europees beleid voor onderwijs en cultuur te voeren, kadervoorwaarden te scheppen om de diversiteit in cultuur en media te beschermen, los van enge economische en nationale bekommernissen, en beleidinstrumenten te ontwikkelen om talenten en vaardigheden te bevorderen, met inbegrip van programma’s voor levenslang leren;

 

26. herinnert eraan dat economische, sociale en territoriale cohesie een hoeksteen van het Europese project is, dat momenteel gevaar loopt als gevolg van de crisis; is van mening dat de strategie 2020 een historische kans biedt om de Europese samenhang te bewaren en te versterken, hoofdzakelijk door te zorgen voor een transparant, vereenvoudigd en intelligent cohesiebeleid, dat is gevrijwaard van elke poging tot renationalisering, voor een op lange termijn duurzaam financieel plan voor trans-Europese netwerken en voor een vrije en billijke toegang tot ITC en broadband, zodat de mensen en vooral jongeren de moderne communicatiemiddelen gemakkelijk en tegelijk kritisch weten te gebruiken;

 

27. pleit voor een wetgevingskader voor openbare diensten, die een kernstuk van het Europese model vormen, waarbij de nieuwe formulering van het Verdrag te zien is als een solide rechtsgrondslag voor een dergelijk kader;

 

28. is van mening dat de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in 2013 ertoe moet bijdragen dat de strategie EU 2020 een vanuit economisch en milieuoogpunt duurzaam landbouwbeleid oplevert, waarin de nadruk ligt op voedselveiligheid, groei en arbeidsplaatsen in plattelandsgebieden en dat bijdraagt aan de territoriale samenhang;

 

29. onderstreept het belang van de nieuwe rechtsgrond die het Verdrag van Lissabon heeft geschapen voor het territoriale cohesiebeleid in de EU, en bevordert de vorming van macro-regionale strategieën, zoals de Oostzeestrategie en de EU-Donaustrategie, als strategische werktuigen om vaart te zetten achter de economische, sociale en territoriale samenhang en de solidariteit tussen de lidstaten;

 

Terbeschikkingstelling van voldoende financieringsmiddelen

 

30. erkent dat een van de punten waarop de Lissabon-strategie tekort is geschoten was dat er onvoldoende middelen beschikbaar waren om de goede bedoelingen waar te maken; benadrukt dat de strategie 2020 alleen geloofwaardig kan zijn als zij over voldoende middelen beschikt; is dan ook van mening dat de communautaire begroting aangepast moet worden als bijdrage om de nieuwe strategie te verwezenlijken;

 

31. roept op tot een tussentijdse herziening van het bestaande meerjarig financieel kader 2007-2013, daar het huidige kader tekortkomingen vertoont (gebrekkige financiering van belangrijke EU-programma's als Galileo of het Europese economische herstelplan), onvoldoende ruimte biedt voor een adequate financiering van de nieuwe EU-bevoegdheden die voortvloeien uit het nieuwe Lissabonverdrag, en voorbij gaat aan dringende politieke prioriteiten als energie en klimaatverandering;

 

32. is van mening dat in de EU-begroting na 2013 de nadruk moet liggen op belangrijke politieke prioriteiten van de nieuwe strategie 2020, met als doel verhoging van het niveau van de EU-uitgaven tot het overeengekomen plafond van 1,24% van het bruto nationaal inkomen en de invoering van een nieuw stelsel van middelen;

 

33. pleit voor een investeringsstrategie op lange termijn die is gebaseerd op meer coördinatie tussen de Europese en de nationale begrotingsinspanningen, een grotere rol voor de Europese Investeringsbank en de Europese Bank voor wederopbouw en ontwikkeling ter bevordering van investeringen in infrastructuur, groene technologieën, innovatie en KMO’s, op voorwaarde dat het beleid van de EIB en de EBRD aansluit bij het EU-beleid en zij over hun acties op democratische wijze rekenschap afleggen tegenover het Europees Parlement; pleit tevens voor een passend Europees kader voor publiek-private partnerschappen en een intelligente uitvoering van het Stabiliteits- en groeipact die investeringen aanmoedigt;

 

34. wijst erop dat nieuwe EU-financieringsinstrumenten nodig zijn, zoals Eurobonds, alsook een nieuw systeem voor de financiering van de begroting van de Unie, onder meer een heffing op financiële transacties en groene belastingen ten einde de doelstellingen voor 2020 te halen;

 

Een nieuwe governance voor meer transparantie, democratie en doelmatigheid

 

35. erkent dat de Lissabon-strategie hinder heeft ondervonden van de geringe democratische en politieke betrokkenheid op nationaal en regionaal niveau; is daarom van mening dat er een nieuw governancesysteem nodig is, dat is gebaseerd op de nieuwe bepalingen van het Verdrag van Lissabon;

 

36. onderstreept in dit verband de noodzaak van een betere coördinatie en samenwerking tussen de verschillende politieke instellingen die betrokken zijn bij de goede uitvoering van de strategie 2020, waarbij de toekomstige uitvoering en herziening van de nieuwe strategie worden gekoppeld aan het mandaat van de Commissie en het Europees Parlement in de toekomst, zodat de (her)formulering van de strategie in de loop van de jaren gelijk oploopt met de Europese politieke kalender;

 

37. verzoekt de Raad en de Commissie met klem te erkennen dat het Europees Parlement een sleutelrol heeft bij de uitvoering van de strategie 2020, wat neergelegd moet worden in een interinstitutionele overeenkomst die een democratische en doeltreffende lijn uitzet en formeel vormgeeft, waarbij de Raad zich ertoe moet verplichten om de komende jaren niet in te stemmen met veranderingen in de strategie zonder formele raadpleging van het Parlement;

 

38. is van mening dat de Commissie een grotere rol bij de tenuitvoerlegging van de strategie moet krijgen, in samenhang met de krachtiger uitvoerende taken die de diverse Raadsformaties op zich moeten nemen;

 

39. wijst met klem op de noodzaak van een actiever toezicht van de nationale parlementen op de vaststelling en uitvoering van de strategie alsook de verwezenlijking ervan op het nationale vlak, in combinatie met een grotere betrokkenheid van de regionale en plaatselijke regeringen, de sociale partners en andere maatschappelijke actoren;

 

40. wenst dat meer gebruik wordt gemaakt van wettelijk bindende maatregelen zoals verordeningen en richtlijnen alsook mogelijke sancties en prikkels voor lidstaten als onvoldoende voortgang wordt gemaakt bij de tenuitvoerlegging van de nieuwe strategie;

 

41. roept de Commissie in dit verband op om de Raad en het Europees Parlement in de aanloop naar de Europese Raad van juni 2010 een volledige lijst voor te leggen van de richtlijnen en verordeningen die strekken ter verwezenlijking van de doeleinden die voor de nieuwe strategie vastgesteld moeten worden op de komende voorjaarstop in maart,

 

42. wijst op de noodzaak om een nieuwe set van indicatoren vast te stellen die welvaart en welzijn meten binnen een nieuw horizontaal begrip “leefkwaliteit” op verscheidene beleidsterreinen zoals milieu, maatschappij, onderwijs, volksgezondheid en kwaliteit van de arbeid in de EU en de lidstaten; verzoekt de Commissie een nieuw scorebord van meetbare indicatoren voor het begrip “leefkwaliteit” voor de burgers te ontwikkelen;

 

Vorm geven aan de globalisering

 

43. beklemtoont dat de EU de in de strategie 2020 vast te leggen doelstellingen niet kan verwezenlijken zonder een breder en meer omvattend buitenlands beleid, dat ook het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid en het beleid op de gebieden handel, ontwikkeling en samenwerking omvat, met als doel dat de globalisering niet zoals nu de sociale en milieunormen onder druk zet, maar tot een wereldwijd instrument ter bevordering daarvan wordt; wijst op de nieuwe bepalingen van het Verdrag van Lissabon betreffende de coördinatie van het extern beleid van de EU, die zullen bijdragen tot deze nieuwe omvattende strategie en aangewend moeten worden als middel om de coherentie van het ontwikkelingsbeleid te bevorderen;

 

44. pleit voor een grondige herziening van de strategie Europa als wereldspeler ten einde de wereldhandel aan te wenden voor het scheppen van arbeidsplaatsen, het uitroeien van de armoede en duurzame ontwikkeling wereldwijd, waarbij de voorkeur wordt gegeven aan multilateralisme in plaats van de huidige praktijk van talloze bilaterale handelsovereenkomsten, en handelsdoeleinden worden gekoppeld aan vooruitgang op sociaal en milieugebied en de bevordering van de mensenrechten;

 

45. onderstreept het belang van een gemeenschappelijke Europese strategie in alle internationale instellingen en gremia om te komen tot betere regels die fair trade, fatsoenlijke arbeid en gereguleerde financiële markten bevorderen; wijst erop dat dit ook moet betekenen dat de EU het voortouw neemt bij de WTO-onderhandelingen ten einde de Doha-ontwikkelingsronde zo snel mogelijk tot een goed einde te brengen;

 

46. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

 

Laatst bijgewerkt op: 13 mei 2010Juridische mededeling