Procedure : 2017/2593(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0237/2017

Ingediende teksten :

B8-0237/2017

Debatten :

PV 05/04/2017 - 6
CRE 05/04/2017 - 6

Stemmingen :

PV 05/04/2017 - 7.1

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 194kWORD 54k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0237/2017
29.3.2017
PE598.577v01-00
 
B8-0237/2017

naar aanleiding van het debat over onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk na de kennisgeving van het voornemen van dat land om zich uit de Europese Unie terug te trekken

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk na de kennisgeving van het voornemen van dat land om zich uit de Europese Unie terug te trekken (2017/2593(RSP))


Guy Verhofstadt Coördinator en voorzitter van de ALDE-Fractie
Manfred Weber Voorzitter van de PPE-Fractie
Gianni Pittella Voorzitter van de S&D-Fractie
Philippe Lamberts, Ska Keller Co-voorzitters van de Verts/ALE-Fractie
Danuta Maria Hübner Voorzitter van de Commissie constitutionele zaken
AMENDEMENTEN

Resolutie van het Europees Parlement over onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk na de kennisgeving van het voornemen van dat land om zich uit de Europese Unie terug te trekken (2017/2593(RSP))  
B8-0237/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien artikel 3, lid 5, artikel 4, lid 3, en artikel 8 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 217 en 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de kennisgeving van de premier van het Verenigd Koninkrijk aan de Europese Raad op 29 maart 2017 overeenkomstig artikel 50, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien zijn resolutie van 28 juni 2016 over de beslissing om de EU te verlaten als gevolg van het referendum in het Verenigd Koninkrijk(1),

–  gezien zijn resoluties van 16 februari 2017 over mogelijke ontwikkelingen en aanpassingen van het huidige institutionele bestel van de Europese Unie(2), over verbetering van de werking van de Europese Unie, voortbouwend op het potentieel van het Verdrag van Lissabon(3), en over begrotingscapaciteit voor de eurozone(4),

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat met de kennisgeving van de regering van het Verenigd Koninkrijk aan de Europese Raad het proces begint waarmee dat land ophoudt een lidstaat van de Europese Unie te zijn en de Verdragen niet langer op dat land van toepassing zullen zijn;

B.  overwegende dat dit een unieke en betreurenswaardig gebeurtenis is, aangezien het nog niet eerder is voorgekomen dat een lidstaat zich uit de Europese Unie terugtrekt; overwegende dat de terugtrekking ordelijk moet verlopen, teneinde de Europese Unie, haar burgers en het proces van Europese integratie niet negatief te beïnvloeden;

C.  overwegende dat het Europees Parlement alle burgers van de Europese Unie vertegenwoordigt en zich gedurende het hele proces van terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk voor hun belangen zal inzetten;

D.  overwegende dat, hoewel elke lidstaat het soevereine recht heeft zich uit te Europese Unie terug te trekken, het de taak van alle resterende lidstaten is eensgezind te handelen ter verdediging van de belangen en de integriteit van de Europese Unie; overwegende dat de onderhandelingen derhalve zullen plaatsvinden tussen het Verenigd Koninkrijk, enerzijds, en de Commissie namens de Europese Unie en de resterende 27 lidstaten (de EU-27), anderzijds;

E.  overwegende dat de onderhandeling over de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk zullen starten na de vaststelling door de Europese Raad van richtsnoeren voor die onderhandelingen; overwegende dat deze resolutie het standpunt van het Europees Parlement over deze richtsnoeren bevat, en tevens de basis zal vormen voor de beoordeling - door het Europees Parlement - van het onderhandelingsproces en van elk akkoord tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk;

F.  overwegende dat voor het Verenigd Koninkrijk - tot het moment waarop het land de Europese Unie verlaat - alle uit de Verdragen voortvloeiende rechten en verplichtingen gelden, met inbegrip van het beginsel van loyale samenwerking zoals bedoeld in artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie;

G.  overwegende dat het Verenigd Koninkrijk in de kennisgeving van 29 maart 2017 zijn voornemen kenbaar heeft gemaakt niet langer onder de jurisdictie van het Hof van Justitie van de Europese Unie te vallen;

H.  overwegende dat de regering van het Verenigd Koninkrijk in dezelfde kennisgeving ook heeft aangegeven dat zijn toekomstige betrekkingen met de Europese Unie noch het lidmaatschap van de interne markt, noch het lidmaatschap van de douane-unie zal omvatten;

I.  overwegende dat voortzetting van het lidmaatschap van het Verenigd Koninkrijk van de interne markt, de Europese Economische Ruimte en/of de douane-unie zowel voor het Verenigd Koninkrijk, als voor de EU-27 overigens de beste oplossing zou zijn geweest; overwegende dat dit niet mogelijk is zolang de regering van het Verenigd Koninkrijk haar bezwaren tegen de vier vrijheden en de jurisdictie van het Hof van Justitie van de Europese Unie handhaaft, weigert een algemene bijdrage aan de begroting van de Unie te leveren en haar eigen handelsbeleid wenst te voeren;

J.  overwegende dat het besluit over "een nieuwe regeling voor het Verenigd Koninkrijk binnen de Europese Unie", dat als bijlage bij de conclusies van de Europese Raad van 18 en 19 februari 2016 gevoegd is, gezien de uitkomst van het referendum over uittreding sowieso in al zijn bepalingen van nul en gener waarde is;

K.  overwegende dat de onderhandelingen moeten worden gevoerd met als doel het waarborgen van rechtszekerheid, het beperken van ontwrichting en het formuleren van een duidelijke toekomstvisie voor burgers en rechtspersonen;

L.  overwegende dat herroeping van de kennisgeving alleen mogelijk moet zijn indien wordt voldaan aan voorwaarden die door alle lidstaten van de EU-27 zijn overeengekomen, om te vermijden dat deze als een procedureel middel wordt ingezet of wordt gebruikt in een poging de huidige voorwaarden van het lidmaatschap van het Verenigd Koninkrijk te verbeteren;

M.  overwegende dat het Verenigd Koninkrijk bij ontstentenis van een akkoord over terugtrekking de Europese Unie op 30 maart 2019 automatisch zou verlaten, en wel op niet-ordelijke wijze;

N.  overwegende dat veel burgers van het Verenigd Koninkrijk, waaronder een meerderheid in Noord-Ierland en Schotland, vóór voortzetting van het lidmaatschap van de Europese Unie hebben gestemd;

O.  overwegende dat het Europees Parlement zich in het bijzonder zorgen maakt over de gevolgen van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie voor Noord-Ierland en de toekomstige betrekkingen van Noord-Ierland met Ierland; overwegende dat het in dit verband van essentieel belang is de vrede te waarborgen en dus het Goede Vrijdag-akkoord, dat met de actieve participatie van de Unie tot stand is gekomen, in al zijn onderdelen te handhaven, zoals het Europees Parlement in zijn resolutie van 13 november 2014 over het vredesproces in Noord-Ierland heeft beklemtoond(5);

P.  overwegende dat de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk voor de EU-27 en de instellingen van de Unie aanleiding zou moeten zijn een beter antwoord op de huidige uitdagingen te formuleren, en na te denken over hun toekomst en over de manier waarop het Europese project doeltreffender, democratischer en burgervriendelijker kan worden gemaakt; overwegende dat de routekaart van Bratislava van 16 september 2016, alsmede de resoluties van het Europees Parlement daarover, het Witboek van de Commissie over de toekomst van Europa van 1 maart 2017, de Verklaring van Rome van 25 maart 2017 en de voorstellen van de groep op hoog niveau Eigen Middelen van 17 januari 2017 hiervoor als uitgangspunt zouden kunnen dienen;

1.  neemt nota van de kennisgeving van de regering van het Verenigd Koninkrijk aan de Europese Raad, waarmee het besluit van dat land om zich terug te trekken uit de Europese Unie wordt geformaliseerd;

2.  dringt erop aan zo snel mogelijk te beginnen met de onderhandelingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk zoals bedoeld in artikel 50, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie;

3.  herhaalt dat het belangrijk is dat het terugtrekkingsakkoord en alle eventuele overgangsregelingen ruim vóór de verkiezingen voor het Europees Parlement van mei 2019 in werking treden;

4.  herinnert eraan dat het terugtrekkingsakkoord alleen met toestemming van het Europees Parlement kan worden gesloten, en dat dit ook geldt voor elk mogelijk akkoord over de toekomstige betrekkingen van de Europese Unie met het Verenigd Koninkrijk, alsmede voor alle eventuele overgangsregelingen;

Algemene beginselen voor de onderhandelingen

5.  is van oordeel dat, om een ordelijke terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit te Europese Unie te waarborgen, de onderhandelingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk in goed vertrouwen en volledig transparant moeten worden gevoerd; herinnert eraan dat het Verenigd Koninkrijk tot het moment van inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord volledig van zijn rechten als lidstaat van de Europese Unie zal blijven genieten, en derhalve ook gebonden zal blijven aan de verplichtingen en verbintenissen die dat lidmaatschap met zich meebrengt;

6.  herinnert er in dit verband aan dat het niet conform het recht van de Unie zou zijn indien het Verenigd Koninkrijk vóór zijn terugtrekking onderhandelingen zou beginnen over mogelijke handelsakkoorden met derde landen; beklemtoont dat dit haaks zou staan op het beginsel van loyale samenwerking zoals bedoeld in artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende Europese Unie, en gevolgen zou moeten hebben, waaronder de uitsluiting van het Verenigd Koninkrijk van de procedures voor handelsonderhandelingen zoals bedoeld in artikel 218 van het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie; beklemtoont dat hetzelfde moet gelden voor andere beleidsterreinen waarop het Verenigd Koninkrijk de wetgeving, het optreden, de strategieën en het gemeenschappelijk beleid mede zou blijven vormgeven op een wijze die zijn eigen belangen als terugtrekkende lidstaat dient en niet die van de Europese Unie en de EU-27;

7.  waarschuwt dat elke bilaterale regeling tussen één of meerdere resterende lidstaten en het Verenigd Koninkrijk die niet door de EU-27 goedgekeurd is over onderwerpen die onder het toepassingsgebied van het terugtrekkingsakkoord vallen en/of van invloed zijn op de toekomstige betrekkingen van de Europese Unie met het Verenigd Koninkrijk ook een inbreuk op de Verdragen zou vormen; waarschuwt verder dat dit met name zou gelden voor elke bilaterale regeling en/of regelgevings- of toezichtspraktijk in verband met, bijvoorbeeld, enige geprivilegieerde toegang voor in het Verenigd Koninkrijk gevestigde financiële instellingen tot de interne markt ten nadele van het regelgevingskader van de Unie of van de status van burgers van de EU-27 in het Verenigd Koninkrijk, of van burgers van het Verenigd Koninkrijk in de EU-27;

8.  is van oordeel dat het mandaat en de onderhandelingsrichtsnoeren die gedurende het hele onderhandelingsproces gelden volledig rekening moeten houden met de posities en belangen van de burgers van de EU-27, met inbegrip van die van Ierland, aangezien die lidstaat in het bijzonder door de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie zal worden getroffen;

9.  spreekt de hoop uit dat de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk onder deze omstandigheden een toekomstige relatie kunnen uitwerken die billijk, zo eng als mogelijk, en wat rechten en plichten betreft evenwichtig is; betreurt het besluit van de regering van het Verenigd Koninkrijk om geen deel uit te maken van de interne markt, de Europese Economische Ruimte of de douane-unie; is van oordeel dat een land dat zich uit de Unie terugtrekt niet dezelfde voordelen kan genieten als een lidstaat van de Europese Unie, en kondigt dan ook aan dat het niet zal instemmen met enig akkoord dat met dit principe in tegenspraak is;

10.  herhaalt dat het lidmaatschap van de interne markt en de douane-unie ook inhoudt dat akkoord wordt gegaan met de vier vrijheden, de jurisdictie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, algemene bijdragen aan de begroting en het gemeenschappelijk handelsbeleid van de Europese Unie;

11.  beklemtoont dat het Verenigd Koninkrijk al zijn wettelijke, financiële en begrotingsverplichtingen moet nakomen, inclusief de betalingsverplichtingen die het land in het kader van het huidige meerjarig financieel kader is aangegaan, en dat zowel in de periode tot aan de terugtrekking, als daarna;

12.  neemt nota van het voorstel voor regelingen voor de organisatie van onderhandelingen in de verklaring van de staats- en regeringsleiders van 27 lidstaten, alsook van de voorzitter van de Europese Raad en van de Commissie, van 15 december 2016; juicht het toe dat de Commissie is aangewezen om namens de Unie de onderhandelingen te voeren, en stemt ermee in dat de Commissie Michel Barnier tot haar hoofdonderhandelaar heeft benoemd; geeft aan dat volledige betrokkenheid van het Europees Parlement een conditio sine qua non is voor deze instelling om te kunnen instemmen met enig akkoord tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk;

Volgorde van de onderhandelingen

13.  beklemtoont dat, overeenkomstig artikel 50, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de onderhandelingen over de voorwaarden voor de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk moeten gaan, waarbij rekening moet worden gehouden met het kader van de toekomstige betrekkingen van het Verenigd Koninkrijk met de Europese Unie;

14.  onderschrijft de zienswijze dat indien significante vooruitgang zou worden geboekt in de richting van een terugtrekkingsakkoord een begin kan worden gemaakt met gesprekken over mogelijke overgangsregelingen op basis van het bedoelde kader voor de toekomstige betrekkingen van het Verenigd Koninkrijk met de Europese Unie;

15.  geeft aan dat een akkoord over toekomstige betrekkingen van de Europese Unie met het Verenigd Koninkrijk als derde land pas kan worden gesloten nadat het Verenigd Koninkrijk zich uit de Europese Unie geeft teruggetrokken;

Terugtrekkingsakkoord

16.  geeft aan dat het terugtrekkingsakkoord conform de Verdragen en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moet zijn, en dat indien dit niet het geval is het Europees Parlement er niet mee zal instemmen;

17.  is van oordeel dat in het terugtrekkingsakkoord de volgende elementen aan bod moeten komen:

de wettelijke status van burgers van de EU-27 die in het Verenigd Koninkrijk wonen of hebben gewoond, en van burgers van het Verenigd Koninkrijk die in andere lidstaten wonen of hebben gewoond, alsmede andere bepalingen inzake hun rechten;

de onderlinge financiële verplichtingen van het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie;

de buitengrens van de Europese Unie;

de status van de verplichtingen die het Verenigd Koninkrijk als lid van de Europese Unie is aangegaan, gezien het feit dat de Europese Unie van 27 lidstaten de rechtsopvolger van de Europese Unie van 28 lidstaten zal zijn;

rechtszekerheid voor rechtspersonen, met inbegrip van ondernemingen;

aanwijzing van het Hof van Justitie van de Europese Unie als de instantie die bevoegd is voor de interpretatie en tenuitvoerlegging van het terugtrekkingsakkoord;

18.  vindt het een must dat burgers van de EU-27 die in het Verenigd Koninkrijk wonen of hebben gewoond, en burgers van het Verenigd Koninkrijk die in de EU-27 wonen of hebben gewoond, billijk worden behandeld, en is van oordeel dat in de onderhandelingen absolute prioriteit moet worden geschonken aan hun respectieve rechten; dringt er derhalve met klem op aan dat voor de status en rechten van burgers van de EU-27 die in het Verenigd Koninkrijk wonen, en voor burgers van het Verenigd Koninkrijk die in de EU-27 wonen, de beginselen van wederkerigheid, rechtvaardigheid, symmetrie en non-discriminatie gelden, en vindt het daarnaast belangrijk dat de integriteit van het recht van de Unie, met inbegrip van het Handvest van de grondrechten, en van het kader voor de tenuitvoerlegging daarvan, worden beschermd; beklemtoont dat elke aantasting van de rechten in verband met het vrij verkeer, met inbegrip van onderscheid tussen burgers van de EU wat hun toegang tot verblijfsrechten betreft, vóór de datum waarop het Verenigd Koninkrijk zich uit de Europese Unie terugtrekt, een inbreuk vormt op het recht van de Unie;

19.  beklemtoont dat één alomvattende financiële regeling met het Verenigd Koninkrijk op basis van de jaarrekeningen van de Europese Unie zoals gecontroleerd door de Europese Rekenkamer betrekking moet hebben op al zijn verplichtingen uit hoofde van aangegane verbintenissen, én bepalingen moet bevatten voor posten buiten de balans, onvoorziene verplichtingen en andere financiële kosten die rechtstreeks voortvloeien uit de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk;

20.  is van oordeel dat in het terugtrekkingsakkoord rekening moet worden gehouden met de unieke positie en de specifieke omstandigheden van het eiland Ierland; dringt er met klem op aan alle middelen en maatregelen in te zetten die conform zijn met het recht van de Europese Unie en met het Goede Vrijdag-akkoord van 1998 om de gevolgen van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie voor de grens tussen Ierland en Noord-Ierland tot een minimum te beperken; hamert er in dit verband op dat de voortzetting en de stabiliteit van het vredesproces in Noord-Ierland absoluut moeten worden gewaarborgd, en dat moet worden voorkomen dat er opnieuw sprake zou zijn van een "harde grens";

Toekomstige betrekkingen van de Europese Unie met het Verenigd Koninkrijk

21.  neemt kennis van de kennisgeving van 29 maart 2017 en van het Witboek van de regering van het Verenigd Koninkrijk van 2 februari 2017 getiteld "De terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit en een nieuw partnerschap met de Europese Unie";

22.  is van oordeel dat de toekomstige betrekkingen van de Europese Unie met het Verenigd Koninkrijk evenwichtig en alomvattend moeten zijn, en het belang moeten dienen van de burgers van beide partijen, en dat er voor de onderhandelingen over deze betrekkingen derhalve voldoende tijd moet worden ingeruimd; beklemtoont dat in de onderhandelingen aandacht moet worden besteed aan gebieden van gemeenschappelijk belang, én dat de integriteit van de rechtsorde van de Europese Unie en de fundamentele beginselen en waarden van de Unie, met inbegrip van de integriteit van de interne markt, alsmede de besluitvormingscapaciteit en de autonomie van de Europese Unie, moeten worden geëerbiedigd; is van oordeel dat artikel 8 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, alsmede artikel 217 van het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie, dat voorziet in "een associatie die wordt gekenmerkt door wederkerige rechten en verplichtingen, gemeenschappelijk optreden en bijzondere procedures", een passend kader voor dergelijke toekomstige betrekkingen zouden kunnen vormen;

23.  geeft aan dat, ongeacht de uitkomst van de onderhandelingen over de toekomstige betrekkingen van de Europese Unie met het Verenigd Koninkrijk, deze in geen geval mogen leiden tot een uitruil van interne en externe veiligheid, met inbegrip van samenwerking op het gebied van defensie, enerzijds, en de toekomstige economische betrekkingen, anderzijds;

24.  beklemtoont dat een toekomstig akkoord tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk alleen mogelijk is indien het Verenigd Koninkrijk de normen zoals vastgesteld in de wetgeving en het beleid van de Unie op onder andere de gebieden milieu, klimaatverandering, bestrijding van belastingontduiking en -ontwijking, eerlijke concurrentie, handel en sociaal beleid in acht blijft nemen;

25.  zal niet instemmen met een toekomstig akkoord tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk met fragmentarische of sectorale bepalingen, waaronder met betrekking tot financiële diensten, die in het Verenigd Koninkrijk gevestigde ondernemingen preferentiële toegang tot de interne markt en/of de douane-unie geven; beklemtoont dat het Verenigd Koninkrijk na zijn terugtrekking onder de regeling voor derde landen zoals bedoeld in de Uniewetgeving zal vallen;

26.  stelt vast dat indien het Verenigd Koninkrijk kenbaar maakt in bepaalde Europese programma's te willen participeren dit zal zijn in de hoedanigheid van derde land, en de betaling van geëigende begrotingsbijdragen en toezicht door de bestaande jurisdictie zal inhouden; spreekt zich er in dit verband voor uit dat het Verenigd Koninkrijk blijft participeren in een aantal programma's, waaronder Erasmus;

27.  neemt kennis van het feit dat veel burgers van het Verenigd Koninkrijk hebben aangegeven zeer ontevreden te zijn over het verlies van de rechten die zij op dit moment genieten uit hoofde van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; stelt voor dat de EU-27 onderzoekt hoe dit verlies van rechten tot een minimum kan worden beperkt, binnen de mogelijkheden van de primaire wetgeving van de Unie, met volledige inachtneming van de beginselen van wederkerigheid, rechtvaardigheid, symmetrie en non-discriminatie;

Overgangsregelingen

28.  is van oordeel dat tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk alleen overgangsregelingen die voor rechtszekerheid en continuïteit zorgen, kunnen worden overeengekomen indien deze wat de rechten en verplichtingen voor beide partijen betreft evenwichtig zijn, de integriteit van de rechtsorde van de Europese Unie wordt geëerbiedigd en het Hof van Justitie van de Europese Unie verantwoordelijk is voor de beslechting van juridische geschillen; is verder van oordeel dat dergelijke regelingen zowel in tijd (maximaal drie jaar), als inhoudelijk duidelijk moeten worden afgebakend, aangezien ze in geen geval een alternatief voor het lidmaatschap van de Europese Unie kunnen zijn;

Thema's voor de EU-27 en de instellingen van de Unie

29.  dringt erop aan zo snel mogelijk tot overeenstemming te komen over de hervestiging van de Europese Bankenautoriteit en het Europees Geneesmiddelenbureau, en zo snel als praktisch mogelijk is met het proces van hervestiging te beginnen;

30.  geeft aan dat de wetgeving van de Unie mogelijkerwijs herzien en aangepast zal moeten worden om rekening te houden met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk;

31.   is van oordeel dat een herziening met betrekking tot de laatste twee jaar van het huidige meerjarig financieel kader niet nodig is, maar dat de gevolgen van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk via de jaarlijkse begrotingsprocedure moeten worden opgevangen; beklemtoont dat de instellingen van de Unie en de EU-27 onmiddellijk moeten beginnen met de werkzaamheden voor een nieuw meerjarig financieel kader, met inbegrip van de kwestie van de eigen middelen;

32.  zegt toe de wetgevingsprocedures voor de samenstelling van het Europees Parlement zoals bedoeld in artikel 14, lid 2, van het Verdrag betreffende Europese Unie, en voor de verkiezingsprocedure, op basis van zijn ontwerp zoals bedoeld in artikel 223 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat bij zijn resolutie van 11 november 2015 over hervorming van de kieswet van de Europese Unie(6) gevoegd is, tijdig af te ronden; is verder van oordeel, rekening houdend met overweging P van de onderhavige resolutie, dat de resterende 27 lidstaten van de Europese Unie samen met haar instellingen gedurende de onderhandelingen over de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie en over de totstandbrenging van nieuwe betrekkingen met dat land de huidige Unie middels een breed publiek debat moeten versterken en een begin moeten maken met een diepgaande interinstitutionele reflectie over haar toekomst;

Slotbepalingen

33.  behoudt zich het recht voor zijn standpunt over de onderhandelingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk te verduidelijken en, in voorkomend geval, verdere resoluties aan te nemen, waaronder over specifieke zaken of sectorale kwesties, in het licht van de vooruitgang - of het gebrek daaraan - in de onderhandelingen;

34.  verwacht van de Europese Raad dat hij bij het formuleren van zijn richtsnoeren voor het bepalen van het kader voor onderhandelingen en het vaststellen van de algemene posities en beginselen van de Europese Unie voor de onderhandelingen rekening houdt met deze resolutie;

35.  geeft aan dat het zijn definitieve oordeel over het akkoord/de akkoorden af zal laten hangen van de beoordeling van de mate waarin voldaan wordt aan het bepaalde in deze resolutie en alle eventuele volgende resoluties van het Europees Parlement;

°

°  °

36.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad van de Europese Unie, de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank, de nationale parlementen en de regering van het Verenigd Koninkrijk.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0294.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0048.

(3)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0049.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0050.

(5)

PB C 285 van 5.8.2016, blz. 9.

(6)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0395.

Laatst bijgewerkt op: 10 april 2017Juridische mededeling