Procedure : 2010/2846(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0499/2010

Ingediende teksten :

B7-0499/2010

Debatten :

OJ 06/09/2010 - 143

Stemmingen :

PV 08/09/2010 - 6.3
CRE 08/09/2010 - 6.3

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0310

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 116kDOC 63k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0494/2010
6.9.2010
PE446.582v01-00
 
B7-0499/2010

naar aanleiding van een verklaring van de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement


over de mensenrechten in Iran, en in het bijzonder over de gevallen van Sakineh Mohammadi Ashtiani en Zahra Bahrami


Charles Tannock, Michał Tomasz Kamiński, Tomasz Piotr Poręba, Adam Bielan namens de ECR-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de mensenrechten in Iran, en in het bijzonder over de gevallen van Sakineh Mohammadi Ashtiani en Zahra Bahrami  
B7‑0499/2010

Het Europees Parlement,

–   onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over Iran,

–   gezien de verklaring van 6 juli 2010 van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Catherine Ashton, over de dreigende terechtstellingen in Iran,

–   gezien de verklaring van 12 juni 2010 van de hoge vertegenwoordiger over de verslechtering van de mensenrechtensituatie in Iran,

–   gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten,

–   gelet op artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de algemene mensenrechtensituatie in Iran niet is verbeterd sinds zij een dieptepunt bereikte na de presidentiële verkiezingen van juni 2009, en dat veel Iraniërs het afgelopen jaar slachtoffer zijn geworden van geweld, gevangenneming en onderdrukking door de Iraanse autoriteiten,

B.  overwegende dat Sakineh Mohammadi Ashtiani, een 43-jarige vrouw en moeder van twee kinderen, is veroordeeld tot dood door steniging nadat zij in 2006 schuldig werd bevonden aan overspel,

C. overwegende dat mw. Ashtiani in een afzonderlijke zaak werd veroordeeld tot geseling en 99 zweepslagen kreeg toegediend,

D. overwegende dat Sakineh Mohammadi Ashtiani nu nogmaals tot 99 zweepslagen is veroordeeld, nadat zij zonder sluier op een foto in een Britse krant zou zijn verschenen,

E.  overwegende dat de rechterlijke macht het vonnis tot steniging van mw. Ashtiani tijdelijk heeft opgeschort, maar dat functionarissen vervolgens verklaarden dat zij wellicht zal worden opgehangen,

F.  overwegende dat de 45-jarige Zahra Bahrami, die over zowel de Nederlandse als Iraanse nationaliteit beschikt, tijdens een reis naar Iran voor een ontmoeting met haar dochter, werd gearresteerd na deelname aan de Ashura-protesten op 27 december 2009, op grond van beschuldigingen inzake het lidmaatschap van een monarchistische groepering, het opzetten van een tegen de regering gerichte organisatie en verspreiding van propaganda tegen het Iraanse regime,

G. overwegende dat mw. Bahrami sinds haar arrestatie wordt vastgehouden in de Evin-gevangenis in Teheran en tekenen vertoonde van marteling en mishandeling,

H. overwegende dat mw. Bahrami volgens door het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken verstrekte informatie een levenslange gevangenisstraf zal krijgen opgelegd of ter dood zal worden veroordeeld,

I.   overwegende dat noch internationale mensenrechtenorganisaties noch de Nederlandse autoriteiten toegang hebben gekregen tot mw. Bahrami,

J.   overwegende dat de Iraanse autoriteiten door blijven gaan met de vervolging van religieuze minderheden zoals baha'is en christenen, en op dit moment zeven baha'i-leiders, Behrouz Tavakkoli, Saeid Rezaie, Fariba Kamalabadi, Bahid Tizfahm, Jamaloddin Khanjani, Afif Naeimi en Mahvash Sabet, gevangen houden, die elk tot 20 jaar gevangenisstraf zijn veroordeeld zonder dat er ooit enig bewijs tegen hen openbaar is gemaakt,

K. overwegende dat de Iraanse autoriteiten nog steeds honderden mensen vasthouden die onrechtmatig gevangen werden gezet als onderdeel van de massale arrestaties van politieke dissidenten en vreedzame demonstranten na de omstreden presidentiële verkiezingen van 12 juni 2009,

L.  overwegende dat Iran verdedigers van mensenrechten nog steeds arresteert en gevangen houdt, zoals Shiva Nazar Ahari, die op 20 december 2009 in het centrum van Teheran werd opgepakt en die naar verluidt wordt beschuldigd van "samenscholing en samenzwering tot het plegen van een misdaad", "propaganda tegen de staat" en "moharebeh" (vijandschap jegens God), waarvoor de doodstraf kan worden opgelegd,

1.  roept de Iraanse autoriteiten op de terdoodveroordeling van mw. Ashtiani te vernietigen en haar een eerlijk proces te geven;

2.  dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan mw. Bahrami een eerlijk proces te geven en haar rechten als gevangene te eerbiedigen;

3.  veroordeelt het toenemende gebruik in Iran van de doodstraf als een middel om politieke tegenstanders te intimideren, alsmede de toepassing ervan in gevallen waar dat op grond van het internationaal recht verboden is, zoals wanneer het jeugdige delinquenten betreft;

4.  roept Iran op om de zeven baha'i-leiders vrij te laten die zonder enig bewijs van de tegen hen ingediende aanklachten worden vastgehouden en wier detentie noch in overeenstemming is met de internationale verplichtingen die Iran in het kader van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) is aangegaan, noch met ´s lands nationale wetgeving inzake het recht op een eerlijk proces;

5.  dringt aan op onmiddellijke invrijheidstelling van al degenen die uitsluitend gevangen zijn gezet wegens de vreedzame uitoefening van hun recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering of op grond van hun godsdienstige overtuiging, en verzoekt de autoriteiten om onderzoek naar en vervolging van regeringsfunctionarissen en leden van de veiligheidstroepen die verantwoordelijk zijn voor de dood, mishandeling en foltering van dissidenten of hun familieleden, demonstranten en gevangenen;

6.  roept Iran op verdedigers van mensenrechten niet langer te arresteren en dringt aan op invrijheidstelling van hen die momenteel worden vastgehouden zonder een eerlijk proces te hebben gekregen;

7.  wijst erop dat vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst fundamentele rechten vormen die onder alle omstandigheden dienen te worden gewaarborgd, conform artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat de Islamitische Republiek Iran heeft ondertekend en geratificeerd;

8.  is bijzonder bezorgd over de bekentenissen op televisie van onder andere Sakineh Mohammadi Ashtiani, die in alle opzichten de indruk wekken onder dwang te zijn afgelegd;

9.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de regering en het parlement van de Islamitische Republiek Iran, de Raad, de Commissie, de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de VN-Mensenrechtenraad.

 

Laatst bijgewerkt op: 7 september 2010Juridische mededeling