Procedure : 2012/2694(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0373/2012

Ingediende teksten :

B7-0373/2012

Debatten :

Stemmingen :

PV 05/07/2012 - 13.5

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 152kWORD 84k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0373/2012
27.6.2012
PE491.988v01-00
 
B7-0373/2012

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement


over het EU-beleid inzake de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem (2012/2964(RSP))


Margrete Auken, Nicole Kiil-Nielsen, Hélène Flautre, Ana Miranda, Keith Taylor, Jill Evans, Judith Sargentini, Daniel Cohn-Bendit, Raül Romeva i Rueda namens de Verts/ALE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over het EU-beleid met betrekking tot de Westelijke Jordaanoever, met inbegrip van Oost-Jeruzalem (2012/2964(RSP))  
B7‑0373/2012

Het Europees Parlement,

–      gezien zijn eerdere resoluties over het Midden-Oosten, Palestina en Israël, in het bijzonder die van 29 september 2011 over de situatie in Palestina en van 9 september 2010 over de situatie van de rivier de Jordaan, met name de benedenloop,

 

–   gezien de verklaringen van de vice-voorzitter / hoge vertegenwoordiger, Catherine Ashton, en in het bijzonder haar verklaring van 8 juni 2012 over de uitbreiding van de nederzettingen, haar verklaring van 25 april 2012 over het besluit van de Israëlische autoriteiten betreffende de status van de nederzettingen Sansana, Rechelim en Bruchin in de bezette Palestijnse gebieden, en haar verklaring van 22 februari 2012 over de Israëlische goedkeuring voor de bouw van nederzettingen,

–   gezien het verslag van de leiders van de EU-missie van januari 2012 over Oost-Jeruzalem, het verslag van de leiders van de EU-missie van juli 2011 getiteld "Area C and Palestinian State Building” en het verslag van de leiders van de EU-missie van februari 2012 over geweld van kolonisten en de vergezellende nota van de leiders van de EU-missie van februari 2012 over geweld van kolonisten,

–   gezien de conclusies van de Raad van 25 juni 2012 over de EU-missie voor bijstandverlening inzake grensbeheer aan de grensovergang bij Rafah,

–   gezien de verklaring van de woordvoerder van de hoge vertegenwoordiger over de zaak van Bassem Tamimi van 22 mei 2012,

–   gezien de Vierde Conventie van Genève van 1949 betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd,

–   gezien de resoluties 242 (1967), 252 (1968), 338 (1973), 476 (1980), 478 (1980), 1397 (2002), 1515 (2003) en 1850 (2008) van de VN-Veiligheidsraad,

–   gezien de verklaringen van het Midden-Oostenkwartet, in het bijzonder die van 11 april 2012 en 23 september 2011,

–   gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat het Europees Parlement herhaaldelijk zijn steun heeft betuigd voor de tweestatenoplossing, met de staat Israël en een onafhankelijke, democratische, aangrenzende en levensvatbare staat Palestina die zij aan zij leven in vrede en veiligheid, overwegende dat geen andere wijzigingen van de grenzen van vóór 1967 zullen worden erkend, inclusief met betrekking tot Jeruzalem, dan degene die door de partijen zijn overeengekomen;

B.  overwegende dat de rechtstreekse vredesonderhandelingen zijn vastgelopen en dat alle recente pogingen om de onderhandelingen te hervatten zijn gestrand; overwegende dat het voor een geloofwaardige, duurzame en allesomvattende vredesregeling noodzakelijk is dat de internationale mensenrechten en het humanitaire recht worden toegepast, waaronder de Vierde Conventie van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd;

C. overwegende dat in de conclusies van de Raad van 14 mei 2012 werd benadrukt dat het vredesproces in het Midden-Oosten dringend moet worden hervat ook met het oog op de aanhoudende ontwikkelingen in de zuidelijke landen in de nasleep van de Arabische Lente om te reageren op de legitieme aspiraties van alle volken in de regio;

D. overwegende dat in het recente verslag van de leiders van de EU-missie getiteld "Area C and Palestinian State Building" en in het verslag over geweld van kolonisten, die allebei naar de pers zijn gelekt, opnieuw melding wordt gemaakt van verontrustende en mogelijkerwijs onomkeerbare ontwikkelingen in de betrokken gebieden die een ernstige bedreiging vormen voor de haalbaarheid van de tweestatenoplossing;

E.  overwegende dat de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem, samen met de Gazastrook, volgens het internationaal recht bezette gebieden zijn, waar het internationaal humanitair recht, inclusief de Vierde Conventie van Genève, volledig van toepassing zijn; overwegende dat Israël als bezettingsmacht verplicht is er in goed vertrouwen voor te zorgen dat in de fundamentele behoeften van de Palestijnse bevolking in de bezette gebieden wordt voorzien, de bezetting te beheren op een wijze die de plaatselijke bevolking ten goede komt, burgerobjecten te beschermen en te bewaren, en erop toe te zien dat zijn eigen bevolking niet naar de bezette gebieden verhuist en, in omgekeerde richting, dat de bevolking van de bezette gebieden niet naar Israël verhuist;

F.  overwegende dat zone C op de Westelijke Jordaanoever, die volgens de Oslo-akkoorden van 1993 onder controle staat van de Israëlische civiele en veiligheidsautoriteiten, 62% van het gebied van de Westelijke Jordaanoever uitmaakt en het enige aangrenzende gebied is met vruchtbare grond en veel hulpbronnen; overwegende dat de onderverdeling van de Westelijke Jordaanoever in zone A, B en C geacht werd van tijdelijke aard te zijn; overwegende dat in de interimovereenkomst over de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook van 1995 staat dat zone C geleidelijk onder Palestijnse jurisdictie zou komen te vallen, maar dat dit in de praktijk niet is gebeurd;

G. overwegende dat de Palestijnse aanwezigheid in zone C door beleidsmaatregelen van de Israëlische regering is ondermijnd; overwegende dat tengevolge van deze beleidsmaatregelen slechts 5,8% van de Palestijnse bevolking op de Westelijke Jordaanoever in zone C woont, terwijl er naar schatting meer dan twee keer zoveel Israëlische kolonisten (310.000) wonen als Palestijnen;

H. overwegende dat volgens de UNRWA-verslagen 70% van zone C verboden terrein is voor Palestijnse huizenbouw en dat voor 29% ernstige beperkingen geldt; overwegende dat in 2011 90% van alle gesloopte huizen en 92% van alle huisuitzettingen plaatsvond in zone C; overwegende dat de bescherming van de Palestijnse bevolking en haar rechten in zone C dan ook van cruciaal belang is om de tweestatenoplossing levensvatbaar te houden;

I.   overwegende dat Israël in het document "Basic Law: Jerusalem, Capital of Israel" uit 1980 Jeruzalem tot de volledige en ongedeelde hoofdstad van Israël heeft uitgeroepen; overwegende dat resolutie 478 (1980) van de VN-Veiligheidsraad bepaalt dat alle door Israël als bezettingsmacht genomen wetgevende en administratieve maatregelen die het karakter en de status van Jeruzalem hebben gewijzigd of tot doel hebben deze te wijzigen, en in het bijzonder de Basic Law, nietig en ongeldig zijn, en onverwijld moeten worden ingetrokken;

J.   overwegende dat de huidige ontwikkelingen in Oost-Jeruzalem, en dit wordt ook aangegeven in het verslag van de leiders van de EU-missie, in de praktijk het vooruitzicht dat Jeruzalem de toekomstige hoofdstad van beide staten wordt onwaarschijnlijk en onrealistisch maken;

K. overwegende dat de Palestijnen die in Oost-Jeruzalem wonen - 37% van de bevolking van Jeruzalem - de status van 'vaste inwoner' hebben, maar dat deze status alleen onder bepaalde voorwaarden aan kinderen wordt doorgegeven en niet automatisch wordt overgedragen middels een huwelijk, hetgeen betekent dat de echtgenoten en kinderen van veel vaste inwoners van Oost-Jeruzalem niet bij hun overige gezinsleden kunnen wonen; overwegende dat anderzijds ongeveer 200 000 Israëlische kolonisten in en rond Oost-Jeruzalem wonen;

L.  overwegende dat in 2011 sprake was van de grootste expansie van nederzettingen in de regio Jeruzalem sinds 1967; overwegende dat de Israëlische nederzettingen, die door de Israëlische regering worden gesubsidieerd met stimulerende maatregelen op gebieden als belastingen, huisvesting, infrastructuur, wegenbouw, toegang tot water, onderwijs en bijvoorbeeld ook gezondheidszorg, krachtens het internationaal recht illegaal zijn en een belangrijk obstakel vormen voor de vredesinspanningen;

M. overwegende dat geweld van kolonisten, intimidatie en ontzegging van privébezit aan Palestijnse burgers en internationale ngo-activisten die hun rechten steunen, geleid hebben tot ernstige incidenten en dodelijke verwondingen; overwegende dat bij ontstentenis van een effectief EU-controlemechanisme nog altijd producten uit Israëlische nederzettingen onder preferentieregels op de Europese markt worden geïmporteerd;

N. overwegende dat de mensenrechtenactivist Bassem Tamimi die betrokken was bij vreedzame initiatieven tegen de uitbreiding van de Israëlische nederzettingen op Palestijns gebied door de Israëlische militaire rechtbank op 20 mei 2012 is veroordeeld omdat hij zou hebben deelgenomen aan illegale demonstraties en betogers zou hebben opgeroepen met stenen te gooien;

O. overwegende dat de door Israël gebouwde scheidingsmuur, die niet parallel loopt met de Groene Lijn, zowel op de Westelijke Jordaanoever, als in Oost-Jeruzalem een aanzienlijk deel van het Palestijnss grondgebied afsnijdt; overwegende dat het advies van het Internationaal Gerechtshof van 2004 over de juridische gevolgen van de bouw van een muur in bezet Palestijns gebied aangeeft dat muur waar door Israël, de bezettingsmacht, aan wordt gewerkt in bezet Palestijns gebied, waaronder in en rond Oost-Jeruzalem, alsook alle daarbij behorende maatregelen, indruisen tegen het internationale recht;

P.  overwegende dat meer dan 4000 Palestijnse gevangenen, onder wie 27 leden van de Palestijnse Wetgevende Raad, ca. 240 kinderen en meer dan 300 Palestijnse administratief gedetineerden momenteel gevangen worden gehouden in Israëlische gevangenissen en detentiecentra; overwegende dat sinds 2000, ca. 7000 Palestijnse kinderen vervolgd zijn door Israëlische militaire rechtbanken na te zijn gearresteerd, ondervraagd en gedetineerd door het Israëlische leger, de Israëlische politie of veiligheidsagenten en onderworpen worden aan een onmenselijke en vernederende behandeling; overwegende dat de meerderheid van deze kinderen ten laste wordt gelegd dat ze met stenen hebben gegooid;

Q. overwegende dat de Israëlische autoriteiten gebruik maken van administratieve detentie om het Palestijnse politiek activisme te beperken en de procedure voor een bepaalde periode toepassen zonder de tenlastelegging bekend te maken; overwegende dat vele Palestijnen in administratieve detentie in hongerstaking zijn gegaan om te protesteren tegen het gebruik van administratieve detentie zonder tenlastelegging door Israël;

R.  overwegende dat waterschaarste en cruciaal en vitaal probleem is voor de Palestijnse bevolking op de Westelijke Jordaanoever, met name in zone C, en in Oost-Jeruzalem; overwegende dat Palestijnse landbouwers ernstig te lijden hebben onder het gebrek aan water voor irrigatie, hetgeen het gevolg is van het feit dat Israel en de Israëlische kolonisten op de Westelijke Jordaanoever het leeuwendeel van het water gebruiken; overwegende dat de beschikbaarheid van voldoende water van essentieel belang is voor de levensvatbaarheid van een toekomstige Palestijnse staat;

S.  overwegende dat Arabische bedoeïenen een sedentair, inheems volk zijn dat van oudsher een agrarisch bestaan leidt op de gronden van hun voorvaderen, en dat zij streven naar formele en permanente erkenning van hun unieke situatie en status; overwegende dat Arabische bedoeïenen, die door Israëlische beleidsmaatregelen, waaronder gedwongen verhuizing, in hun bestaan worden bedreigd, een uitermate kwetsbare bevolkingsgroep vormen, zowel in de bezette Palestijnse gebieden als in de Negev (Naqab); overwegende dat volgens de UNRWA 55% van de bedoeïenen/herdersgemeenschappen in zone C kampt met voedselschaarste, hoewel zij humanitaire bijstand ontvangen;

T.  overwegende dat volgens het verslag van de Displacement Working Group (DWG) dat op 14 mei 2012 is gepubliceerd en volgens de maandelijkse humanitaire monitor van het Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (OCHA) meer dan 60 objecten, waaronder zonnepanelen, waterreservoirs en agrarische gebouwen, gebouwd met middelen van de Commissie en een aantal lidstaten zoals Frankrijk, Duitsland, Nederland, het Verenigd Koninkrijk, Polen, Ierland en Spanje, sinds januari 2011door de Israëlische strijdkrachten zijn vernietigd;

U. overwegende dat de EU-instellingen en de lidstaten bij vele gelegenheden hun principiële betrokkenheid bij de veiligheid van Israël hebben herhaald, het op burgers gerichte geweld, met inbegrip van de raketaanvallen vanuit de Gazastrook, in krachtige bewoordingen hebben veroordeeld en ertoe hebben opgeroepen de smokkel van wapens naar de Gazastrook doeltreffend aan te pakken;

V. overwegende dat de blokkade van en de humanitaire crisis in de Gazastrook sinds juni 2007 voortduren, ondanks de talrijke oproepen van de internationale gemeenschap om de grensovergangen onmiddellijk, voorgoed en zonder voorwaarden open te stellen voor humanitaire hulp en het verkeer van en naar Gaza van goederen en personen; overwegende dat de afsluiting en de blokkade van de strook in de hand heeft gewerkt dat Hamas nu zijn greep op de instellingen voor zelfbestuur heeft verstevigd; overwegende dat in de afgelopen dagen aan de grens tussen Israël en Gaza het informele staakt-het-vuren, dat meer dan een jaar in acht werd genomen, is verbroken door luchtaanvallen van de Israëlische strijdkrachten en raketbeschietingen op Zuid-Israël door de gewapende tak van Hamas;

1.  herhaalt dat het ervan overtuigd is dat er geen alternatief is voor een aan de onderhandelingstafel te bereiken tweestatenoplossing, met als basis de grenzen van 1967 en Jeruzalem als hoofdstad van beide staten, waarbij de staat Israël en een onafhankelijke, democratische, aangrenzende en levensvatbare staat Palestina zij aan zij leven in vrede en veiligheid; benadrukt opnieuw dat de EU geen unilaterale wijzigingen van de grenzen zal erkennen;

2.  schaart zich volledig achter de conclusies van de Raad over het vredesproces in het Midden-Oosten van 14 mei 2012 en betreurt in dit verband de negatieve reactie van het Israëlische ministerie van Buitenlandse Zaken op deze conclusies;

3.  steunt met name het bij herhaling gehuldigde standpunt van de Raad met betrekking tot de toepasselijkheid van het internationaal humanitair recht in de bezette Palestijnse gebieden en dringt er in dit verband bij de hv/vv op aan ervoor te zorgen dat Israëls verplichtingen uit hoofde van internationale mensenrechten en humanitair recht als bezettingsmacht in alle ENB-instrumenten zullen worden geïntegreerd, met inbegrip van de mensenrechtenstrategie van het land, om ervoor te zorgen dat de EU-richtsnoeren inzake de bevordering en eerbiediging van het internationaal humanitair recht volledig worden geïmplementeerd;

4.  geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over de ontwikkelingen op de Westelijke Jordaanoever, en in het bijzonder in zone C en Oost-Jeruzalem, zoals beschreven in de verslagen van de leiders van de EU-missie van juli 2012 getiteld "Area C and Palestinian State Building, en van januari 2012 over Oost-Jeruzalem, aangezien deze ontwikkelingen de levensvatbaarheid van de tweestatenoplossing op losse schroeven zetten; roept alle partijen opnieuw op af te zien van alle unilaterale stappen die in de praktijk het vooruitzicht op een overeenkomst in gevaar kunnen brengen ten einde een gunstig klimaat te scheppen voor hervatting van de onderhandelingen, en refereert daarbij met name aan de bouw van Israëlische nederzettingen;

5.  dringt in dit verband aan op een onmiddellijke, volledige en permanente stopzetting van de bouw en de uitbreiding van nederzettingen door Israël omdat deze activiteiten een grote bedreiging vormen voor de levensvatbaarheid van de tweestatenoplossing en het grootste obstakel vormen voor de hervatting van rechtstreekse vredesonderhandelingen, en dringt tevens aan op de ontmanteling van alle sinds maart 2011 gecreëerde vooruitgeschoven posten;

6.  veroordeelt in krachtige bewoordingen alle vormen van extremisme door kolonisten en het geweld tegen en de intimidatie van Palestijnse burgers en dringt er bij de Israëlische regering op aan een einde te maken aan het huidige klimaat van wetteloosheid en straffeloosheid door de daders hiervan voor het gerecht te brengen en ter verantwoording te roepen; verklaart zich solidair met de slachtoffers van dergelijke daden en betuigt zijn instemming met alle mensenrechtenactivisten die op vreedzame en geweldloze wijze strijden voor de bescherming van de rechten van de Palestijnen;

7.  dringt aan op de volledige en doeltreffende naleving van de bestaande EU-wetgeving bij de implementatie van de bestaande bilaterale overeenkomsten tussen de EU en Israël, en op de oprichting van een passend en doeltreffend - door de Commissie geleid - EU-controlemechanisme dat voorkomt dat in Israëlische nederzettingen gemaakte producten onder preferentieregels op de Europese markt worden geïmporteerd; herhaalt dat de EU alleen Israëlische bedrijven met hoofdkantoren, filialen en dochterondernemingen die geregistreerd en gevestigd zijn in Israël zelf en die hun activiteiten uitoefenen op het grondgebied van Israël zelf, mag toestaan deel te nemen en te profiteren van de huidige en toekomstige instrumenten voor de samenwerking tussen de EU en Israël;

8.  herinnert de Israëlische autoriteiten eraan zich te houden aan hun verplichtingen als bezettingsmacht, en met name onmiddellijk een eind te maken aan de vernietiging van huizen, de huisuitzettingen en de gedwongen verdrijving van Palestijnen, voorwaarden te creëren voor Palestijnse plannings- en bouwactiviteiten, alsook voor de implementatie van Palestijnse ontwikkelingsprojecten en de rechten van Palestijnse bewoners op land en eigendom te beschermen; dringt er in dit verband bij Israël op aan zijn besluit om de huizen en objecten in Sousiyya bij Hebron te vernietigen - dat gevolgen zou hebben voor 160 Palestijnen, inclusief 60 kinderen - terug te draaien;

9.  dringt er bij de Israëlische autoriteiten op aan alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat de toegang tot landbouw- en weidegrond voor Palestijnen wordt verbeterd, en te zorgen voor een billijke waterverdeling die tegemoet komt aan de behoeften van de Palestijnse bevolking;

10. is verheugd over de overeenkomst die op 14 mei 2012 is bereikt waardoor de hongerstaking van de Palestijnse gevangenen kon worden beëindigd en dringt aan op volledige en onmiddellijke implementatie van die overeenkomst; veroordeelt de praktijk van administratieve detentie en dringt er bij de Israëlische regering op aan een einde te maken aan dit beleid; dringt aan op vrijlating van de Palestijnse kinderen, politieke gevangenen en de administratief gedetineerden, onder wie Hassan Safadi, die volgens de overeenkomst vrijgelaten zou moeten worden; herhaalt zijn oproep om de gevangen leden van de Palestijnse Wetgevende Raad, onder wie Marwan Barghouti, vrij te laten;

11. dringt aan op bescherming van de Arabische bedoeïenen die leven in de bezette Palestijnse gebieden en in de Negev (Naqab); dringt aan op onmiddellijke beëindiging van de gedwongen verdrijving, onteigening en vernietiging van de huizen van deze bevolkingsgroep en op verbetering van hun levensomstandigheden door hun adequate diensten te verlenen op de gronden van hun voorvaderen;

12. dringt aan op hervatting van rechtstreekse vredesonderhandelingen en benadrukt dat een werkelijke, substantiële en resultaatgerichte betrokkenheid van beide partijen een positieve impact kan hebben op de gehele regio en kan bijdragen tot een vreedzaam transitieproces in alle betrokken landen;

13. geeft in dit verband steun aan het beleid van geweldloos verzet van president Abbas, en dringt aan op onderlinge Palestijnse verbroedering en op de opbouw van een Palestijnse staat, waarbij presidents- en parlementsverkiezingen belangrijke elementen van het totale proces zijn;

14. herhaalt zijn principiële betrokkenheid bij de veiligheid van Israël en veroordeelt elke gewelddaad, met inbegrip van raketaanvallen vanuit de Gazastrook;

15. dringt er bij de EDEO en de Commissie op aan een officieel onderzoek in te stellen naar alle beschuldigingen betreffende de vernietiging en beschadiging van door de EU gefinancierde objecten en projecten in de Bezette Gebieden door de Israëlische strijdkrachten en dringt er bij de Raad op aan Israël hiervoor financieel aansprakelijk te stellen;

16. verzoekt de Raad en de Commissie alles in het werk te stellen om steun en bijstand te geven aan de Palestijnse instellingen en ontwikkelingsprojecten in zone C en in Oost-Jeruzalem, ter bescherming en versterking van de Palestijnse bevolking;

17. geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over de recente schermutselingen aan de grens van Israël met Gaza waarbij 18 Palestijnen zijn omgekomen, onder wie 4 kinderen, en aan beide zijden tientallen gewonden zijn gevallen; dringt er bij alle partijen op aan onmiddellijk alle militaire operaties en wraakacties te staken en hun verplichtingen krachtens het internationaal recht na te leven, met name ten aanzien van de burgerbevolking; herhaalt zijn oproep voor de onmiddellijke, permanente en onvoorwaardelijke opheffing van de blokkade van de Gazastrook, en voor stappen gericht op de wederopbouw en het economisch herstel van dit gebied; onderkent Israëls legitieme veiligheidsbehoeften en dringt in dit verband aan op een doeltreffend controlemechanisme dat een eind maakt aan de smokkel van wapens naar de Gazastrook;

18. neemt kennis van het besluit van de Raad om de EU-missie voor bijstandverlening inzake grensbeheer aan de grensovergang bij Rafah te verlengen tot 30 juni 2013 en verwacht dat zij haar taken zal uitvoeren en een doorslaggevende en effectieve rol zal spelen bij het dagelijks beheer van de grensoverschrijdende betrekkingen en de vertrouwensopbouw tussen Israël en de Palestijnse Autoriteit;

19. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vice-voorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de speciale afgezant van de EU voor het vredesproces in het Midden-Oosten, de afgezant van het Midden-Oosten Kwartet, de Knesset en de regering van Israël, de president van de Palestijnse Autoriteit en de Palestijnse Wetgevende Raad.

 

Laatst bijgewerkt op: 29 juni 2012Juridische mededeling