Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0241/2011

Ingediende teksten :

B7-0241/2011

Debatten :

PV 06/04/2011 - 12
CRE 06/04/2011 - 12

Stemmingen :

PV 07/04/2011 - 6.2

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 126kDOC 72k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0236/2011
4.4.2011
PE459.778v01-00
 
B7-0241/2011

naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement


over de lessen van de Japanse kernramp voor de nucleaire veiligheid in Europa


Lena Ek, Fiona Hall namens de ALDE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de lessen van de Japanse kernramp voor de nucleaire veiligheid in Europa  
B7‑0241/2011

Het Europees Parlement,

–   gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name op artikel 194 daarvan,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 mei 2007 over "Evaluatie Euratom - 50 jaar Europees kernenergiebeleid",

–   onder verwijzing naar zijn resoluties van 24 maart 2011 over de situatie in Japan en van 7 oktober 1999 over het kernongeval in Japan (Tokaimura),

–   onder verwijzing naar zijn voorgaande resolutie over de 10de en 15de jaardag van de kernramp op de locatie Tsjernobyl,

–   gezien de verwoestende aardbeving en de vloedgolf die Japan en de Stille Oceaanregio op 11 maart jl. hebben getroffen, waardoor duizenden mensen zijn gedood of verdwenen en waardoor aanzienlijke materiële schade is ontstaan,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 juli 2010 over de Oostzeeregio, met name paragraaf 38 daarvan,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 december 2010 over de herziening van het actieplan inzake energie-efficiëntie,

–   gelet op artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat door dit kernongeval, en door eerdere soortgelijke ongevallen in Japan en in de wereld, meer dan ooit de aandacht wordt gevestigd op de noodzaak de aanpak van de veiligheid van kerncentrales in de Europese Unie en in de wereld te herzien,

B.  overwegende dat op 26 april 2011 wordt herdacht dat zich op de locatie Tsjernobyl 25 jaar geleden een kernramp heeft voorgedaan, waarvan de gevolgen tot op heden merkbaar zijn,

C. overwegende dat het Euratom-Verdrag reeds meer dan 50 jaar oud is zonder ooit noemenswaardig te zijn herzien,

D. overwegende dat de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (IAEA) eind 2008 heeft gewaarschuwd dat de veiligheidsvoorschriften voor kerncentrales in Japan verouderd waren en dat een aardbeving met een kracht van meer dan 7,0 op de schaal van Richter een ernstig probleem zou kunnen opleveren,

E.  overwegende dat de richtlijn nucleaire veiligheid in deze sector slechts een beperkt kader voor ingrijpen van de EU biedt,

F.  overwegende dat de ontwikkeling van nieuwe nucleaire projecten in Wit-Rusland en Rusland (regio Kaliningrad) aanleiding is tot ernstige verontrusting over nucleaire-veiligheidsnormen en naleving van de desbetreffende verplichtingen overeenkomstig internationale verdragen (bij voorbeeld de verdragen van Espoo en Aarhus), overwegende dat deze verontrusting niet alleen van belang is voor de lidstaten die onmiddellijk aan Wit-Rusland en de regio Kaliningrad grenzen, maar eveneens voor Europa in ruimere zin, met het gevolg dat de EU, o.m. de desbetreffende actoren in de Europese Commissie samen moeten optreden overeenkomstig het solidariteitsbeginsel,

G.  overwegende dat in zijn resolutie van 6 juli 2010 over het Oostzeegebied en de rol van macroregio's in het kader van het toekomstige cohesiebeleid wordt gesteld "dat de EU-landen met het oog op de voorgenomen uitbreiding van het gebruik van kernenergie in het Oostzeegebied de meest strikte veiligheids- en milieunormen moeten hanteren, en dat de Europese Commissie erop moet letten en moet controleren of in de buurlanden dezelfde aanpak en dezelfde internationale verdragen worden gevolgd, met name in de landen die voornemens zijn kernenergiecentrales te bouwen aan de buitengrenzen van de EU";

1.  geeft uiting aan zijn solidariteit met de slachtoffers van de natuurramp en het daaropvolgende nucleaire ongeval, aan zijn bewondering voor allen die hun leven op het spel zetten om een kernramp te voorkomen, en voor de inzet, moed en vastberadenheid van het Japanse volk en de Japanse instanties naar aanleiding van deze ramp; verzoekt de Unie en haar lidstaten aan Japan en het rampgebied alle noodzakelijke humanitaire, technische en financiële hulp te blijven bieden;

2.  verzoekt de Japanse instanties en TEPCO, de eigenaar van de kerncentrale, doorzichtig te zijn en zodra zich in Fukushima ontwikkelingen voordoen gegevens te verstrekken, met name over het stralingsniveau binnen en buiten het verboden gebied;

3.  spreekt zijn waardering uit voor de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 297/2011 van de Commissie van 25 maart 2011 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor levensmiddelen en diervoeders van oorsprong uit of verzonden vanuit Japan in verband met het ongeval in de kerncentrale van Fukushima. De grondslag voor bepaling van de maximumniveaus van de radionucliden jodium en cesium dient echter te zijn verordening nr. 733/2008 van de Raad van 15 juli 2008 in plaats van verordening (Euratom) nr. 3954/87 van de Raad van 22 december 1987, verordening (Euratom) nr. 944/89 van de Commissie van 12 april 1989 en verordening (Euratom) nr. 770/90 van de Commissie van 29 maart 1990. om gevaren voor de menselijke gezondheid te voorkomen is het namelijk zaak te verwijzen naar de lagere cesiumniveaus overeenkomstig verordening 733/2008 waarin striktere en meer recente beschermingsnormen worden vastgesteld;

4.  is van mening dat de Europese Unie haar benadering van nucleaire veiligheid integraal opnieuw moet beoordelen, er rekening mee houdend dat kernenergie nog jarenlang deel blijft van het totale energiepakket van een aantal lidstaten en dat er nieuwe reactoren op het programma staan of reeds worden gebouwd; verzoekt de lidstaten intussen een moratorium in te stellen op ontwikkeling en inbedrijfstelling van nieuwe kernreactoren, ten minste gedurende de periode waarin de bestendigheidsproeven worden uitgevoerd en beoordeeld;

5.  om ervoor te zorgen dat de bestendigheidstests geloofwaardig zijn moeten deze verplicht zijn en plaatsvinden op de grondslag van gezamenlijke en doorzichtige Gemeenschapsnormen, worden uitgevoerd onder toezicht van de Gemeenschap en worden gecontroleerd door onafhankelijke deskundigen, en moeten de resultaten worden gepubliceerd;

6.  Deze bestendigheidstests dienen te omvatten:

   -     energiecentrales en faciliteiten voor kernafval,

-    een overzicht van de algemene "nucleaire veiligheidscultuur" (bijvoorbeeld uitbreiding van de veiligheidszone, jaarlijks veiligheidsverslag en voorlichting van de burgers),

-    gevaren door toedoen van mensen (bijvoorbeeld terroristische aanslagen en neerstortende vliegtuigen),

    -     gevolgen van buitengewone natuurverschijnselen (aardbevingen, overstromingen, droogte of andere regiospecifieke gevaren); o.m. bestendig maken tegen klimaatverandering aangezien buitengewone weersomstandigheden vaker voorkomen en heftiger zijn,

-    algemene gevolgen van een grootschalige en eventueel losstaande ramp, zoals het wegvallen van de electriciteits- en watertoevoer, wegvallen van communicatiekanalen, wegvallen van de fysieke toegang tot de locatie, gebrek aan mankracht en betrouwbaarheid van de noodfaciliteiten;

    -     veiligheid van routes voor de aanvoer van energie,

-    de bereidheid te reageren op een combinatie van dit soort gebeurtenissen in een mogelijk ingewikkeld en geschakeerd rampenscenario;

7.  dringt erop aan dat op EU-niveau een lijst wordt opgesteld van wegens hun geografische ligging (bijvoorbeeld in een aardbevingsgebied) "intrinsiek" gevaarlijker kernenergiecentrales die snel in het oog moeten worden gehouden en waarvan althans de structuur moet worden verbeterd, of die aan de hand van een voorspelbaar tijdschema moeten worden ontmanteld;

8.  staat erop dat een installatie onmiddellijk wordt gesloten als de bestendigheidsproef ongunstig uitvalt;

9.  verzoekt de Commissie de EU-wetgeving inzake nucleaire veiligheid volledig te herzien en uiterlijk eind 2011 een wetgevingsvoorstel in te dienen in het kader waarvan de fundamentele veiligheidsbeginselen van het IAEA op EU-niveau moeten worden vertaald, zo nodig met nauwkeuriger of striktere eisen, alsook verplichte mechanismen voor de regelmatige herziening van de toepassing van veiligheidsnormen in lidstaten, via collegiale controle en een onafhankelijke commissie van kerndeskundigen onder leiding van de Commissie;

10. is van mening dat nucleaire veiligheid een gebied is waarover de hele Europese Unie zich zorgen maakt en dat het subsidiariteitsbeginsel slechts ten dele van toepassing is; dringt daarom aan op herziening van het EURATOM-Verdrag om de bevoegdheden van de EU in deze sector uit te breiden, het Europees Parlement te betrekken via de gewone wetgevingsprocedure om grotere doorzichtigheid te bewerkstelligen, en het verdrag te actualiseren tegen de achtergrond van de in het Verdrag van Lissabon vervatte doelen voor het energiebeleid;

11. wijst erop dat de EU een strategie moet ontwikkelen die de EU-grenzen overschrijdt en die consequent optreden op het hoogste politieke niveau omvat, om de nucleaire veiligheid en zekerheid te waarborgen en om kernenergie te definiëren als brugtechnologie en in het kader van de G8 en G20 te streven naar een mondiaal verbod op kernenergiecentrales in aardbevingsgebieden dat moet uitmonden in een bindend VN-Verdrag;

12. verzoekt de Commissie en de lidstaten zich te verplichten tot actieve belangstelling en gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de consolidatie van de normen voor nucleaire veiligheid en de adequate toepassing daarvan in derde landen, in nauwe samenwerking met de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, Espoo en andere desbetreffende internationale organisaties en overeenkomsten, met inbegrip van het uitvoeren van eigen bestendigheidsproeven; verzoekt de Commissie uiterlijk in juni 2011 een volledig actieprogramma in te dienen met concrete stappen voor de verwezenlijking; verzoekt de Commissie in samenwerking met de IAEA constructieve druk uit te oefenen op Wit-Rusland en Rusland en ernaar te streven dat zij zich houden aan de internationale veiligheidsnormen en met internationale deskundigen samen werken in alle fasen van voorbereiding, bouw en bedrijf van de kernenergiecentrales;

13. verzoekt om proactieve inzet van de Europese Unie door uitbreiding van de nucleaire- veiligheidsverdragen en de institutionele structuur op internationaal niveau via versteviging van de IAEA door het verstrekken van aanvullende middelen aan met name haar programma's voor nucleaire veiligheid en zekerheid, door collegiale controle verplicht te stellen, met name voor "binnenkomers" en door het bouwen van nieuwe reactoren afhankelijk te stellen van aanvaarding van periodieke collegiale controle;

14. verzoekt de Commissie een onderzoek in te stellen naar alle economische voor- en nadelen van bouw, bedrijf en ontmanteling van kernenergiecentrales in Europa, o.m. de aspecten die verband houden met overheidsingrijpen bij ongevallen/noodsituaties, verzekeringsaspecten en inzake overheidssteun en mededingingsaspecten in het kader van de Europese interne markt voor energie;

15. wijst in dit verband andermaal op het toegenomen belang van doelmatig energiegebruik en energiebesparing; de noodzaak het adequate wetgevingskader op te zetten en de noodzakelijke steun te bieden aan investeringen in pseudo-oneindige en duurzame energie, in energieopslag en in een Europadekkend elektriciteitsnet; om het gevaar van toevoeronderbrekingen zo klein mogelijk te houden is een gemoderniseerd intelligent elektrisch koppelnet van wezenlijke betekenis, dat invoer uit gedecentraliseerde productiefaciliteiten mogelijk maakt;

16. wijst er met name op dat de internationale gebeurtenissen van de afgelopen tijd duidelijk hebben gemaakt dat verwezenlijking van het energiedoelmatigheidsdoel van 20% uiterlijk in 2020 belangrijker is dan ooit, o.m. met het oog op beperking van de CO2-uitstoot; dringt erop aan het 20%-doel zo snel mogelijk te vertalen in doelen voor de lidstaten en deze doelen bindend te maken, en de lidstaten vrij te laten in de manier van verwezenlijking; wijst erop dat de langetermijndoelen voor energiedoelmatigheid en pseudo-oneindige energie eveneens van levensbelang zijn voor marktpartijen, en dringt erop aan in het Stappenplan 2050 voor 2030 en 2050 hooggestelde doelen op te nemen voor doelmatig energiegebruik en pseudo-oneindige energie;

17. is van mening dat de energiestrategie van de EU moet worden gekoppeld aan de strategie van de Noord-Afrikaanse staten, daar de geslaagde vrijheidsbewegingen in dergelijke landen de voorwaarden scheppen voor verdere economische ontwikkeling, o.m. via investeringen in de sector zonne-energie, die met adequate infrastructuur duurzame energie voor Europa zou leveren;

18. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Japanse autoriteiten.

 

Laatst bijgewerkt op: 6 april 2011Juridische mededeling