over de bevordering en bescherming van de grondrechten: de rol van nationale en Europese instellingen, met inbegrip van het Bureau voor de grondrechten
(2005/2007(INI))
Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
over de bevordering en bescherming van de grondrechten: de rol van nationale en Europese instellingen, met inbegrip van het Bureau voor de grondrechten
– gelet op het Grondwettelijk Verdrag dat op 29 oktober 2004 door de staatshoofden en regeringsleiders is ondertekend en waarin als tweede deel het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is opgenomen,
– gelet op de artikelen 6 en 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en de artikelen I-2 en I-9 van het Grondwettelijk Verdrag,
– gelet op artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
– gelet op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en het Europees Hof voor de mensenrechten,
– gezien de mededeling van de Commissie "Bureau voor de grondrechten - Consultatiedocument" (COM(2004)0693),
– gezien het besluit van de vertegenwoordigers van de lidstaten in het kader van de Europese Raad op 12 en 13 december 2003 in Brussel bijeen, waarin de nadruk wordt gelegd op het belang van het verzamelen en analyseren van gegevens op het gebied van de mensenrechten teneinde een Europees beleid op dit gebied vast te stellen, voort te borduren op het bestaande Europees waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat en het mandaat van dit centrum uit te breiden om er een bureau voor de grondrechten van te maken,
– gezien het resultaat van het openbaar seminar over de bevordering van het EU-beleid op het gebied van de grondrechten: geen woorden, maar daden of hoe moeten deze rechten worden verwezenlijkt, dat op 25-26 april werd gehouden op initiatief van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 20 april 2004 over de mededeling van de Commissie over "artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie: eerbiediging en bevordering van de waarden waarop de Unie is gegrondvest"(1),
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 28 april 2005 over het jaarverslag 2004 over de mensenrechten in de wereld en het beleid van de EU ter zake(2),
– gelet op artikel 45 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie constitutionele zaken (A6-0144/2005),
Het grondwettelijk kader van de EU als nieuwe stimulans voor de grondrechten
1. is van mening dat de doeltreffende bescherming en bevordering van de grondrechten de basis is van de democratie in Europa en een essentiële voorwaarde voor de consolidatie door de Europese Unie van de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid;
2. wijst erop dat de opneming van het Handvest van de grondrechten in het Grondwettelijk Verdrag en de toekomstige toetreding van de EU tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) fundamentele wijzigingen met zich meebrengen, waardoor de Unie beduidend meer verplichtingen krijgt om ervoor te zorgen dat de grondrechten op alle beleidsterreinen actief worden bevorderd;
3. is van mening dat de Europese Unie zich steeds vaker als een politieke waardengemeenschap profileert en haar oorspronkelijke, duidelijk op de markt gerichte doelstelling verder verruimt;
4. is van mening dat verschillende doelstellingen van de Unie zoals de ontwikkeling van de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, de bestrijding van discriminatie, de bevordering van transparantie en de waarborging van de gegevensbescherming, al onlosmakelijk verbonden zijn met de bevordering van de grondrechten;
5. stelt vast dat de grondrechten en de individuele vrijheden na de uitbreiding van de bevoegdheden van de Unie volledig moeten worden verdedigd en geëerbiedigd en dat de nieuwe vormen van terrorisme de behoefte aan waarborging van de collectieve veiligheid verder hebben doen toenemen; is derhalve van mening dat er een evenwicht tussen individuele vrijheden en collectieve veiligheid moet worden gevonden via adequate beleidsmaatregelen ten einde deze twee doelstellingen met elkaar in overeenstemming te brengen;
6. acht het van essentieel belang dat uitvoering wordt gegeven aan de in de oprichtingsverdragen en de nieuwe Grondwet geproclameerde waarden;
7. merkt op dat transparantie een democratisch beginsel is dat van fundamenteel belang is voor de betrekkingen tussen de Unie en haar burgers, de rechterlijke en de wetgevende macht in de Gemeenschap, de EU en haar lidstaten en de EU en de Raad van Europa;
8. stelt vast dat de Unie en de lidstaten de bevoegdheid op het gebied van de mensenrechten delen en dat zij daarom de mensenrechten en fundamentele vrijheden op hun respectieve bevoegdheidsgebieden overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel moeten eerbiedigen, rekening houdend met zijn bovengenoemde resolutie van 20 april 2004; verzoekt de Commissie met klem, alvorens een juridische procedure op gang te brengen, stappen te ondernemen om de nodige samenwerking en assistentie te waarborgen teneinde de lidstaten in staat te stellen eventuele problemen in verband met de uitvoering van het Gemeenschapsrecht en de maatregelen van de Unie uit de weg te ruimen; acht het van essentieel belang dat sprake is van een bijzondere mate van transparantie bij de omzetting van de maatregelen van de Unie op het gebied van de grondrechten;
Naar een EU-beleid op het gebied van de grondrechten
9. is verheugd over de ondertekening van het Grondwettelijk Verdrag, aangezien dit zorgt voor volledige bevoegdheid van het Hof van Justitie voor de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, de toetreding tot het EVMR, de opneming van het Handvest van de grondrechten in het Verdrag en een grootschaliger gebruik van de medebeslissingsprocedure waarmee de rol van het Europees Parlement wordt versterkt;
10. is van mening dat de verwezenlijking van de grondrechten het doel is van alle Europese beleidsvormen; met het oog hierop moeten de EU-instellingen de grondrechten actief bevorderen en beschermen, en de grondrechten en hun grensoverschrijdende relevantie ten volle in aanmerking nemen bij de opstelling en goedkeuring van wetgeving;
11. acht het politiek gezien van essentieel belang dat het concept bevordering van de grondrechten wordt ondergebracht bij de doelstellingen die moeten worden verwezenlijkt bij de vereenvoudiging en de reorganisatie van het acquis communautaire en het acquis van de Unie; dringt erop aan dat alle nieuwe beleidsmaatregelen, wetgevingsvoorstellen en programma's vergezeld dienen te gaan van een effectbeoordeling wat betreft de grondrechten en dat een dergelijke beoordeling in de motivering bij het voorstel moet worden vermeld;
12. is verheugd over de oprichting van een Groep van commissarissen voor grondrechten, anti-discriminatie en gelijke behandeling; verzoekt de Commissie en met name de voor de grondrechten bevoegde commissarissen een alomvattende en samenhangende strategie uit te stippelen om ervoor te zorgen dat de grondrechten op alle beleidsterreinen van de Unie worden geëerbiedigd;
13. is van mening dat het Hof van Justitie een doorslaggevende rol heeft gespeeld bij de omvorming van de Gemeenschap en de Unie tot een "Gemeenschap" en een rechtsunie, en wel met name dankzij de vruchtbare dialoog tussen nationale en Europese rechters in het kader van de op grond van de verdragen aan het Hof toegekende taak inzake prejudiciële interpretatie; steunt het in het programma van Den Haag opgenomen voorstel van de Europese Raad om de dialoog tussen de hoogste rechtsprekende organen van de lidstaten te versterken, en is van mening dat dergelijke initiatieven niet alleen de uiting zijn van de wil van de hoogste rechtsprekende organen om hun ervaringen te delen, maar ook de aanzet vormen voor een Europese openbare orde die zijn bestaansrecht vindt in de gemeenschappelijke doelstelling om de grondrechten te beschermen;
14. wijst erop dat de lidstaten en de EU-instellingen in het belang van de wet beschikken over een voorkeursrecht bij het Hof en is van mening dat het Parlement zich langs deze weg dient op te werpen als de pleitbezorger van de rechten van de burger, wanneer de grondrechten door een handeling van de Unie dreigen te worden aangetast;
15. betreurt dat de lidstaten zich bij de tenuitvoerlegging van het recht van de Gemeenschap en de Unie steeds terughoudender opstellen bij de wederzijdse erkenning met als argument onvoldoende bescherming van de grondrechten in een bepaalde lidstaat; herinnert in dit verband aan de jurisprudentie van het Hof (3) en verzoekt zowel de autoriteiten van de aangezochte landen om nauwkeurige gegevens te verstrekken om hun terughoudendheid te rechtvaardigen, alsook de autoriteiten van de verzoekende landen om eventueel noodzakelijke opheldering te verschaffen;
Samenwerking met nationale instellingen op het gebied van de mensenrechten en nationale parlementen
16. stelt vast dat sommige lidstaten nationale instellingen voor de bescherming en bevordering van de grondrechten hebben opgericht waarbij met name wordt verwezen naar de "beginselen van Parijs" van de Verenigde Naties; verzoekt de andere lidstaten hiertoe stappen te ondernemen en ervoor te zorgen dat de nationale commissies en instituten over voldoende financiële middelen beschikken, onder meer rekening houdend met het feit dat die instellingen tot taak hebben het beleid van de regeringen op het gebied van de mensenrechten te toetsen om tekortkomingen te voorkomen en verbeteringen voor te stellen, aangezien efficiency berust op preventie en niet alleen op het oplossen van problemen;
17. steunt de totstandbrenging van een voortdurende dialoog over de grondrechten met de nationale parlementen;
18. is van mening dat het verzamelen van gegevens prioriteit heeft evenals methodologische werkzaamheden om gegevens te kunnen vergelijken en te analyseren; is van mening dat de nationale instellingen op dit punt een sleutelrol moeten spelen;
19. blijft ervan overtuigd dat de bescherming van de grondrechten des te doeltreffender is naarmate de burgers zelf zich bewust zijn van hun rechten en in staat zijn, alvorens naar de rechter te stappen, bescherming ervan op te eisen, door bevordering van deelname aan de besluitvorming en de tenuitvoerlegging van de besluiten; is van mening dat in dit verband de oprichting van nationale commissies en instituten voor de grondrechten de NGO's enerzijds in staat kan stellen een duidelijker standpunt in te nemen en anderzijds hun verzoeken om actie doeltreffender te richten en als onrechtmatig beschouwde behandelingen jegens hen aan de kaak te stellen; herhaalt zijn standpunt dat de gouvernementele en niet-gouvernementele nationale organisaties beste praktijken op het gebied van de mensenrechten moeten uitwisselen;
20. is van mening dat de Commissie aandacht dient te besteden aan de herhaalde en voortdurende schendingen van de mensenrechten - met name burgerrechten zoals het actieve en passieve kiesrecht - die zich in sommige lidstaten van de Unie voordoen, en die het onderwerp vormen van rapporten van de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa, de heer Alvaro Gil-Robles;
Verbreiding van het beginsel van bescherming van de grondrechten buiten de Unie
21. is van mening dat het universele en ondeelbare karakter van de grondrechten voor de Europese Unie en de lidstaten aanleiding dient te zijn om de verbreiding van deze rechten te bevorderen in haar betrekkingen met derde landen, niet in de laatste plaats met het oog op de sluiting van associatieovereenkomsten met derde landen, en internationale organisaties zoals de Verenigde Naties, die een hervormingsproces zijn gestart waarin een bijzondere plaats wordt ingeruimd voor de bescherming van de grondrechten; onderstreept dat de Europese Unie als zodanig actief moet deelnemen aan de uitvoering van een dergelijke hervorming door haar externe initiatieven op dit gebied verder te versterken en door bij te dragen aan de eventuele opstelling van een verslag van de Verenigde Naties over deze materie;
22. stelt voor een interinstitutionele gedragscode op te stellen om het externe optreden van de Unie op het gebied van democratisering en mensenrechten meer samenhang en rechtvaardigheid te verlenen - zoals reeds is goedgekeurd in zijn resolutie van 25 april 2002 over de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de rol van de Europese Unie bij de bevordering van de mensenrechten en de democratisering in derde landen(4); is van mening dat deze code dient te gelden voor de betrekkingen tussen de Unie en de meer dan 120 landen waarop thans de democratische clausule van toepassing is, als essentieel onderdeel van allerlei overeenkomsten die hen binden;
23. verzoekt de Commissie, in combinatie met haar standpunt over het bureau voor de grondrechten, een diepgaande studie te verrichten naar de noodzaak van een soortgelijke structuur (binnen of buiten de Commissie) voor de verstrekking van relevante informatie over mensenrechten en democratievraagstukken in landen die niet door dit bureau worden bestreken;
Samenwerking met internationale mensenrechtenorganisaties
24. wijst nogmaals op de belangrijke rol van de verschillende toezichtmechanismen en instellingen op het gebied van de mensenrechten van de Raad van Europa; dringt er bij de EU-instellingen en het bureau op aan op deze ervaring voort te borduren, rekening te houden met deze mechanismen door deze op te nemen in een netwerkprocedure en gebruik te maken van de door de Raad van Europa ontwikkelde normen en andere belangrijke resultaten van zijn werkzaamheden; is absoluut van mening dat deze samenwerking niet mag leiden tot een verlaging van de EU-normen;
25. is van mening dat een functioneel samenwerkingsmodel moet worden uitgewerkt en dat concrete voorstellen moeten worden opgenomen in het komende wetgevingsvoorstel van de Commissie inzake het bureau, waaronder duidelijke omschrijvingen van de bevoegdheden van het bureau en van de verschillende andere agentschappen en een geïnstitutionaliseerde koppeling tussen de Raad van Europa en het toekomstige bureau voor de grondrechten, ten einde dubbel werk te voorkomen, het bureau de nodige middelen te verschaffen en de doeltreffendheid ervan te waarborgen;
Het bureau als operationeel instrument voor het mensenrechtenbeleid van de EU als geheel
26. wijst erop dat de oprichting van het bureau moet bijdragen tot de verdere versterking van het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten en een waarborg moet bieden voor de voortdurende naleving van de beginselen als bedoeld in de artikelen 6 en 7 van het EU-Verdrag en is van mening dat het bureau alle informatie dient te verstrekken die nodig is voor de ontwikkeling van de wetgevende activiteit, de controlerende rol en het beleid van de EU inzake bewustmaking van de grondrechten;
27. is van mening dat het bureau dient te beschikken over een sterk mandaat alsook over de bevoegdheid tot het volgen van de ontwikkeling van de tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten in de Europese Unie en de toetredende landen; onderstreept dat het bureau ook derde landen dient te bestrijken wanneer deze betrokken zijn bij mensenrechtenkwesties die de Unie aangaan, bijvoorbeeld in gevallen waarin het vermoeden bestaat van schending van de democratieclausule;
28. is van mening dat het bureau voor de grondrechten onder de EU-agentschappen een speciale status dient te krijgen; is ervan overtuigd dat het bureau meer legitimiteit krijgt wanneer zijn bestuursorganen door het Europees Parlement worden benoemd, verantwoording dienen af te leggen aan het Europees Parlement en verslag moeten uitbrengen aan de bevoegde parlementaire commissies; is ervan overtuigd dat onafhankelijkheid en geloofwaardigheid van het bureau een eerste vereiste is voor de goede wisselwerking tussen het bureau en de Europese instellingen;
29. acht het van essentieel belang dat het bureau beschouwd wordt als een in alle opzichten volledig onafhankelijke orgaan; onderstreept dan ook dat het moet beschikken over voldoende personeel en begrotingsmiddelen om zijn ambitieuze mandaat te kunnen vervullen, en dat het personeel kwalitatief hoogstaand, wetenschappelijk ervaren en van onberispelijke integriteit en persoonlijke geloofwaardigheid moet zijn;
30. is van mening dat de belangrijkste organen van het bureau moeten bestaan uit onafhankelijke en hoogaangeschreven deskundigen (eventueel leden van constitutionele hoven) uit de lidstaten en hoge vertegenwoordigers van de EU-instellingen, de Raad van Europa en internationale NGO's; is van mening dat het hoofd een uitstekende staat van dienst op het gebied van de mensenrechten dient te hebben en door het Europees Parlement dient te worden benoemd;
31. is van mening dat de meeste aanbevelingen die in de onderhavige resolutie(5) zijn opgenomen ervoor moeten zorgen dat informatie wordt verzameld, geanalyseerd en verwerkt met het oog op de beoordeling van het effect van de maatregelen ter bescherming van de grondrechten wanneer de Gemeenschap en de Unie hun bevoegdheden uitoefenen; zij zijn overigens ook gericht op de verbetering van de organisatie van de bestuurlijke en wetgevende procedures en vinden hun juridische rechtvaardiging met name in de maatregelen op het gebied van de bestrijding van discriminatie (art. 13 van het EG-Verdrag), het vrij verkeer (art. 18 EG), asiel (art. 63 EG), justitiële samenwerking in burgerlijke zaken (art. 65 EG), gegevensbescherming (art. 286 EG) en transparantie (art. 255 EG);
32. is in dit verband van mening dat juist het besluit waarin de taak inzake het verzamelen van informatie wordt gedefinieerd de rechtsgrondslag kan vormen voor de oprichting van het bureau voor de grondrechten waarvan de taak een aanvulling vormt op die van de instellingen op de gebieden die in de onderhavige resolutie worden behandeld, en dat dienovereenkomstig de medebeslissingsprocedure waarbij het Parlement betrokken is en de Raad met gekwalificeerde meerheid besluit, van toepassing moet zijn;
33. verzoekt de Commissie overeenkomstig artikel 192 van het EG-Verdrag een wetgevingsvoorstel in te dienen op basis van de hierboven gegeven aanwijzingen, met name voor wat betreft het Europese beleid waarvoor het Parlement medewetgever is; is van mening dat de belangrijkste rechtsgrondslag artikel 13 van het EG-Verdrag moet zijn dat door het voorkomen van discriminatie dient ter bescherming van de menselijke waardigheid die het sleutelelement vormt van elk beleid op het gebied van de mensenrechten; laat het aan de Commissie over te beoordelen of een maatregel die onder de derde pijler valt en verwijst naar het communautaire besluit noodzakelijk is naargelang de initiatieven die verband houden met de justitiële en politiële samenwerking in strafzaken;
34. is van mening dat het bureau dient te opereren als een paraplu-organisatie voor alle mensenrechtenvraagstukken ter voorkoming van uiteenlopende structuren die hetzelfde werk doen;
35. is van mening dat het bureau moet worden opgezet met een veelgelaagde structuur ("netwerk van netwerken"), een gespecialiseerd orgaan met horizontale bevoegdheden, waarin elk van de lagen een rol moet spelen en moet bijdragen tot de ontwikkeling van een grondrechtencultuur in de Unie; is van mening dat het bureau alle relevante informatie, analyses en ervaringen moet verzamelen die beschikbaar zijn bij Europese en nationale instellingen, nationale parlementen, regeringen en mensenrechtenorganisaties, Hooggerechtshoven/ Constitutionele Hoven, NGO's en bestaande netwerken zoals het netwerk van onafhankelijke deskundigen op het gebied van de grondrechten, met name de expertise van het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat (EUMC) en het Europees Informatienet inzake racisme en vreemdelingenhaat RAXEN;
36. is van mening dat bestaande Europese en nationale instellingen op het gebied van de mensenrechten deel moeten uitmaken van het "netwerk van netwerken", dat het bureau een instrument is om te zorgen voor de kwaliteit en de samenhang van het EU-beleid op het gebied van de mensenrechten en dat daartoe een overzicht moet worden opgesteld van Europese en nationale instellingen en netwerken;
37. ziet dit kader als een mogelijkheid de bestaande organen, instrumenten en procedures via de oprichting van een bureau voor de mensenrechten op doeltreffende wijze onderling te koppelen;
38. is van mening dat, alvorens nieuwe organisaties ter bescherming van de grondrechten op te richten, de consolidatie van de bestaande organisaties moet worden onderzocht alsook de mogelijkheid om deze samen te voegen ten einde de werking ervan te verbeteren; dringt er derhalve op aan dat het toekomstige genderinstituut een onderdeel vormt van het bureau voor de grondrechten, wordt beschouwd als "netwerk van netwerken", onder zijn eigen naam opereert en, omwille van een rationele, kosteneffectieve en consistente aanpak bij het oprichten van nieuwe organen voor de grondrechten op dezelfde plaats wordt gevestigd;
39. stelt voor dat het bureau wordt opgedeeld in verschillende aandachtsgebieden van het Handvest van de grondrechten - als aanvulling op de taak van het EUMC om racisme en vreemdelingenhaat te bestrijden - waaronder de vrijheid van meningsuiting, vergadering en vereniging en gedachte, het recht om op gelijke voorwaarden deel te nemen aan de verkiezingen, het recht op onderwijs en vrijheid, solidariteit en sociale rechten, de rechten van het kind, gelijkheid van mannen en vrouwen, geweld tegen vrouwen, mensenhandel, burgerrechten en justitie, het asielrecht, het Roma-vraagstuk en de rechten van minderheden en de eerbiediging van de culturele, godsdienstige en taalkundige diversiteit; als op een bepaald gebied reeds een instituut voor de gehele Unie bestaat, worden op dit gebied de taken van het bureau door dit speciale instituut vervuld dat dan een integrerend bestanddeel van het bureau wordt;
40. merkt op dat de bescherming van nationale minderheden in een uitgebreide EU een belangrijk vraagstuk is en niet simpelweg kan worden bereikt via bestrijding van vreemdelingenhaat en discriminatie; wijst erop dat dit ingewikkelde probleem ook vanuit andere invalshoeken moet worden aangepakt en dat het vraagstuk van de etnische en nationale minderheden een van de specifieke taken van het bureau dient te zijn;
41. is van mening dat bij het opzetten van dit nieuwe instrument speciaal aandacht moet worden besteed aan de drie hoofdtaken die een dergelijke instelling moet vervullen (bevordering van de grondrechten, toezicht op de waarborging van de grondrechten en bevordering van de bewustwording van de belangrijkste spelers, met name de lidstaten, de EU-instellingen en de burgers) ten einde tegemoet te komen aan de strategische behoeften van een gemeenschappelijke ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid;
42. is van mening dat het bureau ter vervulling van zijn drie belangrijkste taken via zijn netwerken gegevens moet verzamelen en deze moet analyseren en de bevoegdheid moet krijgen om adviezen uit te brengen en aanbevelingen te doen aan het Parlement, de Raad en de Commissie;
43. is van mening dat het toekomstige bureau als onderdeel van zijn taak om de grondrechten te beschermen de beleidsvorming op het gebied van de mensenrechten op twee manieren proactief dient te steunen, nl. door na te gaan waar verbeteringen van de wetgeving het meest nodig zijn en door toezicht te houden op de tenuitvoerlegging en handhaving van de wetgeving;
44. is van mening dat het bureau als onderdeel van zijn werkzaamheden ter bescherming van de grondrechten een aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie toe te zenden jaarverslag moet indienen over de situatie met betrekking tot de rechten die onder zijn werkterrein vallen; is verder van mening dat het bureau, zonder over juridische bevoegdheden te beschikken, in de eerste plaats rechtstreeks verantwoording moet afleggen aan het Europees Parlement, op basis waarvan het Europees Parlement conclusies kan trekken en aanbevelingen kan uitbrengen, alsmede aan de Raad;
45. is van mening dat het toezicht van het bureau toegevoegde waarde heeft aangezien het een horizontale visie biedt op de bescherming en bevordering van de grondrechten, om welke reden alle in het Handvest van de grondrechten opgenomen rechten en de desbetreffende bepalingen van het eerste deel van het Grondwettelijk Verdrag moeten worden bestreken; is van mening dat het jaarlijks werkprogramma van het bureau op thematische onderwerpen gericht moet kunnen zijn;
46. benadrukt dat er geen sprake van is dat de weg wordt geëffend voor een orgaan dat gelijkwaardig is aan het Hof voor de rechten van de mens van de EU; beseft dat de behandeling van individuele schendingen van de mensenrechten iets heel anders is dan het uitoefenen van controle op een politiek systeem of de wetsinstrumenten daarvan die mogelijk niet voldoen aan de algemeen erkende normen op het gebied van de mensenrechten;
47. is van mening dat het bureau een adviserende rol moet vervullen met betrekking tot de bepalingen van artikel 6 en artikel 7 van het VEU, de werkzaamheden van het Parlement en de Raad moet steunen en gebruik moet maken van de via zijn netwerken verkregen informatie, kennis en ervaring;
48. is van mening dat het bureau concrete stappen dient te nemen om de beste manieren te vinden om de mensen in de Europese Unie bewust te maken van de grondrechten waarover zij beschikken en een grondrechtencultuur in de Unie te creëren die vervolgens over de grenzen van de Unie heen met succes als een van haar basiswaarden kan worden uitgedragen;
49. is van mening dat een verbeterde informatie - en communicatiestrategie noodzakelijk is om de doelstellingen inzake bevordering van de grondrechten en bewustmaking van grondrechtenvraagstukken te verwezenlijken (en daarmee een cultuur van eerbiediging van de grondrechten te creëren); is van mening dat de opneming van een vak in de onderwijscurricula van de lidstaten dat zowel de grondrechten als de door de internationale gemeenschap erkende mensenrechten behandelt, kan bijdragen tot de verwezenlijking van deze doelstellingen;
50. is van mening dat deze concrete maatregelen door het bureau georganiseerde opleidingsacties dienen te omvatten ten behoeve van degenen die werkzaam zijn op het gebied van de mensenrechten in Europa, ongeacht of het gaat om vertegenwoordigers van de burgermaatschappij of om beroepsorganisaties;
51. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad en de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de nationale mensenrechtenorganisaties, de Raad van Europa, de OVSE en de VN.
TOELICHTING
De EU-context
1. Om te begrijpen wat de bescherming van de grondrechten in de Europese Unie vandaag de dag met zich meebrengt, moet eerst worden nagegaan of een toekomstig bureau voor dit vraagstuk moet worden beschouwd als doel of als middel. Hoewel in de mededeling van de Commissie op dit punt expliciet wordt aangegeven dat het doel is een bureau voor de grondrechten te creëren, dient het Europees Parlement zich te richten op een analyse van de situatie na de ratificatie van het Grondwettelijk Verdrag waarbij speciaal aandacht wordt besteed aan de bescherming en bevordering van de grondrechten. Aangezien deze "nieuwe rechtsorde" een andere richting aan de taak van de Europese Unie kan geven, is zorgvuldige bestudering noodzakelijk van de consequenties van deze verschuiving, een duidelijke ontwikkeling van een economische unie in de richting van een politieke gemeenschap. De bevordering van de grondrechten vereist een gestructureerde aanpak van deze nieuwe situatie. Een duidelijke politieke wil betreffende de juiste richting moet nog worden geformuleerd. Deze taak wordt wellicht overgenomen door de Commissie in het kader van de groep van commissarissen voor de grondrechten, anti-discriminatie en gelijke kansen onder voorzitterschap van de heer Barroso. Niettemin is het van het allergrootste belang dat de Europese Raad op dit terrein ook richtlijnen opstelt.
2. Sinds 1 mei 1999 vormen de grondrechten krachtens artikel 6, lid 1 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU(6)) het fundament van de Europese Unie. Het probleem was (en is) dat de bestaande verdragen een duidelijke omschrijving van deze rechten ontberen aangezien hierin alleen wordt verwezen naar het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVMR) en naar de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten. Vergroting van de "zichtbaarheid" van deze rechten was het mandaat dat door de Europese Raad is verleend aan de Conventie die het handvest heeft opgesteld. Het doel van de tweede Conventie die de Grondwet aan de Intergouvernementele Conferentie (IGC) voorlegde, was het handvest bindend te maken. Deze doelstelling is thans verwezenlijkt en zelfs als deze exercitie er hoofdzakelijk op was gericht de rechten die reeds deel uitmaken van het EU-acquis, zichtbaar te maken, is een dergelijke transparantie een essentiële stap voorwaarts in de betrekkingen tussen de Unie en haar burgers, de rechterlijke en de wetgevende macht in de EU, de EU en de lidstaten en de EU en de Raad van Europa.
3. Het Verdrag van Amsterdam stelde als doelstelling van de Europese Unie de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid vast. De Europese Raad van Tampere maakte hiervan een prioriteit op de politieke agenda. Deze centrale beleidsdoelstelling komt eveneens tot uiting in de nieuwe financiële vooruitzichten. Als kernelement bij de verwezenlijking van deze doelstelling moet worden gezorgd voor evenwicht door de drie elementen tegelijkertijd verder te ontwikkelen. Verdere bevordering van het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten is nog steeds noodzakelijk. Vooral de bescherming en bevordering van de grondrechten is een essentiële voorwaarde voor de totstandbrenging van de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid.
4. In het Programma van Den Haag werden de resultaten toegejuicht die zijn behaald bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese Raad van Tampere: het leggen van het fundament voor een gemeenschappelijk asiel- en immigratiebeleid, voorbereiding op de harmonisatie van de grenscontroles, verbetering van de politiële samenwerking en het leggen van de basis voor justitiële samenwerking. Er moet echter worden gezorgd voor coördinatie en samenhang tussen de externe en interne dimensie van de communautaire beleidsvormen. De bestaande verdragen bieden een rechtsgrondslag voor optreden op dit terrein en blijven een juridische verplichting vormen, zelfs als het Grondwettelijk Verdrag niet wordt geratificeerd.
5. Hoewel het Handvest nog niet juridisch bindend is, heeft het een krachtig politiek effect. De opneming van het Handvest van de grondrechten in het Grondwettelijk Verdrag en de toekomstige toetreding van de EU tot het EVMR zullen in feite een juridische verplichting voor de Unie creëren zodat de grondrechten op alle beleidsterreinen actief worden bevorderd.
Rol van de nationale instellingen
6. Via versterking en integratie van de bestaande nationale instellingen op het gebied van de mensenrechten in het "netwerk van netwerken" kan een bureau worden beschouwd als een politiek instrument om te zorgen voor kwaliteit en samenhang van het mensenrechtenbeleid van de EU.
7. De in vrijwel alle lidstaten met steun van de Verenigde Naties opgerichte nationale instellingen op het gebied van de mensenrechten kunnen in drie categorieën worden ingedeeld: de mensenrechtencommissies, de ombudslieden en de specifieke instellingen ter bescherming van de rechten van een bijzonder kwetsbare groep. Een van hun taken is de stelselmatige toetsing van het mensenrechtenbeleid van de regeringen om tekortkomingen te voorkomen en verbeteringen voor te stellen, aangezien preventie veel gemakkelijker is dan het opsporen van problemen en het vinden van oplossingen. Hun verantwoordelijkheid bij de bevordering van de bewustwording op het gebied van de mensenrechten is ook aanzienlijk. Het opsporen van gevallen van wanbeheer en het vinden van mogelijkheden tot herstel behoren eveneens tot hun taken evenals het geven van advies aan de wetgevende en de uitvoerende macht. Hun rol is duidelijk complementair. Deze nationale instellingen die gericht zijn op de bescherming en bevordering van de mensenrechten vallen noch onder de rechterlijke macht noch onder de wetgevende macht, zij hebben alleen adviserende bevoegdheid. Zij zien de oprichting van een bureau als een uitstekende gelegenheid om de kloof in het huidige systeem van bescherming van de mensenrechten in de EU te dichten.
8. Een formelere band tussen deze organen en het bureau is gewenst. Harmonisatie van de nationale beoordelingsprocedures is hierbij van essentieel belang. In de lidstaten moet de vooruitgang en de achteruitgang in gelijke mate worden getoetst aan de bestaande mensenrechtennormen. Wat betreft het resultaat van de werkzaamheden van het bureau is een compromis over de kwaliteit uit den boze.
9. Het bureau moet mechanismen ontwikkelen die de lidstaten helpen vooruitgang te boeken bij de ontwikkeling van nationale normen voor maatregelen op het gebied van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden op basis van de Beginselen van Parijs(7).
Samenwerking met internationale organen
10. Met betrekking tot de wijze van bevordering van de internationale samenwerking van de EU op dit gevoelige terrein zijn de sleutelwoorden coördinatie van initiatieven en maximalisering van synergieën. Het is van belang dat wordt gezorgd voor rechtszekerheid en samenhang bij de bescherming van de grondrechten in geheel Europa.
11. De Europese Unie kan het zich niet permitteren om geen rekening te houden met de prestaties van de Raad van Europa op het gebied van de bescherming en bevordering van de mensenrechten waar het de EU ontbreekt aan een voldoende rechtsgrondslag (de bescherming van de nationale minderheden is een van de beste voorbeelden van dergelijke terreinen). We mogen echter onder geen beding toelaten dat normen worden vastgesteld waarvan de inconsistentie tot verwarring leidt en daardoor de geloofwaardigheid van de basisnormen aantast.
12. Uitwisseling van informatie en gegevens zou zeker onvoldoende zijn om te zorgen voor een nuttige samenwerking tussen het bureau en de Raad van Europa. Het is van het allergrootste belang dat een functioneel samenwerkingsmodel wordt uitgewerkt en dat de band tussen beide organen wordt geïnstitutionaliseerd.
13. Afgezien van de Raad van Europa zijn er verschillende andere organisaties actief op het gebied van de mensenrechten, zoals de Organisatie van Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en de gespecialiseerde organen van de Verenigde Naties. Bij het opstellen van het mandaat van het bureau kan opnieuw naar deze instellingen worden verwezen, terwijl ook met de civil society een intensieve en gestructureerde band moet worden opgebouwd. Het bureau dient uit te groeien tot een ontmoetingspunt dat contacten tussen de verschillende belanghebbenden vergemakkelijkt zodat synergieën ontstaan.
Bureau voor de grondrechten
14. Uitgaande van de hierboven beschreven algemene context volgen hieronder enkele overwegingen over het toekomstige Bureau voor de grondrechten. Aangezien in het kader van de strategie drie politieke doelstellingen zijn vastgesteld, dient dit nieuwe communautaire instrument een drieledige taak te krijgen:
a. Bevordering van de grondrechten
b. Bescherming van de grondrechten
c. Bevordering van de bewustwording tussen de actoren (EU-instellingen en burgers).
15. Het bureau kan het best worden beschouwd als een "netwerk van netwerken", een gespecialiseerd bureau met horizontale bevoegdheden dat gebruik maakt van verschillende instrumenten en van alle relevante ervaring die is opgedaan op de verschillende niveaus bij de bescherming van de mensenrechten en grondrechten. Het dient te fungeren als een ontmoetingspunt waar al deze kennis wordt gebundeld.
16. Het bureau dient bevoegdheden te krijgen voor het geven van advies, het uitbrengen van adviezen, het doen van aanbevelingen en het bevorderen van de bewustwording van de Commissie, het Parlement en de Raad via objectieve en adequate informatie en het moet deze drie instellingen steunen. Het is van essentieel belang dat het bureau onafhankelijk blijft, zonder invloed van belanghebbenden en werkelijk autonoom (o.a begrippen als onafhankelijkheid, verantwoordelijkheid en gezag). Waarborging van de onafhankelijkheid bestaat uit twee elementen: het bureau dient te beschikken over een begroting die het in staat stelt zijn ambitieuze mandaat te vervullen en een bestuur dat bestaat uit vertegenwoordigers op hoog niveau van de lidstaten en de EU-instellingen. Deze twee elementen zullen van meet af aan zorgen voor de geloofwaardigheid van het bureau en zullen het voldoende gezag verlenen om nuttig werk te verrichten zonder dat geld wordt verspild. De begroting en de personeelssterkte moeten aan de taakstelling worden aangepast.
17. Wat betreft het dilemma welke rechten moeten worden beschermd, is het van het allergrootste belang dat alle in het Handvest van de grondrechten opgenomen rechten en de desbetreffende bepalingen van het eerste deel van het Grondwettelijk Verdrag worden bestreken, hoewel prioriteitstelling mogelijk moet zijn. Het is van belang bij de prioriteitsstelling enige flexibiliteit mogelijk te maken: het zou contraproductief werken om de prioriteiten van meet af aan vast te stellen, aangezien dit gevoelige terrein incidentele accentverschuivingen zou kunnen vereisen. Dit kan wellicht op jaarbasis geschieden bij de vaststelling van het werkprogramma van het bureau waarbij de prioriteiten kunnen worden vastgesteld op basis van thematische gerichtheid en geografische omvang. In dit laatste geval dient men zich in de eerste plaats te concentreren op de EU-lidstaten, maar ook op de toetredende landen na de ondertekening van het toetredingsverdrag. Aan het bureau kunnen ook bevoegdheden worden verleend voor de bevordering van de bewustwording in situaties als bedoeld in artikel 7 van het VEU, aangezien de desbetreffende expertise daar al aanwezig is.
18. Van de deskundigheid van het EUMC (Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat) en het netwerk RAXEN(8) moet bij de verdere bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat gebruik worden gemaakt als een van de aandachtsgebieden van het bureau. Andere accenten moeten echter eveneens in overweging worden genomen.
19. De bescherming van nationale minderheden na de uitbreiding van de EU is een belangrijke kwestie en de bevordering ervan kan niet uitsluitend worden gewaarborgd via bestrijding van vreemdelingenhaat. Dit ingewikkelde probleem moet vanuit verschillende invalshoeken worden aangepakt - daarom dient een speciale afdeling van het bureau zich bezig te houden met het vraagstuk van de nationale minderheden op basis van de ervaring van bestaande Europese en nationale instellingen en netwerken op dit terrein zoals het Europees Centrum voor minderheidsvraagstukken of het netwerk COMIR.
20. Het Bureau voor de grondrechten en het desbetreffende EU-beleid zijn kernelementen van een toekomstige Europese rechtsorde en daarom kan de oprichting ervan niet louter uit een politieke verklaring bestaan.
21. Reflectie op de tenuitvoerlegging van de bestaande wetgeving en het vinden van een gulden middenweg tussen de verdediging van de individuele rechten en de bevordering van collectieve veiligheid is een bijzonder delicate taak. Het bureau dient derhalve uit te groeien tot het centrum van de Europese beweging in de richting van een betere bescherming van de grondrechten en hierbij moet van alle bestaande ervaring gebruik worden gemaakt. De ambitie is de grondrechten in alle beleidsvormen en -maatregelen van de EU centraal te stellen, zodat Europa ook werkelijk als symbool van de grondrechten wordt gezien.
26.4.2005
ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken
aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
inzake de bevordering en bescherming van de grondrechten: de rol van nationale en Europese instellingen, met inbegrip van het Bureau voor de grondrechten (2005/2007(INI))
Rapporteur voor advies: Baroness Nicholson of Winterbourne
SUGGESTIES
De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. onderschrijft volledig de conclusies van de Europese Raad van 13 december 2003 dat de Commissie verzocht moet worden concrete voorstellen in te dienen inzake de oprichting van een Europees Bureau voor de grondrechten;
2. verwijst naar de ontwerpresolutie over het jaarverslag over de mensenrechten in de wereld in 2004 en het mensenrechtenbeleid van de EU dat zijn Commissie buitenlandse zaken op 30 maart 2005 heeft goedgekeurd;
3. wijst erop dat bevordering en bescherming van de grondrechten enerzijds en het bestaan van de democratie en de rechtstaat anderzijds onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn;
4. verzoekt de Commissie in haar voorstel op te nemen dat dit bureau niet alleen de lidstaten van de Europese Unie bestrijkt maar ook de kandidaat-lidstaten;
5. maakt de Commissie erop attent dat het ondenkbaar zou zijn, in een tijd waarin de burgers zich terecht zorgen maken over de voorgestelde uitbreiding van de gemeenschap van waarden waarop de Europese Unie is gebaseerd, deze landen niet op te nemen in de taakopdracht van het bureau en het democratiseringsproces, gezien de verklaringen van de EU over het belang van de democratie en de mensenrechten binnen het GBVB;
6. is van mening dat het bureau zich zou moeten bezighouden met gegevensverzameling en analyse, toezicht op en evaluatie van de situatie van de mensenrechten en het te geven gevolg aan die evaluatie, met adequate aanbevelingen voor verbeteringen op EU-niveau, en zo nodig op het niveau van de lidstaten;
7. benadrukt met klem dat het bureau op gezette tijden verslag aan het Parlement moet uitbrengen;
8. dringt erop aan dat het bureau over eigen middelen en personeel moet kunnen beschikken, en duidelijke verbindingen en nauwe werkbetrekkingen moet onderhouden met andere bureaus en organisaties die actief zijn op dit gebied (OVSE, VN, en in het bijzonder, de Raad van Europa) en met het maatschappelijk middenveld; benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat overlapping van de taken van deze bureaus, organisaties en andere netwerken van deskundigen wordt vermeden, zodat werkelijk toegevoegde waarde binnen de EU wordt geboden;
9. verzoekt de Commissie een grondig onderzoek in te stellen naar de noodzaak van een soortgelijke structuur (binnen of buiten de Commissie) die relevante informatie verstrekt over de problemen op het gebied van de mensenrechten en de democratie in landen die niet door dit bureau worden bestreken, haar standpunt over dit bureau in dit onderzoek te verwerken en het aan het Parlement voor te leggen.
PROCEDURE
Titel
Bevordering en bescherming van de grondrechten: de rol van nationale en Europese instellingen, met inbegrip van het Bureau voor de grondrechten
Angelika Beer, Bastiaan Belder, Monika Beňová, André Brie, Elmar Brok, Philip Claeys, Simon Coveney, Giorgos Dimitrakopoulos, Anna Elzbieta Fotyga, Jas Gawronski, Maciej Marian Giertych, Alfred Gomolka, Anna Ibrisagic, Toomas Hendrik Ilves, Ioannis Kasoulides, Bogdan Klich, Joost Lagendijk, Vytautas Landsbergis, Armin Laschet, Cecilia Malmström, Emilio Menéndez del Valle, Francisco José Millán Mon, Annemie Neyts-Uyttebroeck, Vural Öger, Cem Özdemir, Justas Vincas Paleckis, Tobias Pflüger, João de Deus Pinheiro, Mirosław Mariusz Piotrowski, Paweł Bartłomiej Piskorski, Michel Rocard, Raül Romeva i Rueda, Libor Rouček, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Jacek Emil Saryusz-Wolski, György Schöpflin, Gitte Seeberg, Ursula Stenzel, István Szent-Iványi, Konrad Szymański, Charles Tannock, Ari Vatanen, Jan Marinus Wiersma, Karl von Wogau, Josef Zieleniec
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers
Laima Liucija Andrikienė, Alexandra Dobolyi, Árpád Duka-Zólyomi, Michael Gahler, Georg Jarzembowski, Jaromír Kohlíček, Alexander Lambsdorff, Erik Meijer, Pasqualina Napoletano, Janusz Onyszkiewicz, Aloyzas Sakalas
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 178, lid 2)
21.4.2005
ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs
aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
inzake de bevordering en bescherming van de grondrechten: de rol van nationale en Europese instellingen, met inbegrip van het Bureau voor de grondrechten (2004/2007(INI)
Rapporteur voor advies: Manolis Mavrommatis
SUGGESTIES
De Commissie cultuur en onderwijs verzoekt de ten principale bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
Bureau voor de grondrechten
1. is van mening dat een verbeterde informatie- en communicatiestrategie noodzakelijk is met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen inzake bevordering van de grondrechten en bewustmaking van grondrechtenvraagstukken (het creëren van een cultuur van eerbiediging van de grondrechten); is van mening dat de opneming in de onderwijscurricula van een vak dat zowel de grondrechten als de door de internationale gemeenschap erkende mensenrechten behandelt, kan bijdragen tot de verwezenlijking van deze doelstellingen;
2. is van mening dat de structuur van het voorgestelde bureau zijn doelstellingen en de structuur van het Handvest van de grondrechten moet weerspiegelen; is van mening dat specifieke afdelingen van het bureau verantwoordelijk moeten zijn voor het toezicht op de naleving van het Handvest op het gebied van onderwijs (artikel 14), eerbiediging van de culturele, godsdienstige en taalkundige verscheidenheid (artikel 22) en de media (artikel 11);
3. is van mening dat de samenwerking tussen het bureau en andere internationale organisaties, met name de Raad van Europa, niet moet worden beperkt tot de uitwisseling van informatie, maar veeleer een institutionele vorm dient aan te nemen; is van mening dat de ratificatie van de desbetreffende instrumenten van de Raad van Europa door alle lidstaten een noodzakelijke voorwaarde is voor de doeltreffende werking van het bureau;
Ondertekening en ratificatie van de instrumenten van de Raad van Europa
4. is verheugd over de inwerkingtreding in de Tsjechische Republiek in maart 2004 van het verdrag van de Raad van Europa inzake grensoverschrijdende televisie en het protocol tot wijziging van dit verdrag; stelt vast dat het verdrag en het protocol thans van kracht zijn in alle tien lidstaten die in mei 2004 tot de Europese Unie zijn toegetreden; verzoekt België, Denemarken en Ierland het verdrag en het protocol te ondertekenen en te ratificeren; verzoekt Griekenland, Luxemburg en Zweden deze instrumenten te ratificeren;
5. verwijst naar zijn resoluties van 20 november 2002 en 22 april 2004 over mediaconcentratie; spreekt zijn bezorgdheid uit over de potentiële bedreiging van de vrijheid en de pluriformiteit van de media als gevolg van de eigendomsconcentratie in de media;
6. verzoekt Frankrijk de kaderovereenkomst van de Raad van Europa inzake de bescherming van nationale minderheden te ondertekenen; dringt er eveneens bij België, Griekenland, Letland, Luxemburg en Nederland op aan deze overeenkomst te ratificeren, rekening houdend met de dialoog die momenteel in hun respectieve samenlevingen wordt gevoerd en met de noodzaak van een groeiende bewustwording van de publieke opinie inzake de doeltreffende toepassing van de bepalingen van het verdrag ten gunste van de minderheden;
7. verzoekt België, Estland, Griekenland, Ierland, Letland, Litouwen en Portugal het Europese Handvest van regionale en minderheidstalen te ondertekenen; dringt er eveneens bij de Tsjechische Republiek, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Malta en Polen op aan dit handvest te ratificeren, rekening houdend met de dialoog die momenteel in hun respectieve samenlevingen wordt gevoerd en met de noodzaak van een groeiende bewustwording van de publieke opinie inzake de doeltreffende toepassing van de bepalingen van het verdrag ten gunste van de regionale en minderheidstalen.
Onderwijs
8. dringt er bij de lidstaten op aan alles in het werk te stellen om te zorgen voor de doeltreffende integratie van de kinderen van vluchtelingen, asielzoekers en immigranten in hun onderwijsstelsels;
9. is bezorgd over het feit dat toekomstige studenten met een handicap als gevolg van onvoldoende faciliteiten en praktische steun vaak niet in staat zijn deel te nemen aan post-middelbaar en hoger onderwijs; acht deze situatie niet in overeenstemming met de vrijheden als bedoeld in artikel 14, lid 1 van het Handvest; dringt er bij de lidstaten op aan dit probleem aan te pakken;
10. dringt er bij de lidstaten op aan zich te blijven inzetten voor de verbetering van de situatie van de Roma/Sinti-minderheden door op te treden tegen discriminatie op het gebied van arbeid en huisvesting en door rekening te houden met de bijzondere onderwijsbehoeften van de Roma/Sinti-kinderen.
PROCEDURE
Titel
Bevordering en bescherming van de grondrechten: de rol van nationale en Europese instellingen, met inbegrip van het Bureau voor de grondrechten
María Badía i Cutchet, Christopher Beazley, Giovanni Berlinguer, Guy Bono, Marie-Hélène Descamps, Jolanta Dičkutė, Věra Flasarová, Milan Gaľa, Claire Gibault, Vasco Graça Moura, Lissy Gröner, Luis Francisco Herrero-Tejedor, Ruth Hieronymi, Manolis Mavrommatis, Marianne Mikko, Zdzisław Zbigniew Podkański, Miguel Portas, Christa Prets, Karin Resetarits, Nikolaos Sifunakis, Helga Trüpel, Henri Weber, Thomas Wise, Tomáš Zatloukal
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers
Ivo Belet, Michael Cramer, András Gyürk, Małgorzata Handzlik, Gyula Hegyi, Ignasi Guardans Cambó, Nina Škottová, Witold Tomczak
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 178, lid 2)
20.4.2005
ADVIES van de Commissie constitutionele zaken
aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
inzake de bevordering en bescherming van grondrechten: de rol van nationale en Europese instellingen, met inbegrip van het Bureau voor de grondrechten (2005/2007(INI))
Rapporteur voor advies: Ignasi Guardans Cambó
SUGGESTIES
De Commissie constitutionele zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
- onder verwijzing naar zijn resolutie over de mededeling van de Commissie over artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie: eerbiediging en bevordering van de waarden waarop de Unie is gegrondvest(9),
1. is van oordeel dat de bestaande internationale, Europese en nationale instrumenten voldoende middelen bieden om de fundamentele rechten in de EU te beschermen en weet dat de Europese Commissie in het kader van de normale besluitvormingsprocedures reeds alle wetsvoorstellen en alle ontwerpinstrumenten onder de loep neemt om na te gaan of deze niet in strijd met het Handvest van de grondrechten zijn; constateert echter dat de EU als geheel de normen op dit gebied kan verbeteren door know-how en ervaringen op ruimere schaal te delen;
2. ziet in dit kader de mogelijkheid dankzij een bureau voor de grondrechten de bestaande organen, instrumenten en procedures op zinvolle wijze onderling te koppelen;
3. onderstreept in dit verband echter dat elke overlapping met reeds bestaande organen, instrumenten en procedures tegen elke prijs moet worden voorkomen evenals elke overmatige bureaucratisering van het concept inzake bescherming van de grondrechten;
4. benadrukt dat er geen sprake van is het pad te effenen voor de oprichting van een EU-Hof van de rechten van de mens; beseft dat het behandelen van individuele schendingen van de mensenrechten iets heel anders is dan het uitoefenen van controle op een politiek bestel of de wetsinstrumenten daarvan die eventueel niet voldoen aan de algemeen erkende normen op het gebied van de mensenrechten.
PROCEDURE
Titel
Bevordering en bescherming van grondrechten: de rol van nationale en Europese instellingen, met inbegrip van het Bureau voor de grondrechten
Richard Corbett, Panayiotis Demetriou, Andrew Duff, Maria da Assunção Esteves, Bronisław Geremek, Ignasi Guardans Cambó, Jo Leinen, Íñigo Méndez de Vigo, Borut Pahor, Rihards Pīks, Marie-Line Reynaud, Alexander Stubb, Johannes Voggenhuber
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers
Pervenche Berès, Mogens N.J. Camre, Antoine Duquesne, Ashley Mote, Georgios Papastamkos, Jacek Protasiewicz, Reinhard Rack, György Schöpflin, Jacques Toubon
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 178, lid 2)
PROCEDURE
Titel
Bevordering en bescherming van de grondrechten: de rol van nationale en Europese instellingen, met inbegrip van het Bureau voor de grondrechten
Alexander Nuno Alvaro, Edit Bauer, Mario Borghezio, Mihael Brejc, Maria Carlshamre, Michael Cashman, Giusto Catania, Charlotte Cederschiöld, Fausto Correia, Rosa Díez González, Antoine Duquesne, Kinga Gál, Patrick Gaubert, Elly de Groen-Kouwenhoven, Lívia Járóka, Ewa Klamt, Magda Kósáné Kovács, Barbara Kudrycka, Romano Maria La Russa, Henrik Lax, Edith Mastenbroek, Jaime Mayor Oreja, Claude Moraes, Martine Roure, Inger Segelström, Frank Vanhecke, Ioannis Varvitsiotis, Manfred Weber, Tatjana Ždanoka
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers
Panayiotis Demetriou, Camiel Eurlings, Jeanine Hennis-Plasschaert, Sophia in 't Veld, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Jean Lambert, Antonio Masip Hidalgo, Javier Moreno Sánchez, Vincent Peillon, Herbert Reul, Marie-Line Reynaud, Antonio Tajani, Kyriacos Triantaphyllides, Rainer Wieland
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 178, lid 2)
María del Pilar Ayuso González, Véronique Mathieu, Manolis Mavrommatis
11: effectbeoordeling van alle wetgevings- en strategische initiatieven van de EU, met als voorbeeld de op 27 april 2005 door de Commissie vastgestelde benadering van de effectbeoordeling;
13: bevordering van dialoog en samenwerking tussen de hoogste rechtsprekende organen;
16, 18 en 19: steun voor instellingen van de lidstaten op het gebied van de grondrechten en commissies "gelijkheid" op grond van richtlijn 2000/43/EG, voor zover het gaat om gegevensverzameling;
7: oprichting van een permanent forum met nationale parlementen over grondrechtenvraagstukken en totstandbrenging van de EU als ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid;
23: financiering van een studie naar de externe factoren die van invloed kunnen zijn op het EU-beleid voor wat betreft de mensenrechten en de mogelijke raadgevende rol van een Europees grondrechtenbureau;
24 en 25: gestructureerde operationele samenwerking en synergie met de Raad van Europa;
49: informatie- en communicatiestrategie van de EU-instellingen voor zover het EU-beleid de grondrechten aangaat;
26, 27, 28, 32, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 46, 47, 48, 50: als mogelijke verwijzing naar de taken en het mandaat van het toekomstige bureau;
29, 30, 34, 35, 36, 38: de bestuursorganen en de organisatiestructuur van het toekomstige bureau,
Zoals gewijzigd door het Verdrag van Amsterdam waarin de jurisprudentie van het EHJG is gecodificeerd sinds het arrest C-29/69 "Stauder" van 12.11.1969 Jur.419) in C-11/70 "Internationale Handelsgesellschaft", Jur. 1125, C-4/73 "Nold" van 14.5.1974, Jur. 491, C-44/79 "Hauer" Jur. blz. 3727 en C-5/88 "Wachhauf" van 13.7.1989).
Op een bijeenkomst onder auspiciën van de VN van vertegenwoordigers van nationale instellingen die in 1991 in Parijs werd gehouden is een uitvoerige reeks beginselen inzake de status van de nationale instellingen uitgewerkt - algemeen bekend onder de benaming Beginselen van Parijs. Deze beginselen die vervolgens zijn goedgekeurd door de mensenrechtencommissie van de VN (resolutie 1992/54 van 3 maart 1992) en de Algemene Vergadering van de VN (resolutie 48/134 van 20 december 1993, bijlage) zijn uitgegroeid tot basis- en referentiepunt voor de oprichting en werking van de nationale instellingen op het gebied van de mensenrechten.