naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie
ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement
over Europa 2020
Guy Verhofstadt, Lena Ek
namens de ALDE-Fractie
Resolutie van het Europees Parlement over Europa 2020
B7‑0109/2011
Het Europees Parlement,
– gezien de evaluatie van de Lissabon-strategie door de Commissie (SEC(2010)114),
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 maart 2010 over EU 2020(1),
– onder verwijzing naar zijn resoluties van 16 juni 2010 over strategie Europa 2020(2) en economisch bestuur(3),
– gezien het jaarlijks overzicht van de groei van de Commissie van 12 januari 2011,
– gelet op artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,
ALGEMENE OPMERKINGEN
De strategie Europa 2020 moet doortastender zijn om een herhaling van de mislukte Strategie van Lissabon te voorkomen
1. vreest dat de strategie Europa 2020 haar beloften, zoals de schepping van groene banen en de verwezenlijking van economische groei, niet zal kunnen nakomen door de zwakke beheersstructuur die nog steeds gebaseerd is op de open coördinatiemethode; is van mening dat de Commissie er meer blijk van moet geven dat zij beseft dat de tijd dringt, en verzoekt haar om doortastender wetgevingsvoorstellen voor de tenuitvoerlegging van de strategie Europa 2020;
2. is van mening dat de open coördinatiemethode is mislukt; is van mening dat de strategie Europa 2020 bindende doelen moet omvatten die door de Commissie voor de lidstaten zijn opgesteld en die maximale en minimale waarden bevatten die moeten worden toegepast op een aantal macro-economische aspecten van hun economieën; is van mening dat de Commissie een strategie van beloningen en straffen moet toepassen om de lidstaten te dwingen de doelen ten uitvoer te leggen;
3. onderstreept dat de huidige inhoud van de Europa 2020 strategie, zoals de hoofddoelen, toonaangevende voorstellen, knelpunten en indicatoren, nog steeds van zeer algemene aard is; verzoekt de Commissie daarom dringend om met meer gedetailleerde plannen te komen om te verduidelijken hoe deze initiatieven met succes zullen worden uitgevoerd;
Het kader voor economische sturing moet worden uitgebreid
4. spreekt zijn waardering uit voor de initiatieven die de regeringen van de EU tijdens de Top van 4 februari 2011hebben genomen tot uitbreiding van de economische sturing; is echter fel gekant tegen de voorgestelde methode; is van mening dat een zuiver intergouvernementeel system buiten de Verdragsstructuren om, niet het gewenste effect zal hebben; wijst erop dat er alleen daadwerkelijk voor discipline kan worden gezorgd als de communautaire methode wordt toegepast en als aan de Commissie volmachten worden verstrekt; is van mening dat het onaanvaardbaar is dat de Europese Commissie naar de zijlijn wordt gedrongen;
5. spreekt zijn waardering uit voor de Commissievoorstellen inzake economische sturing, maar is van mening dat deze voorstellen niet ver genoeg gaan en dat rekening zou moeten worden gehouden met meer automatische procedures en strafmaatregelen, de noodzaak van een openbare dialoog, de plicht van Raad en Commissie aan het Parlement verantwoording af te leggen en de noodzakelijke instelling van nieuwe stimulansen; is voorts van mening dat deze voorstellen moeten leiden tot de formulering van beleid voor werkelijke economische convergentie en dat de structurele aanpassingen en hervormingen die landen uitvoeren in het kader van de strategie Europa 2020 juridisch bindend en afdwingbaar moeten zijn;
6. wijst erop dat huidige voorstellen tot hervorming van het stabiliteitspact verder moeten worden uitgebreid en dat het in uitzonderlijke omstandigheden meer in het bijzonder mogelijk moet zijn dat de Commissie onmiddellijk maatregelen neemt en strafmaatregelen tegen lidstaten invoert die het pact schenden, en wel zonder voorafgaande instemming van de Raad (d.w.z. omgekeerde besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid moet regel worden);
7. dringt er bij de Commissie op aan meer automatisme in te voeren, na te gaan of een Verdragswijziging nodig is en zo spoedig mogelijk voorstellen voor een permanent crisismechanisme in te dienen (bijvoorbeeld een Europees Muntfonds), alsmede een voorstel om de Europa 2020-strategie volledig in het stabiliteitskader op te nemen en een voorstel voor één externe vertegenwoordiging van de eurozone;
8. is van oordeel dat de lidstaten hun economische prestaties moeten verbeteren door structurele hervormingen door te voeren om de overheidsuitgaven te verlagen, te zorgen voor minder bureaucratie, de eigen verantwoordelijkheid van burgers te verhogen en te bevorderen, ondernemerschap en vernieuwing aan te moedigen, de regelgeving MKB-vriendelijker te maken en de mensen de mogelijkheid te bieden om hun potentieel te maximaliseren in plaats van afhankelijk te zijn van sociale uitkeringen,
9. benadrukt dat een monetaire pijler zonder sociaaleconomische pijler gedoemd is om te mislukken; is van mening dat discipline gekoppeld moet worden aan groei; is van oordeel dat het succes van dit programma voornamelijk afhankelijk is van de vraag of de lidstaten die in financiële problemen verkeren de consolidatie van hun belastingstelsel kunnen versnellen, hun arbeidsmarkten kunnen hervormen, hun banksector op orde kunnen brengen en de productiviteit kunnen verbeteren;
10. is van mening dat daadwerkelijke sturing van de strategie Europa 2020 onlosmakelijk verbonden is met uitbreiding en ontwikkeling van gezamenlijke instrumenten om schadelijke belastingmededinging en belastingontduiking aan te pakken; zou in dit verband gaarne zo snel mogelijk een CCCTB-voorstel ontvangen;
11. stelt vast dat de Commissie geen effectbeoordeling verstrekt van de totale kosten en gevolgen van de nieuwe verordeningen die – na de financiële crisis - aan de markten zijn opgelegd, en van de wijze waarop verordeningen gevolgen zullen hebben voor de werking van de interne markt en de reële economie; verzoekt de Commissie om een nauwkeurige effectbeoordeling van de economische gevolgen van tenuitvoerlegging van de nieuwe financiële verordeningen;
12. is van mening dat de voorwaarden die in het kader van het economisch beleid worden gesteld aan instrumenten van het cohesiebeleid geen duidelijke grondslag hebben in de huidige Verdragsbepalingen en moeilijk in overeenstemming kunnen worden gebracht met de doelen van het cohesiebeleid ; dringt erop aan dat er voldoende voorwaarden worden gesteld en dat er instrumenten worden afgestemd op doelen van het cohesiebeleid om te voorkomen dat ontvangers nadelige gevolgen ondervinden van de nalatigheid van nationale regeringen;
Noodzaak van ambitieuzere initiatieven om de interne markt te voltooien
13. wijst er in dit verband op dat de EU de groeimogelijkheden van de interne markt ten volle dient te benutten en de gemeenschappelijke markt moet voltooien, met name in de sectoren diensten, vervoer, energie en telecommunicatie in de geest van het verlag-Monti; is van oordeel dat de EU deze markt moet aanvullen met een flexibeler en mobieler arbeidsmarkt en met echte mobiliteit voor patiënten met betrekking tot de gezondheidszorg in de verschillende lidstaten; is tevreden met de publicatie van het besluit interne markt , maar is van mening dat de voorstellen ambitieuzer en concreter moeten zijn; verzoekt de Commissie voorts de opneming en harmonisatie van de verordening inzake financiële diensten te versnellen en te verbeteren; dringt daarom aan op verdere EU-initiatieven op het gebied van het Europese verbintenissenrecht om belemmeringen voor bedrijven en consumenten in grensoverschrijdende verbintenissen weg te nemen;
14. spreekt zijn waardering uit voor het Commissievoorstel voor uitgebreidere samenwerking met betrekking tot instelling van een Europees octrooi;
15. verzoekt de lidstaten de dienstenrichtlijn volledig en onmiddellijk ten uitvoer te leggen, met name ter verbetering van de werking van de éénloketvoorzieningen, om het vrij verkeer van diensten op de interne markt mogelijk te maken; verzoekt de Commissie een inbreukprocedure op gang te brengen tegen lidstaten die de dienstenrichtlijn nog steeds niet volledig ten uitvoer leggen; moedigt de Commissie aan vergaande voorstellen in te dienen om de dienstensector verder open te breken om aanvullende groeimogelijkheden vrij te maken;
16. verzoekt de Commissie en de lidstaten het transparante gebruik van precommerciële overheidsopdrachten te bevorderen om nieuwe markten voor innovatieve en groene technologieën een beslissend eerste steuntje in de rug te geven, en tegelijkertijd de kwaliteit en de doeltreffendheid van de publieke dienstverlening te verbeteren;
17. wijst erop dat het vervoersbeleid de voltooiing van de interne markt beoogt via volledige openstelling van de spoorwegsector, de liberalisatie van het vervoer binnen nationale grenzen maar eveneens via de tenuitvoerlegging van een geïntegreerd kaartverkoopsysteem en door verbetering van de veiligheid en zekerheid van de burgers;
De Europese begroting moet beter aansluiten op de doelen van de strategie Europa 2020
18. wijst erop dat de strategie Europa 2020 de kloof moet overbruggen tussen haar streefdoelen, de beschikbare middelen en de gebruiken methoden; dringt aan op adequate financiering van strategie Europa 2020 om de strategie Europa 2020 te verwezenlijken en gaat ervan uit dat in het volgende MFK de doelen van strategie Europa 2020 doorklinken; dringt er bij de Commissie met klem op aan dat zij gedurfde en innovatieve voorstellen indient voor de instelling van nieuwe eigen middelen zodat de Unie kan beschikken over werkelijke en zelfstandige financiële middelen , waardoor de rechtstreekse bijdragen van nationale schatkisten afnemen;
19. dringt er bij de Commissie op aan in haar voorstel inzake het meerjarig financieel kader een ambitieus kader voor te stellen om de Unie in staat te stellen haar toegenomen verantwoordelijkheden na te komen; is van mening dat flexibiliteit binnen dit kader van essentieel belang zal zijn en is voorstander van een meerjarig financieel kader dat voortkomt uit de politieke prioriteiten waarover het Parlement, de Commissie en de Raad het na de verkiezing van het Parlement samen eens zijn geworden;
20. spreekt zijn waardering uit voor de invoering van een Europees Semester en voor de voornemens de nationale begrotingen verder te coördineren en stroomlijnen door in een zo vroeg mogelijk vast te stellen welke beleidsvormen elkaar versterken en welke eventueel twee maal zouden worden uitgevoerd;
21. verzoekt de Commissie uiterlijk 1 juli 2011 op grond van artikel 311 van het VWEU substantiële voorstellen voor nieuwe eigen middelen voor de EU te doen , en dringt aan op een toezegging van de Raad om deze voorstellen met het Parlement en de nationale parlementen te bespreken in het kader van het onderhandelingsproces voor het volgende meerjarig financieel kader (MFK), overeenkomstig verklaring 3 bij het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006;
22. benadrukt het feit dat de Commissie op meer open wijze moet bijdragen tot een positieve houding tegenover nationale beheersverklaringen die door de ministers van Financiën worden ondertekend; benadrukt het feit dat de Commissie er bij de lidstaten op moet aandringen om nationale beheersverklaringen op te stellen; is in verband hiermee tevreden met de initiatieven die al zijn genomen door Nederland en Zweden;
Ten volle benutten van onze instrumenten voor extern beleid
23. spreekt zijn waardering uit voor de toezegging van de Commissie te streven naar geslaagde afronding van de Doharonde door de ministersbijeenkomst op hoog niveau bijeen te roepen in Davos, en acht deze onderhandelingen doorslaggevend voor het stimuleren van de Europese groei voor de strategie Europa 2020; erkent dat onlangs een vrijhandelsovereenkomst is gesloten met Zuid-Korea en dat er vooruitgang wordt geboekt bij andere bilaterale onderhandelingen, maar wijst erop dat multilateralisme de eerste handelsprioriteit van de EU moet blijven, en dat bilaterale overeenkomsten aanvullend dienen te blijven;
24. wijst er nogmaals op dat rechtstreekse buitenlandse investeringen (DBI) thans een bevoegdheid van de Commissie zijn en dat hierdoor kansen moeten worden geschapen voor groei door middel van investeringen en bescherming, en dat meer DBI de EU binnen stromen ; is teleurgesteld dat de mededeling van de Commissie bijna één jaar nadat het Verdrag van Lissabon in werking trad, is gepubliceerd en wijst erop dat de lidstaten de ontwikkeling van Uniebeleid in dit opzicht beter kunnen vergemakkelijken dan zich ertegen te verzetten;
25. wijst erop dat mechanismen voor ontwikkelingshulp gericht moeten zijn op bevordering van de totstandbrenging van welvaart en verzoekt de EU haar strategische partnerschapsbetrekkingen met ontwikkelingslanden te verbeteren; in haar handelsbeleid moet de EU ter bevordering van economische groei ten gunste van de armen, aanvullende steun verlenen aan samenwerking tussen overheid en particulieren, regionale eenwording en zuid-zuid-handel; verzoekt de Commissie een soortgelijke wetgeving aan te nemen als de Frank Dodd Act om een eind te maken aan de illegale uitbating van grondstoffenreserves in ontwikkelingslanden ;
Cohesiebeleid
26. is verheugd over de erkenning van de rol van de structuurfondsen bij de uitvoering van de EU 2020-doelstellingen; benadrukt echter dat het cohesiebeleid niet alleen een bron is van stabiele financiering; de voornaamste pijlers waarop dit beleid rust – een geïntegreerde benadering, meerlagig bestuur en volwaardig partnerschap – zijn belangrijke elementen voor het welslagen van de strategie en moeten er volledig deel van uitmaken; herhaalt zijn standpunt dat de prioriteiten van het cohesiebeleid moeten aansluiten op de dolen van de strategie Europa 2020, maar dat voldoende soepelheid mogelijk moet worden toegestaan om tegemoet te komen aan specifieke regionale kenmerken;
27. benadrukt dat een krachtig en goed gefinancierd cohesiebeleid, gericht op alle Europese regio's, een belangrijk aspect van de EU 2020-strategie moet zijn; meent dat dit beleid, met zijn horizontale benadering, een vereiste vormt voor de succesvolle uitvoering van de EU 2020-doelstellingen, en voor het tot stand brengen van sociale, economische en territoriale cohesie in de EU; verwerpt alle pogingen om het cohesiebeleid te renationaliseren en verzoekt om volledige steun voor de regionale dimensie bij de herziening van de EU-begroting; dringt aan verbetering van het beheerssysteem van de strategie Europa 2020 op de grondslag van verantwoordelijkheid op meer dan één niveau, waarbij plaatselijke en regionale overheden en belanghebbende maatschappelijke organisaties betrokken zijn;
Jaarlijks overzicht van de groei
28. steunt de benadering van de Commissie in haar Jaarlijks Overzicht van de Groei; is van mening dat structurele hervormingen de sleutel zullen zijn tot herstel van het mededingingsvermogen in de lidstaten die momenteel achter blijven; spreekt zijn waardering uit voor het voornemen te zorgen voor evenwichtige begrotingen en beperking van de totale schulden tot minder dan 60% van het BBP; steunt de maatregelen om lidstaten wier toegang tot de kapitaalmarkten beperkt is voor de duur van de structurele hervormingen te voorzien van liquide middelen ; dringt aan op herstel van structureel gebrek aan evenwicht; wijst erop dat er moet worden gezorgd voor een klimaat dat duurzame groei mogelijk maakt om de economische crisis te boven te komen;
CENTRALE DOELSTELLINGEN
75% van de bevolking in de leeftijdsgroep van 20-64 jaar moet werk hebben
29. dringt erop aan dat de lidstaten meer doen om de strategie Europa 2020 in de sectoren werkgelegenheid en sociale aangelegenheden ten uitvoer te leggen; stelt vast dat een doelmatiger uitwisseling tussen lidstaten van optimale werkmethoden en ervaringen met betrekking tot de hoofdproblemen, zoals de bestijding van sociale uitsluiting en het terugdringen van de armoede, van levensbelang is en zou bijdragen tot tenuitvoerlegging van de doelen van ieder kerninitiatief;
30. acht het van levensbelang dat er maatregelen worden genomen om de deelname van met name jongeren, schoolverlaters, ouderen, gehandicapten en migranten aan de arbeidsmarkt op te voeren en meer te doen; verzoekt de lidstaten hun arbeidsmarkt aan te passen aan de behoeften en vaardigheden van deze mensen en om discriminatie op de arbeidsmarkt op grond van leeftijd, handicap, geslacht, ras, seksuele geaardheid en religie of geloof op een doeltreffende manier aan te pakken, in overeenstemming met de bestaande EU-regelgeving.
31. dringt aan op maatregelen om zwart werk aan te pakken, de arbeidsmarkten te moderniseren in aansluiting op wat werknemers ter plaatse en werkgevers nodig hebben, de administratieve druk op werkgevers overeenkomstig EU-doelen te beperken en alleen als de noodzaak is aangetoond nieuwe wetgeving in de sector werkgelegenheid voor te stellen; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de standpunten van werknemers en werkgevers die momenteel geen deel vormen van het socialepartnermodel worden gehoord, om ervoor te zorgen dat niemand wordt buitengesloten;
32. verzoekt de lidstaten de nodige maatregelen te nemen om te zorgen voor adequate en duurzame pensioenen; stelt vast dat deze bepaling niet over het hoofd mag worden gezien tijdens de tenuitvoerlegging van bezuinigingsprogramma's;
3% van het EU-BBP moet worden geïnvesteerd in O&O;
33. wijst erop dat de financiering van onderzoek, innovatie en ontwikkeling in de EU moet worden gesteund, aangemoedigd en veilig gesteld door het onderzoeksbudget vanaf 2013 aanzienlijk op te voeren en ten minste de in totaal 3% voor O&O-doelen vast te houden, en dringt erop aan te blijven streven naar vereenvoudiging van de financiering van onderzoek, innovatie en ontwikkeling en adequaat programmabeheer, met name ten voordele van het MKB , zoals uiteengezet in het verslag van het Europees Parlement over "Vereenvoudigen van de tenuitvoerlegging van de kaderprogramma's voor onderzoek" van 6 oktober 2010; dringt aan op uitbreiding van de internationale samenwerking op het gebied van O&O;
34. dringt er bij de Commissie op aan een meer risicotolerante en op vertrouwen gebaseerde aanpak van haar O&O-programma's te volgen, om de bureaucratie te beperken en de deelname van innoverende bedrijven aan de projecten te vergroten; is voorts van mening dat de Commissie publiek-private partnerschappen moet bevorderen om onderzoek, ontwikkeling en innovatie in Europa te stimuleren;
De "20/20/20"-klimaat- en energiedoelstellingen moeten worden gehaald ( met inbegrip van een 30% grotere uitworpvermindering)
35. wijst op het belang van een werkelijke, mededingingskrachtige energiemarkt in de Europese Unie; wijst voorts op de noodzaak het gebruik van duurzame koolstofarme energiebronnen op te voeren en de onafhankelijkheid van energie die CO2-vervuiling veroorzaakt te vergroten;
36. dringt aan op toewijzing van meer middelen om de EU-economie koolstofvrij te maken;
37. betreurt dat lidstaten het EU-doel voor doelmatig energiegebruik niet ernstig genoeg opvatten, en dat de EU derhalve niet op schema ligt om haar doel het energiegebruik uiterlijk in 2020 met 20% te hebben teruggedrongen te kunnen verwezenlijken; dringt erop aan bindende doelen voor doelmatig energiegebruik te bepalen;
38. is van mening dat door het doel voor de beperking van de uitstoot van broeikasgassen te bepalen op 30% wordt bijgedragen tot de schepping van werkgelegenheid en stimulering van de economische groei en innovatie in de EU, en dat er aldus voor wordt gezorgd dat de EU wereldleider blijft in de sector koolstofarme technieken;
39. wijst er nogmaals op dat doelmatig energiegebruik de meest rendabele manier is om de uitworp te beperken, de veiligheid van energievoorziening en het mededingingsvermogen te verbeteren, het energiegebruik betaalbaarder te maken en werkgelegenheid te scheppen; is ernstig verontrust door de voorlopige beoordeling dat op basis van de huidige maatregelen van de lidstaten op het gebied van doelmatig energiegebruik minder dan de helft van de in totaal nagestreefde 20% vermindering van het energiegebruik zou worden verwezenlijkt, en betreurt dat de Europese Raad de doelstelling niet bindend heeft gemaakt; verzoekt de Commissie dan ook zo spoedig moegelijk een vergaand actieprogramma aan te nemen voor doelmatig energiegebruik, naar behoren rekening houdend met het standpunt van het Parlement, en verzoekt de lidstaten hun toezeggingen na te komen en maatregelen voor doelmatig energiegebruik uit te voeren die economische, sociale en milieuvoordelen opleveren;
40. verzoekt de lidstaten het derde energiepakket voor de interne markt snel volledig ten uitvoer te leggen; spreekt zijn waardering uit voor de Commissievoorstellen inzake transparantie van de energiemarkten en energie-infrastructuur en wacht met spanning op de publicatie van concrete voorstellen met betrekking tot de financiering van de noodzakelijk investeringen, en het kader inzake intelligente koppelnetten;
Het percentage voortijdige schoolverlaters moet minder dan 10% bedragen, en minstens 40% van de jongere generatie moet een hogeronderwijsdiploma hebben;
41. is van mening dat onderwijs en opleiding cruciaal zijn en op de lange termijn gerichte maar soepele strategieën vergen om een stevig fundament te leggen voor economische groei, en derhalve dienen te worden opgenomen in de tien prioritaire programma's van de Commissie voor het aanwakkeren van de economische groei ; wijst erop dat iedere leemte in een toekomstgericht onderwijsstelsel later een leemte op het gebied van werkloosheid in de economie zal opleveren;
42. erkent dat er grote verschillen tussen lidstaten bestaan voor wat betreft verwezenlijking van gezamenlijke doelen voor voortijdige schoolverlaters en een hoger aantal gediplomeerden in het hoger onderwijs, stelt vast dat het risico bestaat dat de doelen op Europees niveau niet worden gehaald, en verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de normen voor het meten van de resultaten in de lidstaten vergelijkbaar zijn;
Het aantal mensen voor wie armoede dreigt, moet met 20 miljoen zijn gedaald
43. merkt op dat werkloosheid een centraal thema is in de huidige discussie over de crisis; wijst erop dat er via stelsels van flexizekerheid arbeidsmarkten moeten worden geschapen die voor eenieder openstaan en die concurrerend zijn;
44. dringt aan op maatregelen om zwart werk aan te pakken, de arbeidsmarkten te moderniseren in aansluiting op wat werknemers ter plaatse en werkgevers nodig hebben, de administratieve druk op werkgevers overeenkomstig EU-doelen te beperken en alleen als de noodzaak is aangetoond nieuwe wetgeving in de sector werkgelegenheid voor te stellen; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de standpunten van werknemers en werkgevers die momenteel geen deel vormen van het socialepartnermodel worden gehoord, om ervoor te zorgen dat niemand wordt buitengesloten;
VIERSTERRENVOORSTELLEN
45. spreekt zijn waardering uit voor alle kernvoorstellen die thans door de Commissie zijn ingediend;
46. verzoekt de Commissie met klem de concrete wetgevingsvoorstellen te beschrijven waaruit de kernvoorstellen zullen bestaan;
Kerninitiatief: "Innovatie-Unie"
47. dringt er bij de Europese Commissie op aan administratieve obstakels weg te nemen; dringt er bij de Commissie op aan de omstandigheden om te innoveren te verbeteren, bijvoorbeeld door een uniform Europees octrooi in te voeren; goedbedoelde programma's ter stimulering van de concurrentie en een duurzame economie komen niet uit de verf omdat MKB en universiteiten ontmoedigd worden om deel te nemen aan Europese programma's;
48. spreekt zijn waardering uit voor de mededeling van de Commissie over de Innovatie-unie; is van mening dat innovatieve Europese bedrijven geen subsidies nodig hebben, maar meer vrijheid en ruimere beschikbaarheid van durfkapitaal; de Europese Unie moet aan deze behoefte tegemoet komen door uitbreiding van het aantal permanente producten met risicodeling die de Europese Investeringsbank aanbiedt via de risicodelende financieringsfaciliteit (RSFF); is voorts van mening dat de EU een "bonusstelsel" moet uitvoeren in het kader waarvan leningen worden kwijt gescholden van bedrijven die tastbare innovatieve resultaten kun laten zien;
49. verzoekt de Commissie om bijzonderheden omtrent beheer en financiering van de Partnerschappen voor Innovatie en naar behoren rekening te houden met zijn resolutie van 11 november 2010 over partnerschappen voor innovatie, met name voor wat betreft de marktgerichte aanpak;
Kerninitiatief: "Jeugd in beweging"
50. wijst erop dat het belangrijk is kennis, vaardigheden en vakbekwaamheid van jongeren te verbeteren en ervoor te zorgen dat deze afgestemd zijn op de behoeften van een veranderende arbeidsmarkt door het opzetten van eerlijke, soepele en doelmatige systemen voor hoger onderwijs en opleiding; verzoekt de Commissie om uitbreiding van de EU-programma's ter ondersteuning van onderwijs, bijscholing en levenslang leren om de overgang van onderwijs en opleiding of van werkloosheid en inactiviteit naar de arbeidsmarkt soepeler te laten verlopen;
51. benadrukt dat meer nadruk moet worden gelegd op het opstarten van EU-programma's ter bevordering van ondernemerschap en mobiliteit bij jongeren in alle stadia van het onderwijs, om de hoge werkloosheidsgraad bij jongeren aan te pakken; onderstreept in dit verband het belang van het verstrekken van hoogwaardig onderwijs aan jongeren door het ontwikkelen van een geïntegreerd flexizekerheidbeleid ter bevordering van zowel flexibiliteit van de arbeidsmarkt en zekerheid van de werkgelegenheid, en om ondernemerschap onder jongeren aan te moedigen en te bevorderen en de ondernemingszin te ontwikkelen door adequate onderwijs- en opleidingsvoorzieningen, leerlingschappen en stageprogramma's;
52. herhaalt nogmaals dat de kwaliteit en beschikbaarheid van de nodige opleidingen voor een economie steeds voorwaarden zijn om groei mogelijk te maken; wijst er dan ook op dat aangepaste investeringen in hun onderwijs- en opleidingsstelsels, o.m. beroepsonderwijs en –opleiding, van wezenlijke betekenis zijn als de lidstaten de gemeenschappelijke doelen voor economische groei en onderwijs willen verwezenlijken;
53. wijst erop dat samenwerkingsverbanden tussen universiteiten en bedrijven moeten worden bevorderd en dat moet worden gezorgd voor voldoende financiering ter ondersteuning van de moderniseringsagenda van universiteiten en het daarin gestelde doel mondiaal concurrerende Europese centra van geavanceerde kennis te ontwikkelen;
Kerninitiatief: "Een digitale agenda voor Europa"
54. spreekt zijn waardering uit voor de Commissievoorstellen inzake de inzet van spectrum, ENISA en breedband en dringt erop aan de goedkeuring van voorstellen in verband met de digitale interne markt (e-handel, intellectuele eigendom, vertrouwen en veiligheid on –line, roaming, e-identificatie enz.) te versnellen
55. is van oordeel dat de effectieve bescherming van persoonlijke gegevens een onmisbaar element is als men vertrouwen wil wekken in onlinediensten; beschouwt bescherming van privacy als een centrale waarde en vindt dat alle burgers zelf moeten kunnen beschikken over hun persoonlijke gegevens dringt daarom aan op aanpassing van de richtlijn inzake databescherming aan het huidige digitale milieu;
56. wijst erop dat pluralistische en onafhankelijke media een pijler van de Europese democratie vormen die moet worden beschermd; hetzelfde geldt voor internetmedia; onafhankelijke EU-journalistiek moet worden versterkt, evenals het communicatiebeleid met betrekking tot EU-kwesties;
57. wijst erop dat de IER-wetgeving moet worden hervormd tot een Europees kader voor de bescherming van intellectuele eigendom; verzoekt de Commissie voorrang te geven aan de harmonisatie van de digitale interne markt van de EU;
58. herinnert de Commissie eraan dat het herhaaldelijk heeft aangedrongen op indiening van een richtlijn inzake pluralistische media;
59. de bevordering en aanpassing van traditionele media aan nieuwe communicatietechnieken moet eveneens met voorrang worden behandeld, met de nadruk op het onder de aandacht brengen van de EU en bevordering van een pan-Europese dialoog;
Kerninitiatief: "Efficiënt gebruik van hulpbronnen"
60. spreekt zijn waardering uit voor het kerninitiatief van de EU inzake efficiënt gebruik van hulpbronnen, en verzoekt de Commissie te blijven werken aan de formulering van concreet beleid om te zorgen voor overstap op een koolstofarme economie waarin grondstoffen efficiënt worden gebruikt; verzoekt de Commissie tastbare referentiepunten en bindende doelen te ontwikkelen die kunnen worden gecontroleerd in het kader van het Europees semester van beleidscoördinatie van de Europa 2020-strategie;
61. vraagt dat de toegang tot en de beschikbaarheid van betaalbare en klimaatvriendelijke energiebronnen van uiteenlopende aard wordt gegarandeerd door de volledige totstandbrenging van een geïntegreerde energiemarkt, door de ontwikkeling van de Europese energie-infrastructuur, met name voor hernieuwbare koolstofarme energiebronnen, en door de bevordering van energie-efficiëntie op alle relevante gebieden;
62. gaat ervan uit dat de Commissie zich houdt aan haar toezeggingen om van doelmatig energiegebruik een leidraad in iedere vorm van EU-beleid te maken; wijst er met name op dat deze beginselen moeten worden toegepast in het kader van de aanstaande hervorming van het GLB, het gemeenschappelijk visserijbeleid, het geïntegreerd maritiem beleid en het cohesiebeleid; verzoekt de Commissie met klem onverwijld over te gaan tot tenuitvoerlegging van het initiatief, om groene investeringen te stimuleren en om ondernemingen de zekerheid te verschaffen die zij nodig hebben;
63. onderstreept het belang van het beginsel dat "de vervuiler betaalt"; verzoekt de lidstaten subsidies die schadelijk zijn voor het milieu, in overeenstemming met internationale overeenkomsten geleidelijk af te schaffen; steunt het denkbeeld van een op het milieu gerichte belastinghervorming in het kader waarvan de heffingsgrondslag wordt verplaatst van arbeid naar grondstoffengebruik en vervuiling, ten einde de nadruk in de economie te verleggen naar groene groei;
64. merkt op dat er vóór en na 2020 aanzienlijke investeringen in de energie-infrastructuur nodig zullen zijn om een antwoord te kunnen geven op de klimaatverandering, om de Europese energienetwerken op te waarderen, met inbegrip van trans-Europese energienetwerken, om te komen tot een Europees superkoppelnet, om intelligente netwerken te ontwikkelen en om te zorgen voor onderlinge verbindingen, die van wezenlijk belang zijn om de interne energiemarkt te stimuleren en om het toenemende aandeel van duurzame energiebronnen te integreren, en om grote infrastructuurprojecten in derde landen verder te ontwikkelen, met name in het Middellandse Zeegebied en in gebieden van Eurazië; herhaalt dat hernieuwbare energiebronnen de beste inheemse energiebronnen van ons continent zijn, en vraagt bijgevolg een ambitieuze tenuitvoerlegging van de verplichtingen inzake hernieuwbare energie van de lidstaten;
Kerninitiatief: "Industriebeleid in een tijd van mondialisering"
65. spreekt zijn waardering uit voor de instelling van een onderzoek naar de gevolgen die nieuwe wetgeving heeft voor het mededingingsvermogen en voor de invoering van beoordelingen van de kwaliteit van bestaande wetgeving;
66. is teleurgesteld over het feit dat de Commissie twee jaar na de goedkeuring van de wet ten behoeve van kleine bedrijven geen concrete maatregelen en initiatieven neemt; verzoekt Commissie en Raad met klem een meer MKB-vriendelijk regelgevingskader te bevorderen door de gevolgen van nieuwe wet- of regelgevingsmaatregelen voor het MKB zorgvuldig te beoordelen; vindt dat systematische en onafhankelijke evaluaties van de weerslag van alle beleidsvoorstellen op alle beleidsniveaus een vereiste zouden moeten zijn; dringt voorts aan op concrete initiatieven ter verbetering van de toegang van het MKB tot financiële middelen en tot internationale markten;
67. acht het op de markt brengen van Europese obligaties van wezenlijke betekenis om de Unie in staat te stellen innovatie en infrastructuur te financieren; dringt er bij de EU op aan specifieke economische EU-projecten op te starten, zoals een echt Europees intelligent superenergiekoppelnet, de voltooiing van het Galileo-project, groene technieken, e-gezondheid, het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-V) en ongehinderde, toegang tot ICT en breedband op gelijke voorwaarden;
Kerninitiatief: "Een agenda voor nieuwe vaardigheden en banen"
68. onderstreept dat alleen via het verbeteren van onderwijs en vaardigheden werkloosheid en armoede kunnen worden teruggedrongen en het aantal banen kan worden opgetrokken;
69. verzoekt de Commissie de lidstaten onverwijld te adviseren over de manier waarop zij hun beleid op het gebied van e-vaardigheden voor de lange termijn en computeralfabetisme het beste kunnen uitvoeren; E-vaardigheden en computeralfabetisme worden steeds belangrijker voor het leerproces; deze vaardigheden zijn eveneens steeds belangrijker om een kans te hebben op de banenmarkt;
Kerninitiatief: "Europees platform tegen armoede"
70. betreurt het feit dat het mislukken van de Strategie van Lissabon heeft bijgedragen tot de situatie waarin er ruim 80 miljoen armen zijn in de EU, een aantal dat bijna zo groot is als de hele bevolking van Duitsland; blijft herhalen dat deze verspilling van menselijk, sociaal en economisch potentieel moet worden aangepakt in het kader van de EU 2020 strategie; staat erop dat in de EU 2020-strategie de doelstelling wordt opgenomen om de armoede in de EU met de helft te verminderen;
71. roept de lidstaten en de Commissie op het beginsel van gelijke beloning voor gelijke arbeid volledig toe te passen door de loonkloof tussen mannen en vrouwen uiterlijk in 2020 te hebben verminderd tot 0-5%, een wetgevingsvoorstel in te dienen ter herziening van de bestaande regelgeving en door inbreukprocedures op te starten tegen lidstaten die de regelgeving niet naleven; benadrukt dat het van groot belang is te zorgen voor meer participatie van vrouwen, jongeren, ouderen, personen met een handicap en laaggeschoolden en om te zorgen voor een betere integratie van migranten en etnische minderheden op de arbeidsmarkt;
72. onderstreept dat mobiliteit op de arbeidsmarkt in de EU de komende jaren van cruciaal belang zal zijn voor het scheppen van nieuwe banen en economische groei; is dan ook van mening dat belemmeringen voor de interne en grensoverschrijdende mobiliteit uit de weg moeten worden geruimd;
73. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, en de regeringen en parlementen van de lidstaten.