naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid
ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement
over de zuidelijke nabuurschapslanden en in het bijzonder Libië, en onder meer de humanitaire aspecten
Miguel Portas, Marie-Christine Vergiat, Gabriele Zimmer, Willy Meyer, Helmut Scholz, Rui Tavares, Patrick Le Hyaric, Jean-Luc Mélenchon, Takis Hadjigeorgiou, Marisa Matias, Eva-Britt Svensson
namens de GUE/NGL-Fractie
Resolutie van het Europees Parlement over de zuidelijke nabuurschapslanden en in het bijzonder Libië, en onder meer de humanitaire aspecten
B7‑0174/2011
Het Europees Parlement,
– gezien resolutie 1970/2011 van de VN-Veiligheidsraad, die op 26 februari 2011 werd aangenomen,
– gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 1 maart 2011 waarin het Libische lidmaatschap van de VN-Mensenrechtenraad met eenparigheid van stemmen wordt opgeschort,
– gezien resolutie S-15/2 van de VN-Mensenrechtenraad, die op 25 februari 2011 werd aangenomen,
– gezien het besluit van de Raad van 28 februari 2011 waarmee tegen Libië een wapenembargo wordt ingesteld en dat land gerichte sancties worden opgelegd,
– gezien zijn aanbevelingen aan de Raad van 20 januari 2011, waarin kritische voorwaarden worden genoemd voor de onderhandelingen met betrekking tot de kaderovereenkomst EU-Libië,
– gelet op artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,
A. overwegende dat na decennia van onderdrukking, schending van de mensenrechten en de democratische vrijheden, corruptie en verslechtering van de sociale omstandigheden voor het merendeel van de bevolking, de mensen in talrijke Arabische landen nu grondige politieke, economische en maatschappelijke veranderingen eisen en de straat zijn opgegaan om tegen het onderdrukkende regime te protesteren,
B. overwegende dat de Europese Unie, en met name de regeringen van sommige lidstaten, alsmede de Verenigde Staten deze regimes tientallen jaren lang gesteund hebben en een bijzondere verantwoordelijkheid dragen wat de huidige crisis betreft,
C. overwegende dat het regime in Tunesië en Egypte omvergeworpen is, maar dat de overige regimes de bevolking en hun legitieme politieke protesten met veel geweld blijven onderdrukken; overwegende dat het Libische regime zich verzet tegen de eis van de Libische bevolking en de internationale gemeenschap om onmiddellijk af te treden en het bloedvergieten te stoppen; overwegende dat het regime van Kadhafi volgens diverse bronnen luchtaanvallen uitvoert op burgers en huursoldaten inzet om in het wilde weg te schieten,
D. overwegende dat de VN-Veiligheidsraad met het aannemen van resolutie 1970/2011 het Libische Arabische Jamarihiya-regime sancties heeft opgelegd,
E. overwegende dat volgens de UNHCR de afgelopen dagen bijna 150.000 mensen Libië zijn ontvlucht naar Tunesië en Egypte, en dat duizenden andere vluchtelingen en gastarbeiders onder erbarmelijke omstandigheden het land proberen te verlaten,
1. betuigt zijn solidariteit met de bevolking in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, prijst hun moed en vastberadenheid en steunt hun legitieme democratische aspiraties met volle overtuiging; veroordeelt ten strengste het gebruik van geweld tegen demonstranten, met name door het regime van Kadhafi, en betreurt het grote aantal doden en gewonden dat sinds het begin van de protesten is gevallen;
2. betuigt zijn krachtige steun aan de strijd van het Libische volk voor vrijheid, democratische, economische en maatschappelijke hervormingen en het einde van het autoritaire regime; roept de EU op de bevolking hulp te bieden en te voorzien in de humanitaire basisbehoeften, met inbegrip van medische hulp;
3. spreekt zijn grote verontrusting uit over de situatie in Libië en veroordeelt ten strengste de wrede onderdrukking van demonstraties, waaronder willekeurige gewapende aanvallen op burgers, die tot honderden burgerdoden en grote aantallen gewonden hebben geleid; hekelt het aanzetten tot geweld tegen de burgerbevolking zoals dit op het hoogste niveau van het regime van Moammar Kadhafi en zijn zoon Saif al-Islam gedaan wordt;
4. onderstreept het recht van de bevolking om haar toekomst zonder inmenging van buitenaf te bepalen;
5. spreekt zijn ernstige verontrusting uit over de humanitaire crisis waarin de duizenden vluchtelingen uit de conflictgebieden verkeren, en die nog eens bij de erbarmelijke omstandigheden komt waarmee meer dan een miljoen in Libië gestrande Afrikaanse vluchtelingen, asielzoekers en migranten geconfronteerd worden; verzoekt de Raad, de Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger/vicevoorzitter van de Commissie om de UNHCR en andere relevante instanties, zoals het IOM, het WFP en het ICRC, steun te verlenen ten einde bescherming en noodhulp te bieden aan alle personen in nood;
6. veroordeelt de steun die de Europese Unie en in het bijzonder bepaalde regeringen van lidstaten decennialang hebben verleend aan deze regimes; vestigt de aandacht op de stilzwijgende medewerking en de medeplichtigheid van de Verenigde Staten en de Europese Unie waarop deze regimes konden rekenen, onder het mom van "bescherming tegen het fundamentalisme";
7. spreekt zich uit tegen elke buitenlandse militaire interventie om de crisis in Libië op te lossen;
8. steunt resolutie 190/2011 van de VN-Veiligheidsraad, waarin de grove en systematische schendingen van de mensenrechten in Libië worden veroordeeld en besloten wordt de kwestie aan het Internationaal Strafhof voor te leggen, en een wapenembargo tegen het land in te stellen, alsmede een reisverbod en inbeslagname van de bezittingen van de familie van Moammar Kadhafi;
9. steunt het besluit van de UNHCR om een onafhankelijke internationale onderzoekscommissie naar Libië te sturen om de schendingen van de internationale wetgeving inzake mensenrechten te onderzoeken;
10. bekritiseert ten zeerste de intensieve wapenhandel van lidstaten van de EU met Libië, Egypte en andere repressieve regimes; herinnert eraan dat er volgens onafhankelijke bronnen in 2009 door Italië voor 79 miljoen euro aan lichte wapens aan de Libische regering is geleverd en dat deze wapens dagelijks door de Libische politie en het leger worden gebruikt om de vreedzame demonstraties van de Libische bevolking te onderdrukken; vestigt de aandacht op het feit dat België, Bulgarije, Portugal, Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk eveneens wapens aan Libië hebben geleverd, van kleine en lichte wapens tot vliegtuigen, elektronische storingsapparatuur en technologie voor het in bedwang houden van mensenmassa's;
11. verzoekt de Raad in dit verband na te gaan of er sprake is geweest van inbreuk op de EU-gedragscode voor de wapenuitvoer en stringente maatregelen vast te stellen om te waarborgen dat deze code door alle lidstaten volledig wordt nageleefd;
12. is ingenomen met het besluit van de Raad van 28 februari 2011 om alle leveringen van wapens, munitie en verwante zaken aan Libië te verbieden;
13. herhaalt zijn kritiek op het feit dat er onderhandelingen met Libië worden gevoerd over een kaderovereenkomst;neemt kennis van de recente beslissing om deze onderhandelingen op te schorten;
14. veroordeelt de bilaterale overeenkomst tussen Italië en Libië over vriendschap, partnerschap en samenwerking; wijst erop dat deze overeenkomst in strijd is met internationale verdragen met name met betrekking tot de eerbiediging van asielprocedures en dringt er bij Italië op aan de overeenkomst met onmiddellijke ingang op te schorten;
15. dringt er bij de lidstaten op aan in de EU een netwerk tot stand te brengen van open opvangcentra voor mensen die Noord-Afrika op dit moment ontvluchten, en hiertoe de beschikbare EU-middelen te gebruiken; deze centra zouden alle binnenkomende personen, ongeacht hun legale status, minimaal humanitaire basishulp moeten bieden, alsmede aanvaardbare leefomstandigheden en de nodige sociale en juridische informatie;
16. verzoekt de lidstaten hun opnamecapaciteit te inventariseren ten einde Richtlijn 2001/55/EG inzake tijdelijke bescherming te activeren en de verantwoordelijkheid voor de overplaatsing van in het kader van deze regeling te beschermen personen naar andere lidstaten te delen; herinnert eraan dat aan het gemeenschappelijk beleid inzake asiel en immigratie het beginsel van solidariteit en van billijke verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de lidstaten, ook op financieel vlak, ten grondslag ligt;
17. onderstreept dat de EU geen repressief antwoord op de humanitaire crisis mag geven en dat Frontex niet het antwoord vormt; herinnert er vooral aan dat op zee uitgevoerde en op het terugsturen van personen gerichte Frontex-operaties er niet toe mogen leiden dat mensen naar Libië worden teruggestuurd of naar een ander land waar hun leven gevaar loopt, overeenkomstig het non-refoulementbeginsel dat in artikel 19, lid 2, van het Handvest van de grondrechten is neergelegd; dringt erop aan dat het internationaal recht strikt moet worden toegepast, in het bijzonder door het Frontex-agentschap;
18. herinnert eraan dat het Europees Parlement in mei 2010 met een grote meerderheid twee verslagen heeft goedgekeurd over de invoering van een gezamenlijk EU-programma voor hervestiging en over de voorgestelde amendementen op het Europees vluchtelingenfonds voor de periode 2008-2013, die met name voorzagen in de mogelijkheid voor lidstaten om voorbereidingen te treffen voor noodprocedures in geval van humanitaire situaties, en dat deze procedures wat de humanitaire situatie in Libië betreft al hadden kunnen worden toegepast; dringt er bij de Raad op aan deze medebeslissingsprocedure onverwijld af te ronden;
19. is van mening dat het beleid ten opzichte van de zuidelijke buurlanden mislukt is en dringt aan op een fundamentele wijziging van het beleid; roept de Europese Unie op een partnerschap te ontwikkelen waarbij wederzijdse belangen effectief centraal staan, met het oog op ontwikkeling in al haar dimensies en samenwerking die ten goede komt aan werkgelegenheid, onderwijs en opleiding, in plaats van zogenaamde "associatieovereenkomsten" te sluiten die voornamelijk berusten op de vestiging van vrijhandelszones die gericht zijn op de belangen van multinationals en particulier kapitaal, door middel van de uitbuiting van arbeidskrachten die niet beschikken over echte sociale rechten; dringt aan op coherentie van het EU-beleid ten opzichte van de buurlanden ten zuiden van de Middellandse Zee, om te waarborgen dat dit niet in tegenspraak is met de EU-doelstellingen ter bevordering van de mensenrechten en de democratie; dringt aan op strikte toepassing van de EU-gedragscode voor de wapenuitvoer;
20. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten, de Verenigde Naties, de Arabische Liga, de Afrikaanse Unie en de regeringen van de buurlanden van Libië.