Resolutie van het Europees Parlement over de energiestrategie van de Wereldbank voor de ontwikkelingslanden
B7‑0128/2011
Het Europees Parlement,
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 18 mei 2010 over de Samenhang van het EU-ontwikkelingsbeleid en het concept "officiële ontwikkelingshulp plus"(1),
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 maart 2008 over het Wereldfonds voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie(2),
– onder verwijzing naar het klimaat- en energiepakket dat het Parlement op 17 december 2008 heeft goedgekeurd,
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 1 april 2004 over het Rapport inzake de winning van delfstoffen waartoe opdracht is gegeven door de Wereldbank(3),
– gezien het ontwikkelingsrapport 2010 van de Wereldbank "World Development Report 2010: Development and climate change",
– gelet op artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van het Reglement,
A. overwegende dat toegang tot moderne energiediensten een absolute voorwaarde is voor de uitbanning van armoede en economische ontwikkeling, en dat het recht op energie impliceert dat energiediensten betrouwbaar en betaalbaar moeten zijn, vooral voor de armen, en gelijkelijk gespreid zijn zodat de kloof tussen stad en platteland wordt overbrugd,
B. overwegende dat momenteel 1,5 miljard mensen geen toegang hebben tot elektriciteit, waarvan vier op de vijf in Afrika ten zuiden van de Sahara en in Zuid-Azië leven, voornamelijk op het platteland, en overwegende dat bijna 2,4 miljard mensen nog steeds gebruikmaken van traditionele biomassa als brandstof voor koken en verwarming, hetgeen leidt tot ernstige gezondheidsproblemen en de dood van 1,9 miljoen mensen per jaar door vervuiling binnenshuis alsmede tot ecologische schade door niet-duurzaam gebruik van natuurlijke bronnen(4),
C. overwegende dat de door de Wereldbank gefinancierde conventionele elektrificatieprogramma's voor het platteland over het algemeen de arme plattelandsbevolking niet hebben bereikt, en overwegende dat niet op het net aangesloten, koolstofarme technologieën bijzonder geschikt kunnen zijn voor levering van elektriciteitsdiensten op het platteland omdat deze in wezen gedecentraliseerd zijn,
D. overwegende dat volgens het referentiescenario in de World Energy Outlook 2008 van het Internationaal Energieagentschap de mondiale vraag naar primaire energie in 2030 met 45% toegenomen zal zijn, waarbij niet-OESO-landen verantwoordelijk zijn voor 87% van die toename door hun snelle economische ontwikkeling; overwegende dat deze snelle toename in de vraag naar energie in niet-OESO-landen naar verwachting circa 97% zal bijdragen aan extra CO2-emissies in ditzelfde scenario,
E. overwegende dat de Wereldbank momenteel werkt aan een nieuwe energiestrategie, die waarschijnlijk medio -2011 gereed zal zijn, waarbij gestreefd wordt naar de inbreng van allerlei betrokkenen en waarin het concept van een doelmatige, betaalbare en schone energievoorziening centraal staat in het beleid inzake vermindering van armoede en economische groei,
F. overwegende dat de Wereldbank zich in 2008 ertoe verbonden heeft ervoor te zorgen dat voor 2011 de helft van zijn energie-investeringen koolstofarm zijn(5),
G. overwegende dat de verstrekking van financiering aan de particuliere sector door multilaterale ontwikkelingsbanken (MDB's) sinds 1990 vertienvoudigd is; en overwegende dat deze stijging met name hoog is bij het onderdeel van de Wereldbank voor de particuliere sector, de Internationale financieringsmaatschappij (IFC), waarvan de leningen en investeringen tussen 2003 en 2008 meer dan verdubbeld zijn;
1. verwelkomt de strategie en wijst erop dat deze specifiek moet ingaan op de vraag hoe toegang tot energiediensten mensen kan helpen uit de armoede te komen, en tegelijk de verschuiving naar de ontwikkeling van een milieuduurzame energie vergemakkelijken; dringt er tevens bij de Wereldbank op aan ten aanzien van de particuliere sector een ontwikkelingsbeleid te volgen dat maximale voordelen oplevert voor de armen en tegelijk de klimaatverandering bestrijdt; onderstreept dat milieu- en sociale factoren, zowel op nationaal als lokaal niveau, moeten worden meegerekend in een omvattende kosten-batenanalyse van verschillende energieopties;
2. merkt op dat leningen voor fossiele brandstoffen een overheersende plaats blijven innemen in de totale energieportefeuille van de Wereldbank, ondanks de recente toename van leningen voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie; wijst er tevens op dat investeringen in fossiele brandstoffen ook plaatsvinden via financiële tusseninstanties en dat deze leningen niet door de Wereldbank zijn opgenomen in de jaarcijfers voor de energiesector; merkt tevens bezorgd op dat de Wereldbank significante investeringen blijft doen in koolgestookte elektriciteitscentrales, waardoor ontwikkelingslanden in de komende decennia in een op steenkool gebaseerde energieopwekking gevangen blijven zitten;
3. is ingenomen met het strategische doel van de Wereldbank, in lijn met de toezeggingen van de G-20-leiders in Pittsburgh in september 2009 en nogmaals in juni 2010 in Toronto, om leningen aan projecten met fossiele brandstoffen voor 2015 af te bouwen;
4. spoort de Wereldbank aan prioriteit te geven aan toegang tot kleinschalige plaatselijk opgewekte energie, met name in de minst ontwikkelde landen in Afrika en Azië;
5. uit zijn bezorgdheid over het feit dat de Wereldbank hydro-elektriciteit, biobrandstoffen en kernenergie als schone energie beschouwt; wijst in het bijzonder op de waarschuwingen van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) over de bedreiging die biobrandstoffen vormen voor de voedselvoorziening;
6. verzoekt de Wereldbank het voortouw te nemen bij de ontwikkeling en uitvoering van innoverende normen en standaarden om de rechten van leefgemeenschappen te beschermen en te waarborgen dat zij toegang tot en profijt hebben van de ontwikkeling van de energiesector, met inbegrip van koolstofarme technologieën en hernieuwbare energiebronnen;
7. merkt bezorgd op dat een groot deel van de multilaterale financiering die wordt verschaft aan financiële tusseninstanties amper gecontroleerd wordt; onderstreept dat er duidelijke voorwaarden moeten worden geformuleerd waaraan financiële tusseninstanties moeten voldoen om in aanmerking te komen voor multilaterale financiering; is van mening dat deze voorwaarden onder meer inhouden dat de instellingen duidelijke ontwikkelingsdoelstellingen moeten hebben, alsmede solide sociale en milieuwaarborgen, zoals opgenomen in internationale protocollen en verdragen;
8. benadrukt dat de kosten met betrekking tot klimaatverandering moet worden meeberekend; dringt aan op de toepassing van de Environmental Life Cycle Costing-methode (kosten over de beoogde levensduur) in de berekeningen om de beschikbare energiealternatieven effectief te kunnen evalueren;
9. onderstreept dat de energieportefeuille moet worden gediversifieerd, gezien de problemen die ontstaan als men teveel leunt op één energiebron voor energieopwekking, zoals geïmporteerde fossiele brandstoffen of hydro-elektriciteit (waar bij langdurige droogte de waterreservoirs leeg blijven en de opwekkingscapaciteit drastisch vermindert); dringt er bij de Wereldbank op aan de investeringen in hernieuwbare energie en energie-efficiëntie op te voeren, en zich terughoudend op te stellen ten aanzien van investeringen in grootschalige hydro-elektriciteitsprojecten, waarvan de negatieve sociale en ecologische effecten tengevolge van onder meer broeikasgasemissies uit de waterreservoirs, goed geëvalueerd moeten worden voordat er in deze projecten wordt geïnvesteerd; onderstreept dat kleine dammen voor hydro-elektriciteit duurzamer zijn en een grotere economische levensvatbaarheid hebben dan grootschalige hydro-elektriciteitsinstallaties;
10. betreurt het dat de Wereldbank voornamelijk grootschalige en op de export gerichte energiemodellen promoot in plaats van kleinschalige, gedecentraliseerde energieprojecten te steunen die vaak meer geschikt zijn en effectiever beantwoorden aan de basisbehoeften op het platteland; dringt er bij de Wereldbank op aan alternatieve, kleinschalige gedecentraliseerde energieprojecten te steunen, rekening houdend met de behoeften van de lokale gemeenschappen en de economische realiteit van verschillende landen, en specifieke richtsnoeren voor doelstellingen en controle op te stellen om ervoor te zorgen dat leningen voor energieprojecten de armen ten goede komen;
11. ziet als de beste manier om potentiële compromissen te vinden een bezinning op de zekerheid van de energievoorziening, alsmede op de effecten op gezondheid en milieu, economische gevolgen voor plaatselijke leefgemeenschappen en de ontwikkeling en overdracht van de nodige technologie op nationaal en lokaal niveau, opdat toegang tot koolstofarme technologieën en hernieuwbare energiebronnen kan worden gewaarborgd;
12. wijst erop dat voor rapportage en openbaarmaking regels moeten worden opgesteld die een maximale transparantie mogelijk maken; dringt erop aan dat de Wereldbank duidelijk de specifieke ontwikkelingsvoordelen analyseert en openbaar maakt voordat kredieten worden vastgelegd; drukt zijn bezorgdheid uit over het feit dat het principe van 'vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming', als vastgelegd in de VN-Verklaring over de rechten van inheemse volkeren, niet is opgenomen in het kader van de prestatienormen van de Internationale Financieringsmaatschappij (IFC);
13. spoort de Wereldbank aan zijn energiestrategie te concentreren op het commercieel en concurrerend maken van koolstofarme technologieprojecten via innoverende programma's voor financiering en institutionele ontwikkeling, om koolstofarme ontwikkeling te promoten als een levensvatbare en aantrekkelijke optie;
14. wijst erop dat de ontwikkeling van schone technologieën in arme landen in verband staat met technologieoverdracht, hetgeen impliceert dat de barrières voor verspreiding van groene technologieën in ontwikkelingslanden voor de bestrijding van de klimaatverandering geïdentificeerd moeten worden en dat er moet worden nagedacht over grotere flexibiliteit ten aanzien van intellectuele-eigendomsrechten;
15. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Wereldbank, de Raad en de Commissie.