Procedure : 2011/2616(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0172/2011

Ingediende teksten :

B7-0172/2011

Debatten :

PV 09/03/2011 - 6
CRE 09/03/2011 - 6

Stemmingen :

PV 10/03/2011 - 9.2
CRE 10/03/2011 - 9.2

Aangenomen teksten :

P7_TA(2011)0095

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 143kDOC 81k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0169/2011
7.3.2011
PE459.715v01-00
 
B7-0172/2011

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement


over de zuidelijke nabuurschapslanden, in het bijzonder Libië, en onder meer de humanitaire aspecten


Franziska Katharina Brantner, Hélène Flautre, Margrete Auken, Raül Romeva i Rueda, Judith Sargentini, Catherine Grèze, Yannick Jadot, Nicole Kiil-Nielsen, Bart Staes, Emilie Turunen, Isabelle Durant, Rebecca Harms, Daniel Cohn-Bendit namens de Verts/ALE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de zuidelijke nabuurschapslanden en in het bijzonder Libië, en onder meer de humanitaire aspecten  
B7‑0172/2011

Het Europees Parlement,

–   gezien het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het protocol van 31 januari 1967, betreffende de status van vluchtelingen,

–   gezien het Verdrag van de Afrikaanse Unie van september 1969 betreffende specifieke aspecten van de vluchtelingenproblematiek in Afrika, waarbij Libië sinds 17 juli 1981 is aangesloten,

–   gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren en het bijbehorende protocol inzake de oprichting van een Afrikaans Hof voor de rechten van de mens en de volkeren, die Libië respectievelijk op 26 maart 1987 en 19 november 2003 heeft geratificeerd,

–   gelet op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name artikel 19, lid 2,

–   gezien resolutie 62/149 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 18 december 2007, waarin een moratorium op de toepassing van de doodstraf wordt geëist, en resolutie 63/168 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 18 december 2008, waarin wordt aangedrongen op de tenuitvoerlegging van resolutie 62/149,

–   gezien de intentieverklaring die op 23 juli 2007 gezamenlijk is ondertekend door commissaris Ferrero-Waldner en de secretaris voor Europese zaken, El Obeidi,

–   gezien de conclusies van de Raad van 15 oktober 2007 en de officiële start van de onderhandelingen over een kaderovereenkomst EU-Libië op 12-13 november 2008,

–   gezien de conclusies van de Raad van 21 februari 2011 over de ontwikkelingen in de zuidelijke nabuurschapslanden,

–   gezien de opmerkingen van hoge vertegenwoordiger Catherine Ashton op 22 februari 2011 aan het einde van haar bezoek aan Egypte, waarin zij de opschorting aankondigde van de onderhandelingen met de Libische autoriteiten over een kaderovereenkomst EU-Libië,

–   gezien de verklaring van hoge vertegenwoordiger Catherine Ashton op 23 februari 2011 over Libië, haar opmerkingen in de marge van de informele bijeenkomst van de ministers van Defensie op 25 februari 2011, haar verklaring namens de Europese Unie op 27 februari 2011 over de resolutie van de VN-Veiligheidsraad en de jongste ontwikkelingen ten aanzien van de situatie in Libië, haar toespraak in de VN-Mensenrechtenraad op 28 februari 2011 en haar persbericht over het sturen van een verkenningsmissie naar Libië op 6 maart 2011,

–   gezien het persbericht van de VN-Veiligheidsraad over Libië van 22 februari 2011 en de unaniem aangenomen resolutie van de VN-Veiligheidsraad over Libië van 26 februari 2011 (UNSCR 1970/2011),

–   gezien het besluit van de Raad van de Europese Unie van 28 februari 2011 inzake de tenuitvoerlegging van resolutie 1970 (2011) van de VN-Veiligheidsraad van 26 februari 2011,

–   gezien het besluit van de Raad van de Europese Unie van 2 maart 2011 om een verordening vast te stellen tot uitvoering van zijn besluit van 28 februari 2011 inzake sancties tegen Libië, in werking is getreden na de publicatie ervan in het Publicatieblad op 3 maart 2011,

–   gezien het besluit van de voorzitter van de Europese Raad van 1 maart 2011 om op vrijdag 11 maart 2011 een buitengewone Europese Raad bijeen te roepen in het licht van de ontwikkelingen in de zuidelijke nabuurschapslanden, in het bijzonder Libië,

–   onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over Libië en met name zijn resolutie van 17 juni 2010 over executies in Libië en zijn aanbeveling van 20 januari 2011 aan de Raad over de onderhandelingen over de kaderovereenkomst EU-Libië (2010/2268(INI)),

–   gelet op artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat, na betogingen in buurlanden waarin werd aangedrongen op vrijheid en radicale hervormingen, de protesten op 15 februari 2011 begonnen in de stad Benghazi en zich over het land uitbreidden en uiteindelijk Al Bayda, Al-Quba, Darnah en Az Zintan bereikten; overwegende dat de betogers de controle kregen over talrijke steden, met name in het oosten van het land,

B.  overwegende dat de meeste betogingen waarin antiregeringsdemonstranten meeliepen stuitten op gewelddadig verzet van regeringstroepen, o.a. met militaire vliegtuigen en helikopters van de Libische luchtmacht die aanvallen uitvoerden op betogers en het gebruik van huursoldaten, buitenlandse strijders en bevrijde gevangenen om de protestbeweging tegen te houden,

C. overwegende dat vertegenwoordigers van het hoogste echelon van het regime tot op de dag van vandaag bij herhaling haat zaaien met hun oproepen, betogers bedreigen, tegenbetogingen organiseren en waarschuwen voor een bloedbad als de betogingen worden voorgezet,

D. overwegende dat de Arabische Liga de Libische delegatie op 22 februari 2011 heeft uitgesloten van deelname aan zijn vergaderingen, en het geweld dat Moammar Kadhafi's troepen hebben gebruikt tegen de bevolking heeft veroordeeld,

E.  overwegende dat de gewelddadige en meedogenloze reactie van het regime tegen de Libische bevolking niet alleen geleid heeft tot desertie van talrijke soldaten in het land, maar ook tot ontslagneming van leden van het regime,

F.  overwegende dat, na de unanieme goedkeuring van een resolutie door de VN-Mensenrechtenraad over de mensenrechtensituatie in Libië tijdens de 15e bijzondere zitting op 25 februari 2011, waarin de grootschalige en stelselmatige schendingen van de mensenrechten die in Libië worden begaan werden veroordeeld en waarin erop werd gewezen dat sommige van deze schendingen misdaden tegen de menselijkheid kunnen vormen, de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 2 maart 2011 heeft besloten Libië's lidmaatschap van de VN-Mensenrechtenraad op te schorten, zoals aanbevolen door de VN-Mensenrechtenraad,

G. overwegende dat de aanklager van het Internationaal Strafhof (ICC) in reactie op de resolutie van de VN-Veiligheidsraad van 26 februari 2011 waarin besloten was de zaak door te verwijzen naar het Internationaal Strafhof, op 3 maart 2011 een onderzoek heeft ingesteld naar de schendingen van de mensenrechten die in Libië zouden zijn begaan, o.a. door Moammar Kadhafi en leden van zijn regime; overwegende dat resolutie 1970 van de VN-Veiligheidsraad tegelijkertijd alle VN-lidstaten toestemming verleent om verboden legermaterieel in beslag te nemen en te verwijderen,

H. overwegende dat bij het besluit van de Raad van de Europese Unie van 28 februari 2011 aanvullende beperkende maatregelen worden opgelegd, met name een visumverbod en de bevriezing van tegoeden, aan degenen die verantwoordelijk zijn voor de gewelddadige onderdrukking van de Libische bevolking, om uitvoering te geven aan de resolutie van de VN-Veiligheidsraad van 26 februari 2011,

I.   overwegende dat de VS twee van zijn eigen oorlogsbodems, waaronder een vliegdekschip voor amfibische landingsoperaties, naar de Middellandse Zee heeft gestuurd om de ontwikkelingen in Libië te volgen,

J.   overwegende dat het aanhoudende geweld en de meedogenloze onderdrukking in Libië een toenemende vluchtelingenstroom aan de grens tussen Libië en Tunesië veroorzaakt die voor het overgrote deel bestaat uit migrerende werknemers uit Egypte, Noord-Afrika en Afrika ten zuiden van de Sahara, alsmede uit Libische onderdanen; overwegende dat Libië naar verluidt ca. 80.000 Pakistanen, 50.000 Bengalezen en 2.000 Nepalezen telt; overwegende dat het volume van deze exodus de komende dagen en weken nog aanzienlijk zal toenemen; overwegende dat Italië, Frankrijk, Spanje, het VK en Duitsland plannen hebben aangekondigd om marinevaartuigen en vliegtuigen naar de Tunesisch-Libische grens te sturen, hoofdzakelijk om de evacuatie van Egyptische onderdanen naar Egypte te faciliteren; overwegende dat de VS ook heeft aangekondigd militaire en burgerluchtvaarttoestellen te sturen om repatriëringsplannen te ondersteunen,

K. overwegende dat de buitengewone Europese Raad op vrijdag 11 maart het verslag van de hoge vertegenwoordiger en de Commissie over de snelle aanpassing van EU-instrumenten, en het verslag van de hoge vertegenwoordiger over de steun voor de overgangs- en transformatieprocessen, naar verwachting grondig zal bestuderen,

1.  spreekt zijn ernstige verontrusting uit over de situatie in Libië en veroordeelt ten strengste de meedogenloze onderdrukking van vreedzame demonstraties, waaronder willekeurige gewapende aanvallen op burgers, die tot duizenden burgerdoden en grote aantallen gewonden hebben geleid; hekelt het aanzetten tot geweld tegen de burgerbevolking zoals dit op het hoogste niveau van het regime van Moammar Kadhafi en zijn zoon Saif al-Islam gedaan wordt;

2.  schaart zich volledig achter resolutie 1970 van de VN-Veiligheidsraad, waarin de grootschalige en stelselmatige schending van de mensenrechten in Libië wordt veroordeeld, besloten wordt de zaak door te verwijzen naar het Internationaal Strafhof en waarin tegelijkertijd een wapenembargo wordt afgekondigd voor het land, alsmede een reisverbod en de bevriezing van de tegoeden van de familie van Moammar Kadhafi; steunt ten zeerste dat er door de aanklager van het ICC een onderzoek wordt ingesteld naar de misdaden tegen de menselijkheid die gepleegd zouden zijn door Moammar Kadhafi en de leden van zijn regime;

3.  verzoekt de vv/hv en de Raad te overwegen om, in het kader van resolutie 1970 van de VN-Veiligheidsraad en resolutie 1674 van de VN-Veiligheidsraad inzake de verantwoordelijkheid om de burgerbevolking te beschermen, een vliegverbod in te stellen, op verzoek van de Nationale Overgangsraad in samenwerking met de Arabische Liga en de Afrikaanse Unie, om te voorkomen dat het regime de bevolking onder vuur neemt;

4.  betuigt zijn krachtige steun aan de strijd van het Libische volk voor vrijheid en democratische hervormingen en het einde van het autoritaire regime; roept de EU op rechtstreekse betrekkingen aan te knopen met de Voorlopige Nationale Overgangsraad en hen in het bevrijde gebied te ondersteunen om de bevolking hulp te bieden en te voorzien in de humanitaire basisbehoeften, met inbegrip van medische hulp;

5.  steunt het besluit van de UNHCR om een onafhankelijke internationale onderzoekscommissie naar Libië te sturen om de schendingen van de internationale wetgeving inzake mensenrechten te onderzoeken en het besluit van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 2 maart 2011 om Libië's lidmaatschap van de VN-Mensenrechtenraad op te schorten;

6.  betreurt het uitblijven van een snelle reactie van de Raad op de gewelddadige Libische onderdrukking, met name ten aanzien van de coördinatie van de evacuatie van EU-onderdanen en de dringende noodzaak van humanitaire hulp aan de Libische bevolking, alsmede de goedkeuring van passende gerichte sancties; wijst in dit verband op de recente maatregelen en initiatieven van sommige EU-lidstaten om een bijdrage te leveren aan de evacuatie van Egyptische migrerende werknemers naar Egypte; benadrukt dat er dringend medische hulp moet worden geboden in de Benghazi-regio;

7.  is ten zeerste verontrust over de aanzwellende humanitaire crisis, nu ruim 170 000 buitenlanders het geweld in Libië ontvluchten en velen van hen klem zitten aan de grens tussen Libië en Tunesië of gestrand zijn in doorgangskampen in Tunesië, Egypte en Niger; dringt er bij de instellingen en de lidstaten van de EU op aan de nodige middelen vrij te maken om aan deze noodsituatie het hoofd te bieden en op een adequate manier in te spelen op de noodzaak om diegenen die dood en vervolging ontvluchten en strijden voor vrijheid en democratie in Libië te ondersteunen;

8.  dringt er in dit verband bij de Commissie en de EU-lidstaten op aan de Tunesische en Egyptische autoriteiten alle noodzakelijke middelen ter beschikking te stellen om het hoofd te bieden aan de huidige humanitaire crisis waarvan met name de bevolking die Libië ontvlucht naar de grens met Egypte en Tunesië het slachtoffers is; dringt er in dit verband bij de Commissie op aan meer ECHO-middelen ter beschikking te stellen en middelen uit het EU-noodfonds om internationale en civiele organisaties te ondersteunen bij hun humanitaire acties;

9.  uit ernstige kritiek op de benadering van sommige EU-lidstaten die te zeer wijzen op het gevaar van een massale instroom van migranten in plaats van aan een werkelijk Europees allesomvattend plan te werken om deze humanitaire crisis het hoofd te bieden; dringt erop aan dat de vv/hv en de Raad de coördinatie met de lidstaten verbeteren om het Europese optreden ten aanzien van Libië te stroomlijnen;

10. dringt er in dit verband bij de EU-lidstaten op aan over te gaan tot de evacuatie en opneming in de EU van degenen die niet kunnen terugkeren naar hun eigen land, met bijzondere aandacht voor de meest kwetsbare personen zoals migranten en vluchtelingen uit landen ten zuiden van de Sahara; verzoekt de lidstaten derhalve hun opnamecapaciteit te inventariseren ten einde Richtlijn 2001/55/EG inzake tijdelijke bescherming te activeren en de verantwoordelijkheid voor de overplaatsing van in het kader van deze regeling te beschermen personen naar andere lidstaten te delen en dringt erop aan dat de Raad het gemeenschappelijke EU-programma voor hervestiging onverwijld goedkeurt, opdat de geplande hervestigingsregeling in werking kan treden; herinnert eraan dat aan het gemeenschappelijk beleid inzake asiel, immigratie en toezicht aan de buitengrenzen het beginsel van solidariteit en van billijke verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de lidstaten, ook op financieel vlak, ten grondslag ligt;

11. dringt er bij de EU-lidstaten op aan te waarborgen dat op zee uitgevoerde en op het terugsturen van personen gerichte Frontex-operaties, met inbegrip van nationale operaties, er niet toe mogen leiden dat mensen naar Libië worden teruggestuurd of naar een ander land waar hun leven gevaar loopt, overeenkomstig het non-refoulementbeginsel dat in artikel 19, lid 2, van het Handvest van de grondrechten is neergelegd; dringt erop aan dat iedereen het recht heeft asiel aan te vragen en toegang te hebben tot een prioritaire procedure in volledige samenwerking met de UNHCR en relevante organisaties;

12. is ingenomen met het besluit van de Raad van 28 februari 2011 om alle leveringen van wapens, munitie en verwant materieel aan Libië te verbieden; wijst erop dat er volgens onafhankelijke bronnen in 2009 door Italië voor 79 miljoen euro aan lichte wapens aan de Libische regering zijn geleverd en dat deze wapens dagelijks door de Libische politie en het leger worden gebruikt om tegen de vreedzame demonstraties van de Libische bevolking op te treden; onderstreept dat België, Bulgarije, Portugal, Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk eveneens wapens aan Libië hebben geleverd, van kleine en lichte wapens tot vliegtuigen en elektronische storingsapparatuur, en dat deze leveringen haaks staan op sommige criteria van de EU-gedragscode voor de wapenuitvoer;

13. verzoekt de Raad in dit verband na te gaan of er sprake is geweest van inbreuk op de EU-gedragscode voor de wapenuitvoer en stringente maatregelen vast te stellen om te waarborgen dat deze code door alle lidstaten volledig wordt nageleefd;

14. is eveneens ingenomen met het besluit tot het bevriezen van de tegoeden van de Libische dictator Moammar Kadhafi, vijf leden van zijn familie en twintig andere personen die verantwoordelijkheid dragen voor het gewelddadige optreden tegen de burgerbevolking sinds 15 februari; dringt aan op een snel en nauwkeurig onderzoek naar deze tegoeden; dringt er bij de EU-lidstaten op aan ervoor te zorgen dat geen Europees bedrijf olie en gas blijft importeren uit Libië en onmiddellijk alle betalingen te staken;

15. neemt nota van het besluit van de EU om de onderhandelingen met Libië over een kaderovereenkomst, die o.m. samenwerking op het gebied van migratie en asiel zou omvatten, op te schorten; betreurt dat sommige EU-regeringen zeer nauwe banden hadden met Moammar Kadhafi en bekritiseert ten zeerste het feit dat sommige regeringen van EU-lidstaten zich hebben gekant tegen een snelle goedkeuring van sancties tegen het Libische regime; betreurt de verklaring van commissaris Dalli die het EU-standpunt ondermijnt;

16. veroordeelt de recente gevangenneming van drie Nederlandse soldaten door Kadhafi's strijdkrachten, die gegijzeld werden toen zij probeerden een Nederlandse burger te evacueren en dringt aan op hun onmiddellijke vrijlating;

17. dringt er bij de Commissie en de EU-lidstaten op aan een radicaal vernieuwde dialoog over de migratieproblematiek met partnerlanden aan de Middellandse Zee op gang te brengen om uiteindelijk te komen tot een Euromediterraan mobiliteitspact, inclusief een ambitieuze benadering die verder gaat dan een gerichte visumfacilitering, waarbij er rekening mee wordt gehouden dat het Europese migratiebeleid niet langer kan berusten op samenwerking met autoritaire regimes; onderstreept dat een dergelijk herzien beleid de EU-steun voor het huidige overgangsproces naar democratie verder zou kunnen bevorderen;

18. merkt op dat de vriendschapovereenkomst die in 2008 is gesloten tussen Libië en Italië o.a. met het oog op samenwerking op het gebied van migratie, op 26 februari 2011 door de Italiaanse regering is opgeschort; stelt deze overeenkomst aan de kaak en benadrukt dat zij in strijd was met internationale verdragen met name met betrekking tot de eerbiediging van de asielprocedures;

19. is van mening dat, zodra de voorlopige regering de toestand onder controle heeft, de hv/vv en de Europese Commissie de Libische autoriteiten hulp moeten verlenen bij het instellen van een trustfonds waar alle inkomsten uit de verkoop van olie en gas in worden gestort en het opstellen van transparante regels voor het beheer ervan, zodat het de gehele bevolking ten goede komt;

20. dringt er bij de Raad en de Commissie op aan in het kader van de strategische herziening van het ENB de nodige maatregelen te treffen en de financiering te regelen zodat Libië volledig kan worden opgenomen in het Europese nabuurschapsbeleid en de waarden, grondbeginselen en doelstellingen van het Euromediterrane proces kan delen;

21. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de parlementen en regeringen van de lidstaten, de Voorlopige Nationale Overgangsraad, de VN-Veiligheidsraad, de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, de UNHCR, de Arabische Liga en de Afrikaanse Unie.

Laatst bijgewerkt op: 10 maart 2011Juridische mededeling