Procedure : 2006/2027(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0213/2006

Ingediende teksten :

A6-0213/2006

Debatten :

PV 05/07/2006 - 11
CRE 05/07/2006 - 11

Stemmingen :

PV 06/07/2006 - 6.14
CRE 06/07/2006 - 6.14
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2006)0316

INTERIMVERSLAG     
PDF 317kWORD 277k
15 juni 2006
PE 372.179v02-00 A6-0213/2006

over het vermeende gebruik van Europese landen door de CIA voor het vervoer en de illegale detentie van gevangenen

(2006/2027(INI))

Tijdelijke Commissie verondersteld gebruik door de CIA van Europese landen voor het vervoer en illegaal vasthouden van gevangenen

Rapporteur: Giovanni Claudio Fava

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het vermeende gebruik van Europese landen door de CIA voor het vervoer en de illegale detentie van gevangenen

(2006/2027(INI))

Het Europees Parlement,

- gezien zijn resolutie van 15 december 2005 over het vermeende gebruik van Europese landen door de CIA voor het vervoer en de illegale detentie van gevangenen(1),

- gezien zijn besluit van 18 januari 2006 over de oprichting van een Tijdelijke Commissie verondersteld gebruik door de CIA van Europese landen voor het vervoer en illegaal vasthouden van gevangenen(2),

- gelet op artikel 175 van zijn Reglement,

-    gezien het interimverslag van de Tijdelijke Commissie verondersteld gebruik door de CIA van Europese landen voor het vervoer en illegaal vasthouden van gevangenen (A6-0213/2006),

A. overwegende dat de taak van de Tijdelijke Commissie er voornamelijk in bestaat na te gaan of in het kader van de aan de kaak gestelde feiten de Europese Unie (EU) en haar lidstaten in hun optreden de grondbeginselen van artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) hebben nageleefd en met name de bescherming van de grondrechten hebben gegarandeerd zoals die onder andere zijn vastgelegd in het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat door de Europese Raad op 4 november 1950 is goedgekeurd (hierna het “EVRM” genoemd),

B.  overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie(3), dat door het Parlement, de Raad en de Commissie tijdens de Europese Raad van Nice op 7 december 2000 is afgekondigd en in deel II van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa is opgenomen, in Europa een van de referentieteksten vormt, niet alleen voor het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen maar ook voor de constitutionele hoven en de andere nationale rechtscolleges van de lidstaten,

C. overwegende dat de strijd tegen het terrorisme niet kan worden gewonnen door dezelfde beginselen op te offeren die het terrorisme probeert te vernietigen en dat met name de bescherming van de grondrechten nooit in gevaar mag worden gebracht; overwegende dat het terrorisme met legale middelen moet worden bestreden en dat het terrorisme moet worden verslagen met inachtneming van het internationaal en nationaal recht en dat regeringen en publieke opinie hun verantwoordelijkheid moeten kennen,

D. overwegende dat het beginsel van de onschendbaarheid van de menselijke waardigheid in de preambule van het Handvest van de grondrechten voorkomt en de basis van elk ander grondrecht vormt, met name het recht op leven (artikel 2), het verbod van folteringen en van onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen (artikel 4), het recht op bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering (artikel 19) en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht (artikel 47), en dat dat beginsel zowel in tijden van vrede als van oorlog niet aan beperkingen mag worden onderworpen, zelfs niet om te voldoen aan veiligheidseisen,

E.  overwegende dat volgens internationale mensenrechtennormen, als vervat in de Universele Verklaring van de rechten van de mens van de Verenigde Naties (VN), het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en de daarbijbehorende instrumenten, en vooral volgens het EVRM, de lidstaten van de Europese Unie ertoe verplicht zijn te verzekeren dat elk individu dat onder hun rechterlijke bevoegdheid valt, de internationaal toegekende grondrechten kan genieten, inclusief het verbod op uitlevering aan of deportatie naar een staat waar een risico op foltering of onmenselijke behandeling bestaat,

F.  overwegende dat de communautaire en internationale mensenrechtenwetgeving gedwongen verdwijningen verbiedt, met inbegrip van geheime detentie – waarbij een persoon zonder enige vorm van proces en afgesneden van de buitenwereld wordt vastgehouden, zonder dat zijn of haar familie of het publiek van zijn of haar lot of verblijfplaats in kennis wordt gesteld,

G. overwegende dat naast de bepalingen van het EVRM, de lidstaten in het kader van de aan de kaak gestelde feiten ook aansprakelijk kunnen worden gesteld indien ze in strijd handelen met:

- het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, dat door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 10 december 1984 is aangenomen,

- het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 16 december 1966 is aangenomen,

- het Verdrag van Chicago van 7 december 1944 inzake de internationale burgerluchtvaart, en met name de artikelen 3, 4 en 6 ervan,

H.  overwegende dat ter bestrijding van het terrorisme, een zo nauw mogelijke samenwerking nodig is tussen de Europese, de Amerikaanse en alle andere regeringen van de wereld die zich voor dat doel inzetten,

I.   overwegende dat een zo nauw mogelijk overleg en een zo nauw mogelijke samenwerking tussen de Tijdelijke Commissie en de Raad van Europa, de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Mensenrechten en de autoriteiten van de lidstaten en met name de nationale parlementen noodzakelijk zijn,

J.   overwegende dat dit overleg en deze samenwerking met reeds uitgevoerde activiteiten en onderzoeken rekening moeten houden, en in het bijzonder met:

     -    de eindverslagen van de Zweedse ombudsman(4), van de grondwettelijke commissie van het Zweedse parlement(5) en van het VN-comité tegen foltering (6), die onder andere melding maken van de ontvoering en uitlevering aan Egypte van Muhammed Al-Zery en Ahmed Agiza,

     -    de 'Information Memoranda' van 22 november 2005 en 22 januari 2006 inzake 'Alleged secret detentions in Council of Europe member states' van senator Dick Marty, voorzitter en rapporteur van de Commissie juridische zaken en mensenrechten van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa,

     -    de gerechtelijke onderzoeken die momenteel in verschillende lidstaten lopen, in het bijzonder de conclusies die in Italië in het kader van het onderzoek van de adjunct-procureur van Milaan(7) naar de kidnapping van de Egyptische onderdaan Abu Omar zijn getrokken, en het in Duitsland lopende onderzoek door het openbaar ministerie van München inzake de vermeende ontvoering en detentie van de Duitse staatsburger Khaled al-Masri,

     -    de parlementaire onderzoeken die nog in verschillende lidstaten en toetredingslanden lopen, of reeds werden afgesloten,

- de door de autoriteiten van verschillende lidstaten, met name Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Spanje en Ierland, afgelegde verklaringen met betrekking tot de gebleken landingen op hun grondgebied van door de Central Intelligence Agency (CIA) gebruikte civiele vliegtuigen,

K. overwegende dat vanuit dezelfde optiek bijzondere aandacht moet worden besteed aan het interimverslag van de secretaris-generaal van de Raad van Europa(8) dat is opgesteld naar aanleiding van het onderzoek dat uit hoofde van artikel 52 van het EVRM is gevoerd, alsook aan zijn verklaringen tijdens de persconferentie van 12 april 2006 na de gedetailleerde antwoorden van de lidstaten van de Raad van Europa(9) en dus ook van de lidstaten van de Europese Unie; eveneens overwegende dat de secretaris-generaal verklaart dat het duidelijk vaststaat dat uitleveringsvluchten hebben plaatsgevonden en dat zo goed als geen enkele lidstaat over eigen wettelijke en administratieve maatregelen beschikt om op een doeltreffende manier zijn onderdanen te beschermen tegen inbreuken op de rechten van de mens die worden begaan door op hun grondgebied opererende agenten van veiligheidsdiensten uit bevriende derde landen, en dat hij een antwoord heeft gekregen waarin officieel wordt erkend dat personen aan buitenlandse agenten zijn overgedragen via procedures die niet stroken met de vereiste normen en maatregelen van het EVRM en andere juridische instrumenten van de Raad van Europa(10),

L.  overwegende dat deze eerste fase van de werkzaamheden van de Tijdelijke Commissie het mogelijk heeft gemaakt een coherent informatiedossier samen te stellen, met name uit:

     -    hoorzittingen die op 13 en 23 februari, op 6, 13, 21 en 23 maart, op 20 en 25 april en op 2 mei 2006 zijn gehouden in aanwezigheid van advocaten, journalisten, vertegenwoordigers van niet-gouvernementele organisaties (NGO's), vermoedelijke slachtoffers van buitengewone uitleveringen, vertegenwoordigers van de overheidsinstanties van de lidstaten alsmede vertegenwoordigers van de Europese instellingen,

- schriftelijke bijdragen van uitgenodigde sprekers, alsook officiële en andere documenten waartoe de Tijdelijke Commissie tot op heden toegang heeft gehad,

- verklaringen door vertegenwoordigers van de regering van de Verenigde Staten (VS) over de door hen zelf toegegeven uitleveringspraktijk,

M.  overwegende dat, ondanks het gebrek aan enige quasi-juridische onderzoeksbevoegdheid en ondanks het feit dat vermeende activiteiten van inlichtingendiensten geheim worden gehouden door de nationale autoriteiten, de Tijdelijke Commissie erin is geslaagd hard te maken dat er kennelijk sprake is geweest van illegale praktijken op Europees grondgebied waarvan Europese burgers en ingezetenen de dupe zijn geworden, en in overweging van het feit dat de commissie de bewijslast derhalve bij de regeringen van de lidstaten legt, die dienen aan te tonen dat zij hun verplichtingen tot bescherming van de mensenrechten overeenkomstig artikel 6 VEU en in overeenstemming met het EVRM zijn nagekomen,

N. overwegende dat de tot dusver door de Tijdelijke Commissie verrichte werkzaamheden de gegrondheid van het besluit van 18 januari 2006 tot oprichting van die commissie bevestigen, maar eveneens aantonen dat het noodzakelijk is dat bijkomende verificaties worden verricht en aanvullende informatie wordt verzameld, en dat bijgevolg haar werkzaamheden moeten worden voortgezet zodat ze het haar toevertrouwde mandaat volledig kan uitvoeren,

O. overwegende dat het besluit van 18 januari 2006 in lid 3 bepaalt dat de Tijdelijke Commissie het Parlement een interimverslag moet overleggen met gedetailleerde voorstellen voor de organisatie van de voortzetting van haar werkzaamheden,

P.  overwegende dat, in onderhavige resolutie, onder "Europese landen" de lidstaten en de toetredende landen, kandidaat-lidstaten en geassocieerde landen dienen te worden verstaan, zoals bepaald in het op 18 januari 2006 goedgekeurde mandaat van de Tijdelijke Commissie,

Q. overwegende dat de onderhavige resolutie betrekking heeft op drie verschillende soorten maatregelen die de Verenigde Staten schijnen te hebben getroffen:

     -    buitengewone uitlevering, waarbij personen voor ondervraging worden overgedragen aan een andere regering;

     -    geheime detentie, waarbij personen naar locaties worden overgebracht die onder toezicht van de Verenigde Staten staan; en

     -    gedelegeerde detentie, waarbij personen aan een derde land worden overgedragen waar deze in opdracht van de Verenigde Staten worden vastgehouden; weliswaar is er geen officieel bewijs voor een geval waarin een persoon in opdracht van de VS in een Europees land wordt vastgehouden, maar het is wel degelijk mogelijk dat personen op weg naar een dergelijke detentie Europese landen zijn gepasseerd,

Over de informatie die de Tijdelijke Commissie tot dusver heeft verkregen

1.  maakt zich de conclusies eigen die de secretaris-generaal van de Raad van Europa heeft getrokken na het onderzoek dat uit hoofde van artikel 52 van het EVRM is gevoerd;

2.  neemt in dit verband tevens goed nota van het advies nr. 363/2005 dat door de Europese Commissie voor democratie door middel van het recht (zogenaamde Commissie van Venetië)(11) aan de parlementaire vergadering van de Raad van Europa is uitgebracht, en in het bijzonder van de volgende elementen:

- een lidstaat van de Raad van Europa, die zowel actief als passief meewerkt om geheime opsluiting op te leggen en te laten plaatsvinden, is uit hoofde van het EVRM aansprakelijk,

- een lidstaat van de Raad van Europa is eveneens aansprakelijk indien zijn ordehandhavers (politie, veiligheidsdiensten, enz.) buiten hun bevoegdheid handelen en met buitenlandse autoriteiten samenwerken of niet optreden tegen een arrestatie of geheime opsluiting waarvan de regering niet in kennis is gesteld;

3.   betreurt dat de regelgeving betreffende de activiteiten van de geheime diensten in verschillende lidstaten ongeschikt lijkt, waardoor de invoering van meer doeltreffende controles noodzakelijk wordt, in het bijzonder met betrekking tot de activiteiten van buitenlandse geheime diensten op hun grondgebied, en is van mening dat op EU-niveau regels voor de samenwerking dienen te worden vastgesteld;

4.   betreurt dat de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) tot op heden de Tijdelijke Commissie geen inzage heeft willen verlenen in de volledige tekst van het besluit van de NAVO-raad van 4 oktober 2001 over de tenuitvoerlegging van artikel 5 van het Verdrag van Washington; vraagt de NAVO met aandrang om toegang te verlenen tot de volledige tekst van het besluit om deze kwestie op te helderen;

5.   erkent het belang van een nauwe samenwerking tussen de inlichtingendiensten van de lidstaten en die van hun bondgenoten, maar benadrukt dat een dergelijke samenwerking niet mag worden verward met het prijsgeven van de soevereiniteit over het grondgebied en het luchtruim van de EU;

Over de onrechtmatige gevangennemingen, verwijderingen, kidnappingen, buitengewone uitleveringen en geheime opsluitingen die door de CIA, door andere organen of diensten van de VS of veiligheidsdiensten uit derde landen worden uitgevoerd

6.   is verontrust over het feit dat, gezien de elementen die in de lidstaten, de Raad van Europa en de werkzaamheden van de Tijdelijke Commissie reeds aan het licht zijn gekomen, sedert 11 september 2001 in het kader van de onvermijdelijke strijd tegen het terrorisme herhaaldelijk ernstige en ontoelaatbare inbreuken zijn gepleegd op de grondrechten van de mens, met name met betrekking tot het EVRM, het VN-Verdrag tegen foltering, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten;

7.   is op grond van het aan de Tijdelijke Commissie voorgelegde bewijs, overtuigd dat geheime diensten van de VS in verschillende gevallen direct verantwoordelijk zijn geweest voor de illegale gevangenneming, verwijdering, kidnapping en opsluiting van verdachten van terrorisme op het grondgebied van de lidstaten, toetredingslanden en kandidaat-lidstaten, alsook voor de buitengewone uitlevering van onder andere Europese onderdanen of ingezetenen; wijst erop dat deze acties niet stroken met bestaande internationale wetten en in strijd zijn met de grondbeginselen van de wetgeving inzake mensenrechten;

8.   betreurt dat de Tijdelijke Commissie geen inzage heeft gekregen in bepaalde, door de VS en de Europese landen getroffen geheime overeenkomsten;

9.   veroordeelt buitengewone uitleveringen die erop gericht zijn verdachten niet aan een proces te onderwerpen maar wel naar derde landen over te brengen met het oog op ondervraging, ook met behulp van foltering, en detentie in faciliteiten die onder toezicht van de Verenigde Staten of lokale autoriteiten staan; vindt het, in overeenstemming met de conclusies van Manfred Nowak, de speciale VN-rapporteur voor foltering, onaanvaardbaar dat sommige regeringen de eigen aansprakelijkheid beperken door diplomatieke garanties te vragen van landen waarvan om gegronde redenen wordt aangenomen dat daar folteringen plaatsvinden; vindt bovendien dat buitengewone uitlevering naar plaatsen waar folterpraktijken aan de orde van de dag zijn, een schending is van het beginsel van 'non-refoulement', zoals verankerd in artikel 3 van het VN-Verdrag tegen foltering;

10. is van oordeel dat diplomatieke garanties, voor zover daarin een afwijking van de normen wordt verlangd, neerkomen op een stilzwijgende erkenning van het feit dat in derde landen folteringen plaatsvinden, en acht dergelijke garanties derhalve in strijd met de verantwoordelijkheden van de EU zoals vastgelegd in de door de Raad van 9 april 2001 goedgekeurde "richtsnoeren voor een EU-beleid ten aanzien van derde landen inzake foltering en andere vormen van wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing";

11. is verontrust over de voor de Tijdelijke Commissie afgelegde getuigenverklaring van de Canadese staatsburger Maher Arar, die door de VS-autoriteiten werd gearresteerd en door de CIA via een Europese luchthaven werd overgebracht naar Syrië, waar hij twaalf maanden lang gevangen werd gehouden en waar hij werd gefolterd;

12. is zeer bezorgd over het feit dat alle tot nu toe verrichte werkzaamheden van de Tijdelijke Commissie erop lijken te wijzen dat CIA-dekmantelfirma's gebruik hebben gemaakt van het Europese luchtruim en Europese luchthavens, om de wettelijke verplichtingen inzake staatsluchtvaartuigen, zoals vastgesteld in het Verdrag van Chicago te omzeilen om terrorismeverdachten illegaal over te brengen en over te dragen aan de CIA of de strijdkrachten van de VS of aan andere landen, zoals Egypte, Jordanië, Syrië en Afghanistan die tijdens ondervragingen vaak gebruik maken van foltering, zoals ook de regering van de Verenigde Staten toegeeft(12);

13. is verheugd over de reactie van het Congres van de VS, dat het amendement-McCain heeft goedgekeurd, dat erop is gericht vermeende terroristen beter te beschermen tegen onrechtmatige behandeling door overheidsorganen;

Over het feit dat de lidstaten, toetredingslanden en kandidaat-lidstaten door hun optreden of niet-ingrijpen mogelijk bij arrestaties, onrechtmatige gevangennemingen, verwijderingen, kidnappingen, uitzettingen, buitengewone uitleveringen en geheime opsluitingen betrokken zijn of hieraan medeplichtig zijn

14. acht het, op basis van de tot dusver verzamelde getuigenissen en documenten, onwaarschijnlijk dat bepaalde Europese regeringen geen weet hadden van de activiteiten in verband met buitengewone uitleveringen die op hun grondgebied plaatsvonden; acht het met name geheel ongeloofwaardig dat enkele honderden vluchten door het luchtruim van verschillende lidstaten en een al even groot aantal bewegingen naar en van Europese luchthavens zouden hebben kunnen plaatsvinden buiten medeweten van ofwel de veiligheidsdiensten of de inlichtingendiensten en zonder dat leidinggevende ambtenaren van die diensten niet ten minste zijn ondervraagd over het verband tussen deze vluchten en de praktijk van buitengewone uitleveringen; merkt op dat deze veronderstelling wordt geschraagd door het feit dat hooggeplaatste vertegenwoordigers van de regering van de VS steeds hebben verklaard dat zij hebben gehandeld zonder inbreuk te maken op de nationale soevereiniteit van de Europese staten;

15. vindt het, gezien de resultaten van de gerechtelijke onderzoeken, de getuigenissen en de onderzochte documenten, eveneens onwaarschijnlijk dat de kidnapping van de Egyptische onderdaan Abu Omar in Milaan, is georganiseerd en uitgevoerd zonder dat de Italiaanse regeringsinstanties of veiligheidsdiensten hierover vooraf waren ingelicht;

16. veroordeelt de ontvoering door de CIA van de Duitse onderdaan Khaled al-Masri, die van januari tot mei 2004 in Afghanistan werd vastgehouden en daar aan een onterende en onmenselijke behandeling werd onderworpen; stelt voorts vast dat de verdenking nog niet is weerlegd dat Khaled al-Masri in de tijd daarvoor, van 31 december 2003 tot 23 januari 2004, onrechtmatig in de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië werd vastgehouden en dat hij van daaruit op 23-24 januari naar Afghanistan werd overgebracht; acht de maatregelen die de FYROM beweert te hebben genomen om de zaak te onderzoeken ontoereikend;

17. verwelkomt de door de Duitse Bundestag ingestelde parlementaire enquête en ziet uit naar de uiteindelijke resultaten van zijn enquêtecommissie;

18. benadrukt de noodzaak van een grotere democratische en juridische controle op de EU-maatregelen tegen terrorisme; is van mening dat de werkgroep van de Raad ter bestrijding van het terrorisme zich tijdens zijn vergaderingen systematisch over de bescherming van de mensenrechten moet buigen en een jaarlijks verslag over deze kwestie moet publiceren;

19. verzoekt het toekomstige Bureau voor de grondrechten speciale aandacht te besteden aan gevallen waarin het gaat om de uitlevering van vermeende verdachten van terrorisme uit de lidstaten naar derde landen;

20. betreurt dat de Zweedse staat op 18 december 2001 op het vliegveld van Bromma de controle over de wetshandhaving heeft afgestaan bij de uitvoering van het regeringsbesluit om twee Egyptische onderdanen, Mohammed Al Zary en Ahmed Agiza uit te zetten, door agenten van de VS openbaar gezag te laten uitoefenen op Zweeds grondgebied, wat volgens de Zweedse Ombudsman niet verenigbaar is met het Zweedse recht;

21. betreurt dat de uitzetting in december 2001 van de Egyptische onderdanen Mohammed Al Zary en Ahmed Agiza door Zweden alleen was gebaseerd op diplomatieke garanties van de kant van de Egyptische regering, die geen doeltreffende bescherming tegen foltering bieden;

22. dringt erop aan dat het onderzoek wordt voortgezet naar de rol van de Amerikaanse militairen van de door de NAVO geleide stabilisatiemacht (SFOR) bij de ontvoering en overbrenging naar Guantanamo Bay van zes Bosnische onderdanen en/of ingezetenen van Algerijnse afkomst, in weerwil van een bindend interim-besluit van de mensenrechtenkamer voor Bosnië en Herzegovina en van het besluit van het Bosnische hooggerechtshof tot vrijlating van de verdachten, zoals bevestigd door de speciale VN-rapporteur voor foltering, Manfred Nowak, die destijds lid was van de kamer voor de rechten van de mens voor Bosnië-Herzegovina; roept ertoe op de mogelijke rol van de Bosnische regering in deze zaak nader te onderzoeken; wijst op de noodzaak voor meer informatie over de mogelijke betrokkenheid van de NAVO in de internationale politiemacht (IPTF) in dit verband;

23. dringt erop aan dat verder onderzoek wordt gedaan om opheldering te brengen in het vermeende bestaan van een geheime detentiefaciliteit in Kosovo en de mogelijke betrokkenheid van de vredesmacht voor Kosovo (KFOR) bij de illegale detentie van terrorismeverdachten;

24. stelt voor de secretaris-generaal van de NAVO uit te nodigen voor een hoorzitting van de Tijdelijke Commissie om onder andere opheldering te verschaffen omtrent de mogelijke betrokkenheid van SFOR- en KFOR-troepen bij de onrechtmatige arrestatie, uitlevering en detentie van terrorismeverdachten;

25. herinnert de lidstaten eraan dat, volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens, de lidstaten uit hoofde van zowel het materieel als het formeel recht positieve verplichtingen hebben met betrekking tot de mensenrechten, dat zij wetgevende maatregelen dienen te treffen om te voorkomen dat op hun grondgebied schendingen van de mensenrechten plaatsvinden en dat zij tevens vermeende schendingen moeten onderzoeken en de verantwoordelijken moeten straffen indien zich dergelijke schendingen hebben voorgedaan; merkt voorts op dat zij, in het geval inbreuken op het EVRM, verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor de niet-nakoming van die positieve verplichtingen; benadrukt bijgevolg dat de lidstaten de verplichting hebben een onderzoek in te stellen om vast te stellen of gebruik is gemaakt van hun grondgebied of hun luchtruim bij schendingen van de mensenrechten, zij het door de lidstaten zelf of door derde landen met de nodige directe of indirecte samenwerking door de lidstaten, en dat zij tevens alle noodzakelijke wetgevende maatregelen dienen te treffen om een herhaling van dergelijke schendingen te voorkomen;

Over het gebruik van foltering

26. beklemtoont dat het verbod op foltering en wrede, onmenselijke en onterende behandeling, zoals gedefinieerd in artikel 1 van het VN-Verdrag tegen foltering, absoluut is en geen uitzonderingen kent, ook niet in geval van oorlog of oorlogsdreiging, binnenlandse politieke instabiliteit of ander uitzonderlijke situaties; wijst erop dat gevallen van eenzame opsluiting, kidnapping en buitengewone uitlevering inbreuken op grondrechten vormen uit hoofde van het internationaal recht, met name de artikelen 3 en 5 van het EVRM, vooral voorzover deze handelingen neerkomen op foltering of onmenselijke en onterende behandeling;

27. beklemtoont dat verklaringen of bekentenissen die onder foltering of wrede, onmenselijke en onterende behandeling worden afgelegd in geen enkel geval als geldig of toelaatbaar bewijs voor een rechtbank mogen worden beschouwd, zoals is bepaald in het VN-Verdrag tegen foltering, noch op andere wijze dienen te worden gebruikt; wijst opnieuw op de wijdverbreide scepsis ten aanzien van de betrouwbaarheid van bekentenissen die onder foltering worden verkregen en ten aanzien van hun waarde voor de voorkoming en onderdrukking van terrorisme, zoals onder andere de voormalige Britse ambassadeur in Oezbekistan, de heer Craig Murray, tijdens een hoorzitting voor de Tijdelijke Commissie heeft verklaard;

28. vraagt de lidstaten alsmede de toetredingslanden en kandidaat-lidstaten met aandrang om artikel 3 van het VN-Verdrag tegen foltering strikt na te leven, en met name het beginsel van niet-uitwijzing dat stelt dat “geen enkele Staat die partij is bij dit Verdrag een persoon mag uitzetten of terugzenden naar of uitleveren aan een andere Staat wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat hij daar gevaar zou lopen te worden onderworpen aan foltering”; verzoekt de Verenigde Staten bovendien hun interpretatie van het beginsel van niet-uitwijzing, zoals vastgelegd in voornoemd artikel 3, te herzien;

29. verzoekt de lidstaten om, overeenkomstig de aanbeveling van de speciale VN-rapporteur over foltering, Manfred Nowak, niet langer te vertrouwen op diplomatieke garanties tegen foltering;

30. roept de Raad op een gemeenschappelijk standpunt in te nemen tegen het gebruik door de lidstaten van diplomatieke garanties van derde landen in gevallen waarin er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat personen daar gevaar lopen aan foltering of mishandeling te worden blootgesteld;

Over het gebruik van het Europese luchtruim en de Europese luchthavens door de CIA

31. is van mening dat bij vele van de vluchten met CIA-vliegtuigen of vliegtuigen die door de CIA zijn gehuurd, waarbij het luchtruim en de luchthavens van lidstaten zijn gebruikt herhaaldelijk het Verdrag van Chicago is geschonden omdat de verplichting om daarvoor toestemming te verkrijgen conform artikel 3 van dat verdrag met betrekking tot overheidsvluchten, niet werd nageleefd;

32. betreurt ten zeerste dat geen enkele lidstaat en geen enkel toetredings- of kandidaat-lidstaat procedures heeft goedgekeurd om na te gaan of civiele toestellen worden gebruikt voor doelen die onverenigbaar zijn met de internationaal erkende normen op het gebied van mensenrechten;

33. is van mening dat de Europese wetgeving inzake het gemeenschappelijk Europees luchtruim, het gebruik, de controle en het beheer van het nationale luchtruim, het gebruik van de luchthavens van lidstaten en Europese luchtvaartmaatschappijen tekortschiet; beklemtoont dat het noodzakelijk is dat nieuwe nationale, Europese en internationale normen worden vastgelegd; verzoekt de Commissie vanaf heden de wetgeving te verbeteren door een richtlijn voor te stellen om de nationale wetgevingen inzake de controle van de niet-commerciële civiele luchtvaart te harmoniseren;

34. verzoekt de Commissie om aanbevelingen aan de lidstaten te doen ter verbetering van de normen inzake de controle op de activiteiten van particulier gecharterde vliegtuigen die gebruik maken van Europese luchthavens en het luchtruim van de EU;

35. acht het noodzakelijk opheldering te verschaffen over de ware inhoud van de op 22 januari 2003 in Athene ondertekende overeenkomst waarin sprake is van "meer gebruikmaking van Europese doorgangsfaciliteiten ter ondersteuning van de terugkeer van criminele/ontoelaatbare vreemdelingen";

36. acht het noodzakelijk om vast te stellen op welke wijze het luchtruim, civiele en militaire vliegvelden en bases van de NAVO en de VS feitelijk door de geheime diensten van de VS zijn gebruikt;

37. acht het noodzakelijk om vast te stellen of er enig bewijs bestaat voor de gebruikmaking van geheime gevangenissen in enkele Europese landen, zoals in verschillende onderzoeken van journalisten en gerenommeerde NGO's wordt beweerd;

Over de tot dusver ondernomen missies van de Tijdelijke Commissie

38. is van oordeel dat de twee officiële missies naar de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en de Verenigde Staten van Amerika essentiële informatie ten behoeve van de werkzaamheden van de Tijdelijke Commissie hebben opgeleverd en het mogelijk hebben gemaakt om de versie van de politieke autoriteiten en de zienswijze van de burgermaatschappij rechtstreeks na te trekken;

39. veroordeelt het feit dat de Duitse onderdaan Khaled al-Masri in 2004 gedurende meer dan vier maanden onrechtmatig werd gedetineerd in Afghanistan; betreurt de onwil van de autoriteiten van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië om te bevestigen dat al-Masri in Skopje was en daar vermoedelijk werd vastgehouden voor zijn uitlevering aan Afghanistan door CIA-agenten;

40. betreurt de zeer restrictieve interpretatie van het Verdrag tegen foltering die de regering van de VS erop na houdt, met name wat betreft het verbod op uitleveringen die tot gevolg kunnen hebben dat overgeleverde personen aan foltering of onterende, wrede en onmenselijke behandeling worden blootgesteld;

Over de toekomstige werkzaamheden van de Tijdelijke Commissie

41. acht het noodzakelijk dat de werkzaamheden van de Tijdelijke Commissie worden voortgezet en dat de evaluatie van de desbetreffende feiten wordt verdiept teneinde na te gaan of een of meerdere lidstaten een inbreuk op artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie hebben gepleegd; beklemtoont tevens dat het goed zou zijn om het onderzoek uit te breiden tot feiten en landen die niet expliciet in onderhavige resolutie worden vermeld;

42. beslist bijgevolg dat de Tijdelijke Commissie haar werkzaamheden gedurende de resterende periode van het voorgeschreven mandaat van twaalf maanden zal voortzetten, onverminderd de bepalingen van artikel 175 van zijn Reglement met betrekking tot een eventuele verlenging;

43. is van mening dat op het niveau van de EU en de Raad van Europa zo snel mogelijk moet worden begonnen met het voorbereidend wetgevend werk om te zorgen voor een geschikte juridische bescherming voor personen die onder de rechterlijke bevoegdheid van de lidstaten vallen, alsook om een doeltreffende parlementaire controle van de inlichtingendiensten te garanderen, zowel op nationaal als op Europees niveau; acht het daartoe van essentieel belang om het Europees Bureau voor de mensenrechten op te richten en zijn werkzaamheden te laten beginnen;

44. betreurt de grote verschillen van aanpak die tot dusver aan het licht zijn gekomen tussen de Amerikaanse en het Europese rechtsopvattingen over de zaken die binnen het mandaat van de tijdelijke commissie vallen; wijst erop dat het dringend noodzakelijk is om buitengewone uitleveringen in het kader van het internationaal recht duidelijk te verbieden en dat de Europese instellingen dringend een gemeenschappelijk standpunt moeten vaststellen over deze kwestie en daarover met de betrokken derde landen overleg moeten plegen;

45. is van mening dat de Tijdelijke Commissie aan het eind van haar werkzaamheden tevens de beginselen moet aangeven die in aanmerking moeten worden genomen, met name:

     -    wat betreft de noodzaak van interne EU-controleregelingen, teneinde te waarborgen dat de lidstaten hun mensenrechtenverplichtingen nakomen;

- bij de nieuwe regels met betrekking tot de uitwisseling van informatie tussen de inlichtingendiensten;

- bij de overeenkomsten met derde landen en internationale organisaties aangaande de strijd tegen het terrorisme;

-            bij de overeenkomsten met derde landen in verband met het Europees nabuurschapsbeleid moet het respect voor de mensenrechten steeds het belangrijkste uitgangspunt zijn;

46. verzoekt zijn Bureau de nodige maatregelen te nemen om de Tijdelijke Commissie, rekening houdend met de zeer specifieke aard van haar bevoegdheden, in staat te stellen ten volle het haar toegekende mandaat te vervullen, door tot aan het eind van haar werkzaamheden elke passende afwijking van de interne regelgeving van het Parlement toe te staan, met name wat betreft:

      -   het aantal deskundigen die op de hoorzittingen van de Tijdelijke Commissie worden uitgenodigd en een terugbetaling van hun kosten kunnen krijgen,

      -   het aantal toegelaten verplaatsingen en afgevaardigden in het kader van officiële delegaties van de Tijdelijke Commissie,

      -   de volledige verslaglegging, in alle officiële talen van de EU, van de hoorzittingen die onder leiding van de Tijdelijke Commissie plaatsvinden;

47. is verheugd over het optreden van de Raad van Europa, met name van dat van de rapporteur van zijn Commissie juridische zaken en mensenrechten, en over de samenwerking tussen de Raad van Europa en de Tijdelijke Commissie;

48. nodigt de Raad en elk van zijn leden, en met name zijn voorzitter, uit om volledige ondersteuning te verlenen aan de werkzaamheden van de Tijdelijke Commissie, conform het beginsel van loyale samenwerking zoals vastgelegd in de verdragen en door de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen;

49. roept de lidstaten op om sterker aan te sturen op de sluiting van het detentiecentrum in Guantánamo Bay en om een proactievere rol te spelen teneinde een oplossing te vinden voor gedetineerden tegen wie geen juridische procedure wordt ingesteld en die niet naar hun oorsprongsland of land van vestiging kunnen terugkeren omdat zij staatloos zijn geworden of gevaar lopen aan foltering of een andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling te worden blootgesteld;

50. dringt er bij de lidstaten op aan om alle Europese burgers en vroegere ingezetenen van de EU die thans in Guantánamo zijn gedetineerd, alle nodige ondersteuning en hulp, met name juridische bijstand, te doen toekomen;

51. moedigt het Comité inzake de voorkoming van foltering (CPT) van de Raad van Europa aan ernaar te streven dat elke lidstaat van de Raad van Europa zijn verplichting(13) nakomt om het CPT over iedere detentiefaciliteit op zijn grondgebied te informeren en toegang te verlenen tot dergelijke faciliteiten;

52. moedigt de Commissie aan om de Tijdelijke Commissie verder te blijven ondersteunen in alle stappen die zij moet ondernemen;

53. herinnert aan het essentiële belang van volledige samenwerking met de parlementen van de lidstaten, de toetredingslanden, de kandidaat-lidstaten en de geassocieerde landen, in het bijzonder met diegenen die werkzaamheden hebben ondernomen met betrekking tot hetzelfde onderwerp;

°

° °

54. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de toetredingslanden, de kandidaat-lidstaten en de geassocieerde landen, alsook aan de Raad van Europa en aan de regering en de beide kamers van het Congres van de Verenigde Staten van Amerika.

TOELICHTING

Het onderhavige interimverslag is een eerste voorlopige evaluatie van de werkzaamheden die de tijdelijke commissie tot nu toe heeft verricht. Tegelijkertijd zijn wij er ook door ons mandaat toe gehouden te verzoeken om verlenging van onze werkzaamheden - hetgeen volgens de rapporteur een absolute must is - tot ons mandaat van 12 maanden afloopt.

Tijdens de eerste fase van onze werkzaamheden, waarbij wij hebben kunnen profiteren van het uitmuntende werk van de heer Dick Marty, lid van de Raad van Europa, en secretaris-generaal Terry Davis van dezelfde organisatie, hebben wij ons hoofdzakelijk beziggehouden met de zaak van enkele mogelijke slachtoffers van "buitengewone uitlevering" (Abu Omar, Khaled Al Masri, Maher Arar, Mohamed El Zary, Ahmed Al Giza en de "zes Algerijnen", - waarvan vijf van Bosnische nationaliteit - die in Bosnië zijn gearresteerd en naar Guantanamo zijn overgebracht). Hun getuigenissen, c.q. die van de advocaten van diegenen die nog worden vastgehouden, die tijdens onze hoorzittingen zijn afgelegd, zijn de laatste tijd aangevuld en onderbouwd door de bevindingen van onderzoek dat in vele landen wordt gevoerd. Op grond van de reconstructie van de feiten en de omstandigheden menen wij te kunnen stellen dat er sprake is van een aanzienlijke inperking van de instrumenten ter bescherming en waarborging van de mensenrechten na 11 september. Dit heeft ook een nadelig effect gehad op enkele algemeen erkende bronnen van internationaal recht, in de eerste plaats het Verdrag van de Verenigde Naties inzake foltering, dat met voeten is getreden niet alleen wat het absolute verbod op foltering maar ook wat het uitdrukkelijke verbod betreft om gevangenen uit te leveren aan landen waar het gevaar bestaat dat zij folteringen en onmenselijke en onterende behandelingen moeten ondergaan.

Een groot deel van ons werk bestond uit het inzamelen van informatie en documenten, het verifiëren en analyseren van gegevens over de "buitengewone uitleveringen" (een speciaal voor de "war on terror" gebruikte buitengerechtelijke procedure), over het gebruik van foltering en over het mogelijke bestaan van geheime gevangenissen van de CIA in onder meer enkele Europese landen. Voor al deze punten is de informatie van de NGO's die werkzaam zijn op het gebied van de mensenrechten van groot nut geweest, vooral die van de vertegenwoordigers van Amnesty International en Human Right Watch (die wij in Brussel en in Washington hebben ontmoet). Dank zij hun medewerking - en andere belangrijke getuigenissen (o.a. Armando Spadaro, adjunct openbaar aanklager van Milaan; Craig Murray, voormalig ambassadeur van het Verenigd Koninkrijk; Michelle Picard, voorzitster van de Human Rights Chamber voor Bosnië-Herzegovina; Manfred Novak, speciaal VN-rapporteur over foltering) kunnen wij vandaag concluderen dat de kwesties waarop ons mandaat berust en die wij moeten blijven onderzoeken, terecht aan de orde zijn gesteld.

Wat in het bijzonder de "buitengewone uitleveringen" betreft, bevestigen veel van de bronnen die wij (ook vertrouwelijk) hebben geraadpleegd, dat deze praktijk meer dan waarschijnlijk is gebruikt in de strijd tegen het terrorisme, mogelijk zelfs met de stilzwijgende of uitdrukkelijke medewerking van enkele Europese regeringen. In de volgende fase van onze werkzaamheden moeten wij, overeenkomstig ons mandaat, de rol en de eventuele verantwoordelijkheid van lidstaten, kandidaat-lidstaten en geassocieerde landen nauwkeurig onder de loep nemen.

De commissie heeft twee missies ondernomen: de ene naar de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (FYROM) en de andere naar de Verenigde Staten van Amerika.

Ons verblijf in Skopje hebben wij benut om de zaak-Al Masri uit te pluizen. Al Masri is die Duitse burger die op 31 december 2003 aan de grens met Servië werd gearresteerd, vermoedelijk 23 dagen lang in Skopje zelf is vastgehouden en uiteindelijk naar Afghanistan is overgebracht, waar hij bijna vijf maanden opgesloten heeft gezeten, waarna hij terug naar Duitsland is gevoerd. Afgezien van het feit dat de zaak meer diepgaander onderzoek vereist - daarom stellen wij voor onder meer de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, de directeur van de Duitse staatsveiligheid en het Openbaar Ministerie van München, die de zaak onderzoekt, te horen - is ons verblijf in Skopje nuttig gebleken omdat wij de - volgens de rapporteur zeer met tegenzin meegedeelde - officiële versie van de regering van de FYROM over het verblijf van Al Masri in de hoofdstad van het land hebben vernomen.

Onze missie naar Washington, die waardevol was wegens het aantal en de kwaliteit van de contacten, heeft ons de gelegenheid geboden het oordeel te kennen van het Amerikaanse State Department en van enkele leden van het Congres over de onderwerpen waar onze commissie zich mee bezighoudt. De algemene indruk - vooral naar aanleiding van het gesprek met John Bellinger, hoofd van de juridische dienst van het State Department - is dat de Bush-regering voor haar strijd tegen Al Qaeda openlijk "carte blanche" eist, ook ten aanzien van het geconsolideerde internationale recht en enkele internationale verdragen. Deze benadering kan de rapporteur niet delen, mede gezien de absolute plicht om de naleving van de mensenrechten en de menselijke waardigheid te garanderen, waarden die zowel in vredes- als in oorlogstijd gewaarborgd moeten worden, en dus ook in het kader van de strijd tegen het terrorisme. Onze indrukken werden bevestigd door onze gesprekken met leden van het Congres, zowel Democraten als Ed Markey (indiener van een wetsvoorstel met als doel de buitengewone uitleveringen te verbieden) als Republikeinen zoals Arlen Specter (voorzitter van de Senaatscommissie voor controle op de geheime dienst), die allen ten zeerste verontrust zijn over de gevolgen van het beleid van de regering-Bush op het gebied van de mensenrechten.

Er is tot nu toe terecht ook bijzondere aandacht besteed aan de vluchten via het Europese luchtruim met toestellen van luchtvaartmaatschappijen die directe of indirecte banden hebben met de CIA. Door de gegevens van Eurocontrol te toetsen aan die van de Federal Aviation Administration en de andere bronnen van onze commissie (NGO's, journalisten, slachtoffers) hebben wij kunnen reconstrueren dat de CIA tussen eind 2001 en eind 2005 meer dan duizend landingen heeft laten uitvoeren. Enkele van deze vluchten zijn zonder enige twijfel ook gebruikt voor "renditions" van gedetineerden. Uit de eerste mogelijke evaluaties blijkt overduidelijk dat vele lidstaten een volgens de rapporteur overdreven permissieve interpretatie geven van de Overeenkomst van Chicago.

In iedere fase van ons werk, zowel in het verleden als in de toekomst, blijft de voornaamste doelstelling van onze commissie te vermijden dat in het kader van de strijd tegen het internationale terrorisme de ernstige schendingen van de grondrechten die na 11 september zijn vastgesteld zich in de toekomst nog herhalen.

In dat verband heeft de rapporteur vier werkdocumenten voorbereid:

      -   een bondig chronologisch overzicht van de gebeurtenissen van de laatste 18 maanden,  van de eerste onthullingen in de media over de "extraordinary renditions" tot op   heden(14),

      -   een korte reconstructie van de mogelijke gevallen van buitengewone uitleveringen die    door onze commissie zijn onderzocht(15),

      -   een lijst van de CIA-vluchten in Europa, met 32 toestellen die eigendom waren van of   met zekerheid gebruikt zijn - direct of via "front companies" - door de Amerikaanse   geheime dienst (gevolg door een volledig dossier over alle door de CIA gebruikte   toestellen)(16),

      -   een debriefing over de getuigenis van de voormalige Britse ambassadeur in        Oezbekistan, Craig Murray (met als bijlage enkele documenten waarin de heer Murray   de folteringen waarvan hij in Oezbekistan getuige is geweest, aan de kaak stelt)(17).

Annex 1: TDIP Committee events

DATE

TIME

INSTITUTION-PLACE

 

SUBJECT

15 December 2005 - Thursday

 

EP

Plenary sitting 1:

Resolution on presumed use of European countries by the CIA for the Transportation and Illegal Detention of Prisoners -TDIP-(P6_TA-PROV(2005)0529

PLENARY - Jan. (from 16 to 19)

18 January 2006 - Wednesday

12h00 - 13h00

EP - STR

Plenary sitting 2:

Decision setting up a temporary committee on TDIP (P6_TA-PROV(2006)0012

24 January 2006 - Tuesday

08h30

Council of Europe - Strasbourg

Parliamentary Assembly 1:

Meeting of the Committee on Legal Affairs and Human Rights (Point 1 of the Agenda: Alleged secret detentions in Council of Europe member states) and debate in plenary of the Parliamentary Assembly. Follow-up by the secretariat

26 January 2006 - Thursday

09h00

EP - BXL

TDIP Committee 1:

Constituent meeting (election of chairman, Carlos COELHO and vice-chairmen, Baroness Sarah LUDFORD, Giorgos DIMITRAKOPOULOS, Cem OZDEMIR )

01 February 2006 - Wednesday

18h45 - 20h00

EP - BXL

Steering group 1:

Provisional calendar of meetings and planning of the provisional report up to June 2006; Opening and transparency of proceedings; List of personalities/institutions to be invited; Committee delegations; Background information, specific studies, expertise

08 February 2006 - Wednesday

18h45 - 20h00

EP - BXL

Steering group 2:

Agreement on a work program to be adopted by the Committee on 13 February 2006

PLENARY - Feb (from 13 to 16)

13 February 2006 - Monday

19h00 - 21h00

EP - STR

TDIP Committee 2:

Franco FRATTINI, Vice-President of the European Commission; Adoption of the calendar of meetings and of the TDIP work programme until 30 June 2006; presentation by Giovanni Claudio FAVA, rapporteur

14 February 2006 - Tuesday

14h30 - 15h00

EP-STR

Press conference 1:

Carlos COELHO, chairman and Giovanni Claudio FAVA, rapporteur: Start of the committee proceedings

23 February 2006 - Thursday

9h00 - 12h00

EP - BXL

TDIP Committee 3:

Joanne MARINER, Human Rights Watch; Anne FITZGERALD, Amnesty International; Tony BUNYAN, Statewatch

15h00 - 18h30

Armando SPATARO, Prosecutor (Milan); Dick MARTY, Council of Europe

6 March 2006 - Monday

15 h00 - 17h30

EP - BXL

TDIP Committee 4:

Generale Nicolò POLLARI, Italian Intelligence and Security Services (in camera); Anne-Marie LIZIN, President of the Senate of Belgium; Jean Claude DELEPIERE, Chairman of the Permanent Committee R

17h30 - 18h30

Steering group 3:

Treatment of confidential information; Organisation of TDIP Committee work

PLENARY - March (from 13 to 16)

13 March 2006 - Monday

11h45 - 13h00

Council of Europe - Paris

Parliamentary Assembly 2:

Meeting of the Committee on Legal Affairs and Human Rights (Point 7 of the Agenda: Alleged secret detentions in Council of Europe member states) with the participation of Giovanni Claudio FAVA, rapporteur

21h00 - 22h30

EP - STR

TDIP Committee 5:

Khaled EL MASRI (German citizen), alleged victim and his lawyer, Manfred GNJIDIC

21 March 2006 - Tuesday

15h00 - 18h00

EP - BXL

TDIP Committee 6:

Stephen GREY, journalist (free lancer); Guido OLIMPIO and Paolo BIONDANI, journalists from Il corriere della sera (IT)

18h00 - 19h00

Steering group 4:

Delegations to FYROM and USA; Programme of future Committee meetings; Organisation of TDIP Committee meetings

23 March 2006 - Thursday

15h00 - 18h00

EP - BXL

TDIP Committee 7:

Maher ARAR (Canadian citizen) alleged victim and his lawyers, Lorne WALDMAN and Marlys EDWARDH; Kjell JÖNSSON, lawyer of Mohammed EL-ZARY (Egyptian citizen) alleged victim

DATE

TIME

INSTITUTION-PLACE

 

SUBJECT

PLENARY - April (from 3 to 6)

3 April 2006 - Monday

21h00 - 22h15

EP - STR

TDIP Committee 8:

Preparation of the draft interim report (2006/2027 (INI))

22h15 - 22h35

Steering group 5:

Delegations to FYROM and USA; Treatment of confidential information ('Eurocontrol')

11 April 2006 - Tuesday

from 8h30

Council of Europe - STR

Parliamentary Assembly 3:

Meeting of the Committee on Legal Affairs and Human Rights (Point 4 of the Agenda: Alleged secret detentions in Council of Europe member states) Follow-up by the secretariat

20 April 2006 - Thursday

9h30 - 12h30

EP - BXL

TDIP Committee 9:

Craig MURRAY, former UK ambassador to Uzbekistan; Gijs DE VRIES, EU' Counter-Terrorism Coordinator

15h00 - 18h30

Matías VALLES, journalist from "Diario de Mallorca"; Edward HORGAN, former UN peacekeeper and Retired Commandant of the Irish Army

25 April 2006 - Tuesday

15h00 - 18h30

EP - BXL

TDIP Committee 10:

Examination of the draft interim report; Stephen H. OLESKEY, Consel for Six Cititzens of Bosnia and Herzegovina Imprisoned at Guantanamo Bay; Srdjan DIZDAREVIC, President of the Helsinki Committee for Human Rights in Bosnia and Herzegovina; Michele PICARD, former President of the Human Rights Chamber of Bosnia Herzegovina

26 April 2006 - Wednesday

11h00 - 12h00

EP - BXL

Press conference 2:

Carlos COELHO, chairman and Giovanni Claudio FAVA, rapporteur: Presentation of the draft interim report (2006/2027 (INI))

27 April 2006 - Thursday

15h00 - 18h30

EP - BXL

 

TDIP Committee: (cancelled because of the delegation to Skopje)

27 April 2006 - Thursday (afternoon) / 29 April 2006 - Saturday (morning)

***

Skopje - FYROM

Delegation TDIP 1: Skopje (FYROM) (Sylvia-Yvonne KAUFMANN [acting chair], Giovanni Claudio FAVA, Wolfgang KREISSL-DÖRFLER, Raül ROMEVA I RUEDA, Ryszard CZARNECKI)

Bancko CRVENKOVSKI, President of the Republic; Radmila SEKERINSKA, Deputy Prime Minister; Slobodan CASULE, Member of the Parliament; Siljan AVRAMOVSKI, Deputy Director of the Security and counter-Intelligence Directorate; Ljubomi MIHAILOVSKI, Minister of Interior; Ljupco JORDANOVSKI, President of the Assembly; Karolina RISTOVA-ASTERUD, President of the Parliament's EU Affairs Committee; Tenta ARIFI, President of the Parliament's Foreing Affairs Committee; Ganka SAMOILOVSKA CVETANOVA, Member of Parliament; Mirjana NAJCEVSKA, President of the Macedonian Helsinki Committee; Esad RAHIC, President of the Parliamentary Committee for Defence and Security; Stojan ANDOV, President of the Human Rights Parliamentary Committee; Zvonimir JANKULOVSKI, Securtity expert

28 April 2006 - Friday

19h30 - 20h00

Skopje - FYROM

Press conference 3:

Sylvia-Yvonne KAUFMANN, acting chairwoman and Giovanni Claudio FAVA, rapporteur: Outcome of the delegation to FYROM

02 May 2006 - Tuesday

14h30

EP - BXL

 

Informal meeting between Javier SOLANA with the Steering group

15h00 - 18h30

EP - BXL

TDIP Committee 11:

Javier SOLANA, EU High Representative for the CFSP; Alvaro GIL-ROBLES, Council of Europe's former Human Rights Commissioner

04 May 2006 - Thursday

9h30 - 12h30

EP - BXL

TDIP Committee 12:

Exchange of views on the draft interim report (2006/2027 (INI)); Manfred NOWAK, United Nations Special Rapporteur on Torture

15h00 - 18h30

Mats MELIN, Swedish Chief Parliamentary Ombudsman

12h30 - 13h15

EP - BXL

Press conference 4:

Sylvia-Yvonne KAUFMANN, acting chairwoman and Giovanni Claudio FAVA, rapporteur: Outcome of the delegation to FYROM

08 May 2006 - Monday (evening) / 12 May 2006 - Friday (morning)

***

Washington (USA)

Delegation TDIP 2: Washington (USA) (Carlos COELHO, Baroness Sarah LUDFORD, Cem ÖZDEMIR, Giovanni Claudio FAVA, Jas GAWRONSKI, Jose-Ingnacio SALAFRANCA SÁNCHEZ-NEYRA, Wolfgang KREISSL-DÖRFLER, Giulietto CHIESA, Jean LAMBERT, Giusto CATANIA, Konrad SZYMANSKI, Miroslaw PIOTROWSKI, Roger HELMER)

John BRUTON, Head of the European Commission Delegation; Scott HORTON, Chair of the committee on International Law; Margaret L. SATTERTHWAITE, Assistant Professor of Clinical Law and Faculty Director; Barbara OLSHANSKY, Director and Counsel (Guantanamo Global Justice Initiative); Elisa MASSIMINO, Director of the Washington, D.C. Office (Human Rights First); Angela COLAIUTA, Center for Victims of Torture, John BRADSHAW, Open Society Policy Center, Smita BARUAH, Phisicians for Human Rights, Jumana MUSA, Advocacy Director for Domestic Human Rights and International Justice; Jonathan SIFTON, Counterterrorism Researcher, Jennifer DASKAL, US Advocacy Director; Representative Robert WEXLER (D-Florida); Dan FRIED, Assistant Secretary of State, John BELLINGER, Departament of State's Legal Adviser; Steven M. WATT, Staff Attorney Ann BEESON, Associate Legal Director, Chris ANDERS, Legislative Counsel; Senator Arlen SPENCER (R) Pennsylvania; Senator Richard DURBIN (D) Illinois; Congressman Ed MARKEY (D) Massachusetts; James WOOLSEY (Former CIA Director 1993-1995); Austrian Ambassador Eva NOWOTNY

11 May 2006 - Thursday

17h30 - 18h15

Commission Delegation Washington (USA)

Press conference 5:

Carlos COELHO, chairman and Giovanni Claudio FAVA, rapporteur: Outcome of the delegation to USA

PLENARY - May (from 15 to 18)

15 May 2006 - Monday

21h00 - 22h30

EP - STR

TDIP Committee 13:

Exchange of views on the Research Note on the international law concerning the prohibition of torture presented by a representative of the Legal Service of the EP; Report on the TDIP committee delegation to USA (Washington, 8 to 12 May 2006)

16 May 2006 - Tuesday

12h00

 

Deadline for submission of the amendments to the draft interim report (Committee's Secretariat)

17 May 2006 - Wednesday

11h00 - 11h30

Press conference 6:

Carlos COELHO, chairman and Giovanni Claudio FAVA, rapporeur: Outcome of the delegation to USA

30 May 2006 - Tuesday

15h00 - 18h30

EP - BXL

TDIP Committee 14:

Exchange of views on the study of the EU Nerwork of Independent Expertise; Exchange of views on the amendements to the draft interim report (2006/2027 (INI));

DATE

TIME

INSTITUTION-PLACE

 

SUBJECT

01 June 2006 - Thursday

 

EP - BXL

 

TDIP Committee: (cancelled by a committee decision)

07 June 2006 - Wednesday

from 09h00

Council of Europe - Paris

Parliamentary Assembly 4:

Meeting of the Committee on Legal Affairs and Human Rights (Point 3 of the Agenda: Alleged secret detentions in Council of Europe member states: Consideration of a draft report and vote on a draft resolution and a draft recommendation)

PLENARY - June (from 12 to 15)

12 June 2006 - Monday

19h00 - 20h30

EP - STR

TDIP Committee 16:

Vote of the draft interim resolution in the Committee (2006/2027 (INI))

13 June 2006 - Tuesday

to be confirmed

Press conference 7:

Carlos COELHO, chairman and Giovanni Claudio FAVA, rapporteur: Outcome of the vote on the draft interim resolution in the Committe

27 June 2006 - Tuesday

from 10h00

Council of Europe - Paris

Parliamentary Assembly 5:

Plenary of the Parliamentary Assembly, 3rd part of 2006 Ordinary Session (Point 2 of the Agenda: Alleged secret detentions in Council of Europe member states; Statement by Franco FRATTINI, Vice-President of the European Commission; Statement by Giovanni Claudio FAVA, rapporteur; vote on Legal Affairs and Human Rights Committee's report)

PLENARY - July (from 3 to 6)

03 July 2006 - Monday

21h00 - 22h30

EP - STR

TDIP Committee 17:

Exchange of views with Dick MARTY, Council of Europe

05/06 July 2006

to be confirmed

Plenary sitting 3:

Debate and vote of the interim resolution (2006/2027 (INI))

Press conference 8:

Carlos COELHO, chairman and Giovanni Claudio FAVA, rapporteur: Outcome of the vote on the interim resolution in Plenary

13.6.2006

MINDERHEIDSSTANDPUNT

overeenkomstig artikel 48, lid 3 van zijn Reglement

Jas Gawronski

De meerderheid van de commissie stemde voor de opname van punten in dit verslag, waarover niet uitvoerig van gedachten is gewisseld en waarbij het gaat om beweringen en generaliseringen. De meerderheid verwierp alle amendementen, waarin het woord "vermeende" in alle gevallen werd ingelast, waar de bewering niet kan worden bewezen. Bovendien wordt in het verslag voorbijgegaan aan belangrijke informatie die de commissie had gekregen, zoals de verklaring van Jonathan Sifton, onderzoeker terrorismebestrijding bij Human Rights Watch dat we "beschikken over vermoedens maar niet over bewijzen".

De minderheid van de commissie is ervan overtuigd dat:

-     de werkzaamheden van de commissie geen nieuwe belangrijke feiten aan het licht hebben gebracht en niet de alarmerende conclusie rechtvaardigt dat er een groot aantal "buitengewone uitleveringen" heeft plaatsgevonden,

-     de "uitleveringen" geen deel uitmaakten van een systematische en bewuste schending van de Europese, internationale en mensenrechtenwetgeving, met het uitdrukkelijke doel om hetzij in de EU of in derde landen te folteren,

-     de heren Solana en de Vries gelijk hebben, dat er tot dusverre geen hard bewijs is voor de vermeende schending tegen het Europese en internationale recht door EU-lidstaten,

-     om bovengenoemde redenen de werkzaamheden van de commissie alleen maar worden voorgezet, zolang er vooruitgang wordt geboekt bij het vaststellen van feiten die boven elke twijfel verheven zijn.

PROCEDURE

Titel

Het vermeende gebruik van Europese landen door de CIA voor het vervoer en de illegale detentie van gevangenen

Procedurenummer

2006/2027(INI)

Commissie ten principale

        Datum bekendmaking toestemming

TDIP
18.1.2006

Medeadviserende commissie(s)
  Datum bekendmaking

 

 

 

 

 

Geen advies
  Datum besluit

 

 

 

 

 

Nauwere samenwerking

        Datum bekendmaking

 

 

Rapporteur(s)
  Datum benoeming

Giovanni Claudio Fava
26.1.2006

 

Vervangen rapporteur(s)

 

 

Behandeling in de commissie

4.5.2006

30.5.2006

12.6.2006

 

 

Datum goedkeuring

12.6.2006

Uitslag eindstemming

+:

-:

0:

25
14
7

Bij de eindstemming aanwezige leden

Alexander Alvaro, Monika Beňová, Frieda Brepoels, Kathalijne Maria Buitenweg, Giusto Catania, Philip Claeys, Carlos Coelho, Simon Coveney, Giorgos Dimitrakopoulos, Camiel Eurlings, Giovanni Claudio Fava, Patrick Gaubert, Jas Gawronski, Toomas Hendrik Ilves, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Ewa Klamt, Magda Kósáné Kovács, Wolfgang Kreissl-Dörfler, Stavros Lambrinidis, Sarah Ludford, Cecilia Malmström, Elena Valenciano Martínez-Orozco, Miroslav Mikolášik, Claude Moraes, Cem Özdemir, Józef Pinior, Mirosław Mariusz Piotrowski, Hubert Pirker, Bogusław Rogalski, Martine Roure, Eoin Ryan, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, György Schöpflin, Inger Segelström, Hannes Swoboda, Konrad Szymański, Charles Tannock, Jan Marinus Wiersma, Anders Wijkman

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Elmar Brok, Roger Helmer, Erna Hennicot-Schoepges, Jeanine Hennis-Plasschaert, Sajjad Karim, Henrik Lax, Josef Zieleniec

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

 

Datum indiening

15.6.2006

 

Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)

 

(1)

    Goedgekeurde teksten van deze datum, P6_TA(2005)0529.

(2)

    Goedgekeurde teksten van deze datum, P6_TA(2006)0012.

(3)

    PB C 364 van 18.12.2000, blz. 1.

(4)

   Parlementaire ombudsman, "A review of the enforcement by the Security Police of a Government decision to expel two Egyptian citizens", referentienr. 2169-2004 (22 mei 2005).

(5)

   Zweeds parlement, "The Swedish Government's handling of matters relating to expulsion to Egypt", onderzoeksverslag 2005/06.KU2, http://www.riksdagen.se/templates/R_PageExtended____7639.aspx.

(6)

   Besluit van het Comité tegen foltering, mededeling nr. 233/2003, de heer Ahmed Hussein Kamil Agiza/Zweden (20 mei 2005), http://www.unhchr.ch/tbs/doc.nsf/MasterFrameView/3ef42bcd48fe9d9bc1257020005533ca?Opendocument

(7)

   Rechtbank van Milaan, Sezione Giudice per le indagini preliminari, referentienr. 10838/05 R.G.N.R en referentienr. 1966/05 R.G.GIP. 

(8)

    Verslag van de secretaris-generaal, opgesteld uit hoofde van artikel 52 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, aangaande het probleem van de geheime detentie en het geheime transport van gevangenen die van terroristische aanslagen worden verdacht, met name door bureaus van andere staten of op hun aansporen, https://wcd.coe.int/ViewDoc.jsp?Ref=SG/Inf%282006%295&Sector=secPrivateOffice&Language=lanEnglish&Ver=original&BackColorInternet=9999CC&BackColorIntranet=FFBB55&BackColorLogged=FFAC75

(9)

   http://www.coe.int/T/E/Com/Files/Events/2006-cia/annexes.asp.

(10)

  Mededelingen voor de persconferentie van Terry Davis, secretaris-generaal van de Raad van Europa, woensdag 12 april 2006;

       http://www.coe.int/T/E/Com/Files/PA-Sessions/April-2006/20060412_Speaking-notes_sg.asp.

(11)

  http://www.venice.coe.int/docs/2006/CDL-AD%282006%29009-e.asp#_Toc130704767.

(12)

Zie haar verslagen over de mensenrechten: U.S. Department of State country reports on human rights practices (2003).

(13)

Europees Verdrag ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Ref.: CPT/Inf/C(2002) 1 [EN] (Part 1) - Straatsburg, 26.XI.1987, artikel 8.

(14)

PE 374.338

(15)

PE 374.339

(16)

PE 374.340

(17)

PE 374.341

Laatst bijgewerkt op: 31 juli 2006Juridische mededeling