MONDELINGE VRAAG MET DEBAT ingediend overeenkomstig artikel 108 van het Reglement van Gérard Deprez, namens de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken aan de Raad
Betreft: In 2008 geboekte vooruitgang op het gebied van de Europese ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid (RVVR)
Eind 2009 zal de Europese Raad gevraagd worden zijn goedkeuring te hechten aan het nieuwe meerjarenprogramma voor de Europese ruimte voor vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid (RVVR). Tien jaar na Tampere beschikt de Europese Unie over een aanzienlijk acquis op dit gebied, ook al slaat de balans iets meer door in de richting van samenwerking tussen de administraties, met name met betrekking tot veiligheidskwesties, dan in de richting van de bescherming en bevordering op Europees niveau van de fundamentele rechten van de Europese burgers.
1. Stemt de Raad in met de door het EP op 25 september 2008 goedgekeurde aanbevelingen?
2. Onderschrijft de Raad de stellingen dat:
a) de bescherming van de fundamentele rechten binnen de Europese Unie een vast thema van de RVVR moet worden door: het voorstel voor procedurele rechten in rechtzaken opnieuw in te dienen; regelmatig een inventaris op te maken van de tenuitvoerlegging van EU-maatregelen, zoals het EAB en de anti-terrorismestrategie; het EU-Bureau voor grondrechten stelselmatig te vragen de gevolgen van nieuwe EU-maatregelen in kaart te brengen; een gespecialiseerde werkgroep van de Raad op te richten; en het desbetreffende hoofdstuk van het jaarverslag van de Raad betreffende de fundamentele rechten uit te breiden?
b) er in de Raad een vergadering van de bevoegde ministers moet worden georganiseerd met het oog op een samenhangende tenuitvoerlegging van de noodzakelijke (beleids)maatregelen, aangezien het immigratiepact van de Europese Raad in een aantal nieuwe kernbeleidstaken op de gebieden immigratie, asiel en integratie zal resulteren?
c) de tijd rijp is voor een alomvattende Europese strategie inzake interne veiligheid onder toezicht van het Europees Parlement en de nationale parlementen, aangezien politiesamenwerking meer en meer wordt verankerd op Europees niveau (met de Schengen- en Prüm-samenwerking, het Zweedse initiatief voor de uitwisseling van inlichtingengegevens, de periodieke OCTA-verslagen van Europol, het kaderbesluit Gegevensbescherming)?
d) er een samenhangende gerechtelijke ruimte tot stand zou moeten worden gebracht door middel van het verbeteren van het wederzijds begrip van de nationale gerechtelijke systemen, het versterken van de maatregelen voor wederzijdse erkenning (zoals het Europees bewijsverkrijgingsbevel) en van de interoperabiliteit van de netwerken en diensten (zoals gebeurt voor de interconnectie van de strafbladen), en het opwaarderen van het Europees Netwerk voor het opleiden van rechters?
e) er een transparanter en samenhangender extern beleid ten aanzien van derde landen zoals de VS en Rusland zou moeten worden ontwikkeld (mét inachtneming van de fundamentele rechten), en er, met name met landen die geen partij zijn bij de Verdragen van Genève, met "Prüm" vergelijkbare overeenkomsten, alsmede overeenkomsten op de gebieden uitlevering, wederzijdse juridische bijstand en wedertoelating zouden moeten worden gesloten?
3. Vindt de Raad ook niet dat, in het kader van de tenuitvoerlegging van het protocol betreffende de nationale parlementen, en
- in het belang van gemeenschappelijke transparantienormen voor de Europese burgers en hun vertegenwoordigers, en
- met het oog op de noodzakelijke loyale samenwerking tussen de instellingen op Europees en nationaal niveau, de nationale parlementen onverwijld door de Raad op de hoogte zouden moeten worden gebracht van zijn wetgevingsvoorstellen en amendementen op het vlak van de RVVR (zoals de Commissie met betrekking tot haar eigen voorstellen reeds doet sinds 2006)?