naar aanleiding van een verklaring van de Commissie
ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement
over de Israëlische aanval op 31 mei 2010 op een konvooi schepen met hulpgoederen voor Gaza
Kyriakos Triantaphyllides, Patrick Le Hyaric, Willy Meyer Pleite, Marisa Matias, Eva-Britt Svensson, Nicolaos Chountis, Ilda Figueiredo
namens de GUE/NGL-Fractie
Resolutie van het Europees Parlement over de Israëlische aanval op 31 mei 2010 op een konvooi schepen met hulpgoederen voor Gaza
B7‑0389/2010
The European Parliament,
– gezien het Handvest van de Verenigde Naties,
– onder verwijzing naar de VN-resoluties over het Midden-Oosten,
– gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (UNCLOS),
– gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,
– gezien de Conventie van Genève van 1949,
– gezien de eerdere verklaringen van het Midden-Oosten-Kwartet, met name de verklaring van 19 maart 2010 waarin de op 26 juni 2009 te Triëst neergelegde grondbeginselen worden bevestigd en die van 11 mei 2010 over de hervatting van de toenaderingsgesprekken tussen Israëli’s en Palestijnen,
– gezien resoluties 1850 van 16 december 2008 (S/RES/1850(2008)) en 1860 van 8 januari 2009 (S/RES/1860(2009)) van de VN-Veiligheidsraad,
– gezien de verklaring van 31 mei 2010 van de Hoge Vertegenwoordiger / vicevoorzitter van de Commissie Catherine Aston namens de EU over de Israëlische aanval op het hulpkonvooi,
– gezien de verklaring van de voorzitter van de VN-Veiligheidsraad (S/9940) van 31 mei 2010,
– gezien de verklaring van de secretaris-generaal van de VN, Ban Ki-moon, van 1 juni 2010,
– gezien de resolutie van de Mensenrechtenraad van de VN van 2 juni 2010 over de zware aanval van het Israëlische leger op het humanitair konvooi,
– gezien de resolutie van de algemene vergadering van de Wereldgezondheidsorganisatie van 18 mei 2010,
– gezien het in november 2009 gepubliceerde verslag van het Wereldvoedselprogramma en de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN (FAO) over de toestand in Gaza,
– gezien het verslag-Goldstone "Human Rights in Palestine and Other Occupied Arab Territories: Report of the United Nations Fact Finding Mission on the Gaza Conflict",
– gezien de conclusies van de Raad van 8 december 2009 over het vredesproces in het Midden-Oosten,
– gelet op de associatieovereenkomst tussen de EU en Israël, met name artikel 2 daarvan,
– gelet op artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,
A. overwegende dat Israël op 31 mei 2010 in internationale wateren een illegale militaire operatie heeft uitgevoerd tegen een humanitair hulpkonvooi dat op weg was naar Gaza en dat bij deze operatie 9 burgers om het leven kwamen en 38 burgers gewond raakten,
B. overwegende dat Israël daarmee duidelijk het volkenrecht heeft geschonden,
C. overwegende dat de Israëlische regering de bemanning en passagiers van de schepen in hechtenis heeft genomen en pas op 1 juni 2010 heeft vrijgelaten, en dat er beschuldigingen van mishandeling zijn geuit,
D. overwegende dat de Mensenrechtenraad van de VN op 2 juni 2010 besloten heeft een onafhankelijke missie te sturen om een onderzoek in te stellen naar de aanval door Israël op het humanitair konvooi,
E. overwegende dat Israël een onafhankelijk internationaal onderzoek naar zijn aanval op het humanitair konvooi van de hand wijst,
F. overwegende dat de grensovergangen van en naar Gaza sinds juni 2007 gesloten zijn en dat het embargo op het verkeer van personen en goederen tot meer armoede heeft geleid, de wederopbouw heeft lamgelegd en de economie in de Gazastrook heeft gedecimeerd,
G. overwegende dat volgens eerdere verklaringen van VN-organen de blokkade van de Gazastrook, waarmee een “openluchtgevangenis” is gecreëerd, een collectieve bestraffing vormt en dus in strijd is met het internationaal humanitair recht,
H. overwegende dat mevrouw Ashton de humanitaire situatie in Gaza een bron van ernstige verontrusting noemt en verklaart dat de EU dit voortdurende afgrendelingsbeleid niet accepteert; dat zij oproept tot een permanente en onvoorwaardelijke openstelling van de grensovergangen voor humanitaire steun, handelsgoederen en personenverkeer uit en naar Gaza,
I. overwegende dat de blokkade van de Gazastrook voortduurt, waardoor internationale inspanningen om mee te werken aan de wederopbouw van Gaza, met inbegrip van de door de EU gefinancierde infrastructuurprojecten die door het Israëlische leger zijn vernield, onmogelijk worden gemaakt; dat de humanitaire situatie één jaar na de oorlog een humanitaire ramp is,
J. overwegende dat de internationale gemeenschap heeft nagelaten de nodige maatregelen te nemen om Israël onder druk te zetten om de bezetting van Gaza te beëindigen, wat erop neerkomt dat Israël vrijuit gaat,
K. overwegende dat Israël op 27 december 2008 een grootscheeps militair offensief tegen de Palestijnse bevolking in Gaza lanceerde dat tot 18 januari 2009 duurde en waarbij ook burgers en delen van de civiele infrastructuur, waaronder door de EU gefinancierde projecten, het doelwit vormden; dat dit niet de eerste maal was dat Israël zich ten koste van de Palestijnse bevolking bezondigde aan schendingen van de internationale mensenrechtenwetgeving en het internationaal humanitair recht; dat bij dat offensief meer dan 1400 Palestijnen en 13 Israeli’s om het leven kwamen en een aanzienlijk deel van de civiele infrastructuur werd verwoest,
L. overwegende dat het hoofd van de VN-onderzoeksmissie inzake het Gazaconflict, rechter Richard Goldstone, het rapport van de missie op 29 september 2009 aan de Mensenrechtenraad heeft voorgelegd, en dat in dat rapport wordt verklaard dat Israël zich in Gaza schuldig heeft gemaakt aan schendingen van de internationale mensenrechtenwetgeving en het internationaal humanitair recht en niet heeft voldaan aan de verplichtingen die krachtens het vierde Verdrag van Genève op hem rusten, en dat dit handelingen zijn die gelijkstaan aan misdrijven die voor het Internationaal Gerechtshof zouden moeten worden gebracht,
M. overwegende dat Israël de Palestijnse gebieden sinds 1967 bezet houdt; dat Israël ingevolge het vierde Verdrag van Genève verantwoordelijk is voor de humanitaire bescherming van de gehele burgerbevolking in het gebied dat het bezet,
N. overwegende dat de staat Israël de plicht heeft zijn schendingen van het volkenrecht te beëindigen (overeenkomstig de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof),
O. overwegende dat in artikel 2 van de associatieovereenkomst tussen de EU en Israël duidelijk staat: “De betrekkingen tussen de partijen en alle bepalingen van deze Overeenkomst zijn gebaseerd op de eerbiediging van de mensenrechten en de democratische beginselen die de grondslag van hun binnen- en buitenlands beleid vormt en een wezenlijk onderdeel van de Overeenkomst is.”,
P. overwegende dat 80% van de bevolking van Gaza afhankelijk is van voedselhulp en ruim 60% getroffen wordt door onzekerheid op het vlak van voedselvoorziening, dat de werkloosheid ongeveer 50% bedraagt en dat de volksgezondheids- en milieuomstandigheden ernstig zijn aangetast,
Q. overwegende dat tijdens het eerste kwartaal van dit jaar slechts 3600 vrachtwagens met voedselhulp Gaza zijn binnengekomen, terwijl dat er tijdens de eerste drie maanden van 2007 tien keer zoveel waren; dat er maar 81 producten in Gaza worden toegelaten, hoewel er volgens schattingen van de Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten (UNRWA) ten minste 6000 producten nodig zijn om in de humanitaire basisbehoeften te voorzien,
R. overwegende dat de Palestijnse gebieden het niet-EU-land vormen dat de meeste EU-steun ontvangt en dat deze steun uit de EU-fondsen van groot belang is geweest bij de pogingen om de humanitaire ramp in de Gazastrook te verzachten; dat de EU cruciale humanitaire hulp blijft bieden aan de Gazastrook, onder meer via de UNRWA,
S. overwegende dat de twee-statenoplossing de essentiële basis blijft voor duurzame vrede tussen Israëli’s en Palestijnen; dat de lopende toenaderingsgesprekken tot een hervatting van rechtstreekse vredesonderhandelingen kunnen leiden, met als doel een leefbare Palestijnse staat op te richten die in vrede en veiligheid naast de Staat Israël bestaat,
1. veroordeelt met klem de Israëlische aanval op het humanitaire hulpkonvooi in internationale wateren, die een schending van het volkenrecht betekent;
2. betuigt zijn leedwezen en zijn solidariteit aan de familieleden en vrienden van de slachtoffers van deze brute aanval;
3. verzoekt om een snel en onafhankelijk internationaal onderzoek naar deze aanval en dringt aan op de eerbiediging van de beginselen van verantwoordingsplicht en aansprakelijkheid; vraagt de EU-lidstaten met klem ervoor te zorgen dat al het nodige wordt gedaan om uitvoering te geven aan dit verzoek;
4. wenst dat Israël onmiddellijk een einde maakt aan de illegale blokkade van Gaza en verzoekt alle lidstaten een soortgelijk verzoek tot Israël te richten;
5. verzoekt om opschorting van de associatieovereenkomst tussen de EU en Israël vanwege de voortdurende mensenrechtenschendingen en gewelddadigheden waarin Israël zich jegens het Palestijnse volk schuldig maakt; herhaalt zijn standpunt dat het tegen elke uitbreiding van de betrekkingen tussen de EU en Israël is;
6. vraagt de EU-lidstaten actie te ondernemen om ervoor te zorgen dat alle grensovergangen van en naar Gaza geopend worden en blijven, met inbegrip van de haven van Gaza, zodat humanitaire en commerciële goederen die noodzakelijk zijn voor de wederopbouw en de ontwikkeling van een zelfonderhoudende economie ongehinderd kunnen circuleren, evenals valuta en personen;
7. prijst het werk van UNRWA en verzoekt de internationale donorgemeenschap om, in de wetenschap dat UNRWA voor het eind van het jaar met een financieel te kort zal kampen, haar bestaande toezeggingen gestand te doen en haar bijdragen verder te verhogen;
8. is ingenomen met de recente voorlopige opening van de grenspost Rafah door de Egyptische autoriteiten;
9. laakt het feit dat het Israëlische leger infrastructuur in Gaza heeft vernietigd, met name infrastructuur in verband met voedselproductie en -bevoorrading, gezondheidszorg en onderwijs, met inbegrip van door de EU gefinancierde infrastructuur; verzoekt om herstel van en schadevergoeding voor deze opzettelijke vernielingen;
10. verzoekt Israël het volkenrecht te respecteren en de VN-resoluties 338, 194 en 242 volledig uit te voeren, en verzoekt de internationale gemeenschap niet meer te accepteren dat Israël ongestraft zijn gang gaat;
11. roept Hamas op gevolg te geven aan de hem betreffende conclusies in het rapport-Goldstone, zijn verantwoordelijkheden op zich te nemen en actief deel te nemen aan een brede politieke dialoog;
12. betuigt zijn steun aan de toenaderingsgesprekken tussen Israël en de Palestijnse Autoriteit en benadrukt de noodzaak van voortzetting ervan met het oog op de hervatting van rechtstreekse onderhandelingen;
13. verzoekt Israël al zijn activiteiten in verband met de bouw van nederzettingen te bevriezen om de toenaderingsgesprekken te vergemakkelijken;
14. verzoekt om vrijlating van de Palestijnse gevangenen en van de Israëlische sergeant Gilad Shalit, wat zou kunnen bijdragen tot vermindering van de spanningen;
15. verzoekt Israël de politieke vervolging van Israëlisch-Arabische Knessetleden te staken en hun rechten als gekozen vertegenwoordigers ten volle te eerbiedigen; wijst met name op de bedreigingen die onlangs tegen Knessetlid Hanin Zuabi zijn geuit nadat zij had deelgenomen aan een hulpkonvooi naar Gaza;
16. verzoekt de betrokken EU-lidstaten op alle wapenleveranties aan Israël te staken;
17. verzoekt de betrokken EU-lidstaten op elke militaire samenwerking met Israël op te schorten;
18. betuigt zijn steun aan de vredesgezinde krachten in Israël die ijveren voor beëindiging van het Israëlische militaire beleid en voor een vreedzame oplossing;
19. verzoekt zijn voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de president en de regering van Israël en de Knesset, de president en de regering van de Palestijnse Autoriteit en de Palestijnse Wetgevende Raad.