Procedure : 2017/2593(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0241/2017

Ingediende teksten :

B8-0241/2017

Debatten :

PV 05/04/2017 - 6
CRE 05/04/2017 - 6

Stemmingen :

PV 05/04/2017 - 7.1

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 295kWORD 61k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0237/2017
31.3.2017
PE598.582v01-00
 
B8-0241/2017

naar aanleiding van het debat over onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk na de kennisgeving van het voornemen van dat land om zich uit de Europese Unie terug te trekken

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk na de kennisgeving van het voornemen van dat land om zich uit de Europese Unie terug te trekken (2017/2593(RSP))


Gabriele Zimmer, Martina Anderson, Barbara Spinelli, Lynn Boylan, Matt Carthy, Liadh Ní Riada, Kateřina Konečná, Marina Albiol Guzmán, Paloma López Bermejo, Rina Ronja Kari, Patrick Le Hyaric, Martina Michels, Cornelia Ernst, Marie-Christine Vergiat, Marisa Matias, Eleonora Forenza, Maria Lidia Senra Rodríguez, Lola Sánchez Caldentey, Tania González Peñas, Estefanía Torres Martínez, Xabier Benito Ziluaga, Miguel Urbán Crespo namens de GUE/NGL-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk na de kennisgeving van het voornemen van dat land om zich uit de Europese Unie terug te trekken (2017/2593(RSP))  
B8-0241/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 3, lid 5, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien artikel 8 van het VEU,

–  gezien Titel II ("Bepalingen inzake de democratische beginselen") van het VEU,

–  gezien de conclusies van de buitengewone bijeenkomst van de Europese Raad van 28 april 1990 te Brussel,

–  gezien zijn resolutie van 13 november 2014 over het vredesproces in Noord-Ierland(1),

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat een lidstaat het recht heeft om zich op democratische wijze terug te trekken uit de EU;

B.  overwegende dat het Verenigd Koninkrijk een multinationale staat is en dat alle volkeren hetzelfde respect verdienen;

C.  overwegende dat het vrije verkeer van Ierse en Britse onderdanen tussen de Ierse eilanden en Groot-Brittannië decennia eerder geregeld was dan de toetreding tot de toenmalige EEG van beide landen in 1973; overwegende dat bilaterale overeenkomsten tussen het VK en Ierland van pas kunnen komen voor het treffen van een minnelijke schikking betreffende de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK;

D.  overwegende dat het Schotse parlement ervoor gestemd heeft om een referendum over de Schotse onafhankelijkheid te houden;

E.  overwegende dat de vrede in Ierland bedreigd zou kunnen worden door het terugkeren van een grens, ongeacht hoe deze eruit gaat zien, tussen het noorden en het zuiden van het eiland; overwegende dat het Goede Vrijdag-akkoord een drievoudig evenwicht behelst - betrekkingen binnen Noord-Ierland, betrekkingen tussen Belfast en Dublin, en betrekkingen tussen Dublin en Londen;

F.  overwegende dat tarifaire en non-tarifaire handelsbarrières, van welke aard dan ook, op het Ierse eiland, ernstige implicaties zouden hebben voor industrieën en productieketens die sinds jaar en dag op het gehele eiland gevestigd zijn;

G.  overwegende dat de agrofood-industrie in Ierland op een zeer geïntegreerde manier opereert en dat vele sectoren zich uitstrekken over het gehele eiland; overwegende dat de terugkeer van grenscontroles in Ierland, inclusief oorsprongscontroles, vereisten op het gebied van invoervergunningen, documentatie en aanvullende formulieren, alsmede fysieke grenscontroles, een ernstige bedreiging zal vormen voor deze sector, zowel in het noorden als in het zuiden; overwegende dat de afschaffing van tariefvrije toegang voor vis en visserijproducten een ernstige bedreiging zou kunnen vormen voor vissers, producenten en verwante sectoren op het gehele Ierse eiland; overwegende dat als de historische, wederzijdse toegang niet gewaarborgd wordt voor de vissers van het gehele Ierse eiland, dit schadelijk zou zijn voor het noorden en het zuiden;

H.  overwegende dat de impact van brexit voor Ierland bijzonder hard zal zijn, aangezien terugtrekking van Noord-Ierland uit de interne markt en de douane-unie enorme politieke, sociale en economische schade zal aanrichten op het gehele Ierse eiland, als er geen verzachtende maatregelen worden getroffen op het gebied van vrij verkeer, oorsprongsregels en cumulatie;

I.  overwegende dat meer dan 12 000 banen op het spel staan voor EU-grensarbeiders die in Gibraltar werken, wat mogelijkerwijs verwoestende sociale en economische gevolgen zal hebben voor Gibraltar en de aangrenzende regio van Spanje als er geen vergelijkbare verzachtende maatregelen worden getroffen;

J.  overwegende dat het democratische tekort is toegenomen als gevolg van het beleid en de keuzes van de EU, en dat dit een groot probleem is en dat veel burgers de indruk hebben dat zij niet worden vertegenwoordigd door de instellingen; overwegende dat hier alleen iets aan kan worden gedaan door radicale politieke veranderingen, transparantie, openheid en het verdedigen van waarden als democratie, vrede, tolerantie, vooruitgang, solidariteit en samenwerking tussen de volkeren;

K.  overwegende dat brexit met name gevolgen heeft voor ca. 1,2 miljoen Britten die in andere EU-lidstaten wonen en de meer dan 3 miljoen onderdanen van EU-lidstaten die in Groot-Brittannië wonen, zonder de 1,8 miljoen inwoners van Noord-Ierland mee te tellen die wettelijk recht hebben op het Ierse staatsburgerschap, en op grond daarvan op EU-burgerschap;

L.  overwegende dat het VK gehouden blijft aan het internationaal recht en zijn verplichtingen uit hoofde van internationale verdragen waar het partij bij is moet blijven nakomen, inclusief het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, het Europees Sociaal Handvest en de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering;

M.  overwegende dat bij ontstentenis van een bilaterale handelsovereenkomst wederzijds, zowel voor de EU als het VK, de WTO-tarieven zouden gelden;

N.  overwegende dat de EU al heeft aangetoond dat het mogelijk is pragmatische oplossingen te vinden om met ingewikkelde territoriale situaties om te gaan;

I. Algemene beginselen

1.  erkent en respecteert het feit dat de meerderheid van de kiezers van Groot-Brittannië ervoor heeft gestemd om de EU te verlaten;

2.  erkent en respecteert het feit dat de meerderheid van de kiezers van Noord-Ierland en Schotland ervoor heeft gestemd om in de EU te blijven;

3.  is van mening dat de belangen van alle samenstellende delen van het VK moeten worden beschermd en dat hun politieke vertegenwoordigers bij de onderhandelingen moeten worden betrokken;

4.  verwerpt iedere vorm van druk of chantage gedurende het onderhandelingsproces; wijst erop dat noch het inroepen van artikel 50 noch van overige bepalingen van de Verdragen mag worden gebruikt om ongegronde obstakels op te werpen voor de tenuitvoerlegging van een besluit om de EU te verlaten; wijst erop dat de onderhandelingen zo open en coöperatief mogelijk moeten worden gevoerd, in overeenstemming met het beginsel van loyale samenwerking, waarbij moet worden vermeden dat er onnodige obstakels worden opgeworpen voor de verwezenlijking van de overeengekomen resultaten;

5.  verwerpt iedere poging om veiligheids- en defensieaangelegenheden te gebruiken als wisselgeld voor overeenkomsten over andere onderhandelingshoofdstukken;

6.  benadrukt dat de instemming van het Europees Parlement met de resultaten van de aanstaande onderhandelingen alleen legitiem is als het huidige recht op informatie van het Parlement in alle fasen van de onderhandelingen wordt gerespecteerd en legitieme vertegenwoordigers van het EP actief kunnen deelnemen aan de processen om de EU-standpunten te bepalen; dringt er tegelijkertijd op aan dat de corresponderende processen voor de bepaling van de EP-standpunten stevig moeten worden verankerd in de werkzaamheden van het Parlement;

7.  dringt erop aan dat EU-VK-overeenkomsten niet mogen leiden tot minder strenge normen, o.a. met betrekking tot milieu-, sociale, werknemers- en consumentenrechten in de lidstaten en/of de EU; dringt er tevens op aan dat EU-VK-overeenkomsten de financiële stabiliteit niet mogen ondermijnen door liberalisering van de financiële diensten gemakkelijker te maken noch bepalingen mogen bevatten om publieke diensten te liberaliseren;

8.  geeft uiting aan zijn bereidheid om te komen tot een eerlijke overeenkomst over de toekomstige relatie tussen de EU en het VK in het belang van alle mensen die in de verschillende rechtsgebieden wonen;

II. Terugtrekkingsakkoord

II.1 Rechten

9.  is van mening dat het van zeer groot belang is om snel en onvoorwaardelijk rechtszekerheid te bieden aan de onderdanen van EU-lidstaten die in Groot-Brittannië wonen en Britse onderdanen die in overige lidstaten wonen op basis van wederkerigheid en non-discriminatie;

10.  Dergelijke rechten zijn onder meer: het verblijfsrecht; het recht op gelijke behandeling; sociale rechten; het recht op toegang tot publieke diensten, waaronder gezondheidszorg; het recht op de exporteerbaarheid van sociale uitkeringen; het recht op gezinshereniging; de wederzijdse erkenning van academische diploma's en beroepskwalificaties, inclusief de voortzetting van Erasmus-programma's op hun huidige niveau; en mobiliteit voor studenten, academici en artiesten;

11.  dringt, met betrekking tot de coördinatie van de sociale zekerheid, aan op een voortzettingsbepaling ten aanzien van Verordening nr. 883/2004 en Uitvoeringsverordening (EG) nr. 987/2009, alsmede Verordening (EG) nr. 859/2003 om de huidige rechten te waarborgen tot er een overeenkomst gesloten is over de toekomstige relatie EU-VK; dringt er bij de lidstaten en het VK op aan het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid (ETS nr. 78) te ondertekenen en ratificeren;

12.  dringt er bij de EU-instellingen en de regering van het VK op aan er zorg voor te dragen dat er, binnen drie maanden, wettelijke regelingen zijn om de rechten en de juridische status van burgers van EU-lidstaten en onderdanen van het VK die gebruik hebben gemaakt van het vrije verkeer van personen overeenkomstig de EU-verdragen en Richtlijn 2004/38/EG, te handhaven en te waarborgen; verzoekt deze regelingen direct en in detail op te nemen in de terugtrekkingsovereenkomst en om te zetten in het kader voor de toekomstige relatie;

13.  dringt erop aan bijzondere aandacht te verlenen aan de mobiliteit van werknemers (mobiele werknemers, grensoverschrijdende werknemers en grensarbeiders), met bijzondere aandacht en begrip voor de unieke situatie van werknemers in Ierland en Gibraltar; dringt er op aan dat er tevens een oplossing wordt gevonden voor ter beschikking gestelde werknemers;

II.2 Financiën

14.  is van mening dat de eerste stap voor een overeenkomst betreffende een financiële regeling tussen het VK en de EU met name zou moeten bestaan uit het vaststellen van de toe te passen methodologie bij de bepaling van de gemeenschappelijke activa en passiva van de EU en het aandeel van het VK daarin; inclusief de betaling van het VK-aandeel in de aangegane betalingsverplichtingen;

15.  is van mening dat voor fondsen en programma's waarvan de financiële termijn later verstrijkt dan de geplande uittreding van het VK uit de EU, de betalingsverplichtingen van het VK moeten worden gehandhaafd op een wijze die de programma's niet in gevaar brengt, totdat het VK de EU verlaat; indien het VK besluit deel te nemen aan EU-programma's, komt het zijn financiële toezeggingen na;

II.3 Ierland

16.  wijst erop dat sinds het Goede Vrijdag-akkoord is geratificeerd en de machtsdeling in 2007 is hersteld, de Europese Unie een belangrijke partner voor de vrede in Ierland is geweest die substantiële politieke steun en financiële bijstand heeft verleend, wat geleid heeft tot grotere economische en sociale vooruitgang op het gehele Ierse eiland;

17.  wijst op de verplichting van de EU om de waarborgen van het Goede Vrijdag-akkoord te beschermen, inclusief de politieke instellingen, waarborgen op het gebied van de mensenrechten, pan-Ierse organen, en het constitutionele en wettelijke recht van de bevolking om haar zelfbeschikkingsrecht uit te oefenen;

18.  erkent dat krachtens de bepalingen van het Goede Vrijdag-akkoord iedereen die geboren is op het Ierse eiland, zowel in het noorden als in het zuiden, recht heeft op het Ierse of Britse burgerschap, of beide, en krachtens het recht op het Ierse burgerschap tevens op het EU-burgerschap;

19.  dringt erop aan dat aan het noorden van Ierland binnen de EU een speciale status wordt verleend die inhoudt dat het toegang blijft houden tot het EU-lidmaatschap, de douane-unie, de interne markt en de jurisdictie van het Europees Hof van Justitie; dringt verder aan op handhaving van de vier vrijheden, t.w. het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal;

20.  dringt er op aan dat burgers in het noorden van Ierland het recht mogen blijven uitoefenen op het Ierse burgerschap en daarmee op het EU-burgerschap; dringt verder aan op handhaving van de rechten en verantwoordelijkheden die verband houden met het EU-burgerschap;

21.  dringt aan op handhaving van toekomstige financieringsstromen als centraal onderdeel van de consolidering en voortzetting van het vredesproces;

22.  dringt er, als voorwaarde voor iedere overeenkomst, op aan dat het gemeenschappelijk reisgebied tussen het VK en Ierland volledig wordt gerespecteerd en gehandhaafd;

23.  dringt er op aan dat het Goede Vrijdag-akkoord en latere akkoorden volledig ten uitvoer worden gelegd;

24.  beseft dat er zich op het Ierse eiland ten gevolge van de toekomstige overeenkomst tussen de EU en het VK aanzienlijke en ingrijpende sociale en economische veranderingen kunnen voordoen; dringt er bij de EU op aan alles te doen wat in haar vermogen ligt, zowel politiek als economisch, om de negatieve gevolgen voor het Ierse eiland te verzachten en te compenseren;

25.  is van mening dat de EU oog moet hebben voor de belangen van Ierland ten aanzien van eventuele Britse agressie met betrekking tot de territoriale geschillen betreffende Carlingford Lough en Lough Foyle;

III. Overgangsregelingen

26.  herinnert eraan dat het VK, tot er een terugtrekkingsovereenkomst is gesloten, volledig deel uitmaakt van de EU, de rechten geniet en de verplichtingen nakomt die voortvloeien uit zijn lidmaatschap, wat oprechte samenwerking inhoudt en dat het VK geen besluiten zal blokkeren die geen gevolgen voor het VK hebben;

27.  acht het zinvol, ten einde de rechtszekerheid en de rechtsstaat te waarborgen, om in de terugtrekkingsovereenkomst overgangsregelingen op te nemen om het toepassingsgebied, de toepassing en beroepsmogelijkheden te reguleren met betrekking tot arresten en besluiten van de rechterlijke instanties van de EU (Gerecht en Hof van Justitie), tijdens de terugtrekkingsonderhandelingen, betreffende schendingen van EU-recht die gedurende langere tijd - tot na de onderhandelingsperiode - gevolgen zouden kunnen hebben voor de mensenrechten en de fundamentele vrijheden;

28.  is van mening dat het vertrek van het VK uit de EU zo weinig mogelijk gevolgen mag hebben voor het huidige Meerjarig Financieel Kader 2014-2020 (MFK) en de bijbehorende jaarlijkse begrotingsprocedures; benadrukt dat het cohesiefonds en de structuurfondsen volledig gewaarborgd moeten worden;

29.  benadrukt dat de EU moet streven naar een overgangsovereenkomst met het VK, na de terugtrekkingsovereenkomst, om onderbreking van de handelsroutes gedurende de periode waarin wordt onderhandeld over de toekomstige handelsrelatie te voorkomen, rekening houdend met belangen van alle lidstaten en derde landen;

30.  benadrukt het belang van overgangsregelingen om ervoor te zorgen dat deelnemers aan onderwijs- of opleidingscursussen (al dan niet in het bezit van een academische graad, een opleiding volgend in het kader van het leerlingwezen of andere vormen van beroepsopleiding) of die deelnemen aan mobiliteits- of uitwisselingsprogramma's op het moment dat het VK formeel niet langer een EU-lidstaat is, deze cursussen of programma's kunnen afmaken onder dezelfde financiële en juridische voorwaarden als die golden toen ze eraan begonnen;

IV. Toekomstige relatie

31.  is van mening dat de toekomstige relatie tussen de EU en het VK gebaseerd moet zijn op de beginselen van eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren;

32.  benadrukt dat het mandaat voor de nieuwe overeenkomst waarover onderhandeld wordt met het VK, een democratie- en een verplichte mensenrechtenclausule moet bevatten, met inbegrip van alle wettelijke verplichtingen die voor alle overeenkomsten met derde landen verplicht zijn;

33.  is van mening dat terugtrekking van het VK uit het Europees Verdrag voor de rechten van de mens toekomstige samenwerking op het gebied van burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken uitermate lastig zou maken; dringt er derhalve met klem bij het VK op aan partij te blijven bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens;

34.  is van mening dat er bijzondere aandacht moet worden besteed aan de bescherming van persoonsgegevens, en wijst erop dat dit voor tal van gebieden gevolgen heeft; dringt er derhalve bij beide onderhandelingspartners op aan, ten minste de huidige gemeenschappelijke normen die op Europees niveau zijn ontwikkeld te handhaven, en iedere poging om gebruik te maken van nieuwe en ad hoc- regelingen te vermijden; is derhalve van mening dat er niet mag worden afgeweken van de geactualiseerde verordeningen inzake gegevensbescherming;

35.  is van mening dat de toekomstige relatie ten minste gebaseerd moet zijn op gemeenschappelijke normen op tal van gebieden, waaronder milieu, voedselveiligheid, financiële regelgeving, werknemersrechten, sociale rechten; is bovendien van mening dat deze normen in geen geval minder streng mogen zijn dan de normen die momenteel gelden in de EU;

36.  benadrukt dat hantering van de EU-normen voor de bestrijding van belastingontduiking, belastingontwijking en witwassen een strenge voorwaarde moeten zijn voor iedere overeenkomst tussen de EU en het VK; is bovendien van mening dat deze normen in geen geval minder streng mogen zijn dan de normen die momenteel gelden in de EU;

37.  is van mening dat ieder besluit van de Commissie om aan een derde land een equivalente status toe te kennen met betrekking tot regelgeving inzake de financiële markten door het Europees Parlement moet worden gecontroleerd;

38.  geeft uiting aan zijn bezorgdheid over het feit dat een aantal multinationale ondernemingen dat momenteel gevestigd is in het VK, heeft aangekondigd zijn bedrijfsactiviteiten te zullen verplaatsen naar een lidstaat die deel uitmaakt van de interne markt van de EU wanneer hogere tarieven en non-tarifaire barrières tussen het VK, de EU en derde landen terugkeren; veroordeelt de druk en de chantage van ondernemingen in de economische en financiële sector die vooral de bedoeling hebben om het besluit van een lidstaat om zich terug te trekken uit de EU te compliceren; verklaart zich solidair met alle werknemers die strijden om hun banen en rechten te beschermen;

39.  benadrukt dat een handelsovereenkomst niet het juiste kader is om zaken als samenwerking op het gebied van regelgeving tussen de EU en het VK te regelen; benadrukt dat voor de toekomstige handels- en economische relatie geen gebruik kan worden gemaakt van de benadering waarvoor gekozen is bij CETA en TTIP, aangezien dit EU- of VK-normen zou bevriezen, of verder zou afzwakken, om "regelgevingsconvergentie" te handhaven; dringt erop aan dat ervoor gezorgd wordt dat de financiële sector in de toekomst goed wordt gecontroleerd en gereguleerd volgens de strengst mogelijke normen in zowel de EU als het VK; herinnert eraan dat het EP het huidige vrijhandelsbeleid en de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten (ISDS) van de EU in bilaterale handelsovereenkomsten heeft verworpen; eist dat bescherming van werknemersrechten en het milieu een belangrijke pijler is van de toekomstige economische betrekkingen tussen de EU en het VK;

40.  wijst erop dat de gevolgen van het vertrek van het VK uit de Europese Unie voor ontwikkelingslanden die goederen uitvoerden naar het VK in het kader van het EU-stelsel van algemene preferenties moeten worden verzacht; moedigt de regering van het VK aan voorbereidingen te treffen voor een vergelijkbaar stelsel van algemene preferenties voor ontwikkelingslanden;

41.  is van mening dat de huidige bilaterale, plurilaterale en multilaterale handelsovereenkomsten moeten worden herzien, rekening houdend met de nieuwe situatie om rechtsonzekerheid en de daaruit voortvloeiende problemen in de betrekkingen met derde landen te voorkomen; benadrukt dat overeenkomsten met derde landen moeten worden gewijzigd of dat er opnieuw over moet worden onderhandeld en dat vooruitgang op het sociaal en milieugebied centraal moet komen te staan in deze overeenkomsten om de economische en sociale problemen aan te pakken die hebben bijgedragen tot het brexit-besluit; wijst erop dat met name quota voor markttoegang in de bestaande handelsovereenkomsten in de landbouwsector moeten worden verlaagd en aangepast aan de werkelijkheid van de huidige handelsstromen tussen de partners en de EU-27;

42.  benadrukt het belang van het VK als handelspartner voor de Ierse agrifood-sector, die goed is voor meer dan 50 % van de agrifood-export voor sommige sectoren en voor meer dan 40 % van de agrofood-import; benadrukt bovendien de potentiële negatieve gevolgen van brexit voor de visserij-industrie;

43.  benadrukt dat in een toekomstige overeenkomst met het VK sociale dumping moet worden voorkomen; dringt er derhalve bij het VK op aan dat zij het voorbeeld van Ierland volgt en het herziene Sociaal Handvest en het Aanvullend Protocol betreffende een systeem voor collectieve klachten ondertekent en ratificeert;

44.  steunt voortzetting van de samenwerking van het VK met de EU op tal van gebieden, waaronder onderwijs, onderzoek en wetenschap, gezondheidszorg, energie, milieubescherming en voedselveiligheid; steunt bovendien dat het VK betrokken blijft bij projecten voor het behoud van kleine Europese talen door allerlei EU-programma's; is van mening dat voortzetting van de betrokkenheid van het VK bij verschillende EU-programma's gebaseerd moet zijn op een billijke financiële bijdrage aan deze programma's;

45.  is van mening dat een toekomstige samenwerkingsovereenkomst ook betrekking moet hebben op de financiële voorwaarden voor eventuele deelname van het VK aan structuren en overeenkomsten die niet onder de EU-begroting vallen, zoals het Europees Ontwikkelingsfonds, trustfondsen en de Europese Investeringsbank;

46.  is van mening dat iedere lidstaat het recht moet hebben betrekkingen aan te knopen met het Verenigd Koninkrijk, op basis van de beginselen van wederzijds belang, vriendschap tussen de volkeren en samenwerking tussen soevereine staten, met zorgvuldige inachtneming van de definitieve overeenkomst tussen de EU en het VK;

V. Gerelateerde kwesties

47.  is van mening dat Ierlands vertegenwoordiging in EU-organen moet worden aangepast om rekening te houden met de Ierse/EU-burgers in het noorden van Ierland;

48.  benadrukt dat er specifieke maatregelen door de EU en alle betrokken partijen moeten worden getroffen, op de gebieden van hun respectieve bevoegdheid, om ervoor te zorgen dat de regio's die het zwaarst worden getroffen worden gesteund;

VI. Een ander Europa

49.  is van mening dat de koers radicaal moet worden omgegooid van het momenteel door de EU gevoerde en door veel lidstaten ondersteunde beleid naar beleidsmaatregelen die duurzame economische groei tot stand brengen, zorgen voor volledige werkgelegenheid en armoede, sociale uitsluiting en inkomensongelijkheden binnen en tussen de lidstaten bestrijden;

50.  benadrukt dat brexit beschouwd moet worden als een kans om een ander Europa tot stand te brengen; is van mening dat het aantoont dat een Europa van gelijken, sociale vooruitgang en vrede noodzakelijk is en tot stand gebracht moet worden met de instemming en deelname van de volkeren en burgers, en met gelijke rechten voor de lidstaten;

51.  dringt erop aan een einde te maken aan het bezuinigingsbeleid van de EU, o.a. door het begrotingspact te herroepen; dringt in plaats daarvan aan op overheidsinvesteringen in de reële economie om fatsoenlijke, vaste banen te creëren, op actief beleid tegen ongelijkheid en armoede, en op het bevorderen van overheidstoezicht op en decentralisatie van de banksector;

52.  moedigt de Commissie aan te onderzoeken welke stappen moeten worden ondernomen om de EU te laten toetreden tot het herziene Europees Sociaal Handvest en hiervoor een tijdsschema voor te stellen; is van mening dat deze stappen moeten worden ondernomen om het herziene Europees Sociaal Handvest tot een van de fundamentele pijlers van de EU te maken;

53.  is van mening dat Europa moet zorgen voor eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele vrijheden, solidariteit tussen de lidstaten, zodat sociale en economische convergentie in opwaartse richting wordt gestuwd, en cohesie tussen de volkeren en regio's;

54.  verwerpt de Europese veiligheidsstrategie en het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) en is fel gekant tegen EU-VK-samenwerking op deze gebieden; eist dat de samenwerking tussen de EU en de NAVO wordt stopgezet en verwerpt het huidige expansionistische beleid van de NAVO; eist bovendien dat alle buitenlandse militaire bases in Europa worden ontmanteld en dat de NAVO wordt ontbonden; verwerpt de Europese defensie-unie; dringt erop aan dat brexit niet als excuus moet worden aangewend om de militaire uitgaven te verhogen en is derhalve tegen de verhoging van de begrotingen van de lidstaten voor veiligheid en defensie; verwerpt elk gebruik van de EU-begroting voor militaire of civiel-militaire doeleinden; dringt erop aan dat de lidstaten zich inzetten voor vrede;

VII. Slotbepalingen

55.  dringt erop aan dat het Europees Parlement onverwijld en ten volle wordt geïnformeerd, in iedere fase van de procedure betreffende het onderhandelen over en het sluiten van internationale overeenkomsten (als verankerd in artikel 218 van het Verdrag betreffende werking van de EU), en dat ervoor gezorgd moet worden dat het Parlement democratische controle kan uitvoeren en een besluit kan nemen over de overeenkomst;

56.  dringt er bij de Raad en de Commissie op aan rekening te houden met het standpunt van het Parlement bij de vaststelling van het onderhandelingsmandaat, en het mandaat bekend te maken;

o

o  o

57.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van alle lidstaten.

(1)

PB C 285 van 5.8.2016, blz. 9.

Laatst bijgewerkt op: 3 april 2017Juridische mededeling