Procedure : 2012/2694(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0375/2012

Ingediende teksten :

B7-0375/2012

Debatten :

Stemmingen :

PV 05/07/2012 - 13.5

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 151kWORD 85k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0373/2012
27.6.2012
PE491.990v01-00
 
B7-0375/2012

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement


over het EU-beleid inzake de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem (2012/2964(RSP))


Annemie Neyts-Uyttebroeck, Chris Davies, Marielle de Sarnez, Niccolò Rinaldi, Ivo Vajgl namens de ALDE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over het EU-beleid inzake de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem (2012/2964(RSP))  
B7‑0375/2012

Het Europees Parlement,

–   gezien zijn eerdere resoluties, in het bijzonder die van 29 september 2011 over de situatie in Palestina(1) en van 9 september 2010 over de situatie van de rivier de Jordaan, met name de benedenloop(2),

–   gezien de conclusies van de Raad van 14 mei 2012, 18 juli en 23 mei 2011, en 8 december 2009 over het vredesproces in het Midden-Oosten,

–   gezien de toespraak van de vicevoorzitter / hoge vertegenwoordiger, Catherine Ashton, tijdens de voltallige vergadering van het Europees Parlement op 12 juni 2012 over de recentste ontwikkelingen in het Midden-Oosten en in Syrië,

–   gezien de verklaringen van de vicevoorzitter / hoge vertegenwoordiger, Catherine Ashton, en in het bijzonder haar verklaring van 8 juni 2012 over de uitbreiding van de nederzettingen, haar verklaring van 25 april 2012 over het besluit van de Israëlische autoriteiten betreffende de status van de nederzettingen Sansana, Rechelim en Bruchin in bezet Palestijns gebied, en haar verklaring van 22 februari 2012 over de Israëlische goedkeuring voor de bouw van nederzettingen,

–   gezien het verslag van de leiders van de EU-missie van januari 2012 over Jeruzalem,

–   gezien het verslag van de leiders van de EU-missie van juli 2011 getiteld "Area C and Palestinian State Building",

–   gezien de vierde Conventie van Genève van 1949 betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd,

–   gezien de relevante VN-resoluties, in het bijzonder resolutie 181 (1947) van de Algemene Vergadering van de VN, en resoluties 242 (1967), 252 (1968), 338 (1973), 476 (1980), 478 (1980), 1397 (2002), 1515 (2003) en 1850 (2008) van de VN-Veiligheidsraad,

–   gezien de verklaringen van het Midden-Oostenkwartet, in het bijzonder die van 11 april 2012 en 23 september 2011,

–   gezien het advies van het Internationaal Gerechtshof van 9 juli 2004 over de juridische gevolgen van de bouw van een muur in bezet Palestijns gebied,

–   gezien het plan voor de opbouw (over een periode van twee jaar) van een staat van de Palestijnse premier Salam Fayyad van augustus 2009, getiteld "Ending the Occupation, Establishing a State",

–   gezien de interimovereenkomst over de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook van 18 september 1995,

–   gezien de Akkoorden van Oslo ("Declaration of Principles on Interim Self-Government Arrangements") van 13 september 1993,

–   gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat het Europees Parlement herhaaldelijk zijn steun tot uitdrukking heeft gebracht voor de tweestatenoplossing, met de staat Israël en een onafhankelijke, democratische, aangrenzende en levensvatbare staat Palestina die zij aan zij leven in vrede en veiligheid, heeft opgeroepen tot de hervatting van directe vredesgesprekken tussen de partijen, en heeft verklaard dat geen andere wijzigingen van de grenzen van vóór 1967 zullen worden erkend, inclusief met betrekking tot Jeruzalem, dan degene die door de partijen zijn overeengekomen;

B.  overwegende dat het recht van de Palestijnen op zelfbeschikking en een eigen staat onbetwistbaar is, net als het recht van Israël op een bestaan binnen veilige grenzen; overwegende dat in de conclusies van de Raad van 14 mei 2012 wordt onderstreept dat de voortdurende veranderingen in de Arabische wereld de noodzaak van vooruitgang in het vredesproces in het Midden-Oosten des te urgenter maken, en dat oog hebben voor de aspiraties van de mensen in de regio, waaronder die van de Palestijnen betreffende een eigen staat en die van de Israëliërs inzake veiligheid, een cruciaal element vormt voor duurzame vrede, stabiliteit en welvaart in de regio;

C. overwegende dat in de recente verslagen van de leiders van de EU-missie (het verslag over Jeruzalem en het verslag getiteld "Area C and Palestinian State Building") opnieuw melding wordt gemaakt van verontrustende ontwikkelingen in de betrokken gebieden, hetgeen een ernstige bedreiging is voor de haalbaarheid van de tweestatenoplossing;

D. overwegende dat de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem, samen met de Gazastrook, bezette gebieden zijn; overwegende dat het internationale humanitaire recht, inclusief de vierde Conventie van Genève, volledig van toepassing is op deze gebieden; overwegende dat Israël als bezettingsmacht verplicht is er in goed vertrouwen voor te zorgen dat in de fundamentele behoeften van de Palestijnse bevolking in de bezette gebieden wordt voorzien, de bezetting te beheren op een wijze die de plaatselijke bevolking ten goede komt, burgerobjecten te beschermen en te bewaren, en erop toe te zien dat zijn eigen bevolking niet naar de bezette gebieden verhuist en, in omgekeerde richting, dat de bevolking van de bezette gebieden niet naar Israël verhuist;

E.  overwegende dat de Akkoorden van Oslo het gebied van de Westelijke Jordaanoever in drie zones hebben verdeeld: zone A, zone B en zone C; overwegende dat zone C, die onder controle van de Israëlische civiele en veiligheidsautoriteiten staat, 62% van het gebied van de Westelijke Jordaanoever uitmaakt en het enige aangrenzende gebied is met vruchtbare grond en veel hulpbronnen; overwegende dat in de interimovereenkomst over de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook van 1995 staat dat zone C geleidelijk onder Palestijnse jurisdictie zou komen te vallen, maar dat dit in de praktijk niet is gebeurd;

F.  overwegende dat de Palestijnse aanwezigheid in zone C door beleidsmaatregelen van de Israëlische regering is ondermijnd; overwegende dat ten gevolg van deze beleidsmaatregelen slechts 5,8% van de Palestijnse bevolking op de Westelijke Jordaanoever in zone C woont, terwijl er naar schatting twee keer zoveel Israëlische kolonisten (310 000) wonen als Palestijnen; overwegende dat de bescherming van de Palestijnse bevolking en haar rechten in zone C dan ook van cruciaal belang is voor het handhaven van de levensvatbaarheid van de tweestatenoplossing;

G. overwegende dat Israël in het document "Basic Law: Jerusalem, Capital of Israel" uit 1980 Jeruzalem tot de volledige en ongedeelde hoofdstad van Israël heeft uitgeroepen; overwegende dat resolutie 478 (1980) van de VN-Veiligheidsraad bepaalt dat alle door Israël als bezettingsmacht genomen wetgevende en administratieve maatregelen die het karakter en de status van Jeruzalem hebben gewijzigd of tot doel hebben deze te wijzigen, en in het bijzonder de Basic Law, nietig en ongeldig zijn, en onverwijld moeten worden ingetrokken; overwegende dat in de conclusies van de Raad van 14 mei 2012 nog eens wordt herhaald dat via onderhandelingen een manier moet worden gevonden om het punt van de status van Jeruzalem als de toekomstige hoofdstad van beide staten op te lossen;

H. overwegende dat de huidige ontwikkelingen in Oost-Jeruzalem, en dit wordt ook aangegeven in het verslag van de leiders van de EU-missie, het vooruitzicht dat Jeruzalem de toekomstige hoofdstad van beide staten wordt onwaarschijnlijk en onrealistisch maken, waarmee de tweestatenoplossing wordt ondermijnd; overwegende dat Oost-Jeruzalem steeds verder van de Westelijke Jordaanoever wordt losgeweekt, en dat de historische kern binnen Jeruzalem steeds verder van Oost-Jeruzalem wordt losgekoppeld;

I.   overwegende dat de Palestijnen in Oost-Jeruzalem 37% van de totale bevolking van Jeruzalem uitmaken en goed zijn voor 36% van de belastinginkomsten van de stad, maar dat slechts 10% van het gemeentebudget in Oost-Jeruzalem wordt uitgegeven, waar het aanbod van diensten dan ook volstrekt onvoldoende is; overwegende dat de meeste Palestijnse instellingen in Oost-Jeruzalem, waaronder het Orient House, door de Israëlische autoriteiten zijn gesloten, waarmee voor een institutioneel en leiderschapsvacuüm onder de plaatselijke Palestijnse bevolking is gezorgd, hetgeen onverminderd een grote bron van zorg is;

J.   overwegende dat de Palestijnen die in Oost-Jeruzalem wonen de status van "vaste inwoner" hebben, maar dat deze status alleen onder bepaalde voorwaarden aan kinderen wordt doorgegeven en niet automatisch wordt overgedragen middels een huwelijk, hetgeen betekent dat de echtgenoten en kinderen van veel vaste inwoners van Oost-Jeruzalem niet bij hun overige gezinsleden kunnen wonen; overwegende dat anderzijds ongeveer 200 000 Israëlische kolonisten in en rond Oost-Jeruzalem wonen;

K. overwegende dat de Palestijnse aanwezigheid in zone C en Oost-Jeruzalem door beleidsmaatregelen van de Israëlische regering is ondermijnd; overwegende dat een belangrijk onderdeel van deze beleidsmaatregelen bestaat uit het bouwen en uitbreiden van nederzettingen; overwegende dat de Israëlische nederzettingen, die door de Israëlische regering worden gesubsidieerd met stimulerende maatregelen op gebieden als belastingen, huisvesting, infrastructuur, wegenbouw, toegang tot water, onderwijs en bijvoorbeeld ook gezondheidszorg, onder het internationaal recht illegaal zijn en een belangrijk obstakel vormen voor de vredesinspanningen; overwegende dat in 2011 sprake was van de grootste expansie van nederzettingen in de regio Jeruzalem sinds 1967; overwegende dat het geweld tegen en de intimidatie van Palestijnse burgers door kolonisten geleid heeft tot ernstige incidenten, sommige met dodelijke afloop; overwegende dat bij ontstentenis van een EU-controlemechanisme nog altijd producten uit Israëlische nederzettingen onder preferentieregels op de Europese markt worden geïmporteerd;

L.  overwegende dat de door Israël gebouwde scheidingsmuur, die niet parallel loopt met de Groene Lijn, zowel op de Westelijke Jordaanoever, als in Oost-Jeruzalem een aanzienlijk deel van het Palestijnse grondgebied afsnijdt; overwegende dat het Internationaal Gerechtshof in een advies van 2004 heeft aangegeven dat de muur waar Israël, de bezettingsmacht, aan werkt in bezet Palestijns gebied, waaronder in en rond Oost-Jeruzalem, alsook alle daarbij behorende maatregelen, indruisen tegen het internationale recht;

M. overwegende dat de voortdurende uitbreiding van de nederzettingen, het toenemende geweld door kolonisten, de bouwbeperkingen en het daaruit voortvloeiende acute huizentekort, de vernietiging van huizen, de huisuitzettingen en verdrijvingen, de inbeslagneming van land, de moeilijke toegang tot water en andere natuurlijke hulpbronnen, het gebrek aan fundamentele sociale voorzieningen en bijstand, enz., een zeer negatieve invloed hebben op de levensomstandigheden van de Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever, in het bijzonder in zone C en in Oost-Jeruzalem; overwegende dat de economische situatie in deze gebieden, die verslechterd is door de beperkingen die gelden voor toegang, vrij verkeer en planning, onverminderd een bron van grote zorg is;

N. overwegende dat het Europees Parlement bij herhaling zijn steun heeft uitgesproken voor de inspanningen van president Mahmoud Abbas en premier Salam Fayyad gericht op de opbouw van een staat, en het desbetreffende plan (met een looptijd van twee jaar) van premier Fayyad heeft verwelkomd en het succes ervan heeft onderkend; overwegende dat zone C en Oost-Jeruzalem in de Palestijnse nationale ontwikkelingsplannen evenwel slechts beperkte aandacht krijgen, hetgeen ertoe heeft geleid dat de Palestijnen die daar wonen zich verwaarloosd voelen;

O. overwegende dat meer dan 4 000 Palestijnse gevangenen, onder wie 27 leden van de Palestijnse Wetgevende Raad, en meer dan 300 Palestijnse administratief gedetineerden nog altijd gevangen worden gehouden in Israëlische gevangenissen en detentiecentra;

P.  overwegende dat de Palestijnse bevolking op de Westelijke Jordaanoever, en in het bijzonder in zone C en in Oost-Jeruzalem, met een ernstig watertekort kampt; overwegende dat Palestijnse landbouwers ernstig te lijden hebben onder het gebrek aan water voor irrigatie, hetgeen het gevolg is van het feit dat Israel en de Israëlische kolonisten op de Westelijke Jordaanoever het leeuwendeel van het water gebruiken; overwegende dat de beschikbaarheid van voldoende water van essentieel belang is voor de levensvatbaarheid van een toekomstige Palestijnse staat;

Q. overwegende dat Arabische bedoeïenen een sedentair en van oudsher agrarisch bestaan leiden op de gronden van hun voorvaderen, en streven naar formele en permanente erkenning van hun unieke situatie en status; overwegende dat Arabische bedoeïenen, die door Israëlische beleidsmaatregelen, waaronder gedwongen verhuizing, in hun bestaan worden bedreigd, een uitermate kwetsbare bevolkingsgroep vormen;

R.  overwegende dat de Europese Unie de grootste donor van de Palestijnse autoriteit is; overwegende dat de humanitaire en ontwikkelingshulp die de internationale gemeenschap en in het bijzonder de EU en haar lidstaten aan Israël geven, dat land, als bezettingsmacht, niet ontslaan van zijn verplichtingen uit hoofde van het internationale recht; overwegende dat sinds januari 2011 meer dan 60 projecten die door de EU of haar lidstaten waren gefinancierd door Israëlische troepen zijn beschadigd of vernietigd, en dat meer dan 100 vergelijkbare projecten met vernietiging wordt bedreigd;

S.  overwegende dat het Europees Parlement herhaaldelijk heeft aangegeven zeer veel belang te hechten aan de veiligheid van de staat Israël; overwegende dat in de conclusies van de Raad van 14 mei 2012 het principiële engagement van de EU en haar lidstaten voor de veiligheid van Israël nog eens wordt herhaald, het op burgers gerichte geweld, met inbegrip van de raketaanvallen vanuit de Gazastrook, in krachtige bewoordingen wordt veroordeeld en ertoe wordt opgeroepen de smokkel van wapens naar de Gazastrook doeltreffend aan te pakken;

T.  overwegende dat de blokkade van en de humanitaire crisis in de Gazastrook voortduren, ondanks de talrijke oproepen van de internationale gemeenschap, waaronder ook in de conclusies van de Raad van 14 mei 2012, om de grensovergangen onmiddellijk, voorgoed en zonder voorwaarden open te stellen voor humanitaire hulp en voor het verkeer van en naar Gaza van goederen en personen;

1.  herhaalt zijn krachtige steun voor de tweestatenoplossing op basis de grenzen van 1967 en met Jeruzalem als hoofdstad van beide staten, waarbij de staat Israël en een onafhankelijke, democratische, aangrenzende en levensvatbare staat Palestina zij aan zij leven in vrede en veiligheid; geeft zijn volledige steun aan de conclusies van de Raad van 14 mei 2012 over het vredesproces in het Midden-Oosten, en herhaalt dat de EU geen andere wijzigingen van de grenzen van vóór 1967 zal erkennen, inclusief met betrekking tot Jeruzalem, dan degene die door de partijen zijn overeengekomen;

2.  maakt zich grote zorgen over de ontwikkelingen op de Westelijke Jordaanoever, en in het bijzonder in zone C en Oost-Jeruzalem, zoals beschreven in de verslagen van de leiders van de EU-missie van juli 2012 getiteld "Area C and Palestinian State Building", respectievelijk januari 2012 over Oost-Jeruzalem, die de levensvatbaarheid van de tweestatenoplossing op losse schroeven zetten; roept de partijen eens te meer op af te zien van alle unilaterale stappen die het vooruitzicht op een via onderhandelingen tot stand gebrachte overeenkomst in gevaar brengen, en refereert daarbij met name aan de bouw van Israëlische nederzettingen; is verheugd over en geeft zijn volledige steun aan de paragrafen 6 en 7 van de conclusies van de Raad van 14 mei 2012 waarin in het bijzonder wordt ingegaan op de kwestie van de nederzettingen, Oost-Jeruzalem en zone C;

3.  onderstreept het belang van het beschermen van de Palestijnse bevolking en haar rechten in zone C en in Oost-Jeruzalem, hetgeen cruciaal is voor het handhaven van de levensvatbaarheid van de tweestatenoplossing;

4.  onderstreept eens te meer dat de Israëlische nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever en in Oost-Jeruzalem illegaal zijn onder het internationale recht; dringt aan op een onmiddellijke, volledige en permanente stopzetting van de bouw en de uitbreiding van nederzettingen door Israël omdat deze activiteiten een grote bedreiging vormen voor de levensvatbaarheid van de tweestatenoplossing, alsook op de ontmanteling van alle sinds maart 2011 gecreëerde vooruitgeschoven posten;

5.  veroordeelt in krachtige bewoordingen alle vormen van extremisme door kolonisten en het geweld tegen en de intimidatie van Palestijnse burgers, en vraagt de Israëlische regering en de Israëlische autoriteiten met klem de daders hiervan voor het gerecht te brengen en ter verantwoording te roepen, omdat anders sprake is van straffeloosheid;

6.  dringt aan op de volledige en doeltreffende implementatie van de bestaande EU-wetgeving en van de bestaande bilaterale overeenkomsten tussen de EU en Israël, en op de oprichting - door de Commissie - van een passend en doeltreffend EU-controlemechanisme dat voorkomt dat in Israëlische nederzettingen gemaakte producten onder preferentieregels op de Europese markt worden geïmporteerd;

7.  verzoekt de Israëlische regering en de Israëlische autoriteiten zich te houden aan hun verplichtingen als bezettingsmacht, en in het bijzonder:

–   onmiddellijk een eind te maken aan de vernietiging van huizen, de huisuitzettingen en de gedwongen verdrijving van Palestijnen,

–   voorwaarden te creëren voor Palestijnse plannings- en bouwactiviteiten, alsook voor de implementatie van Palestijnse ontwikkelingsprojecten,

–   voorwaarden te creëren voor toegang en vrij verkeer,

–   voorwaarden te creëren voor de toegang van Palestijnen tot landbouw- en weidegrond,

–   te zorgen voor een billijke waterverdeling die tegemoet komt aan de behoeften van de Palestijnse bevolking,

–   de toegang van de Palestijnse bevolking tot goede sociale voorzieningen en bijstand te verbeteren, met name op de gebieden onderwijs en volksgezondheid, en

–   humanitaire operaties te faciliteren in zone C en in Oost-Jeruzalem;

8.  dringt aan op heropening van de Palestijnse instellingen in Oost-Jeruzalem, in het bijzonder het Orient House;

9.  dringt aan op de beëindiging van de praktijk van administratieve detentie van Palestijnen door de Israëlische autoriteiten, alsook op de vrijlating van Palestijnse politieke gevangenen en Palestijnen in administratieve detentie;

10. dringt aan op de bescherming van de bedoeïenengemeenschappen op de Westelijke Jordaanoever, met name die welke met verdrijving en de vernietiging van hun huizen worden bedreigd, en op waarborgen betreffende en eerbiediging van hun fundamentele rechten en adequate levensomstandigheden, zoals huisvesting en toegang tot water; maakt zich daarnaast ernstige zorgen over de bedoeïenengemeenschappen in de Negevwoestijn en vraagt derhalve dat het Israëlische staatsburgerschap van de bedoeïenen aldaar door de Israëlische autoriteiten volledig wordt gerespecteerd, en veroordeelt elke schending van de aan dat staatsburgerschap verbonden rechten (bijvoorbeeld de beperking van de toegang tot overheidsdiensten en de gedwongen verhuizingen);

11. spoort de Palestijnse regering en de Palestijnse autoriteiten aan in de Palestijnse nationale ontwikkelingsplannen meer aandacht te besteden aan zone C en aan Oost-Jeruzalem, teneinde de situatie en de levensomstandigheden van de Palestijnen die in deze gebieden wonen, te verbeteren;

12. onderstreept eens te meer dat vreedzame en geweldloze middelen de enige manier zijn om een billijke en duurzame vrede tussen Israëli's en Palestijnen tot stand te brengen; dringt nog eens aan op hervatting van rechtstreekse gesprekken tussen beide partijen; blijft in dit verband steun geven aan het beleid van geweldloos verzet van president Abbas, en aandringen op onderlinge Palestijnse verbroedering en op de opbouw van een Palestijnse staat, waarbij presidents- en parlementsverkiezingen belangrijke elementen van het totale proces zijn;

13. herhaalt dat het onverminderd groot belang hecht aan de veiligheid van de staat Israël; veroordeelt elke daad van geweld waarbij opzettelijk burgers worden aangevallen, met inbegrip van de raketaanvallen vanuit de Gazastrook;

14. verzoekt de Raad en de Commissie steun en bijstand te blijven geven aan de Palestijnse instellingen en ontwikkelingsprojecten in zone C en in Oost-Jeruzalem, voor het beschermen van de Palestijnse bevolking en het verbeteren van haar levensomstandigheden; dringt overigens aan op een betere coördinatie tussen de EU en de lidstaten op dit gebied; is van mening dat Israël financieel verantwoordelijk moet worden gehouden voor de vernietiging van door de EU en haar lidstaten gefinancierde projecten in bezet Palestijns gebied;

15. vraagt de Raad en de Commissie deze kwesties op alle niveaus van de bilaterale betrekkingen tussen de EU en Israël en de Palestijnse Autoriteit aan de orde te blijven stellen; onderstreept dat de inspanningen die Israël zich getroost om zich te houden aan zijn verplichtingen ten opzichte van de Palestijnse bevolking in de bezette gebieden onder het internationaal humanitair recht volledig zullen meewegen in de bilaterale betrekking van de EU met dat land, en dat de desbetreffende prestatie-indicatoren in alle instrumenten van dit partnerschap zullen worden geïntegreerd;

16. dringt er bij de EU en haar lidstaten eens te meer op aan onder meer in het Kwartet een actievere rol te vervullen bij de inspanningen om tot een rechtvaardige en duurzame vrede te komen tussen Israëli's en Palestijnen; benadrukt nog eens de centrale rol van het Kwartet en staat achter de hoge vertegenwoordiger in haar inspanningen om een geloofwaardig perspectief te creëren voor de hervatting van het vredesproces;

17. herhaalt zijn oproep voor de onmiddellijke, permanente en onvoorwaardelijke opheffing van de blokkade van de Gazastrook, en voor stappen gericht op de wederopbouw en het economisch herstel van dit gebied; onderkent Israëls legitieme veiligheidsbehoeften en dringt in dit verband aan op een doeltreffend controlemechanisme dat een eind maakt aan de smokkel van wapens naar de Gazastrook;

18. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de speciale afgezant van de EU voor het vredesproces in het Midden-Oosten, de afgezant van het Midden-Oosten Kwartet, de Knesset en de regering van Israël, de president van de Palestijnse Autoriteit en de Palestijnse Wetgevende Raad.

(1)

Aangenomen teksten, P7-TA(2011)0429.

(2)

PB C 308E van 20.10.2011, blz. 81.

Laatst bijgewerkt op: 29 juni 2012Juridische mededeling