Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0165/2010

Ingediende teksten :

B7-0165/2010

Debatten :

Stemmingen :

PV 10/03/2010 - 7.2

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 156kDOC 79k
4.3.2010
PE433.027v01-00
 
B7-0165/2010

naar aanleiding van vraag voor mondeling antwoord B7‑0000/2010

ingediend overeenkomstig artikel 115, lid 5, van het Reglement


over EU 2020 – follow-up van de informele bijeenkomst van de Europese Raad van 11 februari 2010


Ilda Figueiredo, Patrick Le Hyaric, Kyriacos Triantaphyllides, Nikolaos Chountis namens de GUE/NGL-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over EU 2020 – follow-up van de informele bijeenkomst van de Europese Raad van 11 februari 2010  
B7‑0165/2010

Het Europees Parlement,

–   gezien het werkdocument van de Commissie van 24 november 2009 getiteld "Raadpleging over de toekomstige "EU 2020"-strategie (COM(2009)0647),

-    gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 2 februari 2010 getiteld "Evaluatie van de strategie van Lissabon" (SEC(2010)0114),

-    gezien de verklaring van de staatshoofden en regeringsleiders van de Europese Unie inzake Griekenland van 11 februari 2010,

–   gelet op de vraag van 23 februari 2010 aan de Commissie over landbouw en de toekomstige "EU 2020"-strategie (O-0023/2010 – B7‑0000/2010),

–   gelet op artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

I.   Over de evaluatie van de strategie van Lissabon (2000-2010) en de raadpleging over de toekomstige "EU 2020"-strategie

1.  neemt kennis van het evaluatiedocument van de Commissie over de strategie van Lissabon (2000-2010), maar betreurt dat er hierover geen diepgaand openbaar debat is gevoerd en dat er geen conclusies zijn van de Raad over de beoordeling van de strategie van Lissabon,

2.  is van mening dat een brede openbare raadpleging en een grondige evaluatie van de resultaten van de strategie van Lissabon nochtans noodzakelijk zijn om conclusies te trekken voor een nieuwe EU 2020-strategie die een redelijke weerspiegeling vormen van de mislukkingen en resultaten van de benaderingen waarvoor in het jongste decennium is geopteerd, met het oog op het formuleren van benaderingen voor het komende decennium;

3.  betreurt dat de openbare raadpleging over de mededeling van de Commissie over de toekomstige EU 2020-strategie al op 15 januari 2010 is beëindigd, wat geleid heeft tot klachten van actoren van de civil society, die van mening zijn dat er niet voldoende tijd is geweest om de complexe vraagstukken naar behoren te behandelen;

4.  beklemtoont dat sociale en milieu-NGO's en vakbonden hebben verklaard dat hun standpunten en bijdragen aan de openbare raadpleging onvoldoende aan bod zijn gekomen in het eerste door de Commissie verschafte overzicht van de antwoorden op de raadpleging;

5.  wijst erop dat de informele bijeenkomst van de Europese Raad van 11 februari 2010 oorspronkelijk bedoeld was om een breed debat te voeren over een "visie" voor de EU tot 2020, inclusief wat betreft de economische strategie en de klimaatverandering, maar dat zij uiteindelijk nauwelijks toegekomen is aan de follow-up van de mondiale klimaatconferentie die in december 2009 in Kopenhagen plaatsgevonden heeft, terwijl dit nochtans een sleutelkwestie is voor de ontwikkeling van de EU, en in de plaats daarvan vooral aandacht besteed heeft aan de procedure tegen Griekenland wegens zijn begrotingstekort;

6.  is van oordeel dat een andere, bredere en omvattender openbare raadpleging over het nieuwe in maart 2010 ingediende voorstel van de Commissie over de EU 2020-strategie noodzakelijk is, teneinde de actieve deelneming van de civil society aan de uitwerking van de nieuwe agenda te verbeteren;

II. Over de "exitstrategie" van de EU en de gevolgen ervan, niet alleen voor Griekenland

7.  waarschuwt voor misbruik van "exitstrategieën" om de agenda van structurele deregulering van arbeidsmarkten en sociale voorzieningen te vernieuwen; wijst erop dat maatregelen om sociale voorzieningen, lonen, werkloosheidsuitkeringen, pensioenen, overheidsdiensten en het beschermen van banen te beknotten, alsook maatregelen om de pensioenleeftijd, de socialezekerheidsbijdragen van werknemers en de BTW te verhogen, de openbare investeringen en de interne vraag ondermijnen en de recessie dan ook zullen verlengen; kritiseert scherp het feit dat dit neoliberale beleid thans opnieuw wordt toegepast in talrijke EU-lidstaten, in het kader van de exitstrategie van de EU, en met name wordt opgelegd aan Hongarije, Letland en Roemenië, als een onderdeel van gezamenlijke EU-IMF reddingspakketten, met desastreuze economische en sociale gevolgen;

8.  vreest dat de economieën van de EU de nadelige gevolgen van de mondiale economische crisis zullen blijven ondervinden en wijst erop dat sommige lidstaten, zoals Griekenland, bijzonder zwaar getroffen worden en lijden onder een hoge schuldenlast, een hoog werkloosheidspercentage en een achteruitgang van de levensstandaard;

9.  kritiseert het feit dat de EU het accent legt op de deficitcriteria en in het Verdrag van Maastricht vastgestelde en door het Verdrag van Lissabon bevestigde maatregelen, wat ertoe leidt dat de Griekse economie aan het wegzinken is in een diepe recessie en uiterst negatieve gevolgen heeft niet alleen voor het Griekse volk, maar ook voor de andere Europese economieën; onderstreept dat de spoed die geëist wordt voor het terugdringen van het overheidstekort in Griekenland onverantwoord is en de crisis alleen maar zal verdiepen;

10. is van oordeel dat het recente besluit van de Europese Raad (11 februari 2010) op grond van artikel 126, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie impliceert dat dit de laatste stap is alvorens wordt besloten tot sancties tegen Griekenland, wat een nooit geziene maatregel zou zijn; wijst erop dat de opgelegde supervisie van de Commissie, de ECB en het IMF over de Griekse economie en het door de ECOFIN-Raad bepleite soberheidsbeleid de Griekse economie naar een diepe recessie leidt;

11. onderstreept dat het niveau van de Griekse staatschuld weliswaar hoog is (12,7% voor 2009), maar dat dit ook geldt voor andere landen, zoals het Verenigd Koninkrijk (12%), Ierland (14,7%) en Spanje (10%); beklemtoont dat nagenoeg alle landen van de eurozone de door het Stabiliteits- en groeipact (SGP) opgelegde criteria hebben overschreden, wat tot de voor de hand liggende conclusie leidt dat het SGP ineffectief is geweest; beklemtoont het feit dat de enorme financiële steun om de banken te redden, de programma's voor economisch herstel en de dalende belastinginkomsten overal diepe deuken hebben geslagen in de begrotingen;

12. keurt de opneming van het IMF in de economische realiteit van de eurozone af en onderstreept dat deze actie leidt tot een striktere tenuitvoerlegging van het SGP en een negatief institutioneel precedent schept;

13. uit zijn bezorgdheid over de speculatieve aanvallen op Griekse overheidsobligaties door investeringsbanken (Goldman Sachs, JP Morgan, enz.), hedgefondsen en kredietbeoordelingsbureaus; wenst een gemeenschappelijk en gecoördineerd antwoord van de hele EU en alle lidstaten op die aanvallen; onderstreept in dit verband de noodzaak hedgefondsen en private equity binnen de EU streng te controleren en zogeheten "over-the-counter businesses" te verbieden;

14. is ten zeerste bezorgd over de nooit geziene campagne tegen Griekenland en het Griekse volk, waarbij de moeilijke situatie waarin dit land zich bevindt wordt gebruikt om oude vooroordelen weer aan te wakkeren; vindt het tevens bedenkelijk dat Griekenland door de media en de politiek wordt aangevallen, aangezien dit land samen met Portugal, Italië, Ierland en Spanje veroordeeld wordt als zijnde een van de "PIIGS"; beklemtoont dat deze campagne in strijd is met de grondbeginselen van de Europese solidariteit;

15. kritiseert het feit dat de ingewikkelde situatie in Griekenland wordt uitgebuit door de financiële markten, de Commissie en neoliberale EU-regeringen, om aan te dringen op besnoeiingen in de sociale voorzieningen; is van oordeel dat deze aanvallen in het algemeen tot doel hebben de Griekse arbeidersbeweging aanzienlijk te verzwakken, teneinde gemakkelijker loonbeperkingen te kunnen opleggen en de pensioenleeftijd te kunnen verhogen;

16. onderstreept de noodzaak een oplossing te vinden voor de enorme onevenwichtigheden binnen de EU op macroniveau; beklemtoont dat sommige EU-lidstaten met aanzienlijke overschotten, zoals Duitsland, hun binnenlandse vraag moeten stimuleren, terwijl de bedrijven in die landen hun agressieve exportstrategieën moeten opgeven; herhaalt dat de Top van de G-20 in Pittsburgh al heeft voorzien in de verplichting voor landen met een overschot de onevenwichtigheden zoveel mogelijk te verkleinen door hun binnenlandse vraag te stimuleren;

III. Over de economische en sociale situatie van de EU en de vereisten voor een nieuwe EU-strategie tot en met 2020

17. beklemtoont dat de huidige economische en sociale crisis tevens het resultaat is van het neoliberale beleid van de Europese Unie, dat is verankerd in het Verdrag van Lissabon en de oude "strategie van Lissabon", van het bevorderen van gedereguleerde financiële markten, van de geliberaliseerde markten in producten en diensten en de toenemende financialisering van de economie, van de beperking van de overheidsinvesteringen, van toenemende uitbuiting door massale loondruk en deregulering van de arbeidsverhoudingen, en van het stimuleren van de liberalisering en de privatisering van overheidsdiensten;

18. wijst erop dat dit beleid de opeenhoping van kolossale winsten door de grote economische en financiële groepen en de vorming van grote oligopoliën tijdens boomperiodes bevorderd heeft, en dat deze winsten niet werden geherinvesteerd in de "reële economie", maar daarentegen de speculatie op de geliberaliseerde financiële markten nog hebben vergroot totdat de speculatieve bellen zijn uiteengespat; vindt dan ook dat een diep geworteld probleem van verdelende rechtvaardigheid de kern vormt van de huidige economische crisis;

19. is van oordeel dat het accent dat in de strategie van Lissabon wordt gelegd op "concurrentievermogen" en "kostenverlaging" eveneens de grote economische onevenwichtigheden heeft verergerd, zowel binnen de eurozone (landen met grote exportoverschotten versus landen met een grote tekorten op de lopende rekening) als in de EU in het algemeen, wat de economische, sociale en territoriale samenhang van de EU heeft ondermijnd;

20. wijst erop dat de optimistische verwachtingen van de Commissie wat betreft een zelfvoorzienend herstel vanaf het vierde kwartaal van 2009, dat in 2010 nog een nieuwe impuls zou krijgen, tot nu toe niet zijn uitgekomen; onderstreept dan ook dat verdere fiscale stimuleringsmaatregelen noodzakelijk zijn om de tendens naar stagnatie en zelfs deflatie binnen de EU tegen te gaan, aangezien de schuldenlast van de particuliere sector (huishoudens en bedrijven) nog steeds zeer groot is, zodat die sector wat investeringen betreft niet het voortouw kan nemen; acht het tevens noodzakelijk dat wordt voorzien in budgettaire steunmaatregelen ten behoeve van landen die in een bijzonder moeilijke situatie verkeren, met name via de vervroegde terbeschikkingstelling van communautaire middelen, zonder dat van die landen een tegenprestatie wordt geëist;

21. heeft scherpe kritiek op het feit dat er op Europees niveau geen echte coördinatie plaatsvindt van de verschillende nationale herstelplannen, maar dat de lidstaten een concurrentiebeleid voeren waarbij "de een zijn dood de ander zijn brood" is; verzoekt de Commissie en Raad een extra "Europees Investeringsprogramma voor duurzame ontwikkeling, werkgelegenheid en sociale integratie" op te zetten voor ten minste 1% van het BBP van de EU, als een noodmaatregel waarbij gebruik wordt gemaakt van instrumenten op Europees niveau (EIB, EBWO, EU-begroting, ...), een programma dat dient te worden aangevuld met soortgelijke programma's voor overheidsinvesteringen van de lidstaten, teneinde de economie te stabiliseren, de klimaatverandering tegen te gaan en volledige werkgelegenheid met hoogwaardige banen en sociale rechten te bevorderen;

22. is van oordeel dat een nieuwe strategie noodzakelijk is ter bevordering van een in economisch, sociaal en milieuopzicht gezond beleid van duurzame ontwikkeling voor de hele Europese Unie en van de bijdrage van de Unie aan het oplossen van de mondiale problemen: een geïntegreerde EU-strategie voor sociale gerechtigheid, duurzaamheid en solidariteit gebaseerd op een economische, een sociale en een milieupijler die elkaar ondersteunen, een strategie die moet worden gestuurd door een democratisch en participerend proces van sociaaleconomische governance;

23. is van oordeel dat de kern van de nieuwe strategie een alternatief programma moet zijn dat de economische herstelprogramma's van de lidstaten herziet en versterkt en ze coördineert met een systemisch Europees herstelinitiatief voor rechtvaardigheid, volledige werkgelegenheid met "goed werk", het groener maken van de economie, maatschappelijk welzijn, het uitbannen van armoede en sociale uitsluiting, en de totstandbrenging van grotere sociale en territoriale samenhang over de hele EU, een programma dat in al haar componenten ook gendergelijkheid moet integreren;

24. beklemtoont dat de nieuwe geïntegreerde strategie niet alleen een interne dimensie (EU en lidstaten) nodig zal hebben, maar ook een externe dimensie (extern beleid, handel, nabuurschapsbeleid), gestroomlijnd uitgaande van dezelfde doelstellingen als de interne dimensie, en dat de neoliberale agenda voor een "Europa als wereldspeler" moet worden opgegeven;

25. onderstreept dat voor de diverse componenten van de nieuwe strategie ambitieuze doelstellingen, benchmarks en indicatoren moeten worden vastgesteld, waarbij indicatoren noodzakelijk zullen zijn die verder gaan dan het BBP, inclusief meervoudige indicatoren inzake welzijn, het uitbannen van armoede en sociale uitsluiting, gendergelijkheid, rechtvaardigheid en gelijkheid voor allen (ook tussen regio's en wat betreft het overwinnen van de ongelijkheden op grond van inkomen en rijkdom), energie, gebruik van natuurlijke hulpbronnen en de druk op ecosystemen; daarbij zal tot het uiterste gebruik moeten worden gemaakt van de wetgevingsmogelijkheden van de EU, en zullen haar instrumenten (financieel reglement, structuurfondsen, enz.) moeten worden herzien en geheroriënteerd, in plaats van zich alleen maar te verlaten op procedures op vrijwillige basis zoals de open coördinatiemethode;

26. beklemtoont dat deze nieuwe strategie voor de EU een macro-economisch kader vergt ter bevordering van duurzame ontwikkeling en een milieuvriendelijke interne vraag op basis van progressieve lonen, volledige werkgelegenheid met de nodige rechten, en sociale en economische samenhang; wenst in die context dat een monetair en fiscaal beleid ter bevordering van groei en werkgelegenheid wordt gevoerd dat leidt tot een gecombineerd, flexibel en gecoördineerd expansionistisch belastingbeleid van de EU en haar lidstaten, op basis van:

     (i)  een versoepeling van het monetaire beleid van de ECB en een institutionele hervorming ervan, op basis van democratische verantwoordingsplicht, politieke controle en aandacht voor economische en sociale kwesties, waarbij specifieke groei- en werkgelegenheidsdoelstellingen moeten worden gedefinieerd parallel aan de wijziging van haar overkoepelende doelstelling van prijsstabiliteit,

     (ii) de intrekking van het Stabiliteits- en groeipact en de gelijktijdige invoering van een Werkgelegenheids- en groeipact dat overheidsinvesteringen bevordert, de interne vraag stimuleert, micro- en kleine en middelgrote bedrijven steunt en specifieke economische, sociale en milieucriteria vaststelt die aansluiten bij de specifieke behoeften van elke lidstaat en met name ten doel hebben de werkloosheid en de armoede terug te dringen,

     (iii) de instelling van een monetair compensatiefonds voor de eurozone, teneinde te kunnen reageren op asymmetrische economische schokken;

27. vraagt een nieuwe agenda voor het sociale beleid met de volgende doelstellingen:

     (i)  ontwikkeling van een inclusieve en samenhangende samenleving, uitgaande van maatregelen ter bevordering van stabiele werkgelegenheid en eerbiediging van de rechten van de werknemers,

     (ii) bevordering van een samenleving die gebaseerd is op gendergelijkheid en bestrijding van alle vormen van discriminatie,

     (iii)  verdeling van de rijkdom op zodanige wijze dat eenieders welzijn er groter door wordt, wat betekent dat moet worden voorzien in openbare en universele socialezekerheidsstelsels en gegarandeerde universele toegang tot overheidsdiensten van hoge kwaliteit, inclusief gezondheidszorg, onderwijs en huisvesting,

     (iv)  een sociaal beleid dat rekening houdt met alle groepen,

     (v) een participerende democratie als een component van de diverse sociale en werkgelegenheidsmaatregelen;

28. vraagt een nieuwe agenda voor het milieubeleid met de volgende doelstellingen:

     (i)  loskoppeling van de economische groei van de parallelle toename van het verbruik van energie, natuurlijke hulpbronnen en grondstoffen, waarbij dit laatste moet worden beperkt,

     (ii) ondersteuning van de regelgevingskaders en de controlesystemen van de lidstaten die milieueffecten van economische activiteiten, met name vervuiling en broeikasgasemissies, voorkomen,

     (iii)  ondersteuning van investeringen ter bevordering van afvalvermindering, hergebruik en recycling van materialen, alsook de vermindering en de verwerking van gevaarlijk industrieel en giftig afval,

     (iv) bevordering van schoner en veiliger vervoersystemen, met investeringen in openbaar vervoer van hoge kwaliteit,

     (v) investeringen in ecotechnologieën, eco-innovatie en eco-efficiëntie;

29. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

Laatst bijgewerkt op: 13 mei 2010Juridische mededeling