Procedure : 2010/2593(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0241/2010

Ingediende teksten :

B7-0241/2010

Debatten :

OJ 21/04/2010 - 102

Stemmingen :

PV 05/05/2010 - 13.55

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0145

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 127kDOC 72k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0238/2010
19.4.2010
PE439.762v01-00
 
B7-0241/2010

naar aanleiding van vraag voor mondeling antwoord B7‑0206/2010

ingediend overeenkomstig artikel 115, lid 5, van het Reglement


over een algeheel verbod op het gebruik van cyanide in de mijnbouw in de EU


Kartika Tamara Liotard, Sabine Wils, João Ferreira, Jiří Maštálka namens de GUE/NGL-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over een algeheel verbod op het gebruik van cyanide in de mijnbouw in de EU   
B7‑0241/2010

Het Europees Parlement,

–   gelet op artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien het voorzorgbeginsel zoals vastgelegd in de Verklaring van Rio inzake milieu en ontwikkeling, alsmede in het Verdrag inzake biologische diversiteit, ondertekend in juni 1992 te Rio de Janeiro,

–   gezien de milieudoelstellingen van de Kaderrichtlijn water 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000,

–   gelet op Richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën, waarin het gebruik van cyanide in de mijnbouw wordt toegestaan en maximaal toegestane cyanideniveaus worden vastgesteld,

–   gelet op Richtlijn 2003/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2003 tot wijziging van Richtlijn 96/82/EG van de Raad (Seveso II) betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, waarin wordt gesteld dat “bepaalde opslag- en verwerkingsactiviteiten in de mijnbouw […] zeer ernstige gevolgen kunnen hebben”,

–   gelet op Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid, waarin wordt bepaald dat lidstaten kunnen besluiten de kosten van milieuschade niet op de producent te verhalen indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan,

–   gezien het programma van de Spaanse, Belgische en Hongaarse voorzitterschappen, met een duur van 18 maanden, waarin een aantal prioriteiten op het gebied van waterbeleid en biodiversiteit zijn vastgesteld,

–   gezien het rapport van de beoordelingsmissie van UNEP/OCHA van maart 2000 over het weglekken van cyanide in Baia Mare (Roemenië) en het rapport van de International Task Force for Assessing the Baia Mare Accident van december 2000,

–   gezien de maatregelen die de Tsjechische Republiek heeft genomen inzake een algemeen verbod op het gebruik van cyanide in de vorm van de wijziging van de wet op de mijnbouw nr. 44/1988 in 2000, de wijziging van de Hongaarse wet op de mijnbouw nr. 48/1993 in 2009, waarbij een verbod op het gebruik van cyanide in de mijnbouw op Hongaars grondgebied werd vastgelegd, alsmede het Duitse decreet van 2002 waarmee cyanide als loogmiddel in de mijnbouw werd verboden,  

–   gezien de mondelinge vraag van 17 maart 2010 aan de Commissie over een verbod op het gebruik van cyanide bij mijnbouwtechnologieën in de Europese Unie (O-0035 – B7-0206/2010),

–   gelet op artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de Verenigde Naties 2010 hebben uitgeroepen tot Internationaal Jaar van de Biodiversiteit, en dat de wereld in dat kader wordt opgeroepen in 2010 maatregelen te treffen om de diversiteit van het leven op aarde te behouden,

B.  overwegende dat cyanide een uiterst giftige chemische stof is die wordt gebruik in de mijnbouwsector, is opgenomen op de lijst van de belangrijkste verontreinigende stoffen in bijlage VIII bij de Kaderrichtlijn water, en rampzalige en onomkeerbare gevolgen kan hebben voor de menselijke gezondheid en het milieu, en daarmee voor de biodiversiteit,

C. overwegende dat in het gezamenlijke standpunt van de ministers van Milieu van de Tsjechische Republiek, Hongarije, Polen en Slowakije inzake duurzame mijnbouw, gepresenteerd op de 14de bijeenkomst van de ministers van Milieu van de Visegradlanden op 25 mei 2007 te Praag, de ministers hun bezorgdheid uitspraken over de gevaarlijke technologieën die reeds werden ingezet en volgens de planning in de toekomst zouden worden ingezet bij mijnbouwactiviteiten op verschillende locaties in de regio, met als gevolg ernstige milieurisico’s met mogelijkerwijs grensoverschrijdende effecten,

D. overwegende dat in het kader van het Verdrag van Sofia voor samenwerking bij de bescherming en een duurzaam gebruik van de Donau, de partijen overeen zijn gekomen dat naast de prioritaire gevaarlijke stoffen genoemd in de Kaderrichtlijn water cyanide gekwalificeerd moet worden als relevante gevaarlijke stof,

E.  overwegende dat 10 jaar geleden meer dan 100 000 m3 met cyanide besmet water wegstroomde uit een reservoir bij de goudmijn van Baia Mare (Roemenië) en terechtkwam in het Somes-Tisza-Donau rivierenstelsel, wat leidde tot een van de grootste milieurampen ooit in Midden-Europa; overwegende dat het gif vele organismen doodde, en nog jaren daarna schade met zich meebracht aan het ecosysteem, de voedselketen en het gebruik van de rivier voor menselijke activiteiten van wezenlijk belang; overwegende dat werd vastgesteld dat in de ergst besmette delen van de Tisza 100% van het plankton, 82% van de vissen en 50-60% van de ongewervelde waterdieren was doodgegaan;

F.  overwegende dat zich de afgelopen 25 jaar wereldwijd meer dan 30 grote ongelukken met het weglekken van cyanide hebben voorgedaan en dat niet 100% gegarandeerd kan worden dat dergelijke ongelukken niet meer zullen gebeuren, vooral gezien de steeds vaker voorkomende extreme weersverschijnselen, waaronder zware en frequente regenval, zoals voorspeld in het vierde evaluatierapport van het Intergouvernementele Panel over klimaatverandering,

G. overwegende dat in verschillende lidstaten van de EU nog altijd nieuwe projecten op stapel staan voor grootschalige dagbouwgoudmijnen met gebruik van technologieën op basis van cyanide in dichtbevolkte gebieden, hetgeen nog meer risico’s met zich meebrengt voor de menselijke gezondheid en het milieu,

H. overwegende dat de lidstaten op grond van de Kaderrichtlijn water verplicht zijn een “goede toestand” van waterbronnen te bereiken en te handhaven, en vervuiling van waterbronnen met gevaarlijke stoffen te voorkomen; overwegende dat de waterkwaliteit echter ook kan afhangen van de waterkwaliteit in het relevante rivierbekken in buurlanden die het gebruik van cyanide in de mijnbouw toelaten,

I.   overwegende dat de grensoverschrijdende gevolgen van ongelukken met cyanide, met name in het geval van besmetting van grote rivierbekkens en grondwaterbronnen, duidelijk aantonen dat een Europese aanpak van de ernstige milieurisico's die cyanide in de mijnbouw met zich meebrengt onontbeerlijk is,

J.   overwegende dat het nog altijd ontbreekt aan prudentiële voorschriften en afdoende financiële garanties, en dat de tenuitvoerlegging van de bestaande wetgeving betreffende cyanide in de mijnbouw tevens afhangt van de kundigheid van de uitvoerende instanties in elke lidstaat, om welke reden het slechts een kwestie van tijd en menselijke nalatigheid is voordat zich weer een ongeluk voordoet,

K. overwegende dat de Richtlijn mijnbouwafval in sommige lidstaten nog niet volledig wordt toegepast,

L.  overwegende dat mijnbouw met cyanide weinig banen oplevert en slechts voor een periode van acht tot zestien jaar, maar wel het risico met zich meebrengt van enorme grensoverschrijdende milieuschade die gewoonlijk niet wordt vergoed door de aansprakelijke exploiterende bedrijven, die meestal verdwijnen of failliet gaan, maar door de staat, d.w.z. de belastingbetalers,

M. overwegende dat de exploiterende bedrijven geen langlopende verzekeringen hebben die de kosten kunnen dekken van ongelukken of bedrijfsstoringen in de toekomst,

N. overwegende dat één ton arm erts moet worden gewonnen om twee gram goud te produceren, met als gevolg een enorme hoeveelheid mijnafval op de sites, terwijl 25-50% van het goud uiteindelijk in de afvalberg achterblijft; overwegende dat grootschalige mijnbouwprojecten met cyanide bovendien per jaar ettelijke miljoenen kilo natriumcyanide gebruiken, waarvan het vervoer en de opslag op zichzelf reeds rampzalige gevolgen met zich mee kunnen brengen wanneer zich een bedrijfsstoring voordoet,

O. overwegende dat er alternatieven voor cyanidegebruik in de mijnbouw bestaan,

P.  overwegende dat er alom hevige kritiek wordt geuit op de voortgaande mijnbouwactiviteiten met behulp van cyanide her en der in Europa, niet alleen door individuele burgers, lagere overheden en ngo's, maar ook door nationale overheidslichamen, regeringen en politici,

1.  is van oordeel dat naleving van de doelstellingen van de EU-kaderrichtlijn water, te weten het bereiken van een goede chemische toestand en bescherming van de watervoorraden en de biodiversiteit, alleen mogelijk is als het gebruik van cyanide in de mijnbouw verboden wordt;

2.  verzoekt de Commissie voor eind 2010 een voorstel in te dienen om tot een volledig verbod op het gebruik van cyanide in de mijnbouw in de Europese Unie te komen, aangezien dat de enige veilige manier is om onze watervoorraden en ecosystemen tegen cyanideverontreiniging door de mijnbouw te beschermen;

3.  neemt nota van de initiatieven op dit gebied in EU- en VN-verband en pleit met klem voor de ontwikkeling en toepassing van veiliger, en met name cyanidevrije alternatieven voor de mijnbouw;

4.  verzoekt de Commissie en de lidstaten zolang het algehele verbod nog niet van kracht is, direct noch indirect steun te verlenen voor mijnbouwprojecten in de EU die van de cyanidetechnologie gebruikmaken, en evenmin steun te verlenen voor dergelijke projecten buiten de EU;

5.  verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen tot wijziging van de wetgeving inzake afvalbeheer in de mijnbouw om elk exploitatiebedrijf te verplichten een verzekering af te sluiten om in geval van een ongeluk of een bedrijfsstoring schadevergoeding te kunnen uitkeren en de kosten van herstel van de ecologische en chemische toestand tot het oorspronkelijke niveau te kunnen vergoeden;

6.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de parlementen en de regeringen van de lidstaten.

Laatst bijgewerkt op: 10 mei 2010Juridische mededeling