Procedure : 2012/2694(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0374/2012

Ingediende teksten :

B7-0374/2012

Debatten :

Stemmingen :

PV 05/07/2012 - 13.5

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 160kWORD 100k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0373/2012
27.6.2012
PE491.989v01-00
 
B7-0374/2012

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement


over het EU-beleid inzake de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem (2012/2964(RSP))


Véronique De Keyser, Pino Arlacchi, Emine Bozkurt, Ricardo Cortés Lastra, Emer Costello, Robert Goebbels, Ana Gomes, Richard Howitt, Wolfgang Kreissl-Dörfler, María Muñiz De Urquiza, Norbert Neuser, Raimon Obiols, Boris Zala namens de S&D-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over het EU-beleid inzake de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem (2012/2964(RSP))  
B7‑0374/2012

Het Europees Parlement,

–   gezien zijn eerdere resoluties,met name die van 29 september 2011 over de situatie in Palestina, van 16 februari 2012 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de regionale conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels, en van 10 september 2010 over de situatie van de rivier de Jordaan, met name de benedenloop,

–   gezien de conclusies van de Raad van 14 mei 2012, 18 juli en 23 mei 2011, en 8 december 2009 over het vredesproces in het Midden-Oosten,

–   gezien de toespraak over de recentste ontwikkelingen in het Midden-Oosten en in Syrië van de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger, Catherine Ashton, tijdens de plenaire vergadering van het Europees Parlement op 12 juni 2012,

–   gezien de verklaringen van de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger, Catherine Ashton, en met name de verklaring van 8 juni 2012 over de uitbreiding van de nederzettingen, de verklaring van 25 april 2012 over het besluit van de Israëlische autoriteiten betreffende de status van de nederzettingen Sansana, Rechelim en Bruchin in de bezette Palestijnse gebieden, en de verklaring van 22 februari 2012 over de Israëlische goedkeuring voor de bouw van nederzettingen,

–   gezien het verslag van januari 2012 van de leiders van de EU-missie over Oost-Jeruzalem ,

–   gezien het verslag van juli 2011 van de leiders van de EU-missie, getiteld "Area C and Palestinian State Building",

–   gezien de vierde Conventie van Genève van 1949 betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd,

–   gezien het Handvest van de Verenigde Naties,

–   gezien de relevante VN-resoluties, met name resolutie 181 (1947) van de Algemene Vergadering van de VN, en resoluties 242 (1967), 252 (1968), 338 (1973), 476 (1980), 478 (1980), 1397 (2002), 1515 (2003) en 1850 (2008) van de VN-Veiligheidsraad,

–   gezien de verklaringen van het Midden-Oostenkwartet, met name die van 11 april 2012 en 23 september 2011,

–   gezien het advies van het Internationaal Gerechtshof van 9 juli 2004 over de juridische gevolgen van de bouw van een muur in bezet Palestijns gebied,

–   gezien het arrest van het Europees Hof van Justitie van 25 februari 2010 in zaak C-386/08, Brita GmbH v. Hauptzollamt Hamburg Hafen,

–   gezien het plan voor de opbouw (over een periode van twee jaar) van een staat van de Palestijnse premier Salam Fayyad van augustus 2009, getiteld "Ending the Occupation, Establishing a State",

–   gezien de interimovereenkomst over de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook van 18 september 1995,

–   gezien de Akkoorden van Oslo ("Declaration of Principles on Interim Self-Government Arrangements") van 13 september 1993,

–   gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat het Europees Parlement herhaaldelijk zijn steun tot uitdrukking heeft gebracht voor de tweestatenoplossing, met de staat Israël en een onafhankelijke, democratische, aangrenzende en levensvatbare staat Palestina, die zij aan zij leven in vrede en veiligheid, heeft opgeroepen tot de hervatting van directe vredesgesprekken tussen de partijen, en heeft verklaard dat geen andere wijzigingen van de grenzen van vóór 1967 zullen worden erkend, inclusief met betrekking tot Jeruzalem, dan degene die door de partijen zijn overeengekomen;

B.  overwegende dat het recht van de Palestijnen op zelfbeschikking en een eigen staat onbetwistbaar is, net als het recht van Israël op een bestaan binnen veilige grenzen; overwegende dat in de conclusies van de Raad van 14 mei 2012 wordt onderstreept dat de voortdurende veranderingen in de Arabische wereld de noodzaak van vooruitgang in het vredesproces in het Midden-Oosten des te urgenter maken, en dat oog hebben voor de aspiraties van de mensen in de regio, waaronder die van de Palestijnen betreffende een eigen staat en die van de Israëliërs inzake veiligheid, een cruciaal element vormt voor duurzame vrede, stabiliteit en welvaart in de regio;

C. overwegende dat in de recente verslagen van de leiders van de EU-missie (het verslag getiteld "Area C and Palestinian State Building" en het verslag over Jeruzalem), die allebei naar de pers zijn gelekt, opnieuw melding wordt gemaakt van verontrustende ontwikkelingen in de betrokken gebieden die een ernstige bedreiging vormen voor de haalbaarheid van de tweestatenoplossing;

D. overwegende dat de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem, samen met de Gazastrook, bezette gebieden zijn; overwegende dat de internationale mensenrechten en het internationaal humanitair recht, inclusief de vierde Conventie van Genève, volledig van toepassing is op deze gebieden; overwegende dat Israël als bezettingsmacht verplicht is er in goed vertrouwen voor te zorgen dat in de fundamentele behoeften van de Palestijnse bevolking in de bezette gebieden wordt voorzien, de bezetting te beheren op een wijze die de plaatselijke bevolking ten goede komt, burgerobjecten te beschermen en te handhaven, en erop toe te zien dat zijn eigen bevolking niet naar de bezette gebieden verhuist en, in omgekeerde richting, dat de bevolking van de bezette gebieden niet naar Israël verhuist;

E.  overwegende dat de Akkoorden van Oslo het gebied van de Westelijke Jordaanoever in drie zones hebben verdeeld: zone A, zone B en zone C; overwegende dat zone C, die onder controle staat van de Israëlische civiele en veiligheidsautoriteiten, 62% van het gebied van de Westelijke Jordaanoever uitmaakt en het enige aangrenzende gebied is met vruchtbare grond en veel hulpbronnen; overwegende dat in de interimovereenkomst over de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook van 1995 staat dat zone C geleidelijk onder Palestijnse jurisdictie zou komen te vallen, maar dat dit in de praktijk niet is gebeurd;

F.  overwegende dat de Palestijnse aanwezigheid in zone C door het beleid van de Israëlische regering is ondermijnd; overwegende dat ten gevolg van deze beleidsmaatregelen slechts 5,8% van de Palestijnse bevolking op de Westelijke Jordaanoever in zone C woont, terwijl er naar schatting twee keer zoveel Israëlische kolonisten (310.000) wonen als Palestijnen; overwegende dat de bescherming van de Palestijnse bevolking en haar rechten in zone C dan ook van cruciaal belang is om de tweestatenoplossing levensvatbaar te houden;

G. overwegende dat Israël in het document "Basic Law: Jerusalem, Capital of Israel" uit 1980 Jeruzalem tot de volledige en ongedeelde hoofdstad van Israël heeft uitgeroepen; overwegende dat resolutie 478 (1980) van de VN-Veiligheidsraad bepaalt dat alle door Israël als bezettingsmacht genomen wetgevende en administratieve maatregelen die het karakter en de status van Jeruzalem hebben gewijzigd of tot doel hebben deze te wijzigen, en in het bijzonder de Basic Law, nietig zijn, en onverwijld moeten worden ingetrokken; overwegende dat in de conclusies van de Raad van 14 mei 2012 nog eens wordt herhaald dat er via onderhandelingen een manier moet worden gevonden om het punt van de status van Jeruzalem als de toekomstige hoofdstad van beide staten op te lossen;

H. overwegende dat de huidige ontwikkelingen in Oost-Jeruzalem - en dit wordt ook aangegeven in het verslag van de leiders van de EU-missie - het vooruitzicht dat Jeruzalem de toekomstige hoofdstad van beide staten wordt, onwaarschijnlijk en onrealistisch maken en zo de tweestatenoplossing ondermijnen; overwegende dat Oost-Jeruzalem steeds verder van de Westelijke Jordaanoever wordt losgeweekt, en dat de historische kern binnen Jeruzalem steeds meer van Oost-Jeruzalem wordt losgekoppeld;

I.   overwegende dat de Palestijnen in Oost-Jeruzalem 37% van de totale bevolking van Jeruzalem uitmaken en goed zijn voor 36% van de belastinginkomsten van de stad, maar dat slechts 10% van het gemeentebudget wordt uitgegeven in Oost-Jeruzalem, waar het aanbod van diensten dan ook volstrekt onvoldoende is; overwegende dat de meeste Palestijnse instellingen in Oost-Jeruzalem, waaronder het Orient House, door de Israëlische autoriteiten zijn gesloten, waardoor een institutioneel en leiderschapsvacuüm is gecreëerd onder de plaatselijke Palestijnse bevolking, hetgeen onverminderd een grote bron van zorg is;

J.   overwegende dat de Palestijnen die in Oost-Jeruzalem wonen, de status van vaste inwoner hebben maar dat deze status alleen onder bepaalde voorwaarden aan kinderen wordt doorgegeven en niet automatisch wordt overgedragen middels een huwelijk, hetgeen betekent dat de echtgenoten en kinderen van vele vaste inwoners van Oost-Jeruzalem niet bij hun overige gezinsleden kunnen wonen; overwegende dat anderzijds ongeveer 200 000 Israëlische kolonisten in en rond Oost-Jeruzalem wonen;

K. overwegende dat de Palestijnse aanwezigheid in zone C en Oost-Jeruzalem door het beleid van de Israëlische regering is ondermijnd; overwegende dat een belangrijk deel van dit beleid bestaat uit het bouwen en uitbreiden van nederzettingen; overwegende dat de Israëlische nederzettingen, die door de Israëlische regering worden gesubsidieerd met stimulerende maatregelen op gebieden als belastingen, huisvesting, infrastructuur, wegenbouw, toegang tot water, onderwijs en bijvoorbeeld ook gezondheidszorg, strijdig zijn met het internationaal recht en een belangrijk obstakel vormen voor de vredesinspanningen; overwegende dat er in 2011 sprake was van de grootste expansie van nederzettingen in de regio Jeruzalem sinds 1967; overwegende dat geweld tegen en intimidatie van Palestijnse burgers door kolonisten geleid heeft tot ernstige incidenten, sommige met dodelijke afloop;

L.  overwegende dat bij ontstentenis van een effectief EU-controlemechanisme nog altijd producten uit Israëlische nederzettingen op de Europese markt terechtkomen in het kader van een preferentiële regeling; overwegende dat in zijn resolutie van 16 februari 2012 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de regionale conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels, het Europees Parlement zijn ernstige bezorgdheid uit over het feit dat bepaalde bedrijven op grond van de associatie-overeenkomst EU-Israël uit de bezette gebieden afkomstige producten exporteren naar de Europese markt in het kader van een preferentiële regeling, oordeelt dat de oplossingen die de desbetreffende technische regeling tussen de EU en Israël biedt, niet bevredigend zijn in dit opzicht, van mening is dat een eenvoudig, efficiënt en betrouwbaar mechanisme om de huidige technische regeling te vervangen, overeengekomen moet worden met Israël, er bij de lidstaten evenwel op aandringt ervoor te zorgen dat hun douaneautoriteiten de technische regeling daadwerkelijk toepassen, en de Commissie verzoekt met nieuwe voorstellen te komen en met het Europees Parlement samen te werken om een oplossing te vinden voor dit misbruik van de regels van de interne markt;

M. overwegende dat de door Israël gebouwde scheidingsmuur, die niet parallel loopt met de Groene Lijn, een aanzienlijk deel van het Palestijns grondgebied afsnijdt zowel op de Westelijke Jordaanoever als in Oost-Jeruzalem; overwegende dat het advies van het Internationaal Gerechtshof van 2004 over de juridische gevolgen van de bouw van een muur in bezet Palestijns gebied, aangeeft dat de constructie van de muur die door Israël, de bezettingsmacht, wordt gebouwd in bezet Palestijns gebied, onder meer in en rond Oost-Jeruzalem, alsook alle daarbij behorende maatregelen, indruisen tegen het internationale recht;

N. overwegende dat de voortdurende uitbreiding van de nederzettingen, het toenemende geweld door kolonisten, de bouwbeperkingen en het daaruit voortvloeiende acute huizentekort, de vernietiging van huizen, de huisuitzettingen en verdrijvingen, de inbeslagneming van land, de moeilijke toegang tot water en andere natuurlijke hulpbronnen, het gebrek aan fundamentele sociale voorzieningen en bijstand, enz. een grote negatieve invloed hebben op de levensomstandigheden van de Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever, in het bijzonder in zone C en in Oost-Jeruzalem; overwegende dat de economische situatie in deze gebieden, die verslechterd is door de beperkingen die gelden voor toegang, vrij verkeer en planning, onverminderd een bron van grote zorg is;

O. overwegende dat het Europees Parlement bij herhaling zijn steun heeft uitgesproken voor de inspanningen van president Mahmoud Abbas en premier Salam Fayyad gericht op de opbouw van een staat, en het desbetreffende plan (met een looptijd van twee jaar) van premier Fayyad heeft verwelkomd en het succes ervan heeft onderkend; overwegende dat zone C en Oost-Jeruzalem voorrangspunten moeten blijven in de Palestijnse nationale ontwikkelingsplannen, ook als antwoord op het gevoel van verwaarlozing onder de Palestijnen die daar wonen;

P.  overwegende dat meer dan 4500 Palestijnse gevangenen - onder wie 27 leden van de Palestijnse Wetgevende Raad, meer dan 200 minderjarigen van onder de 18 jaar en meer dan 300 administratief gedetineerden - nog altijd gevangen worden gehouden in Israëlische gevangenissen en detentiecentra; overwegende dat het willekeurig en buitensporig gebruik van administratieve hechtenis van Palestijden door Israël als bezettingsmacht in strijd is met de vierde Conventie van Genève;

Q. overwegende dat de Palestijnse bevolking op de Westelijke Jordaanoever, en in het bijzonder in zone C en in Oost-Jeruzalem, met een ernstig watertekort kampt; overwegende dat Palestijnse landbouwers ernstig te lijden hebben onder het gebrek aan water voor irrigatie, hetgeen het gevolg is van het feit dat Israël en de Israëlische kolonisten op de Westelijke Jordaanoever het leeuwendeel van het water gebruiken; overwegende dat de beschikbaarheid van voldoende water van essentieel belang is voor de levensvatbaarheid van een toekomstige Palestijnse staat;

R.  overwegende dat Arabische bedoeïenen tot een sedentair, inheems volk behoren dat van oudsher een agrarisch bestaan leidt op de gronden van hun voorvaderen, en dat zij streven naar formele en permanente erkenning van hun unieke situatie en status; overwegende dat de gemeenschappen van Arabische bedoeïenen, die door Israëlische beleidsmaatregelen, waaronder gedwongen verhuizing, in hun bestaan worden bedreigd, een uitermate kwetsbare bevolkingsgroep vormen, zowel in de bezette Palestijnse gebieden als in de Negev (Naqab);

S.  overwegende dat de Europese Unie de grootste donor is van de Palestijnse autoriteit; overwegende dat de humanitaire en ontwikkelingshulp die de internationale gemeenschap en in het bijzonder de EU en haar lidstaten geven, Israël als bezettingsmacht niet ontslaan van zijn verplichtingen uit hoofde van het internationaal recht; overwegende dat sinds januari 2011 meer dan 60 projecten die door de EU of haar lidstaten waren gefinancierd, door Israëlische troepen zijn beschadigd of vernietigd en dat meer dan 100 vergelijkbare projecten met vernietiging worden bedreigd;

T.  overwegende dat het Europees Parlement herhaaldelijk heeft aangegeven zeer veel belang te hechten aan de veiligheid van de staat Israël; overwegende dat in de conclusies van de Raad van 14 mei 2012 het principiële engagement van de EU en haar lidstaten voor de veiligheid van Israël nog eens wordt herhaald, het op burgers gerichte geweld, met inbegrip van de raketaanvallen vanuit de Gazastrook, in krachtige bewoordingen wordt veroordeeld en ertoe wordt opgeroepen de smokkel van wapens naar de Gazastrook doeltreffend aan te pakken;

U. overwegende dat de blokkade van en de humanitaire crisis in de Gazastrook voortduren, ondanks de talrijke oproepen van de internationale gemeenschap, onder meer ook in de conclusies van de Raad van 14 mei 2012, om de grensovergangen onmiddellijk, voorgoed en zonder voorwaarden open te stellen voor humanitaire hulp en het verkeer van en naar Gaza van goederen en personen;

1.  herhaalt zijn krachtige steun voor de tweestatenoplossing op basis de grenzen van 1967 en met Jeruzalem als hoofdstad van beide staten, waarbij de staat Israël en een onafhankelijke, democratische, aangrenzende en levensvatbare staat Palestina zij aan zij leven in vrede en veiligheid; geeft zijn volledige steun aan de conclusies van de Raad van 14 mei 2012 over het vredesproces in het Midden-Oosten, en herhaalt dat de EU geen andere wijzigingen van de grenzen van vóór 1967 zal erkennen, inclusief met betrekking tot Jeruzalem, dan degene die door de partijen zijn overeengekomen;

2.  maakt zich grote zorgen over de ontwikkelingen op de Westelijke Jordaanoever, en in het bijzonder in zone C en Oost-Jeruzalem, zoals beschreven in de verslagen van de leiders van de EU-missie van juli 2012 getiteld "Area C and Palestinian State Building", en van januari 2012 over Oost-Jeruzalem, aangezien deze ontwikkelingen de levensvatbaarheid van de tweestatenoplossing op losse schroeven zetten; roept alle partijen op af te zien van alle unilaterale stappen die in de praktijk het vooruitzicht op een via onderhandelingen tot stand gebrachte overeenkomst in gevaar kunnen brengen, en refereert daarbij met name aan de bouw van Israëlische nederzettingen; is verheugd over en geeft zijn volledige steun aan de paragrafen 6 en 7 van de conclusies van de Raad van 14 mei 2012, waarin in het bijzonder wordt ingegaan op de kwestie van de nederzettingen, Oost-Jeruzalem en zone C;

3.  onderstreept het belang van het beschermen van de Palestijnse bevolking en haar rechten in zone C en in Oost-Jeruzalem, hetgeen cruciaal is om de levensvatbaarheid van de tweestatenoplossing te handhaven;

4.  onderstreept eens te meer dat de Israëlische nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever en in Oost-Jeruzalem in strijd zijn met het internationaal recht; dringt aan op een onmiddellijke, volledige en permanente stopzetting van de bouw en de uitbreiding van nederzettingen door Israël, omdat deze activiteiten een grote bedreiging vormen voor de levensvatbaarheid van de tweestatenoplossing, alsook op de ontmanteling van alle sinds maart 2011 gecreëerde vooruitgeschoven posten;

5.  veroordeelt in krachtige bewoordingen alle vormen van extremisme door kolonisten en het geweld tegen en de intimidatie van Palestijnse burgers en vraagt de Israëlische regering en de Israëlische autoriteiten met klem de daders hiervan voor het gerecht te brengen en ter verantwoording te roepen, omdat er anders sprake is van straffeloosheid;

6.  dringt erop aan dat de verplichtingen van de EU in het kader van het internationaal recht en de bestaande EU-wetgeving ten volle worden gerespecteerd bij de uitvoering van de bilaterale overeenkomsten tussen de EU en Israël; vraagt in dit verband dat de Commissie een passend en doeltreffend EU-controlemechanisme opzet om te voorkomen dat producten uit Israëlische nederzettingen op de Europese markt terechtkomen in het kader van een preferentiële regeling; onderstreept dat Israëlische entiteiten die in door Israël in 1967 bezet gebied hun hoofdzetel, filialen of dochterondernemingen hebben en/of daar activiteiten ontplooien, niet mogen deelnemen aan de samenwerking met de EU;

7.  verzoekt de Israëlische regering en de Israëlische autoriteiten zich te houden aan hun verplichtingen als bezettingsmacht, en in het bijzonder:

–   onmiddellijk een eind te maken aan de vernietiging van huizen, de huisuitzettingen en de gedwongen verdrijving van Palestijnen,

–   voorwaarden te creëren voor Palestijnse plannings- en bouwactiviteiten, alsook voor de implementatie van Palestijnse ontwikkelingsprojecten,

–   voorwaarden te creëren voor toegang en vrij verkeer,

–   voorwaarden te creëren voor de toegang van Palestijnen tot landbouw- en weidegrond,

–   te zorgen voor een billijke waterverdeling die tegemoet komt aan de behoeften van de Palestijnse bevolking,

–   de toegang van de Palestijnse bevolking tot behoorlijke sociale voorzieningen en bijstand te verbeteren, met name op de gebieden onderwijs en volksgezondheid, en

–   humanitaire operaties in zone C en in Oost-Jeruzalem mogelijk te maken;

8.  dringt aan op heropening van de Palestijnse instellingen in Oost-Jeruzalem, in het bijzonder het Orient House;

9.  vraagt dat een eind wordt gemaakt aan het willekeurig en buitensporig gebruik van administratieve hechtenis, zonder formele beschuldiging of proces door de Israëlische autoriteiten ten aanzien van Palestijnen, dat alle Palestijnse gedetineerden een eerlijk proces krijgen en dat de Palestijnse politieke gevangenen worden vrijgelaten, met name de leden van de Palestijnse Wetgevende Raad, onder wie Marwan Barghouti, en de administratief gedetineerden; vraagt ook de onmiddellijke vrijlating van Nabil Al-Raee, artistiek directeur van het Freedom Theatre in het vluchtelingenkamp in Jenin, die op 6 juni 2012 werd gearresteerd en in hechtenis is genomen;

10. dringt aan op bescherming van de gemeenschappen van Arabische bedoeïenen die leven in de bezette Palestijnse gebieden en in de Negev (Naqab); dringt aan op onmiddellijke beëindiging van de gedwongen verdrijving, onteigening en vernietiging van de huizen van deze bevolkingsgroep en op verbetering van hun levensomstandigheden door hun adequate diensten te verlenen op de gronden van hun voorvaderen; vraagt in dit verband dat de Israëlische regering het Prawer Plan intrekt;

11. spoort de Palestijnse regering en de Palestijnse autoriteiten aan in de Palestijnse nationale ontwikkelingsplannen meer aandacht te besteden aan zone C en aan Oost-Jeruzalem, teneinde de situatie en de levensomstandigheden van de Palestijnen die in deze gebieden wonen, te verbeteren;

12. onderstreept eens te meer dat vreedzame en geweldloze middelen de enige manier zijn om een billijke en duurzame vrede tussen Israëli's en Palestijnen tot stand te brengen; dringt nog eens aan op hervatting van rechtstreekse gesprekken tussen beide partijen; blijft in dit verband steun geven aan het beleid van geweldloos verzet van president Abbas en blijft aandringen op onderlinge Palestijnse verbroedering en op de opbouw van een Palestijnse staat, waarbij presidents- en parlementsverkiezingen belangrijke elementen van het totale proces zijn;

13. herhaalt dat het onverminderd groot belang hecht aan de veiligheid van de staat Israël; veroordeelt elke daad van geweld door elk van beide partijen waarbij opzettelijk burgers worden aangevallen, onder meer de raketaanvallen vanuit de Gazastrook;

14. verzoekt de Raad en de Commissie steun en bijstand te blijven geven aan de Palestijnse instellingen en ontwikkelingsprojecten in zone C en in Oost-Jeruzalem, voor het beschermen van de Palestijnse bevolking en het verbeteren van haar levensomstandigheden; dringt overigens aan op een betere coördinatie tussen de EU en de lidstaten op dit gebied; is van mening dat Israël financieel verantwoordelijk moet worden gesteld voor de vernietiging van door de EU en haar lidstaten gefinancierde projecten in bezet Palestijns gebied;

15. vraagt de Raad en de Commissie deze kwesties op alle niveaus van de bilaterale betrekkingen tussen de EU en Israël en de Palestijnse Autoriteit aan de orde te blijven stellen; onderstreept dat de inspanningen die Israël zich getroost om zich te houden aan zijn verplichtingen ten opzichte van de Palestijnse bevolking in de bezette gebieden in het kader van de internationale mensenrechten en het internationaal humanitair recht, volledig zullen meewegen in de bilaterale betrekkingen van de EU met dit land, onder meer op de aanstaande vergadering van de Associatieraad EU-Israël , en dat de desbetreffende prestatie-indicatoren in alle instrumenten van dit partnerschap zullen worden geïntegreerd;

16. dringt er bij de EU en haar lidstaten eens te meer op aan onder meer in het Kwartet een actievere rol te vervullen bij de inspanningen om tot een rechtvaardige en duurzame vrede te komen tussen Israëli's en Palestijnen; benadrukt nog eens de centrale rol van het Kwartet en staat achter de hoge vertegenwoordiger in haar inspanningen om een geloofwaardig perspectief te creëren voor de hervatting van het vredesproces;

17. herhaalt zijn oproep voor de onmiddellijke, permanente en onvoorwaardelijke opheffing van de blokkade van de Gazastrook en voor stappen gericht op de wederopbouw en het economisch herstel van dit gebied; onderkent Israëls legitieme veiligheidsbehoeften en dringt in dit verband aan op een doeltreffend controlemechanisme dat een eind maakt aan de smokkel van wapens naar de Gazastrook;

18. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor het vredesproces in het Midden-Oosten, de afgezant van het Midden-Oostenkwartet, de Knesset en de regering van Israël, de president van de Palestijnse Autoriteit en de Palestijnse Wetgevende Raad.

Laatst bijgewerkt op: 29 juni 2012Juridische mededeling