naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie
ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement
over het economisch bestuur in de EU
Lothar Bisky, Nikolaos Chountis, Ilda Figueiredo, Patrick Le Hyaric, Kartika Tamara Liotard, Marisa Matias, Willy Meyer, Miguel Portas, Alfreds Rubiks, Eva-Britt Svensson, Kyriacos Triantaphyllides, Sabine Wils
namens de GUE/NGL-Fractie
Resolutie van het Europees Parlement over het economisch bestuur in de EU
B7‑0357/2010
Het Europees Parlement,
– gezien de conclusies van de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad van 26 maart 2010 over Europa 2020 en economisch bestuur,
– gezien de verklaring van de staatshoofden en regeringsleiders van de eurozone van 7 mei 2010,
– gezien de conclusies van de buitengewone bijeenkomst van de Raad Economische en Financiële Zaken van 9 en 10 mei 2010,
– gezien de resultaten van de bijeenkomsten van de Raad Economische en Financiële Zaken van 18 mei en 8 juni 2010,
– gelet op artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,
A. overwegende dat de Europese Raad eind 2009 een 'exit strategy' heeft vastgesteld en tegen 20 lidstaten een procedure wegens buitensporige tekorten heeft ingeleid, waarbij van deze landen wordt geëist dat zij hun begrotingstekort uiterlijk in 2013/2014 terugbrengen tot onder de 3% van het BBP; overwegende dat al veel lidstaten een aanval op de lonen hebben ingezet en drastisch hebben gesnoeid in de overheidsuitgaven, de salarissen en pensioenen in de publieke sector hebben verlaagd, overheidsdiensten hebben ingekrompen en geprivatiseerd en maatregelen hebben genomen om de BTW en de socialezekerheidsbijdragen te verhogen en de pensioengerechtigde leeftijd op te trekken,
B. overwegende dat de 'exit strategy' van de EU en het gedrag van de financiële sector een diepgeworteld cynisme aan het licht brengen: de hoge tekorten en dramatisch stijgende overheidsschulden zijn het gevolg van het feit dat de regeringen de financiële sector niet verantwoordelijk stellen voor de gevolgen van deze speculatie en de schade die deze de economie toebrengt; overwegende dat de financiële markten zich nu tegen dezelfde regeringen keren die hen eerst hebben gered en dat de regeringen de last van de terugbetaling van de overheidsschuld aan geldverstrekkers van dezelfde financiële sector nu op de schouders leggen van de gewone werknemers en gepensioneerden, wier banen, salarissen, uitkeringen en rechten toch al onder druk staan,
C. overwegende dat de Commissie in haar op 17 en 24 maart en 14 april 2010 gepubliceerde beoordelingen van de stabiliteits- en convergentieprogramma's van 24 lidstaten de meeste van hen aanspoorde de overheidsuitgaven verder te reduceren en meer “structurele hervormingen” door te voeren; overwegende dat de Commissie voorstelt mechanismen vast te stellen voor een nog strenger toezicht op tekorten in de begrotingsplannen van de lidstaten voor de middellange termijn; overwegende dat in de conclusies van de voorjaarsbijeenkomst van de Raad over economisch bestuur ook wordt gepleit voor het gebruik van artikel 136 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie als een instrument van strikter begrotingstoezicht en voor speciale aandacht voor de prioritaire uitdagingen 'concurrentievermogen' en 'ontwikkelingen op het vlak van de betalingsbalansen',
D. overwegende dat dergelijke bezuinigingen, zoals bepleit door de Commissie en de Raad en ook toegepast door de meeste lidstaten, het risico van deflatie in een nog altijd fragiele en stagnerende economie vergroten en ontmanteling betekenen van 'automatische stabilisatoren' zoals socialebeschermingstelsels en overheidsinvesteringen, die de recessie tegengaan, waardoor het gevaar bestaat dat de economie opnieuw in een neergaande spiraal komt en alle hoop op verlaging van de overheidsschuld en begrotingsconsolidatie de bodem in wordt geslagen,
1. onderstreept dat de sado-monetaristische Europese 'exit strategy' de lidstaten niet de middelen zal geven om hun begrotingen op orde te brengen, omdat een dergelijk beleid automatische stabilisatoren zoals sociale bescherming en overheidsinvesteringen verzwakt en de lonen verlaagt, terwijl de binnenlandse vraag en de belastinginkomsten er juist door zullen afnemen; wijst erop dat een op deze leest gestoeld “Europees economisch bestuur”, zoals voorgesteld door de Europese Raad, tot sociale achteruitgang, een nog zwakkere economie en destabilisatie van het Europees integratieproces en de democratie zal leiden;
2. wijst er met klem op dat in de komende drie tot vijf jaar meer fiscale stimulering nodig is om de economische stagnatie te doorbreken en de weg te openen voor nieuwe banen: een nieuw, sterker en beter gericht Europees herstelplan met een gendergelijkheidsdimensie in al zijn onderdelen, dat elk jaar één procent van het BBP van de EU bestemt voor investeringen in milieuvriendelijke en sociaal en economisch duurzame ontwikkeling, het bevorderen van rechtvaardigheid, volledige werkgelegenheid met 'goed werk', het groenen van de economie, sociaal welzijn, het uitroeien van armoede en sociale uitsluiting, en het tot stand brengen van sociale en territoriale cohesie in de hele EU; beklemtoont dat dit samen moet gaan met flankerende maatregelen van de lidstaten die onderling worden gecoördineerd en aansluiten bij het optreden op EU-niveau;
3. is van mening dat een verlaging van de overheidstekorten en -schulden op de middellange termijn alleen mogelijk is door een krachtig herstel van de economie en aanzienlijk meer fatsoenlijke en hoogwaardige arbeidsplaatsen; beklemtoont dat het stabiliteits- en groeipact in 2008 en 2009 de facto niet is toegepast om de lidstaten in de gelegenheid te stellen herstelprogramma's te lanceren; verzoekt met klem het stabiliteits- en groeipact niet toe te passen;
4. is van mening dat investeringen in het kader van het nieuwe herstelplan van de EU en van de herstelinitiatieven van de lidstaten gericht moeten zijn op duurzame ontwikkeling, zoals energiebesparing en hernieuwbare energieën, schone productietechnieken en afvalpreventie, duurzame stedelijke ontwikkeling en woningbouw, biologische landbouw, duurzame visserij en instandhouding van ecosystemen, verbetering van de benutting van water en andere hulpbronnen, reconversie van de wapenindustrie, uitbreiding en verbetering van de publieke diensten, onderwijs, gezondheidszorg, langetermijnzorg, sociale diensten en de sociale economie, steun voor sociale woningbouw en de zorg- en onderwijssectoren, bestrijding van armoede en sociale uitsluiting, gericht op het bevorderen van duurzame 'groene' en 'witte' officiële banen;
5. is van mening dat de investeringsprogramma's van het herstelplan met name gericht moeten zijn op de sectoren die het zwaarst door de crisis zijn getroffen, teneinde tot volledige en waardige werkgelegenheid te komen: reconversie van de auto-industrie tot duurzame vervoersdiensten, uitbreiding van de spoornetten en ontwikkeling van ruimtelijk inclusieve en alomvattende regionale spoordiensten (programma Rail Europe 2025), bevordering van 'groene' scheepsbouw en stabilisering van de staalindustrie; hamert erop dat de EU en de lidstaten deze reconversie moeten aanvullen met maatregelen voor het behoud van arbeidsplaatsen, opleiding, bij- en nascholing en ontwikkeling van vaardigheden, en werknemers in de betrokken industrieën moeten helpen bij het maken van de overstap naar nieuwe sectoren;
6. wijst erop dat de EU en de lidstaten mechanismen moeten toepassen voor een gerichte en democratisch gecontroleerde sturing door de overheid van de middelen van het nieuwe herstelplan in de richting van de economische sectoren die het zwaarst door de crisis zijn getroffen, van nieuwe duurzame industrieën en diensten en van achtergestelde regio's; hamert op het belang van de actieve betrokkenheid en participatie van de mensen die door deze investeringen worden geraakt; beklemtoont dat steun, herkapitalisatie en garanties van de lidstaten voor bedrijven in nood altijd gekoppeld moeten zijn aan een groter aandeel in de besluitvorming binnen en de winsten van deze ondernemingen, en aangewend moeten worden voor het beïnvloeden van hun investeringsstrategieën; is van oordeel dat de lidstaten maatregelen moeten nemen voor het vergroten van de economische democratie en het aanpassen van de wijze waarop ondernemingen worden geleid, teneinde de positie van werknemers, vakbonden en consumenten te verbeteren, en in de strategische keuzes van ondernemingen en publieke diensten de sociale en milieudimensie zwaarder te laten doorwegen;
7. is van oordeel dat de verschillen tussen de lopende rekeningen van de EU-27 - landen met grote tekorten op de lopende rekening in Zuid- en Oost-Europa enerzijds en landen zoals Duitsland, Oostenrijk en Nederland met grote overschotten op de lopende rekening anderzijds - via economisch bestuur op EU-niveau moeten worden aangepakt; onderstreept dat de overschotlanden hun economische ontwikkeling moeten aanpassen in de richting van versterking van de binnenlandse vraag en economie; stelt de oprichting voor van een clearingmechanisme in de EU-27 waarbij de overschotlanden verplicht worden de tekortlanden positieve rentetarieven te betalen, zodat deze kunnen investeren in de modernisering van de productie, diensten en infrastructuur, de productiviteit kunnen vergroten en de tekorten op de lopende rekeningen kunnen verlagen;
8. wijst op de raming van de Commissie dat de overheidsschuld van deEU-27 in 2011 ondanks de op begrotingsconsolidatie gerichte inspanningen van de lidstaten zal oplopen tot gemiddeld 84% of meer; wijst erop dat als Griekenland er niet in slaagt een bankroet te voorkomen, er een 'worst case scenario' kan ontstaan van lidstaten die hun schulden niet meer kunnen afbetalen, waardoor de eurozone uiteen zou vallen; is van oordeel dat om een economische ineenstorting te voorkomen, er op zo kort mogelijke termijn een plan B voor een dergelijk scenario moet worden ontwikkeld, bestaand uit een beleidsmix van onderhandelingen met banken en financiële instellingen over kwijtschelding en herschikking van de overheidsschuld enerzijds en innoverende maatregelen van de ECB anderzijds, zoals het verruimen van haar balans en het monetariseren van schulden door het opkopen van staatsobligaties met voor 'structurele operaties' bedoelde middelen;
9. vraagt de Raad om het mandaat van de Europese Investeringsbank (EIB) en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD) te verruimen, zodat zij leningen kunnen toekennen aan alles wat onder het nieuwe Europese herstelplan valt (bijvoorbeeld duurzaam industriebeleid);
10. vraagt de Raad met een gemeenschappelijke EU-obligatie te komen, die wordt uitgegeven door de Europese Investeringsbank, de collectieve garantie van de regeringen van de EU-27 geniet en geschraagd wordt door de nationale belastinginkomsten en liquiditeitssteun van de Europese Centrale Bank tegen haar interestvoet van 1 procent; is van oordeel dat een dergelijke gemeenschappelijke EU-obligatie niet alleen moet worden ingezet in de strijd tegen financiële speculatie en het elimineren van de huidige 'spreads' op staatsschulden, maar ook en vooral voor het financieren van het nieuwe EU-herstelplan; wijst erop dat niet alleen de landen van de eurozone, maar alle lidstaten profijt zullen hebben van het aanboren van nieuwe kredieten via de gemeenschappelijke EU-obligatie; is van oordeel dat het financieren van investeringen via de EIB in plaats van via leningen van particuliere kapitaalverstrekkers, de EU en haar lidstaten besparingen oplevert die zij vervolgens kunnen gebruiken voor investeringsprikkels;
11. onderstreept dat dergelijke, door de EIB aangezwengelde publieke investeringen een werkgelegenheids- en inkomensmultiplicatoreffect van anderhalf tot twee kunnen hebben, zodat de maatregelen in het kader van het nieuwe EU-herstelplan zich wellicht grotendeels zelf zullen financieren;
12. beklemtoont dat elke financiële steun voor de lidstaten via EU-obligaties in overeenstemming moet zijn met de beginselen van het Europees sociaal model, niet tot bezuinigingen in de publieke sector of tot bijvoorbeeld deflationaire salarisbevriezingen mag leiden, en zodanig in de tijd moet worden gespreid dat versterking van de economische cycli via de begroting wordt vermeden; vraagt de Raad de aan Griekenland en ook aan Letland, Roemenië en Hongarije opgelegde eisen in het kader van de EU- en IMF-noodhulp in te trekken;
13. verzoekt de Raad op het niveau van de EU een algemene belasting op financiële transacties in te voeren om speculatie in te dammen en ervoor te zorgen dat de financiële sector een billijke bijdrage levert aan het economisch herstel en aan de herfinanciering van de bedragen die de overheden besteden aan reddingsoperaties; wijst erop dat volgens recente studies in Europa een belasting op financiële transacties van 0,1% de jaarlijkse inkomsten met 2,1% van het BBP (ongeveer EUR 262 miljard) zou doen toenemen; stelt voor de inkomsten van een algemene belasting op financiële transacties te gebruiken voor ontwikkelingsbijstand, crisisbestrijdingsmaatregelen en bevordering van duurzame ontwikkeling;
14. wijst erop dat banken er ook na de recente reddingsoperaties en regeringsgaranties (in totaal zo'n EUR 3 triljoen in Europa) nog altijd stilzwijgend vanuit kunnen gaan dat overheden hen zullen redden, en dat ze daarvoor in feite niets hoeven te betalen; vraagt de Raad zijn goedkeuring te hechten aan een regeling waarbij een heffing wordt ingevoerd op de passiva (exclusief de deposito's) op de balansen van banken; wijst erop dat een systeem waarbij de heffing afhankelijk is van de omvang van de balansen regeringen in staat stelt grotere banken hogere heffingen op te leggen, waarbij iets wordt gedaan aan het probleem van banken die te boek staan als 'too big to fail';
15. vraagt de lidstaten de belastingen op de bonussen van bankmanagers, inkomsten uit kapitaal (dividend, rente, enz.), kapitaalwinsten en grote vermogens en erfenissen te vergroten en de aldus gegenereerde inkomsten te gebruiken voor overheidsinvesteringen; op deze manier kan de vraag worden gestimuleerd en ingepast in een strategie voor milieutechnisch en sociaal duurzame ontwikkeling, met vooruitzichten op vermindering van de tekorten op middellange termijn; is van oordeel dat de lidstaten hun militaire uitgaven en subsidies voor ecologisch schadelijke projecten moeten verlagen, waarmee ze bijdragen aan het gezonder maken van hun begrotingen;
16. vindt dat de aanvullende financiële middelen voor het nieuwe Europese herstelplan gevonden moeten worden via bezuinigingen op de EU-begroting voor bijvoorbeeld militaire- en defensie-uitgaven, kernenergie en kernfusie, projecten van de Structuurfondsen en TEN-projecten die schadelijk zijn voor het milieu; acht het tevens noodzakelijk dat wordt voorzien in budgettaire steunmaatregelen ten behoeve van landen die in een bijzonder moeilijke situatie verkeren, met name via de vervroegde terbeschikkingstelling van communautaire middelen, zonder dat van die landen een tegenprestatie wordt geëist; vraagt de Commissie en de Raad om verlenging van de soepele toepassing van de regels inzake staatssteun, en in ieder geval voor zolang als de stagnatie en de hoge werkloosheid aanhouden;
17. is van mening dat de financiële sector in eerste instantie het algemeen belang voor ogen moet hebben, lagere winsten moet accepteren en zich moet richten op risicovermijding en langetermijndoelstellingen in plaats van kortetermijnwinsten; is van mening dat er dringend behoefte is aan een vermaatschappelijking van de banksector en de oprichting van een financiële pool in overheidsbezit (genationaliseerde banken, plaatselijke en regionale spaarbanken, coöperatieve banken, enz.), die kredieten leidt in de richting van maatschappelijk en milieutechnisch zinnige investeringen die hoogwaardige werkgelegenheid mét werknemersrechten scheppen; is van mening dat de besluitvorming over het kredietbeleid van de financiële sector onder democratische overheidscontrole moet worden gesteld en dat werknemers en consumenten hierbij op democratische wijze moeten worden betrokken;
18. hamert op harde maatregelen voor het aanpakken van speculatie op de financiële markten; wijst op de noodzaak dat 'naked short-selling' en het handelen in 'credit default swaps' zo snel mogelijk worden verboden en dat een openbaar Europees ratingagentschap wordt opgericht; wijst erop dat hedgefondsen en private equity-fondsen in de EU verboden of in ieder geval sterk in hun speelruimte beperkt moeten worden, dat offshorecentra gesloten moeten worden en dat pensioenfondsen alleen mogen beleggen in Europese staatsobligaties en niet in hedgefondsen, private equity-fondsen, buitenlandse valuta, derivaten en aandelen; vraagt de Commissie en de Raad de invoering van striktere regelgeving voor toezicht op de financiële sector te versnellen;
19. uit kritiek op de voorstellen van de task force onder leiding van de voorzitter van de Europese Raad en van de ECOFIN-Raad inzake strenger begrotingstoezicht en “structurele hervormingen” met het oog op het concurrentievermogen en de betalingsbalansontwikkelingen in de eurozone;
20. neemt kennis van het besluit van de ECOFIN-Raad tot instelling van een Europees financieel stabilisatiemechanisme met een totaal volume van maximaal 500 miljard euro, op basis van artikel 122, lid 2, van het Verdrag en een intergouvernementele overeenkomst van de lidstaten van de eurozone om financiële steun te verlenen aan lidstaten die in moeilijkheden verkeren; erkent dat een stabilisatiemechanisme nodig is om op te treden tegen het gevaar van een domino-effect met een eventueel bankroet van lidstaten van de eurozone; is er echter sterk tegen gekant dat de activering van en steunverlening door het stabilisatiemechanisme aan strenge voorwaarden worden gebonden, zoals onlangs bij EU/IMF-steun gebeurde, en dat het IMF deelneemt aan de financieringsafspraken;
21. verzet zich krachtig tegen het voornemen van de Commissie en de Raad om een kader te creëren voor snellere maatregelen van de lidstaten gericht op begrotingsconsolidering, om van Portugal en Spanje in het bijzonder aanzienlijke bijkomende consolideringsmaatregelen in 2010 en 2011 te eisen en om aan de lidstaten van de eurozone strengere voorschriften en procedures voor het toezicht alsmede “doeltreffender” sancties op te leggen dan waarin het stabiliteits- en groeipact momenteel voorziet; is van mening dat een dergelijk beleid alleen leidt tot deflatie en een verscherping van de crisis, en de lidstaten die in economische moeilijkheden verkeren zal nopen tot procyclische en asociale beleidsmaatregelen;
22. neemt er kennis van dat de ECOFIN-Raad heeft onderstreept dat er snel vorderingen moeten worden gemaakt bij de regulering van en het toezicht op de financiële markten, met name de derivatenmarkten en de rol van de kredietbeoordelingbureaus, alsmede met betrekking tot een substantiële bijdrage van de financiële sector in de kosten van de crises; verzoekt de Commissie en de Raad versneld met doeltreffende voorstellen ter zake te komen;
23. is verheugd over de recente heroverweging van het macro-economisch beleid bij het IMF, dat pleit voor het loslaten van de conditionaliteit bij al te ingrijpende bezuinigings-, liberaliserings-, privatiserings- en dereguleringsmaatregelen en voorstelt controles op kapitaalbewegingen en ook een inflatiestreefcijfer van 4% toe te staan; stelt voor dat de EU op soortgelijke wijze haar macro-economische beleidsmix en economische bestuurswijze in heroverweging neemt;
24. is van mening dat het in een zinvol debat over wijziging van het EU-Verdrag in het licht van de crises allereerst moet gaan over het loslaten van de daarin verankerde monetaristische architectuur: afschaffing van de disfunctionele criteria van Maastricht voor de Europese Monetaire Unie, vaststelling van criteria voor “echte convergentie” en steunmechanismen voor de lidstaten met het oog daarop, intrekking van het stabiliteits- en groeipact en vervanging door een pact inzake werkgelegenheid en duurzame ontwikkeling, aanpassing van het statuut van de Europese Centrale Bank om deze aan democratische controle te onderwerpen en een einde te maken aan haar “absolute onafhankelijkheid”, herziening van haar taak tot het ondersteunen van een duurzame, evenwichtige economische ontwikkeling, volledige werkgelegenheid, financiële stabiliteit en prijs- en wisselkoersstabiliteit, om slechts enkele van de belangrijkste Verdragswijzigingen te noemen die moeten worden besproken;
25. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, en de parlementen van de lidstaten.