Procedure : 2010/2857(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0528/2010

Ingediende teksten :

B7-0528/2010

Debatten :

PV 22/09/2010 - 9
CRE 22/09/2010 - 9

Stemmingen :

PV 07/10/2010 - 9.3

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0350

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 121kDOC 67k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0524/2010
15.9.2010
PE446.618v02-00
 
B7-0528/2010/rev.1

naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement


over de Democratische Republiek Congo (DRC): falende bescherming van de mensenrechten en justitie


Michał Tomasz Kamiński, Charles Tannock, Tomasz Piotr Poręba, Ryszard Antoni Legutko, Adam Bielan, Ryszard Czarnecki, Jacek Włosowicz, Konrad Szymański, Janusz Wojciechowski namens de ECR-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de Democratische Republiek Congo (DRC): falende bescherming van de mensenrechten en justitie   
B7‑0528/2010

Het Europees Parlement,

–   onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over de Democratische Republiek Congo (DRC),

–   gezien de in juni 2000 ondertekende Partnerschapsovereenkomst van Cotonou,

–   gezien de resolutie van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU van 22 november 2007 over de toestand in de Democratische Republiek Congo, met name in het oosten van het land, en de gevolgen daarvan voor de regio,

–   gezien resolutie 60/1 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 24 oktober 2005 over de resultaten van de wereldtop van 2005, en met name paragrafen 138 tot en met 140 over de verantwoordelijkheid voor bescherming van de bevolking,

–   gezien de gezamenlijke verklaring van 27 augustus 2010 van de hoge vertegenwoordiger, Catherine Ashton, en de EU-commissaris voor ontwikkeling, Andris Piebalgs, over het oplaaiende geweld in Noord-Kivu, DRC,

–   gezien de EU-richtsnoeren voor de bescherming van mensenrechtenactivisten en de plaatselijke strategie voor de tenuitvoerlegging van de richtsnoeren in de DRC, die de missiehoofden op 20 maart 2010 hebben goedgekeurd,

–   gezien resolutie 1856 (2008) van de VN-Veiligheidsraad over het mandaat van MONUC,

–   gelet op artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de mensenrechtensituatie in de DRC niet verbetert en ernstig blijft; overwegende dat dagelijks melding wordt gemaakt van systematische schendingen van de mensenrechten, waaronder buitengerechtelijke executies, ontvoeringen, seksueel geweld en martelingen, begaan door militairen, de politie, de veiligheidsdiensten en gewapende groeperingen,

B.  overwegende dat kinderen dagelijks het slachtoffer worden van mensenrechtenschendingen, waaronder gedwongen rekrutering door de strijdkrachten,

C. overwegende dat heel wat ngo's het afgelopen jaar hebben vastgesteld dat mensenrechtenactivisten in de DRC in toenemende mate onder druk worden gezet, onder meer door middel van illegale arrestaties, vervolgingen, telefonische bedreigingen en herhaalde dagvaardingen in de kantoren van de inlichtingendiensten,

D. overwegende dat in de DRC een tendens zichtbaar is van toenemende intimidatie en pesterijen van mensenrechtenactivisten, journalisten, leden van de politieke oppositie, slachtoffers en getuigen, en dat moorden in het kader hiervan moeten worden beschouwd; overwegende dat er in de DRC in de loop van de voorbije vijf jaar talrijke journalisten en mensenrechtenactivisten onder verdachte omstandigheden om het leven zijn gekomen,

E.  overwegende dat in bepaalde delen van de DRC al jaren een toestand van burgeroorlog heerst, met massamoorden, groepsverkrachtingen en het wijdverbreide werven van kindsoldaten tot gevolg,

F.  overwegende dat volgens VN-bronnen eind juli en begin augustus 242 verkrachtingen plaatsvonden in en rondom het dorp Luvungi, dat zich op slechts 30 kilometer van een VN-basis bevindt, en dat sinds juli in totaal meer dan 500 verkrachtingen in deze regio plaatsvonden; overwegende dat het volgens berichten om systematische en georganiseerde verkrachtingen ging,

G. overwegende dat de recente massamoorden voornamelijk zijn begaan door de Rwandese rebellengroepering FDLR (Democratisch front voor de bevrijding van Rwanda), die wordt aangevoerd door naar Congo gevluchte daders van de Rwandese genocide, en door de Congolese militie Mai Mai,

H. overwegende dat de plaatsvervangend secretaris-generaal van de VN voor vredeshandhaving, Atul Khare, heeft toegegeven dat de VN-vredestroepen er eind juli en begin augustus niet in zijn geslaagd de burgers te beschermen tegen systematische verkrachtingen door gewapende strijders in Oost-Congo, en dat hij hiervan pas op 12 augustus in kennis is gesteld,

I.   overwegende dat seksueel en op geslacht gebaseerd geweld in het oosten van de DRC wijdverbreid is en door alle partijen bij de conflicten wordt begaan, met inbegrip van de door de VN gesteunde regeringstroepen; overwegende dat verkrachting inmiddels een oorlogswapen is geworden en dat Congo inmiddels de "verkrachtingshoofdstad van de wereld" wordt genoemd,

J.   overwegende dat volgens de VN in 2008 en 2009 meer dan 15.000 verkrachtingen in Congo zijn gemeld, waaronder verkrachtingen van kinderen,

K. overwegende dat de natuurlijke hulpbronnen en de opbrengsten van de winning van en de handel in delfstoffen nog steeds onder controle van gewapende groeperingen staan, vooral in het instabiele oosten van het land, waar al vele jaren conflicten gaande zijn, ondanks de aanwezigheid van de VN-vredesmissie MONUC,

1.  veroordeelt ten stelligste de aanvallen en de massale verkrachtingen die tussen 30 juli en 4 augustus 2010 in de provincie Noord-Kivu werden begaan door de FDLR en de gewapende Congolese milities (de Mai Mai) waarmee zij is geallieerd;

2.  betreurt al het andere seksuele geweld dat plaatsvond in de regio Uvira en andere regio's in Noord- en Zuid-Kivu;

3.  benadrukt hoe belangrijk het is de gebeurtenissen in de DRC te onderzoeken, de daders te identificeren en hen te berechten;

4.  vraagt de regering van de DRC alles in het werk te stellen om de burgerbevolking te beschermen en een einde te maken aan de straffeloosheid voor de daders;

5.  benadrukt dat de instrumenten van de regering en de VN onmiddellijk herzien moeten worden om de burgerbevolking te beschermen, iets te doen aan de verschrikkingen waaraan de burgers zijn blootgesteld en te voorkomen dat zij zich herhalen;

6.  roept de regering van de DRC op veiligheid en stabiliteit te creëren voor de bevolking van Oost-Congo, en verzoekt alle gewapende groeperingen in de DRC de wapens neer te leggen en deel te nemen aan het vredesproces;

7.  benadrukt dat corruptie moet worden aangepakt en dat de daders van mensenrechtenschendingen onder de Congolese strijdkrachten en de politiemacht moeten worden berecht, en onderstreept de rol die MONUC daarbij toekomt door te zorgen voor gezamenlijke planning en uitvoering van operaties en adequate verantwoordingsmechanismen voor mishandeling;

8.  doet een beroep op alle partijen om de strijd tegen de straffeloosheid te intensiveren en de rechtsstaat te handhaven; dringt erop aan dat de regering van de DRC waarborgt dat diegenen die verantwoordelijk zijn voor schendingen van de mensenrechten en van het internationale humanitaire recht worden berecht;

9.  herinnert aan de belofte van de regering van de DRC om zich er ter gelegenheid van het 50-jarige bestaan van het land resoluut toe te verbinden politieke praktijken te bevorderen die de mensenrechten eerbiedigen en de rechtsstaat versterken;

10. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de instellingen van de Afrikaanse Unie, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, de Raad voor de mensenrechten van de Verenigde Naties en de regeringen en parlementen van het gebied van de Grote Meren.

 

Laatst bijgewerkt op: 30 september 2010Juridische mededeling