Procedure : 2012/2694(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : RC-B7-0373/2012

Ingediende teksten :

RC-B7-0373/2012

Debatten :

Stemmingen :

OJ 05/07/2012 - 158

Aangenomen teksten :


GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE
PDF 165kWORD 91k
3.7.2012
PE491.988v01-00}
PE491.989v01-00}
PE491.990v01-00}
PE491.991v01-00} RC1
 
B7-0373/2012}
B7-0374/2012}
B7-0375/2012}
B7-0376/2012} RC1

ingediend overeenkomstig artikel 110, leden 2 en 4, van het Reglement

ter vervanging van de ontwerpresoluties ingediend door de fracties:

Verts/ALE (B7‑0373/2012)

S&D (B7‑0374/2012)

ALDE (B7‑0375/2012)

GUE/NGL (B7‑0376/2012)


over het EU-beleid inzake de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem (2012/2694(RSP))


Véronique De Keyser, Pino Arlacchi, Emine Bozkurt, Ricardo Cortés Lastra, Emer Costello, Robert Goebbels, Ana Gomes, Richard Howitt, Wolfgang Kreissl-Dörfler, María Muñiz De Urquiza, Norbert Neuser, Raimon Obiols, Boris Zala namens de S&D-Fractie
Annemie Neyts-Uyttebroeck, Chris Davies, Marielle de Sarnez, Niccolò Rinaldi, Robert Rochefort, Ivo Vajgl namens de ALDE-Fractie
Margrete Auken, Nicole Kiil-Nielsen, Hélène Flautre, Judith Sargentini, Raül Romeva i Rueda, Ana Miranda, Malika Benarab-Attou, Eva Joly, Daniel Cohn-Bendit namens de Verts/ALE-Fractie
Patrick Le Hyaric, Kyriacos Triantaphyllides, Sabine Lösing, Nikolaos Chountis, Marisa Matias namens de GUE/NGL-Fractie
AMENDEMENTEN

Resolutie van het Europees Parlement over het EU-beleid inzake de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem (2012/2694(RSP))  

Het Europees Parlement,

–   gezien zijn eerdere resoluties, met name die van 29 september 2011 over de situatie in Palestina(1), van 16 februari 2012 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de regionale conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels(2), en van 9 september 2010 over de situatie van de rivier de Jordaan, met name de benedenloop(3),

–   gezien de conclusies van de Raad van 14 mei 2012, 18 juli en 23 mei 2011, en 8 december 2009 over het vredesproces in het Midden-Oosten,

–   gezien de toespraak over de recentste ontwikkelingen in het Midden-Oosten en in Syrië van vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger Catherine Ashton tijdens de plenaire vergadering van het Europees Parlement op 12 juni 2012,

–   gezien de verklaringen van vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger Catherine Ashton, en in het bijzonder haar verklaring van 8 juni 2012 over de uitbreiding van de nederzettingen, haar verklaring van 25 april 2012 over het besluit van de Israëlische autoriteiten betreffende de status van de nederzettingen Sansana, Rechelim en Bruchin in bezet Palestijns gebied, en haar verklaring van 22 februari 2012 over de Israëlische goedkeuring voor de bouw van nederzettingen,

–   gezien het verslag van de leiders van de EU-missie van januari 2012 over Oost-Jeruzalem, het verslag van de leiders van de EU-missie van juli 2011 met de titel "Area C and Palestinian State Building” en het verslag van de leiders van de EU-missie van april 2011 alsook hun vergezellende nota van februari 2012 over geweld van kolonisten,

–   gezien de vierde Conventie van Genève van 1949 betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd,

–   gezien het Handvest van de Verenigde Naties,

–   gezien resoluties 181 (1947) en 194 (1948) van de Algemene Vergadering van de VN, en resoluties 242 (1967), 252 (1968), 338 (1973), 476 (1980), 478 (1980), 1397 (2002), 1515 (2003) en 1850 (2008) van de VN-Veiligheidsraad,

–   gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van de VN van 1966,

–   gezien de verklaringen van het Midden-Oostenkwartet, in het bijzonder die van 11 april 2012 en 23 september 2011,

–   gezien de gemeenschappelijke verklaring van Israël en de Palestijnse Autoriteit van 12 mei 2012,

–   gezien het advies van het Internationaal Gerechtshof van 9 juli 2004 met de titel "Juridische gevolgen van de bouw van een muur in bezet Palestijns gebied",

–   gezien het plan met de titel "Ending the Occupation, Establishing a State" van de Palestijnse premier Salam Fayyad van augustus 2009, waarmee de opbouw (over een periode van twee jaar) van een nieuwe staat wordt beoogd;

–   gezien de interimovereenkomst over de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook van 18 september 1995,

–   gezien de Akkoorden van Oslo ("Declaration of Principles on Interim Self-Government Arrangements") van 13 september 1993,

–   gezien artikel 110, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de EU herhaaldelijk haar steun heeft bevestigd voor een tweestatenoplossing waarbij de staat Israël, met de garantie op veilige en erkende grenzen, en een onafhankelijke, democratische, aangrenzende en levensvatbare staat Palestina zij aan zij leven in vrede en veiligheid, en heeft verklaard dat geen andere wijzigingen van de grenzen van vóór 1967 zullen worden erkend dan deze die door de partijen zijn overeengekomen, ook niet met betrekking tot Jeruzalem als hoofdstad van beide staten; overwegende dat het recht van de Palestijnen op zelfbeschikking en een eigen staat onbetwistbaar is, net als het recht van Israël op een bestaan binnen veilige grenzen;

B.  overwegende dat in de conclusies van de Raad van 14 mei 2012 wordt onderstreept dat de voortdurende veranderingen in de Arabische wereld de noodzaak van vooruitgang in het vredesproces in het Midden-Oosten des te urgenter maken en dat oog hebben voor de aspiraties van de mensen in de regio, waaronder die van de Palestijnen betreffende een eigen staat en die van de Israëliërs inzake veiligheid, cruciaal is voor duurzame vrede, stabiliteit en welvaart in de regio;

C. overwegende dat de rechtstreekse vredesonderhandelingen zijn vastgelopen en dat alle recente pogingen om de onderhandelingen te hervatten zijn gestrand; overwegende dat de EU de partijen heeft opgeroepen om maatregelen te treffen die kunnen bijdragen aan een sfeer van vertrouwen, die nodig is om zinvol te kunnen onderhandelen, om zich te onthouden van maatregelen die de geloofwaardigheid van het proces kunnen ondermijnen en om opruiing te voorkomen;

D. overwegende dat Israël en de Palestijnse Autoriteit op 12 mei 2012 de volgende gemeenschappelijke verklaring hebben afgegeven: "Israël en de Palestijnse Autoriteit zetten zich in voor de totstandbrenging van de vrede en beide partijen hopen dat de briefwisseling tussen president Abbas en premier Netanyahu dit doel zal bevorderen";

E.  overwegende dat de internationale mensenrechten en het internationaal humanitair recht, inclusief de vierde Conventie van Genève, volledig van toepassing zijn op de Westelijke Jordaanoever, met inbegrip van Oost-Jeruzalem, en de Gazastrook; overwegende dat Israël onder meer verplicht is er in goed vertrouwen voor te zorgen dat in de fundamentele behoeften van de Palestijnse bevolking in de bezette gebieden wordt voorzien, de bezetting te beheren op een wijze die de plaatselijke bevolking ten goede komt, burgerobjecten te beschermen en te handhaven, en erop toe te zien dat zijn eigen bevolking niet naar de bezette gebieden verhuist en, in omgekeerde richting, dat de bevolking van de bezette gebieden niet naar Israël verhuist;

F.  overwegende dat in de recente verslagen van de leiders van de EU-missie (het verslag met de titel "Area C and Palestinian State Building", het verslag over Oost-Jeruzalem en het verslag over geweld van kolonisten) opnieuw melding wordt gemaakt van verontrustende en mogelijk onomkeerbare ontwikkelingen in de betrokken gebieden; overwegende dat de Israëlische minister van Buitenlandse Zaken de beweringen in de EU-verslagen weerlegt en verklaart dat dit soort verslagen het vredesproces niet vooruithelpen;

G. overwegende dat de Westelijke Jordaanoever sinds de Akkoorden van Oslo van 1995 in drie bestuurlijke zones of gebieden is verdeeld; overwegende dat zone C het grootste deel van de Westelijke Jordaanoever beslaat; overwegende dat sociale en economische ontwikkelingen in zone C van essentieel belang zijn voor de levensvatbaarheid van een toekomstige Palestijnse staat;

H. overwegende dat de Palestijnse aanwezigheid op de Westelijke Jordaanoever, met name in zone C, en in Oost-Jeruzalem belemmerd wordt door het beleid van de Israëlische regering, vooral als gevolg van de bouw en de uitbreiding van nederzettingen; overwegende dat de Israëlische nederzettingen, die door de Israëlische regering worden gesubsidieerd met stimulerende maatregelen op gebieden als belastingen, huisvesting, infrastructuur, wegenbouw, toegang tot water, onderwijs en bijvoorbeeld ook gezondheidszorg, krachtens het internationaal recht illegaal zijn en een belangrijk obstakel vormen voor de vredesinspanningen;

I.   overwegende dat Israël in het document "Basic Law: Jerusalem, Capital of Israel" uit 1980 Jeruzalem tot de volledige en ondeelbare hoofdstad van Israël heeft uitgeroepen, wat indruist tegen resolutie 478 (1980) van de VN-Veiligheidsraad; overwegende dat in de conclusies van de Raad van 14 mei 2012 nog eens wordt herhaald dat er via onderhandelingen een manier moet worden gevonden om het punt van de status van Jeruzalem als de toekomstige hoofdstad van beide staten op te lossen; overwegende dat de huidige ontwikkelingen in Oost-Jeruzalem in de praktijk het vooruitzicht dat Jeruzalem de toekomstige hoofdstad van beide staten wordt onwaarschijnlijk en onrealistisch maken; overwegende dat Oost-Jeruzalem steeds verder van de Westelijke Jordaanoever wordt losgeweekt, en dat de historische kern binnen Jeruzalem steeds meer van Oost-Jeruzalem wordt losgekoppeld;

J.   overwegende dat de Palestijnen in Oost-Jeruzalem 37% van de totale bevolking van Jeruzalem uitmaken en goed zijn voor 36% van de belastinginkomsten van de stad, maar dat slechts 10% van het gemeentebudget wordt uitgegeven in Oost-Jeruzalem, waar het aanbod van diensten dan ook volstrekt onvoldoende is; overwegende dat de meeste Palestijnse instellingen in Oost-Jeruzalem, waaronder het Orient House, door de Israëlische autoriteiten zijn gesloten, wat voor een institutioneel en leiderschapsvacuüm onder de plaatselijke Palestijnse bevolking heeft gezorgd, hetgeen onverminderd een grote bron van zorg is;

K. overwegende dat de Palestijnen die in Oost-Jeruzalem wonen de status van "vaste inwoner" hebben, maar dat deze status alleen onder bepaalde voorwaarden aan kinderen wordt doorgegeven en niet automatisch wordt overgedragen door middel van een huwelijk, wat betekent dat de echtgenoten en kinderen van veel vaste inwoners van Oost-Jeruzalem niet bij hun overige gezinsleden kunnen wonen; overwegende dat anderzijds ongeveer 200 000 Israëlische kolonisten in en rond Oost-Jeruzalem wonen;

L.  overwegende dat de bescherming van de Palestijnse bevolking en haar rechten op de Westelijke Jordaanoever, met name in zone C, en in Oost-Jeruzalem van cruciaal belang is voor het handhaven van de haalbaarheid van de tweestatenoplossing; overwegende dat de voortdurende uitbreiding van de nederzettingen, het toenemende geweld door kolonisten, de bouwbeperkingen en het daaruit voortvloeiende acute huizentekort, de vernietiging van huizen, de huisuitzettingen en verdrijvingen, de inbeslagneming van land, de moeilijke toegang tot natuurlijke hulpbronnen en het gebrek aan fundamentele sociale voorzieningen en bijstand een zeer negatieve invloed hebben op de levensomstandigheden van de Palestijnen; overwegende dat de economische situatie in deze gebieden, die verslechterd is door de beperkingen die gelden voor toegang, vrij verkeer en planning, onverminderd een grote bron van zorg is; overwegende dat volgens het jaarverslag van de IAO 53,5% van de jonge vrouwen en 32,3% van de jonge mannen in de leeftijdscategorie tussen 15 en 24 jaar op de Westelijke Jordaanoever werkloos zijn;

M. overwegende dat de Palestijnse bevolking op de Westelijke Jordaanoever, met name in zone C, en in Oost-Jeruzalem met een ernstig watertekort kampt; overwegende dat Palestijnse landbouwers ernstig te lijden hebben onder het gebrek aan water voor irrigatie, wat het gevolg is van het feit dat Israël en de Israëlische kolonisten op de Westelijke Jordaanoever het leeuwendeel van het water gebruiken; overwegende dat de beschikbaarheid van voldoende water van cruciaal belang is voor de levensvatbaarheid van een toekomstige Palestijnse staat;

N. overwegende dat de door Israël gebouwde scheidingsmuur, die niet parallel loopt met de Groene Lijn, een aanzienlijk deel van het Palestijns grondgebied afsnijdt, zowel op de Westelijke Jordaanoever als in Oost-Jeruzalem; overwegende dat het Internationaal Gerechtshof in een advies van 2004 over de juridische gevolgen van de bouw van een muur in bezet Palestijns gebied heeft aangegeven dat de constructie van de muur door Israël en alle daarbij behorende maatregelen indruisen tegen het internationaal recht;

O. overwegende dat het Parlement bij herhaling zijn steun heeft uitgesproken voor de inspanningen van president Mahmoud Abbas en premier Salam Fayyad om een staat op te bouwen, en dat het de kwaliteit van het desbetreffende plan (met een looptijd van twee jaar) van premier Fayyad heeft erkend en verwelkomd; overwegende dat zone C en Oost-Jeruzalem voorrangspunten moeten blijven in de Palestijnse nationale ontwikkelingsplannen, in het bijzonder als antwoord op het gevoel van verwaarlozing onder de Palestijnen die daar wonen;

P.  overwegende dat momenteel meer dan 4500 Palestijnse gevangenen, onder wie 24 leden van de Palestijnse Wetgevende Raad, ongeveer 240 kinderen en meer dan 300 Palestijnse administratief gedetineerden gevangen worden gehouden in Israëlische gevangenissen en detentiecentra;

Q. overwegende dat Arabische bedoeïenen tot een sedentair, inheems volk behoren dat van oudsher een agrarisch bestaan leidt op de gronden van hun voorvaderen en streven naar formele en permanente erkenning van hun unieke situatie en status; overwegende dat de gemeenschappen van Arabische bedoeïenen, die door Israëlische beleidsmaatregelen, waaronder gedwongen verhuizing, in hun bestaan worden bedreigd en een uitermate kwetsbare bevolkingsgroep vormen, zowel in de bezette Palestijnse gebieden als in de Negev;

R.  overwegende dat volgens het verslag van de Displacement Working Group dat op 14 mei 2012 is gepubliceerd en volgens de maandelijkse humanitaire monitor van het Bureau voor de coördinatie van humanitaire aangelegenheden meer dan 60 objecten, waaronder zonnepanelen, waterreservoirs en agrarische gebouwen, die zijn gefinancierd door de Europese Unie en een aantal lidstaten, sinds januari 2011 door de Israëlische strijdkrachten zijn vernietigd; overwegende dat meer dan 100 vergelijkbare projecten met vernietiging worden bedreigd;

S.  overwegende dat de EU en de lidstaten bij vele gelegenheden, onder meer in de conclusies van de Raad van 14 mei 2012, hebben herhaald dat zij de veiligheid van Israël zeer ernstig nemen, dat zij het geweld tegen burgers, onder meer via raketaanvallen vanuit de Gazastrook, in krachtige bewoordingen hebben veroordeeld en dat zij ertoe hebben opgeroepen de smokkel van wapens naar de Gazastrook doeltreffend aan te pakken;

T.  overwegende dat artikel 2 van de associatieovereenkomst tussen de EU en Israël bepaalt dat de betrekkingen tussen de partijen zijn gebaseerd op de eerbiediging van de mensenrechten en de democratische beginselen, en dat dit de grondslag van hun binnen- en buitenlands beleid en een wezenlijk onderdeel van de overeenkomst vormt;

U. overwegende dat de blokkade van en de humanitaire crisis in de Gazastrook voortduren, ondanks de talrijke oproepen van de internationale gemeenschap, onder meer ook in de conclusies van de Raad van 14 mei 2012, om de grensovergangen onmiddellijk, voorgoed en zonder voorwaarden open te stellen voor humanitaire hulp en het verkeer van en naar Gaza van goederen en personen;

1.  herhaalt zijn krachtige steun voor de tweestatenoplossing, met als basis de grenzen van 1967 en Jeruzalem als hoofdstad van beide staten, waarbij de staat Israël, met de garantie op veilige en erkende grenzen, en een onafhankelijke, democratische, aangrenzende en levensvatbare staat Palestina zij aan zij leven in vrede en veiligheid;

2.  is ingenomen met de conclusies van de Raad van 14 mei 2012 over het vredesproces in het Midden-Oosten, waarin ook de situatie op de Westelijke Jordaanoever en in Oost-Jeruzalem aan bod komt, herhaalt dat de EU geen andere wijzigingen van de grenzen van vóór 1967 zal erkennen dan deze die door de partijen zijn overeengekomen, ook niet met betrekking tot Jeruzalem, en verwelkomt de verklaring van het Midden-Oostenkwartet van 11 april 2012;

3.  benadrukt dat de beëindiging van het conflict van fundamenteel belang is voor de EU, alsmede voor de partijen zelf en de ruimere regio, en dat dit kan worden bereikt door een alomvattend vredesakkoord, op basis van de desbetreffende resoluties van de VN-Veiligheidsraad, de beginselen van Madrid, waaronder land voor vrede, de routekaart, de eerder door de partijen bereikte akkoorden en het Arabisch vredesinitiatief; wijst erop dat eventueel hieruit voortvloeiende resoluties de waardigheid van beide partijen niet mogen aantasten; wijst erop dat de EU, als grootste donor aan de Palestijnse Autoriteit en een van de belangrijkste handelspartners van Israël, over instrumenten beschikt om beide partijen te stimuleren naar een oplossing toe te werken; roept beide partijen op samen te werken met de EU, die er alles aan moet doen om het conflict op te lossen; herinnert eraan dat in de bezette Palestijnse gebieden het internationaal humanitair recht van toepassing is, waaronder het vierde Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd;

4.  wijst erop dat de rechtstreekse onderhandelingen over een tweestatenoplossing tussen Israëliërs en Palestijnen onverwijld en aan de hand van de door het kwartet voorgestelde termijnen moeten worden hervat met het oog op een oplossing voor de onaanvaardbare status quo; is verheugd over de briefwisseling tussen de partijen waartoe op 17 april 2012 het initiatief is genomen en over de gemeenschappelijke verklaring van Israël en de Palestijnse Autoriteit van 12 mei 2012;

5.  maakt zich grote zorgen over de ontwikkelingen op de Westelijke Jordaanoever, met name in zone C, en in Oost-Jeruzalem, zoals beschreven in het verslag van de leiders van de EU-missie van juli 2012 met de titel "Area C and Palestinian State Building" en in dat van januari 2012 over Oost-Jeruzalem;

6.  onderstreept dat het belangrijk is de Palestijnse bevolking en haar rechten in zone C en in Oost-Jeruzalem te beschermen, aangezien dit cruciaal is voor het handhaven van de haalbaarheid van de tweestatenoplossing;

7.  herhaalt dat alle nederzettingen uit hoofde van het internationaal recht illegaal blijven en verzoekt de Israëlische regering om een einde te maken aan de bouw en uitbreiding van nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever en in Oost-Jeruzalem en om alle sinds maart 2001 gecreëerde vooruitgeschoven posten te ontmantelen;

8.  veroordeelt ten stelligste alle vormen van extremisme, geweld en intimidatie door kolonisten ten aanzien van Palestijnse burgers en dringt er bij de Israëlische regering en autoriteiten op aan de daders voor het gerecht te brengen en ter verantwoording te roepen;

9.  dringt aan op de volledige en doeltreffende toepassing van de bestaande EU-wetgeving en bilaterale overeenkomsten tussen de EU en Israël, zodat het controlemechanisme van de EU (de "technische regelingen") verhindert dat producten uit Israëlische nederzettingen via een preferentiële regeling uit hoofde van de associatieovereenkomst tussen de EU en Israël op de Europese markt worden ingevoerd;

10. verzoekt de Israëlische regering en de Israëlische autoriteiten hun verplichtingen uit hoofde van het internationaal humanitair recht na te komen, en in het bijzonder:

     –   onmiddellijk een einde te maken aan de vernietiging van huizen, de huisuitzettingen en de gedwongen verhuizing van Palestijnen,

     –   voorwaarden te creëren voor Palestijnse plannings- en bouwactiviteiten, alsook voor de uitvoering van Palestijnse ontwikkelingsprojecten,

     –   voorwaarden te creëren voor toegang en vrij verkeer,

     –   voorwaarden te creëren voor de toegang van Palestijnen tot landbouw- en weidegrond,

     –   te zorgen voor een billijke waterverdeling die tegemoetkomt aan de behoeften van de Palestijnse bevolking,

     –   de toegang van de Palestijnse bevolking tot behoorlijke sociale voorzieningen en bijstand te verbeteren, met name op de gebieden onderwijs en volksgezondheid, en

     –   humanitaire operaties mogelijk te maken

     in zone C en in Oost-Jeruzalem;

12. vraagt dat een einde wordt gemaakt aan de praktijk van administratieve hechtenis, waarbij Palestijnen zonder formele beschuldiging of proces worden vastgehouden door de Israëlische autoriteiten, dat alle Palestijnse gedetineerden een eerlijk proces krijgen en dat de Palestijnse politieke gevangenen worden vrijgelaten, met name de leden van de Palestijnse Wetgevende Raad, onder wie Marwan Barghouti, en de administratief gedetineerden; vraagt ook de onmiddellijke vrijlating van Nabil Al-Raee, artistiek directeur van het Freedom Theatre in het vluchtelingenkamp in Jenin, die op 6 juni 2012 werd gearresteerd en in hechtenis is genomen; is verheugd over de overeenkomst die op 14 mei 2012 is bereikt waardoor de hongerstaking van de Palestijnse gevangenen kon worden beëindigd en dringt aan op de volledige en onmiddellijke uitvoering van die overeenkomst;

13. dringt aan op de bescherming van de bedoeïenengemeenschappen op de Westelijke Jordaanoever en in de Negev, vraagt dat hun rechten ten volle worden geëerbiedigd door de Israëlische autoriteiten en veroordeelt elke schending van deze rechten (bijv. vernietiging van huizen, gedwongen verhuizing, beperking van de toegang tot overheidsdiensten); vraagt in dit verband ook dat de Israëlische regering het Prawer Plan intrekt;

14. spoort de Palestijnse regering en autoriteiten aan in de Palestijnse nationale ontwikkelingsplannen meer aandacht te besteden aan zone C en aan Oost-Jeruzalem, teneinde de situatie en de levensomstandigheden van de Palestijnen die in deze gebieden wonen te verbeteren;

15. onderstreept eens te meer dat vreedzame en geweldloze middelen de enige manier zijn om tot een duurzame oplossing van het Israëlisch-Palestijnse conflict te komen; blijft in dit verband het beleid van geweldloos verzet van president Abbas steunen en aandringen op onderlinge Palestijnse verbroedering en op de opbouw van een Palestijnse staat, en beschouwt presidents- en parlementsverkiezingen als belangrijke onderdelen van dit proces;

16. herhaalt dat het onverminderd groot belang hecht aan de veiligheid van de staat Israël; veroordeelt elke daad van geweld door elk van beide partijen waarbij opzettelijk burgers worden aangevallen, en is verbijsterd over de raketaanvallen vanuit de Gazastrook;

17. verzoekt de Raad en de Commissie steun en bijstand te blijven verlenen aan de Palestijnse instellingen en ontwikkelingsprojecten in zone C en in Oost-Jeruzalem teneinde de Palestijnse bevolking te beschermen en haar levensomstandigheden te verbeteren; dringt aan op een betere coördinatie tussen de EU en de lidstaten op dit gebied; onderstreept dat Israël moet stoppen met het inhouden van douane- en belastinginkomsten die voor de Palestijnse Autoriteit bestemd zijn;

18. dringt er bij de EDEO en de Commissie op aan om een onderzoek in te stellen naar alle beschuldigingen betreffende de vernietiging en beschadiging van door de EU gefinancierde objecten en projecten in de bezette gebieden, en vraagt dat zij de resultaten hiervan aan het Parlement bezorgen;

19. verzoekt de Raad en de Commissie deze kwesties op alle niveaus van de bilaterale betrekkingen tussen enerzijds de EU en anderzijds Israël en de Palestijnse Autoriteit aan de orde te blijven stellen; onderstreept dat de inspanningen die Israël zich getroost om zijn verplichtingen ten opzichte van de Palestijnse bevolking na te komen uit hoofde van de internationale mensenrechten en het internationaal humanitair recht, volledig in aanmerking zullen worden genomen in de bilaterale betrekkingen van de EU met dit land;

20. dringt er bij de EU en haar lidstaten eens te meer op aan om onder meer in het kwartet een actievere rol op te nemen in het streven naar een rechtvaardige en duurzame vrede tussen Israëli's en Palestijnen; benadrukt opnieuw de centrale rol van het kwartet en blijft de hoge vertegenwoordiger steunen in haar inspanningen om een geloofwaardig perspectief te creëren voor de hervatting van het vredesproces;

21. herhaalt zijn verzoek om de onmiddellijke, permanente en onvoorwaardelijke opheffing van de blokkade van de Gazastrook, zodat er verkeer mogelijk wordt voor personen, humanitaire hulp en goederen, alsook om stappen ter bevordering van de wederopbouw en het economisch herstel van dit gebied; onderkent ook Israëls legitieme veiligheidsbehoeften en dringt in dit verband aan op een doeltreffend controlemechanisme dat een einde maakt aan de smokkel van wapens naar de Gazastrook; neemt kennis van het besluit van de Raad om de EU-missie voor bijstandverlening inzake grensbeheer aan de grensovergang bij Rafah te verlengen tot 30 juni 2013 en verwacht dat zij haar taken zal uitvoeren en een doorslaggevende en doeltreffende rol zal spelen bij het dagelijks beheer van de grensoverschrijdende betrekkingen en de vertrouwensopbouw tussen Israël en de Palestijnse Autoriteit;

22. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor het vredesproces in het Midden-Oosten, de voorzitter van de Algemene Vergadering van de VN, de regeringen en de parlementen van de leden van de VN-Veiligheidsraad, de afgezant van het Midden-Oostenkwartet, de Knesset en de regering van Israël, de president van de Palestijnse Autoriteit en de Palestijnse Wetgevende Raad.

 

 

(1)

Aangenomen teksten, P7-TA(2011)0429.

(2)

Aangenomen teksten, P7-TA(2012)0060.

(3)

Aangenomen teksten, P7-TA(2010)0314.

Laatst bijgewerkt op: 4 juli 2012Juridische mededeling