Procedure : 2014/2567(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0204/2014

Ingediende teksten :

B7-0204/2014

Debatten :

Stemmingen :

PV 27/02/2014 - 10.9
CRE 27/02/2014 - 10.9

Aangenomen teksten :

P7_TA(2014)0172

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 113kWORD 52k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0201/2014
24.2.2014
PE529.563v01-00
 
B7-0204/2014

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement


over het juridisch kader voor de inzet van gewapende drones (2014/2567(RSP))


Libor Rouček, Maria Eleni Koppa, Ana Gomes, Richard Howitt, Tonino Picula, Pino Arlacchi, Liisa Jaakonsaari namens de S&D-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over het juridisch kader voor de inzet van gewapende drones (2014/2567(RSP))  
B7‑0204/2014

Het Europees Parlement,

–       gezien de verslagen over de inzet van gewapende drones van de speciale rapporteur van de VN inzake buitengerechtelijke, standrechtelijke en willekeurige executies van 28 mei 2010 en 13 september 2013 en van de speciale rapporteur van de VN inzake de bevordering en bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden bij de bestrijding van terrorisme van 18 september 2013,

–       gezien de verklaring van de secretaris-generaal van de VN Ban Ki-moon van 13 augustus 2013 over de inzet van gewapende drones,

–       gezien de hoorzitting van 25 april 2013 over de gevolgen van het gebruik van drones voor de mensenrechten, gezamenlijk georganiseerd door de Subcommissie mensenrechten en de Subcommissie veiligheid en defensie van het Parlement,

–       gezien zijn studie van 3 mei 2013 over de gevolgen voor de mensenrechten van het gebruik van drones en onbemande robots bij oorlogvoering,

–       gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat het gebruik van op afstand bestuurbare vliegtuigen (hierna "drones") bij dodelijke extraterritoriale acties het afgelopen decennium sterk is toegenomen; overwegende dat er in de volgende landen aanvallen met drones zijn gemeld: Afghanistan, Pakistan, Jemen, Libië, Irak, Somalië en Palestina (Gaza); overwegende dat de VS en andere landen aanvallen met drones zouden hebben uitgevoerd; overwegende dat het aantal landen met de capaciteit om drones in te zetten in de nabije toekomst waarschijnlijk aanzienlijk zal toenemen;

B.     overwegende dat naar verluidt duizenden burgers bij aanvallen met drones zijn omgekomen of ernstig gewond zijn geraakt; overwegende dat het aantal dergelijke slachtoffers moeilijk te schatten is wegens het gebrek aan transparantie en de belemmeringen die een doeltreffend onderzoek in de weg staan;

C.     overwegende dat het beleid inzake aanvallen met drones te boek staat als veroorzaker van aanzienlijke schade in het dagelijks leven van gewone burgers in de landen in kwestie, zoals diepgewortelde angst en psychische trauma's, verstoring van economische en sociale activiteiten en verminderde toegang tot onderwijs in de getroffen gemeenschappen;

D.     overwegende dat de proliferatie van de technologie van gewapende drones, in combinatie met de steeds asymmetrischer wordende aard van moderne conflicten, het internationaal recht voor ongekende uitdagingen stelt; overwegende dat toonaangevende VN-deskundigen een vacuüm op het gebied van verantwoordingsplicht en transparantie hebben geconstateerd;

E.     overwegende dat de internationale wetgeving op het gebied van de mensenrechten een verbod omvat op willekeurig doden, inclusief in een situatie van gewapend conflict; overwegende dat de internationale mensenrechtenwetgeving het doelgericht doden van personen die zich bevinden in niet-oorlogvoerende landen, niet toestaat;

F.     overwegende dat als er in een gewapend conflict burgers zijn omgekomen door aanvallen met drones, de landen verplicht zijn onmiddellijk een onafhankelijk en onpartijdig onderzoek in te stellen en een gedetailleerde openbare verklaring te geven en toegang tot rechtsmiddelen te verschaffen;

1.      verzoekt de hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de lidstaten en de Raad:

a)      zich te verzetten tegen en een verbod uit te vaardigen op de praktijk van buitengerechtelijk doelgericht doden;

b)     ervoor te zorgen dat de lidstaten, overeenkomstig hun wettelijke verplichtingen, zich niet bezondigen aan onwettig doelgericht doden of het andere landen gemakkelijk maken dit te doen;

c)      gewapende drones op te nemen in alle relevante Europese en internationale regelingen inzake ontwapening en controle op wapens;

d)     zich in te zetten voor een verbod op onderzoek naar en de ontwikkeling, levering en uitvoer van potentiële toekomstige volautomatische wapensystemen waarmee aanvallen zonder menselijke tussenkomst kunnen worden uitgevoerd;

e)      een gemeenschappelijk standpunt van de EU inzake gewapende drones goed te keuren;

2.      verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Europese Dienst voor extern optreden, de Raad, de parlementen van de lidstaten en de Commissie.

 

Laatst bijgewerkt op: 26 februari 2014Juridische mededeling