naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid
ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement
over de situatie in Tunesië
Hélène Flautre, Franziska Katharina Brantner, Nicole Kiil-Nielsen, Barbara Lochbihler, Catherine Grèze, Frieda Brepoels, Daniel Cohn-Bendit
namens de Verts/ALE-Fractie
Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Tunesië
B7‑0078/2011
Het Europees Parlement,
– gezien de Euro-mediterrane associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en Tunesië, die op 1 maart 1998 in werking is getreden,
– gezien de mededeling van de Commissie van 12 mei 2004 over het Europees nabuurschapsbeleid en het actieplan EU-Tunesië, dat op 4 juli 2005 in werking is getreden,
– gezien zijn verslag van 16 februari 2006 over de mensenrechten- en de democratieclausule in door de Europese Unie gesloten overeenkomsten,
– gezien de richtsnoeren van de Raad voor de bescherming van mensenrechtenactivisten, die in juni 2004 zijn vastgesteld en in december 2008 zijn geactualiseerd,
– gezien het verslag van de Werkgroep universele periodieke evaluatie van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties van 10 april 2008 over Tunesië,
– gezien de conclusies van de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van 8 en 9 december 2008 over de versterking van de bilaterale betrekkingen van de Europese Unie met haar mediterrane partners,
– gezien de verklaring van de Europese Unie naar aanleiding van de achtste vergadering van de Associatieraad EU-Tunesië van 11 mei 2010,
– gezien het follow-upverslag over Tunesië van 12 mei 2010,
– gezien zijn verslag over het EU-beleid ten aanzien van mensenrechtenverdedigers, dat op 14 mei 2010 werd aangenomen,
– onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over de mensenrechten in Tunesië, en met name zijn resoluties van 29 september 2005, 15 december 2005 en 15 juni 2005,
– gezien de gemeenschappelijke verklaringen van de hoge vertegenwoordiger van de Unie, Catherine Ashton, en de commissaris voor Uitbreiding en nabuurschapsbeleid, Stefan Füle, van 10 en 17 januari 2011,
– gelet op artikel 110, lid 2 van zijn Reglement,
A. overwegende dat de wanhoopsdaad van Mohammed Bouazizi, die zich op 17 december 2010 in Sidi Bouzid in brand heeft gestoken, heeft geleid tot een volksopstand die oproept tot diepgaande politieke verandering in Tunesië,
B. overwegende dat de vreedzame protestbeweging zich over heel Tunesië heeft verspreid en door de ordediensten met geweld is onderdrukt, waarbij honderden slachtoffers zijn gevallen, en in het bijzonder wijzend op het gebruik van vuurwapens tegen de betogers, standrechtelijke executies, willekeurige arrestaties, martelingen in gevangenissen en verdwijningen,
C. overwegende dat president Ben Ali op 14 januari 2011 is gevlucht en overeenkomstig artikel 57 van de Tunesische grondwet definitief is vervangen, en vooral nota nemend van de rol die het leger heeft gespeeld zowel in de bescherming van de betogers en de bevolking als in de steun aan de verandering,
D. overwegende dat de milities van de vroegere president Ben Ali terreur onder de bevolking blijven zaaien en zich schuldig blijven maken aan vele gevallen van misbruik, en daarom een reëel gevaar voor de gehele bevolking zijn,
E. overwegende dat de betrekkingen tussen de EU en Tunesië sinds 17 juli 1995 worden geregeld door een associatieovereenkomst, die een mensenrechtenclausule bevat, en sinds 4 juli 2005 door een actieplan dat, in het kader van het Europese nabuurschapsbeleid, gebaseerd is op de wederzijds erkende gehechtheid aan gemeenschappelijke waarden als democratie, de rechtsstaat, goed bestuur en eerbiediging van de mensenrechten, overeenkomstig de artikelen 8 en 21 van het EU-Verdrag,
F. overwegende dat de EU niet in staat is een echt samenhangend en doeltreffend buitenlands beleid ten aanzien van haar partners te ontwikkelen; met name wijzend op de zwakke samenwerkingsmechanismen tussen de EU en Tunesië en opnieuw wijzend op het verzoek van het Parlement om de mensenrechtenclausules in de associatieovereenkomsten systematisch te koppelen aan een mechanisme voor effectieve uitvoering van de clausules,
G. overwegende dat bij de lopende herziening van het nabuurschapsbeleid verplicht en automatisch rekening moet worden gehouden met de waarden en beginselen van artikel 21 van het EU-Verdrag, meer toezicht op de eerbiediging van deze waarden mogelijk moet worden gemaakt, in duidelijke evaluatiemechanismen moet worden voorzien die echte hervormingen op het vlak van de eerbiediging en bevordering van de mensenrechten en de democratie, duurzame ontwikkeling op het economische, sociale en milieuvlak kunnen begeleiden, en een voorwaardelijkheidsclausule moet worden ingevoerd voor de toekenning van een gevorderde status,
1. geeft uiting aan zijn solidariteit met het Tunesische volk dat, gedreven door gewettigde verlangens naar democratie, een historische politieke ommekeer in zijn land teweeg heeft gebracht door een einde te maken aan 23 jaar dictatuur; betuigt zijn respect voor de moed en vastberadenheid van het Tunesische volk in de vier weken van vreedzame demonstraties, en wijst op de belangrijke rol die vrouwen hebben gespeeld; betuigt zijn deelneming met de families van de slachtoffers;
2. prijst en steunt ten volle het proces van democratische overgang in Tunesië en spreekt de wens uit dat er een overgangsregering wordt gevormd waarin plaats is voor de verschillende groeperingen van de samenleving en die het vertrouwen van de bevolking heeft; vindt het twijfelachtig dat emblematische figuren van het regime van Ben Ali gehandhaafd zijn op ministeriële sleutelposten, met name het ministerie van Binnenlandse Zaken;
3. is ingenomen met de eerste besluiten betreffende de vrijlating van politieke gevangenen en gevangenen die vanwege hun mening in hechtenis zijn genomen, de opheffing van het ministerie van Informatie, de waarborging van de vrijheid van meningsuiting, de erkenning van alle oppositiepartijen, en de mogelijkheid voor niet-gouvernementele organisaties zich te laten registreren;
4. is verheugd over de instelling van drie nationale commissies die onderzoek moeten doen naar de gebeurtenissen na 17 december 2010, corruptiebestrijding en de hervorming van de instellingen en de wetgeving; is van mening dat hun werk volledig in de lijn ligt van het proces van hervorming en democratisering van het land en hoopt dat hun aanbevelingen in aanmerking worden genomen in het kader van de toekomstige wettelijke en institutionele hervormingen;
5. acht het essentieel dat bovengenoemde commissies worden samengesteld uit onafhankelijke personen uit het maatschappelijk middenveld, dat zij over reële onderzoeksbevoegdheden beschikken, op de samenwerking van alle staatsdiensten kunnen rekenen, en over de nodige financiële en personele middelen kunnen beschikken om efficiënt te functioneren; acht het noodzakelijk dat deze commissies kunnen profiteren van de expertise en de ondersteuning van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten en de relevante VN-mechanismen;
6. onderstreept hoe belangrijk het is dat de nodige voorwaarden worden geschapen voor het houden van vrije en transparante parlements- en presidentsverkiezingen, onder internationaal toezicht, binnen een redelijke termijn die het mogelijk maakt in Tunesië een echte democratische ruimte volgens de internationale normen tot stand te brengen;
7. benadrukt hoe belangrijk het is het ontstaan van een onafhankelijke rechtspraak te ondersteunen en een proces van overgangsrechtspraak in te stellen;
8. verzoekt de Raad, de Europese dienst voor extern optreden en de Commissie al hun steun te geven aan de huidige overgang naar de democratie door politieke en financiële bijstand te verlenen aan het maatschappelijk middenveld en aan de nodige hervormingen met het oog op de democratisering van het land, met name op het vlak van de vrijheid van meningsuiting, de persvrijheid, de vrijheid van vereniging, de vrijheid van vergadering en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht;
9. dringt erop aan dat het actieplan wordt bijgestuurd tot een steunprogramma voor de overgang naar de democratie, met name door een versterking van de programma's gericht op het maatschappelijk middenveld, in alle bestaande financiële instrumenten en zo nodig door humanitaire hulp, en dringt in dit verband aan op een verhoging van de communautaire gelden voor Tunesië; benadrukt het belang van ondersteuning van organisaties die werken voor de rechten van vrouwen en wenst dat onder auspiciën van Catherine Ashton een conferentie over vrouwen en de democratische overgang wordt georganiseerd;
10. vraagt de Dienst voor extern optreden en de Commissie alle nodige maatregelen te nemen om de oprichting en de werkzaamheden van de drie nationale commissies volledig te ondersteunen;
11. steunt het gezamenlijke voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie en de commissaris voor Uitbreiding en nabuurschapsbeleid, Stefan Füle, om onmiddellijk ondersteuning te verlenen bij de verkiezingen, en vraagt hen zich niet te beperken tot de verkiezingsfase, maar rekening te houden met de noodzaak om het democratiseringsproces te begeleiden; vraagt de EU met klem een proactieve rol in dit verband te spelen;
12. staat erop dat alle onderhandelingen die met het vorige regime waren geopend, nu worden opgeschort in afwachting van vrije en democratische verkiezingen;
13. vraagt de Europese Unie selectieve sancties te treffen tegen personen die Tunesisch staatseigendom voor zichzelf hebben verduisterd, met name door een visumverbod uit te vaardigen, en roept de lidstaten die dat nog niet hebben gedaan op om de tegoeden van de familie Ben Ali en hun verwanten te bevriezen en te garanderen dat onterecht verkregen goederen aan Tunesië worden teruggegeven;
14. verzoekt de vertegenwoordigers van de EU en de lidstaten ervoor te zorgen dat alle groeperingen die deel uitmaken van de democratische overgang, worden betrokken bij het diplomatieke overleg; dringt er in dit verband op aan dat de vertegenwoordigers van de EU en de lidstaten die gestationeerd zijn in Tunis in staat moeten zijn gestalte te geven aan de nieuwe politieke situatie en de steun en het vertrouwen te krijgen van de hoofdrolspelers in de verandering; roept de EU op met het oog op dit doel een speciale afgezant voor Tunesië te benoemen;
15. dringt er bij de Europese Unie met klem op aan lering te trekken uit het Tunesische voorbeeld en haar beleid ter ondersteuning van de democratie en de mensenrechten te herzien om het maatschappelijk middenveld een centrale rol in deze politiek te geven, en tegelijk te overwegen een uitvoeringsmechanisme voor de mensenrechtenclausule op te zetten; dringt erop aan dat bij de herziening van het nabuurschapsbeleid van nu af aan de prioriteit wordt gelegd bij de effectieve uitvoering van de doelstellingen van artikel 21 van het Verdrag en dit beleid wordt geëvalueerd aan de hand van criteria met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechtspraak, de eerbiediging van de fundamentele vrijheden, de pluriformiteit van de media en de persvrijheid en corruptiebestrijding;
16. dringt aan op de oprichting van een interinstitutionele taskforce, waarvan ook het Europees Parlement deel uitmaakt, om opnieuw te bekijken welke prioritaire acties de komende maanden moeten worden gesteund en de steun uit de verschillende externe financiële instrumenten die tot nog toe in Tunesië zijn gebruikt, naar gelang van de behoeften bij te sturen;
17. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Europese dienst voor extern optreden en de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de overgangsregering van Tunesië en alle drijvende krachten achter de verandering, en de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de Verenigde Naties.