Procedure : 2005/0183(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0234/2006

Ingediende teksten :

A6-0234/2006

Debatten :

PV 25/09/2006 - 13
CRE 25/09/2006 - 13

Stemmingen :

PV 26/09/2006 - 5.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2006)0362

VERSLAG     ***I
PDF 337kDOC 319k
29 juni 2006
PE 371.908v03-00 A6-0234/2006

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa

(COM(2005)0447 – C6-0356/2005 – 2005/0183(COD))

Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

Rapporteur: Holger Krahmer

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 PROCEDURE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa

(COM(2005)0447 – C6-0356/2005 – 2005/0183(COD))

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2005)0447)(1),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 175 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0356/2005),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0234/2006),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst  Amendementen van het Parlement

Amendement 1

Overweging 2

(2) Ter bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu als geheel dient de uitstoot van schadelijke luchtverontreinigende stoffen te worden vermeden, voorkomen of verminderd en dienen passende normen inzake de luchtkwaliteit te worden vastgesteld, rekening houdend met de toepasselijke normen, richtsnoeren en programma's van de Wereldgezondheidsorganisatie.

Ter bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu als geheel is het van groot belang dat de uitstoot van schadelijke stoffen aan de bron wordt bestreden. Daarom dient de uitstoot van schadelijke luchtverontreinigende stoffen te worden vermeden, voorkomen of verminderd. Hiertoe dient de Europese Commissie onverwijld voor alle relevante bronnen van schadelijke stoffen passende emissieregelingen vast te leggen, rekening houdend met de toepasselijke normen, richtsnoeren en programma's van de Wereldgezondheidsorganisatie in verband met de luchtkwaliteit.

Motivering

Het onderhavige voorstel van de Europese Commissie voor een richtlijn is vooral gebaseerd op emissies. Om een duurzame verbetering van de luchtkwaliteit in de Europese Unie te waarborgen moeten vooral de bronnen van schadelijke stoffen dringend worden aangepakt door middel van de nodige voorschriften.

Amendement 2

Overweging 5 bis (nieuw)

 

(5 bis) Waar mogelijk moet gebruik worden gemaakt van modellen voor de diffusie van verontreinigingen, zodat de puntgegevens kunnen worden geïnterpreteerd in termen van de geografische verspreiding van de concentratie. Dit kan de basis vormen voor de berekening van de collectieve blootstelling van de bevolking van het gebied.

Motivering

De geografische verspreiding van de concentratie is de input voor een realistische berekening van de collectieve blootstelling en daarmee van de te verwachten gezondheidseffecten.

Amendement 3

Overweging 7

(7) Gedetailleerde metingen van fijne zwevende deeltjes op achtergrondlocaties dienen te worden uitgevoerd met het oog op een beter begrip van de gevolgen van deze verontreinigende stof en ter ontwikkeling van een passend beleid. Deze metingen dienen te worden uitgevoerd op een wijze die samenhangend is met die van het Samenwerkingsprogramma voor de bewaking en evaluatie van het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand in Europa (EMEP), dat is opgesteld uit hoofde van het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand van 1979, dat de Raad heeft goedgekeurd bij Besluit 81/462/EEG van 11 juni 1981.

(7) Gedetailleerde metingen en berekeningen van fijne zwevende deeltjes op achtergrondlocaties dienen te worden uitgevoerd met het oog op een beter begrip van de gevolgen van deze verontreinigende stof en een goede definitie van het verschijnsel achtergrondconcentratie en ter ontwikkeling van een passend beleid. Geschikte strategieën moeten met name gericht zijn op een realistische beoordeling van het aandeel van de achtergrondconcentratie dat in de grenswaarden verwerkt zit. De metingen moeten op efficiënte wijze worden uitgevoerd; daarom moeten de gegevens uit de bemonsteringspunten voor vaste metingen zoveel mogelijk worden aangevuld met gegevens van modelleringstechnieken en indicatieve metingen. De metingen dienen te worden uitgevoerd op een wijze die samenhangend is met die van het Samenwerkingsprogramma voor de bewaking en evaluatie van het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand in Europa (EMEP), dat is opgesteld uit hoofde van het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand van 1979, dat de Raad heeft goedgekeurd bij Besluit 81/462/EEG van 11 juni 1981.

Motivering

Bij de gemeenten bestaat veel onduidelijkheid over de omvang en effecten van de achtergrondconcentratie. Daarom is hier een definitie van de kant van de Europese wetgever gewenst. Een efficiënte gegevensverzameling vraagt naast vaste metingen ook om modelleringstechnieken en indicatieve metingen.

Amendement 4

Overweging 8

(8) De toestand van de luchtkwaliteit dient te worden gehandhaafd of verbeterd, wanneer hij reeds goed is. Wanneer de luchtkwaliteitsnormen worden overschreden, dienen de lidstaten maatregelen te nemen om de vastgestelde waarden na te leven, maar met overschrijdingen die toe te schrijven zijn aan het strooien van de wegen in de winter dient geen rekening te worden gehouden.

(8) De toestand van de luchtkwaliteit dient, wanneer hij reeds goed is, zodanig te worden gehandhaafd dat de normen voor de luchtkwaliteit niet worden overschreden. In het belang van een duurzame ontwikkeling van het betrokken gebied dient de luchtkwaliteit te worden verbeterd. Wanneer de luchtkwaliteitsnormen worden overschreden, dienen de lidstaten maatregelen te nemen om de vastgestelde waarden na te leven; in dit verband worden met name maatregelen verwacht van de lidstaten met de hoogste overschrijdingen, omdat de verbetering van de luchtkwaliteit daar in de regel op de meest kostenbesparende manier gerealiseerd kan worden. Met overschrijdingen die toe te schrijven zijn aan het strooien van de wegen in de winter dient geen rekening te worden gehouden.

Motivering

Het potentieel voor vermindering van de luchtverontreinigende stoffen is groter voor lidstaten met een hoge concentratie dan voor lidstaten waar de luchtkwaliteit reeds goed is. Waar de luchtkwaliteit reeds goed is en de grenswaarden worden nageleefd, moet de verdere verbetering van de luchtkwaliteit verenigbaar zijn met een duurzame ontwikkeling van het betrokken gebied.

Amendement 5

Overweging 10

(10) Fijne zwevende deeltjes (PM2,5) zijn verantwoordelijk voor aanzienlijke gevolgen voor de menselijke gezondheid. Voorts kan er nog geen drempelwaarde worden bepaald, waaronder PM2,5 geen risico vormt. Bijgevolg dient deze verontreinigende stof niet op dezelfde wijze te worden gereguleerd als andere luchtverontreinigende stoffen. De aanpak dient een algemene vermindering van de concentraties in de stedelijke achtergrond te beogen, om te garanderen dat de verbeterde luchtkwaliteit grote groepen van de bevolking ten goede komt. Om evenwel overal een minimale bescherming van de gezondheid te garanderen, moet deze aanpak worden gecombineerd met een absolute concentratiebovengrens.

(10) Fijne zwevende deeltjes (PM2,5) zijn verantwoordelijk voor aanzienlijke gevolgen voor de menselijke gezondheid. Voorts kan er nog geen drempelwaarde worden bepaald, waaronder PM2,5 geen risico vormt. Omdat de beschikbare gegevens voor PM2,5 nog niet voldoende zijn om een grenswaarde te bepalen, moet in eerste instantie een streefwaarde worden vastgelegd. Bijgevolg dient deze verontreinigende stof niet op dezelfde wijze te worden gereguleerd als andere luchtverontreinigende stoffen. De aanpak dient een algemene vermindering van de concentraties in de stedelijke achtergrond te beogen, om te garanderen dat de verbeterde luchtkwaliteit grote groepen van de bevolking ten goede komt. Vooral in gebieden met een zeer hoge concentratie fijne zwevende deeltjes moeten de aanwezige reductiemogelijkheden volledig worden benut. Om evenwel overal een minimale bescherming van de gezondheid te garanderen, moet voor alle gebieden een geschikte streefwaarde worden gedefinieerd.

Motivering

Hangt samen met de differentiatie van de reductiedoelstelling van 20 % en de vaststelling van een streefwaarde in plaats van een grenswaarde (concentratiebovengrens) voor PM2,5.

Amendement 6

Overweging 13

(13) Vaste ozonmetingen dienen verplicht te zijn in zones waar de langetermijndoelstellingen worden overschreden. Het gebruik van aanvullende beoordelingsinstrumenten dient te worden toegestaan om het vereiste aantal vaste bemonsteringspunten te verminderen.

(13) Metingen van luchtverontreinigende stoffen moeten efficiënt en doelgericht worden uitgevoerd. Daarom moeten de vaste metingen zoveel mogelijk worden aangevuld met modelleringstechnieken en indicatieve metingen. Vaste ozonmetingen dienen verplicht te zijn in zones waar de langetermijn­doelstellingen worden overschreden. Het gebruik van aanvullende beoordelingsinstrumenten dient te worden toegestaan om het vereiste aantal vaste bemonsteringspunten te verminderen.

Motivering

Een efficiënte gegevensverzameling vraagt naast vaste metingen ook om modelleringstechnieken en indicatieve metingen.

Amendement 7

Overweging 15

(15) De bestaande grenswaarden voor de luchtkwaliteit dienen ongewijzigd te blijven, ofschoon het mogelijk dient te zijn de nalevingstermijn te verlengen in gevallen waarin zich, ondanks de tenuitvoerlegging van passende maatregelen ter bestrijding van de verontreiniging, in specifieke zones en agglomeraties acute nalevingsproblemen voordoen. Elke verlenging voor een bepaalde zone of agglomeratie dient vergezeld te gaan van een uitvoerig plan dat de naleving tegen het einde van de herziene nalevingstermijn garandeert.

(15) Voor gebieden met bijzonder moeilijke omstandigheden dient het mogelijk te zijn de nalevingstermijn voor de grens - en streefwaarden voor de luchtkwaliteit te verlengen in gevallen waarin zich, ondanks de tenuitvoerlegging van passende maatregelen ter bestrijding van de verontreiniging, in specifieke zones en agglomeraties acute nalevingsproblemen voordoen. Elke verlenging voor een bepaalde zone of agglomeratie dient vergezeld te gaan van een uitvoerig plan dat de naleving tegen het einde van de herziene nalevingstermijn garandeert. Flexibiliteit voor de lidstaten is zelfs belangrijker indien de noodzakelijke communautaire maatregelen die het gekozen ambitieniveau in de thematische strategie om de uitstoot aan de bron te beperken, weerspiegelen, met inbegrip ten minste van de in bijlage XVIIa genoemde maatregelen, niet voor 1 januari 2010 in werking zijn getreden, aangezien sommige lidstaten de grenswaarden zonder deze maatregelen ondanks enorme inspanningen op nationaal niveau niet kunnen naleven.

Amendement 8

Overweging 16 bis (nieuw)

 

(16 bis) Er is een grondige effectbeoordeling van deze richtlijn gemaakt, rekening houdend met zowel Betere regelgeving als de Strategie voor duurzame ontwikkeling. Nu de verwachte vermindering van de CO2-uitstoot echter groter is dan in de effectbeoordeling werd voorspeld, zijn de kosten mogelijk overschat en de baten onderschat, omdat een voortzetting van de emissiereducties na 2012 onder meer zal bijdragen tot een verbetering van de luchtkwaliteit.

Amendement 9

Overweging 16 ter (nieuw)

 

(16 ter) De doelstellingen van deze richtlijn moeten zoveel mogelijk verenigbaar zijn met de duurzame ontwikkeling van de desbetreffende gebieden.

Amendement 10

Overweging 17 bis (nieuw)

 

(17 bis) Voor industriële installaties worden op grond van de onderhavige richtlijn geen maatregelen ingevoerd die verder gaan dan de toepassing van de best beschikbare technieken als bedoeld in Richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 betreffende de geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging1; in het bijzonder leiden deze niet tot sluiting van installaties. Wel moet de richtlijn eisen dat alle lidstaten alle lonende reductiemaatregelen nemen die in de betrokken sectoren noodzakelijk zijn.

__________
1 PB L 257 van 10.10.1996, blz. 26. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 33 van 4.2.2006, blz. 1).

Motivering

Richtlijn 96/61/EG past een geïntegreerd concept toe, dat bij de verlening van vergunningen rekening houdt met alle relevante factoren en waarin de best beschikbare technieken doorlopend worden herzien. Richtlijn 2004/107/EG bevat reeds een bepaling die vergelijkbaar is met hetgeen in dit amendement wordt voorgesteld.

Amendement 11

Overweging 19 bis (nieuw)

 

(19 bis) Gezien het grensoverschrijdende karakter van specifieke verontreinigende stoffen en de daaruit volgende mogelijkheid dat de overschrijding van een grenswaarde in een lidstaat het gevolg is van een oorzaak die niet rechtstreeks door een lidstaat te beïnvloeden valt, moet het voor de Commissie mogelijk zijn om lidstaten meer tijd te geven om te voldoen aan de normen die in deze richtlijn opgenomen zijn.

Motivering

Dat de problemen met luchtkwaliteit een grensoverschrijdend karakter hebben is algemeen bekend. Het is voor lidstaten dan ook niet altijd mogelijk om alle bronnen van verontreiniging aan te pakken, omdat bepaalde bronnen gesitueerd zijn buiten hun eigen grondgebied of buiten dat van de EU. Indien het voor lidstaten in deze situatie niet mogelijk blijkt te zijn om aan de in deze richtlijn gestelde normen te voldoen, moet het voor de Commissie mogelijk zijn om zulke lidstaten uitstel te verlenen.

Amendement 12

Overweging 20

(20) Het is noodzakelijk dat de lidstaten en de Commissie gegevens over de luchtkwaliteit verzamelen, uitwisselen en verspreiden om een beter inzicht te verkrijgen in de gevolgen van de luchtverontreiniging en om een passend beleid te ontwikkelen. Ook dienen bijgewerkte gegevens over de concentraties van alle gereguleerde verontreinigende stoffen in de lucht op gemakkelijke wijze aan de bevolking ter beschikking te worden gesteld.

(20) Het is noodzakelijk dat de lidstaten en de Commissie gegevens over de luchtkwaliteit verzamelen, uitwisselen en verspreiden om een beter inzicht te verkrijgen in de gevolgen van de luchtverontreiniging en om een passend beleid te ontwikkelen. Ook dienen bijgewerkte gegevens over de concentraties van alle gereguleerde verontreinigende stoffen in de lucht op gemakkelijke wijze aan de bevolking ter beschikking te worden gesteld. Er moet voor worden gezorgd dat de actuele meetwaarden dagelijks aan het publiek worden bekendgemaakt.

Motivering

Ongeacht de grenswaarden moeten de actuele meetwaarden dagelijks aan het publiek worden bekendgemaakt.

Amendement 13

Artikel 2, punt 6

6. "concentratiebovengrens": een op basis van wetenschappelijke kennis vastgesteld niveau teneinde bovenmatige risico's voor de menselijke gezondheid te voorkomen, dat binnen een bepaalde termijn moet worden bereikt en, als het eenmaal is bereikt, niet meer mag worden overschreden;

schrappen

Motivering

Het begrip "concentratiebovengrens" komt in feite overeen met een grenswaarde. De Commissie voert dit begrip in voor de bepalingen van de nieuwe norm PM2,5. De rapporteur stelt voor PM2,5 in twee fasen te regelen: in eerste instantie moet een streefwaarde worden vastgesteld en in een tweede fase - bij de herziening van de richtlijn - kan een grenswaarde worden vastgesteld. Wegens onvoldoende ervaring met het meten van PM2,5 en een onzekere gegevenssituatie dient op dit moment geen grenswaarde te worden vastgesteld. Het begrip "concentratiebovengrens" wordt in de gehele tekst vervangen door "streefwaarde".

Amendement 14

Artikel 2, punt 16 bis (nieuw)

 

16 bis. "emissies van natuurlijke bronnen": elke in de lucht aanwezige, maar niet direct of indirect door menselijke activiteit gecreëerde stof. Daartoe behoren met name ook emissies als gevolg van natuurverschijnselen als vulkaanuitbarstingen, aardbevingen, geothermische activiteit, spontane branden, zeezout of atmosferische resuspensie of verplaatsing van natuurlijke deeltjes uit droge gebieden;

Motivering

De richtlijn regelt de "emissies van natuurlijke bronnen" zonder deze nader te definiëren. Een definitie is echter wel noodzakelijk omwille van een uniforme handhaving en vergelijkbare meetresultaten in alle EU-lidstaten.

Amendement 15

Artikel 5, lid 2, alinea 1

2. De in lid 1 bedoelde indeling wordt tenminste om de vijf jaar heronderzocht volgens de in bijlage II, deel B, vastgestelde procedure.

2. De in lid 1 bedoelde indeling wordt gemonitord en de resultaten worden om de vijf jaar na een evaluatie heronderzocht volgens de in bijlage II, deel B, vastgestelde procedure.

Amendement 16

Artikel 6, lid 2

2. In alle zones en agglomeraties waar het niveau van de in lid 1 bedoelde verontreinigende stoffen in de lucht de voor die verontreinigende stoffen vastgestelde bovenste beoordelingsdrempel overschrijdt, worden vaste metingen gebruikt ter beoordeling van de luchtkwaliteit. Die vaste metingen kunnen worden aangevuld met modelleringstechnieken en/of indicatieve metingen om adequate informatie over de luchtkwaliteit te verkrijgen.

2. In alle zones en agglomeraties waar het niveau van de in lid 1 bedoelde verontreinigende stoffen in de lucht de voor die verontreinigende stoffen vastgestelde bovenste beoordelingsdrempel overschrijdt, worden vaste metingen gebruikt ter beoordeling van de luchtkwaliteit. Die vaste metingen worden aangevuld met modelleringstechnieken en/of indicatieve metingen om adequate informatie over de luchtkwaliteit te verkrijgen.

Motivering

Naast de vaste metingen dienen de modelleringstechnieken en /of indicatieve metingen verplicht te zijn. Modelleringstechnieken hebben hun waarde in de praktijk bewezen en leveren een belangrijke bijdrage aan het verzamelen van betrouwbare gegevens over de luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor gegevens over PM2,5.

Amendement 17

Artikel 6, lid 3

3. In alle zones en agglomeraties waar het niveau van de in lid 1 bedoelde verontreinigende stoffen in de lucht lager is dan de voor die verontreinigende stoffen vastgestelde bovenste beoordelingsdrempel, mag een combinatie van vaste metingen en modelleringstechnieken en/of indicatieve metingen worden gebruikt ter beoordeling van de luchtkwaliteit.

3. In alle zones en agglomeraties waar het niveau van de in lid 1 bedoelde verontreinigende stoffen in de lucht lager is dan de voor die verontreinigende stoffen vastgestelde bovenste beoordelingsdrempel, wordt een combinatie van vaste metingen en modelleringstechnieken en/of indicatieve metingen gebruikt ter beoordeling van de luchtkwaliteit.

Motivering

Naast de vaste metingen dienen de modelleringstechnieken en /of indicatieve metingen verplicht te zijn. Modelleringstechnieken hebben hun waarde in de praktijk bewezen en leveren een belangrijke bijdrage aan het verzamelen van betrouwbare gegevens over de luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor gegevens over PM2,5.

Amendement 18

Artikel 7, lid 2, alinea 1

2. In zones of agglomeraties waar vaste metingen de enige gegevensbron zijn ter beoordeling van de luchtkwaliteit, mag het aantal bemonsteringspunten voor elke betrokken verontreinigende stof niet geringer zijn dan het in bijlage V, deel A, genoemde minimumaantal bemonsteringspunten.

2. In zones of agglomeraties waar vaste metingen de enige gegevensbron zijn ter beoordeling van de luchtkwaliteit, mag het aantal bemonsteringspunten voor elke betrokken verontreinigende stof niet geringer zijn dan het in bijlage V, deel A, genoemde minimumaantal bemonsteringspunten. In deze gebieden dienen de genoemde metingen dagelijks plaats te vinden.

Motivering

Er moet voor worden gezorgd dat ook bij afwezigheid van dagelijkse grenswaarden de concentratie schadelijke stoffen dagelijks wordt gemeten, ten behoeve van de gegevensverzameling en de voorlichting aan de bevolking; deze metingen moeten alleen met modelleringstechnieken worden aangevuld wanneer dit niet tot ernstige verliezen aan informatie leidt.

Amendement 19

Artikel 7, lid 2, alinea 2, letter a)

a) de aanvullende methoden leveren voldoende gegevens op ter beoordeling van de luchtkwaliteit ten aanzien van grenswaarden, concentratiebovengrenzen of alarmdrempels, evenals adequate gegevens ten behoeve van de bevolking;

a) de aanvullende methoden leveren voldoende gegevens op ter beoordeling van de luchtkwaliteit ten aanzien van grenswaarden, streefwaarden of alarmdrempels, evenals adequate gegevens ten behoeve van de bevolking;

(Deze wijziging geldt voor de gehele wetgevingstekst; indien het amendement wordt goedgekeurd, zijn technische aanpassingen in de gehele tekst noodzakelijk).

Motivering

De rapporteur stelt voor PM2,5 in twee fasen te regelen: in eerste instantie moet een streefwaarde worden vastgesteld en in een tweede fase - bij de herziening van de richtlijn - kan een grenswaarde worden vastgesteld. Wegens onvoldoende ervaring met het meten van PM2,5 en een onzekere gegevenssituatie dient op dit moment geen grenswaarde te worden vastgesteld. Het begrip "concentratiebovengrens" wordt in de gehele tekst vervangen door "streefwaarde".

Amendement 20

Artikel 7, lid 2, alinea 2, letter a bis) (nieuw)

 

a bis) op de in te stellen bemonsteringspunten worden dagelijks metingen gedaan;

Motivering

Er moet voor worden gezorgd dat ook bij afwezigheid van dagelijkse grenswaarden de concentratie schadelijke stoffen dagelijks wordt gemeten, ten behoeve van de gegevensverzameling en de voorlichting aan de bevolking; deze metingen moeten alleen met modelleringstechnieken worden aangevuld wanneer dit niet tot ernstige verliezen aan informatie leidt.

Amendement 21

Artikel 7, lid 2, alinea 3

In het in de tweede alinea bedoelde geval worden de resultaten van modellering en/of indicatieve metingen in aanmerking genomen bij de beoordeling van de luchtkwaliteit ten aanzien van de grenswaarden of concentratiebovengrenzen.

In het in de tweede alinea bedoelde geval worden de resultaten van modellering en/of indicatieve metingen in aanmerking genomen bij de beoordeling van de luchtkwaliteit ten aanzien van de grenswaarden of streefwaarden.

(Deze wijziging geldt voor de gehele wetgevingstekst; indien het amendement wordt goedgekeurd, zijn technische aanpassingen in de gehele tekst noodzakelijk).

Motivering

De rapporteur stelt voor PM2,5 in twee fasen te regelen: in eerste instantie moet een streefwaarde worden vastgesteld en in een tweede fase - bij de herziening van de richtlijn - kan een grenswaarde worden vastgesteld. Wegens onvoldoende ervaring met het meten van PM2,5 en een onzekere gegevenssituatie dient op dit moment geen grenswaarde te worden vastgesteld. Het begrip "concentratiebovengrens" (in de Engelse versie eveneens "concentration cap") wordt eveneens in de gehele tekst vervangen door "streefwaarde".

Amendement 22

Artikel 7, lid 2 bis (nieuw)

 

2 bis. De Commissie en de lidstaten dragen zorg voor een uniforme toepassing van de criteria voor de keuze van bemonsteringspunten.

Motivering

Schone lucht is ook een van de factoren voor het realiseren van de doelstellingen van Lissabon (in het bijzonder bedrijfsvestigingen, toerisme, onbeperkt toeleveringsverkeer). Een uniform stelsel van standplaatsen voor de bemonsteringspunten moet worden gewaarborgd. De thans in de diverse lidstaten gevolgde werkwijzen voor de metingen verschillen te sterk van elkaar en maken vergelijkbare meetresultaten onmogelijk.

Amendement 23

Artikel 12

In zones en agglomeraties waar de niveaus van zwaveldioxide, stikstofdioxide, PM10, PM2,5, lood, benzeen en koolmonoxide in de lucht lager zijn dan de respectieve, in de bijlagen XI en XIV genoemde grenswaarden of concentratiebovengrenzen, zorgen de lidstaten ervoor dat die toestand van de luchtkwaliteit wordt gehandhaafd.

In zones en agglomeraties waar de niveaus van zwaveldioxide, stikstofdioxide, PM10, PM2,5, lood, benzeen en koolmonoxide in de lucht lager zijn dan de respectieve, in de bijlagen XI en XIV genoemde grenswaarden of concentratiebovengrenzen, zorgen de lidstaten ervoor dat de naleving van de normen voor de luchtkwaliteit wordt gehandhaafd.

Motivering

Dit artikel in de tekst van het Commissievoorstel is dubbelzinnig: gaat het erom dat de naleving van de normen voor de luchtkwaliteit moet worden gehandhaafd of dat het huidige niveau van de luchtkwaliteit (bij naleving) in de praktijk een strenger "plafond" voor de luchtkwaliteit moet worden? Met de stijgende hemisferische achtergrondconcentraties, de veranderingen in de weersomstandigheden van jaar tot jaar en de noodzaak om de economische bedrijvigheid op bepaalde locaties uit te breiden (in overeenstemming met andere politieke en sociale prioriteiten), is het onrealistisch om ervan uit te gaan dat de luchtkwaliteit stil zal staan. De toevoeging van de term "naleving" maakt duidelijk dat het hier gaat om handhaving van de nalevingsstatus.

Amendement 24

Artikel 13, titel en lid 1

Grenswaarden voor de bescherming van de menselijke gezondheid

Grenswaarden en alarmdrempels voor de bescherming van de menselijke gezondheid

1. De lidstaten zorgen ervoor, dat de niveaus van zwaveldioxide, PM10, lood en koolmonoxide in de lucht nergens op hun grondgebied de in bijlage XI vastgestelde grenswaarden overschrijden.

1. De lidstaten zorgen ervoor, gelet op bijlage III, deel A, dat de niveaus van zwaveldioxide, PM10, lood en koolmonoxide in de lucht nergens op hun grondgebied de in bijlage XI vastgestelde grenswaarden overschrijden.

Wat stikstofdioxide en benzeen betreft, mogen de in bijlage XI genoemde grenswaarden vanaf de daar genoemde data niet worden overschreden.

Wat stikstofdioxide en benzeen betreft, mogen de in bijlage XI genoemde grenswaarden vanaf de daar genoemde data niet worden overschreden.

 

De naleving van deze vereisten wordt overeenkomstig bijlage III, deel B beoordeeld.

De in bijlage XI vastgestelde overschrijdingsmarges zijn overeenkomstig artikel 21 van toepassing.

De in bijlage XI vastgestelde overschrijdingsmarges zijn overeenkomstig artikel 21 van toepassing.

Motivering

Het voorstel van de Commissie vereist enerzijds in artikel 13 dat de grenswaarden (ter bescherming van de gezondheid van de mens) door de lidstaten op hun gehele grondgebied (dat betekent overal) moeten worden nageleefd; anderzijds vereist bijlage III dat bemonsteringspunten ter bescherming van de gezondheid van de mens daar moeten worden geplaatst waar het waarschijnlijk is dat de bevolking zal worden blootgesteld gedurende een periode die significant is in verhouding tot de middelingstijd van de grenswaarden of waar de bevolking in het algemeen wordt blootgesteld. Als gevolg daarvan zijn de gebieden waar grenswaarden van toepassing zijn (artikel 13) niet dezelfde als de gebieden waar de naleving door middel van metingen (bijlage III) wordt gecontroleerd en aangetoond; het beoordelingsregime (in ieder geval op basis van monitoring) correspondeert niet met de gebieden waar grenswaarde(n) van toepassing zijn. Deze tegenstrijdigheid plaatst de lidstaten, het publiek en de Commissie in een zeer lastige positie en zal naar verwachting aanleiding geven tot eindeloze rechtszaken.

Amendement 25

Artikel 13, lid 3, alinea 1

De lidstaten mogen zones of agglomeraties aanwijzen, waar de grenswaarden voor PM10 worden overschreden door concentraties van PM10 in de lucht die toe te schrijven zijn aan de resuspensie van deeltjes ten gevolge van het strooien van de wegen in de winter.

De lidstaten mogen zones of agglomeraties aanwijzen, waar de grenswaarden voor PM10 worden overschreden door concentraties van PM10 in de lucht die toe te schrijven zijn aan de resuspensie van deeltjes ten gevolge van het strooien van de wegen in de winter of het reinigen van de wegen, mits de waarden voor PM2,5 hierdoor niet worden beïnvloed.

Motivering

Het daadwerkelijke risico houdt verband met de deeltjes PM2,5. In het interval tussen PM2,5 en PM10 zetten de meeste deeltjes zich af in de bovenste luchtwegen, die zich kenmerken door snellere verwijderingsmechanismen, zodat ze op lange termijn geen gevolgen hebben.

Amendement 26

Artikel 13, lid 3, alinea 4

Onverminderd artikel 19 behoeven de lidstaten voor de in de eerste alinea van dit lid bedoelde zones of agglomeraties de in artikel 21 bedoelde plannen of programma's slechts vast te stellen voorzover de overschrijdingen zijn toe te schrijven aan andere PM10-bronnen dan het strooien van de wegen met zand in de winter.

Onverminderd artikel 19 behoeven de lidstaten voor de in de eerste alinea van dit lid bedoelde zones of agglomeraties de in artikel 21 bedoelde plannen of programma's slechts vast te stellen voorzover de overschrijdingen zijn toe te schrijven aan andere PM10-bronnen dan het strooien van de wegen met zand en zout in de winter.

Motivering

Ook zout moet hier worden genoemd, omdat zout in de winter in veel regio's absoluut noodzakelijk is.

Amendement 27

Artikel 15, titel

Streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling aan PM2,5 en concentratiebovengrens voor de bescherming van de menselijke gezondheid

Streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling aan PM2,5 en streefwaarde en grenswaarde voor de PM2,5-concentratie voor de bescherming van de menselijke gezondheid

Amendement 28

Artikel 15, lid 2 bis (nieuw)

 

2 bis. De streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling van 20 % is de gemiddelde waarde voor de gehele Europese Unie. De streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling voor afzonderlijke lidstaten is afhankelijk van de concentratieniveaus.

Amendement 29

Artikel 15, lid 4

4. De lidstaten zorgen ervoor, dat de concentraties van PM2,5 in de lucht vanaf de daar genoemde termijn nergens op hun grondgebied de in bijlage XIV, deel C, vastgestelde concentratiebovengrens overschrijden.

4. De lidstaten zorgen ervoor dat de streefwaarde en de grenswaarde voor de concentraties van PM2,5 in de lucht vanaf de in bijlage XIV, deel C genoemde termijn overal op hun grondgebied wordt bereikt.

Motivering

De thans beschikbare gegevens over PM2,5 zijn nog niet voldoende om een nieuwe bindende grenswaarde vast te leggen. Men moet niet dezelfde fout maken als bij PM10, waar bindende grenswaarden werden ingevoerd zonder dat er voldoende gegevens voorhanden waren.

Amendement 30

Artikel 20

1. Wanneer in een bepaalde zone of agglomeratie de overeenstemming met de grenswaarden voor stikstofdioxide of benzeen of de concentratiebovengrens voor PM2,5 niet binnen de in bijlage XI of in bijlage XIV, deel C, genoemde termijnen kan worden gerealiseerd, kan een lidstaat deze termijnen voor die specifieke zone of agglomeratie met ten hoogste vijf jaar verlengen, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

1. Wanneer in een bepaalde zone of agglomeratie de overeenstemming met de grenswaarden voor stikstofdioxide, benzeen, PM 10 of de streefwaarde voor PM2,5 niet binnen de in bijlage XI of in bijlage XIV, deel C, genoemde termijnen kan worden gerealiseerd, kan een lidstaat deze termijnen voor die specifieke zone of agglomeratie met ten hoogste vijf jaar vanaf de inwerkingtreding van deze richtlijn verlengen, indien de lidstaat aantoont dat op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau alle noodzakelijke maatregelen zijn genomen om de bovengenoemde termijnen na te leven, met inbegrip van de tenuitvoerlegging van de in bijlage XV, deel B genoemde richtlijnen tegen de in die richtlijnen vermelde termijnen, en dat de achtergrondconcentraties van de desbetreffende verontreinigende stoffen een dalende tendens vertonen. Overeenkomstig artikel 21 wordt een plan of programma voor de zone of agglomeratie vastgesteld waaruit blijkt welke maatregelen zullen worden genomen om de grenswaarden tegen de nieuwe termijn te halen.

a) overeenkomstig artikel 21 wordt een plan of een programma vastgesteld voor de zone of agglomeratie waarvoor de termijnverlenging geldt, en dat plan of programma wordt aan de Commissie medegedeeld;

 

b) een programma ter bestrijding van de luchtverontreiniging voor de duur van de termijnverlenging wordt vastgesteld, dat tenminste de in bijlage XV, deel B, opgesomde gegevens omvat en aantoont dat de overeenstemming met de grenswaarden of concentratiebovengrenzen vóór het verstrijken van de nieuwe termijn zal worden gerealiseerd, en dit programma wordt aan de Commissie medegedeeld.

 

2. Wanneer in een bepaalde zone of agglomeratie de overeenstemming met de in bijlage XI genoemde grenswaarden voor zwaveldioxide, koolmonoxide, lood en PM 10 niet kan worden gerealiseerd wegens locatiespecifieke dispersiekarakteristieken, ongunstige klimaatomstandigheden of grensoverschrijdende inputs, zijn de lidstaten uiterlijk tot 31 december 2009 vrijgesteld van de verplichting om die grenswaarden toe te passen, mits aan de voorwaarden van lid 1, onder a) en b), is voldaan.

 

2. Wanneer in een bepaalde zone of agglomeratie de overeenstemming met de in bijlage XI genoemde grenswaarden voor zwaveldioxide, koolmonoxide en lood niet kan worden gerealiseerd wegens locatiespecifieke dispersiekarakteristieken, ongunstige klimaatomstandigheden of grensoverschrijdende inputs, zijn de lidstaten uiterlijk tot 31 december 2009 vrijgesteld van de verplichting om die grenswaarden toe te passen, mits aan de voorwaarden van lid 1 is voldaan.

 

 

2 bis. De lidstaten kunnen de in lid 1 genoemde termijnen voor de grenswaarden voor PM 10 en PM 2,5 of de streefwaarde voor PM 2,5 voor een specifieke zone of agglomeratie met een aanvullende periode van ten hoogste vijf jaar verlengen, wanneer uit het in lid 1 bedoelde luchtkwaliteitsplan blijkt dat de grenswaarden niet kunnen worden gehaald, indien de lidstaat aantoont dat op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau alle noodzakelijke maatregelen zijn genomen om de bovengenoemde termijnen na te leven, met inbegrip van de tenuitvoerlegging van de in bijlage XV, deel B en bijlage XVIIa genoemde richtlijnen en verordeningen tegen de in die wetsteksten vermelde termijnen. In een herzien luchtkwaliteitsplan worden de redenen voor overschrijding na de bovengenoemde termijnen uiteengezet en wordt aangetoond welke maatregelen zullen worden genomen om de grenswaarden binnen de aanvullende periode te halen.

3. Wanneer een lidstaat lid 1 of lid 2 toepast, zorgt hij ervoor, dat de overschrijding van de grenswaarde of concentratiebovengrens voor de onderscheiden verontreinigende stoffen niet meer bedraagt dan de maximale overschrijdingsmarge die voor elke betrokken verontreinigende stof in de bijlagen XI en XIV is vastgesteld.

 

3. Wanneer een lidstaat lid 1, lid 2 of lid 2 bis toepast, zorgt hij ervoor dat de overschrijding van de grenswaarde voor de onderscheiden verontreinigende stoffen, rekening houdend met een verhoging als bedoeld in artikel 30bis, niet meer bedraagt dan de maximale overschrijdingsmarge die voor elke betrokken verontreinigende stof in de bijlagen XI en XIV is vastgesteld.

4. Wanneer lid 1 of lid 2 volgens een lidstaat van toepassing is, stelt hij de Commissie daarvan onverwijld in kennis en deelt hij het in lid 1 bedoelde plan of programma en programma ter bestrijding van de luchtverontreiniging mede, met inbegrip van alle relevante gegevens die de Commissie nodig heeft om te beoordelen of aan de desbetreffende voorwaarden is voldaan.

 

4. Wanneer lid 1, lid 2 of lid 2 bis volgens een lidstaat van toepassing is, stelt hij de Commissie en alle andere lidstaten daarvan onverwijld in kennis en deelt hij het in lid 1 bedoelde plan of programma en programma ter bestrijding van de luchtverontreiniging mede, met inbegrip van alle relevante gegevens die de Commissie nodig heeft om te beoordelen of aan de desbetreffende voorwaarden is voldaan. Bij de beoordeling van de vraag of aan de desbetreffende voorwaarden is voldaan wordt speciaal rekening gehouden met de aanvullende communautaire maatregelen die zijn genomen om de lidstaten te helpen de desbetreffende streef - en grenswaarden te halen.

Wanneer de Commissie binnen negen maanden na de ontvangst van de kennisgeving geen bezwaren heeft gemaakt, wordt aan de desbetreffende voorwaarden voor toepassing van lid 1 of lid 2 geacht te zijn voldaan.

 

Wanneer de Commissie binnen zes maanden na de ontvangst van de in de eerste alinea bedoelde kennisgeving geen bezwaren heeft gemaakt, wordt aan de desbetreffende voorwaarden voor toepassing van lid 1, lid 2 of lid 2 bis geacht te zijn voldaan.

Indien bezwaren worden gemaakt, kan de Commissie van de betrokken lidstaat de aanpassing of de indiening van een nieuw plan of programma of programma ter bestrijding van de luchtverontreiniging verlangen.

Indien bezwaren worden gemaakt, kan de Commissie van de betrokken lidstaat de aanpassing of de indiening van een nieuw plan of programma of programma ter bestrijding van de luchtverontreiniging verlangen.

Amendement 31

Artikel 21, lid 1, alinea 1

1. Wanneer het niveau van verontreinigende stoffen in de lucht in bepaalde zones of agglomeraties een grenswaarde, streefwaarde of concentratiebovengrens, verhoogd met de toepasselijke overschrijdingsmarge, overschrijdt, zorgen de lidstaten ervoor dat voor die zones en agglomeraties plannen of programma's worden vastgesteld om de desbetreffende, in de bijlagen XI en XIV genoemde grenswaarde, streefwaarde of concentratiebovengrens te bereiken.

1. Wanneer het niveau van verontreinigende stoffen in de lucht in bepaalde zones of agglomeraties een grenswaarde of streefwaarde, verhoogd met de toepasselijke overschrijdingsmarge, overschrijdt, zorgen de lidstaten ervoor dat voor die zones en agglomeraties plannen of programma's worden vastgesteld om de desbetreffende, in de bijlagen XI en XIV genoemde grenswaarde of streefwaarde te bereiken.

Motivering

Deze wijziging vloeit voort uit de wijziging in artikel 7, lid 2.

Amendement 32

Artikel 21, lid 1, alinea 2

Die plannen of programma's omvatten tenminste de in bijlage XV, deel A, genoemde gegevens en worden de Commissie onverwijld medegedeeld.

Die plannen of programma's omvatten tenminste de in bijlage XV genoemde gegevens. Zij kunnen maatregelen krachtens artikel 22 omvatten.

Motivering

In de plannen en programma's die dienen voor de algemene vermindering van de luchtverontreiniging kunnen om redenen van vereenvoudiging preventief maatregelen krachtens artikel 22 inzake vermindering op korte termijn van piekconcentraties worden opgenomen.

De gegevens over de plannen en programma's ter bestrijding van de luchtverontreiniging worden ook nu al langs elektronische weg meegedeeld. Het woord "onverwijld" wordt geschrapt, aangezien niet elk plan na voltooiing onmiddellijk aan de Commissie wordt meegedeeld. Het heeft meer zin de plannen eerst op nationaal niveau te verzamelen en de gegevens voor elk jaar gebundeld aan de Commissie mee te delen. Dit is ook in overeenstemming met de gang van zaken tot dusverre. De Commissie kan de mededelingsprocedure overeenkomstig artikel 26, lid 2 nader regelen.

Amendement 33

Artikel 21, lid 1, alinea 2 bis (nieuw)

De in de eerste alinea genoemde plannen en programma's worden zodanig opgesteld dat voor industriële installaties die onder Richtlijn 96/61/EG vallen en die de best beschikbare technieken als bedoeld in artikel 2, punt 11 van die richtlijn toepassen, geen voorwaarden worden gesteld die verder gaan dan de toepassing van de best beschikbare technieken. De plannen en programma's moeten in een passende elektronische vorm op een overeenkomstig artikel 26, lid 2 vast te stellen datum gebundeld aan de Commissie worden meegedeeld.

Motivering

Deze nieuwe regeling is in overeenstemming met de tekst van artikel 3, lid 3 en overweging 5 van de vierde dochterrichtlijn bij de kaderrichtlijn luchtkwaliteit (richtlijn 2004/107/EG betreffende arseen, cadmium, kwikzilver, nikkel en polycyclische koolwaterstoffen in de lucht). Ondernemingen die met hoge kosten de best beschikbare techniek toepassen, moeten niet nog eens extra worden belast. Dit laat onverlet dat gemeenten en provincies via vrijwillige maatregelen extra verbeteringen van de luchtkwaliteit tot stand brengen.

Amendement 34

Artikel 21, lid 3 bis (nieuw)

 

3 bis. Lidstaten die in hun plannen of programma's kunnen aantonen dat de bestaande harmonisatie op grond van artikel 95 niet toereikend is voor een voldoende verbetering van de luchtkwaliteit, worden door de Commissie in staat gesteld om verdergaande maatregelen te treffen indien deze lidstaten op grond van artikel 95, lid 4 en lid 5 van het Verdrag een dergelijk beroep op de Commissie doen.

Motivering

De bepalingen van de interne markt dienen rekening te houden met een hoog niveau van milieubescherming, ook wanneer het gaat om het verbeteren van de luchtkwaliteit.

Amendement 35

Artikel 22, lid 1

1. Wanneer in een bepaalde zone of agglomeratie het risico bestaat dat het niveau van verontreinigende stoffen in de lucht een of meer van de in de bijlage VII, bijlage XI, bijlage XII, deel A, en bijlage XIV genoemde grenswaarden, concentratiebovengrenzen, streefwaarden of alarmdrempels zal overschrijden, stellen de lidstaten, in voorkomend geval, actieplannen op, die maatregelen behelzen die op korte termijn moeten worden genomen om dat risico te verminderen en de duur van een dergelijk voorval te beperken.

1. Wanneer in een bepaalde zone of agglomeratie het risico bestaat dat het niveau van verontreinigende stoffen in de lucht een of meer van de in de bijlage VII, bijlage XI, bijlage XII en bijlage XIV genoemde grenswaarden, streefwaarden of alarmdrempels zal overschrijden, stellen de lidstaten, indien dit passend lijkt, actieplannen op, die maatregelen behelzen die op korte termijn moeten worden genomen om dat risico te verminderen en de duur van een dergelijk voorval te beperken.

Wanneer evenwel een risico bestaat dat de in bijlage XII, deel B, genoemde alarmdrempel voor ozon zal worden overschreden, stellen de lidstaten dergelijke kortetermijnactieplannen alleen op indien zij van oordeel zijn dat er, rekening gehouden met de nationale geografische, meteorologische en economische omstandigheden, substantiële mogelijkheden bestaan om het risico, de duur of de ernst van een dergelijke overschrijding te verminderen. Wanneer zij een dergelijk kortetermijnactieplan opstellen, houden de lidstaten rekening met Beschikking 2004/279/EG.

De lidstaten stellen dergelijke kortetermijnactieplannen alleen op indien zij van oordeel zijn dat er, rekening gehouden met de nationale geografische, meteorologische en economische omstandigheden, substantiële mogelijkheden bestaan om het risico, de duur of de ernst van een dergelijke overschrijding te verminderen. Wanneer zij een dergelijk kortetermijnactieplan opstellen, houden de lidstaten rekening met Beschikking 2004/279/EG.

Motivering

Het is onduidelijk waarom de uitzonderingen van alinea 2 alleen voor ozon moeten gelden. De voorwaarde dat kortetermijnactieplannen alleen dan moeten worden opgesteld wanneer de daarin beoogde maatregelen met inachtneming van de gegeven omstandigheden en het proportionaliteitsbeginsel een substantiële bijdrage aan de verbetering van de luchtkwaliteit kunnen leveren, spreekt voor zich.

Amendement 36

Artikel 22, lid 2

2. De in lid 1 bedoelde kortetermijnactieplannen kunnen, naar gelang van het geval, voorzien in maatregelen om bepaalde activiteiten die bijdragen tot het risico op overschrijding van de respectieve grenswaarden, concentratiebovengrenzen, streefwaarden of alarmdrempels, met inbegrip van het verkeer van motorvoertuigen, te beheersen en indien nodig op te schorten. Deze actieplannen kunnen ook doeltreffende maatregelen ten aanzien van het gebruik van industriële installaties of producten behelzen.

2. De in lid 1 bedoelde kortetermijnactieplannen kunnen, naar gelang van het geval, voorzien in maatregelen met bewezen doeltreffendheid op korte termijn om bepaalde activiteiten die duidelijk bijdragen tot het grotere risico op overschrijding van de respectieve grenswaarden, streefwaarden of alarmdrempels te beheersen en indien nodig op te schorten. Artikel 21, lid 1, tweede alinea is van overeenkomstige toepassing.

Motivering

De maatregelen in de actieplannen op korte termijn moeten daadwerkelijk op korte termijn resultaten opleveren. Bovendien moet in geval van opschorting van activiteiten het oorzakelijk verband duidelijk zijn. Ten slotte is het willekeurig om alleen het verkeer van motorvoertuigen te noemen.

De verwijzing naar artikel 21 vloeit voort uit een andere wijziging. Zie motivering bij het amendement op artikel 21, lid 1.

Amendement 37

Artikel 22, lid 3

3. De lidstaten stellen de resultaten van hun onderzoeken betreffende de haalbaarheid en de inhoud van de specifieke kortetermijnactieplannen, alsmede gegevens over de uitvoering van die plannen, beschikbaar voor de bevolking en voor belanghebbende organisaties zoals milieuorganisaties, consumentenorganisaties, organisaties die de belangen van gevoelige bevolkingsgroepen behartigen en andere bij de gezondheidszorg betrokken organen.

3. De lidstaten stellen de resultaten van hun onderzoeken betreffende de haalbaarheid en de inhoud van de specifieke kortetermijnactieplannen, alsmede gegevens over de uitvoering van die plannen, beschikbaar voor de bevolking en voor belanghebbende organisaties. Belanghebbende organisaties zijn milieuorganisaties, consumentenorganisaties, organisaties die de belangen van kwetsbare bevolkingsgroepen behartigen, andere bij de gezondheidszorg betrokken organen en de desbetreffende vakverenigingen.

Motivering

Zie motivering bij het amendement van de rapporteur op artikel 24, lid 1.

Amendement 38

Artikel 22, lid 3 bis (nieuw)

3 bis. De Commissie publiceert 12 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn regelmatig voorbeelden van beste praktijken voor de opstelling van kortetermijnactieplannen.

Motivering

In deze richtlijn moeten geen concrete maatregelen voor de vermindering van de verontreiniging door schadelijke stoffen op lokaal of regionaal niveau worden voorgesteld. Volgens de rapporteur zijn concrete voorstellen niet verenigbaar met het subsidiariteitsbeginsel. Gezien de problemen van veel gemeenten en provincies met het opstellen van plannen en de omzetting ervan moet de Commissie voorbeelden van beste praktijken publiceren. Deze zouden de uitwisseling van beste praktijken tussen de gemeenten vergemakkelijken.

Amendement 39

Artikel 24, lid 1, inleidende formule

1. De lidstaten zorgen ervoor, dat de bevolking alsook belanghebbende organisaties, zoals milieuorganisaties, consumentenorganisaties, organisaties die de belangen van gevoelige bevolkingsgroepen behartigen en andere bij de gezondheidszorg betrokken organen adequaat en tijdig het volgende wordt meegedeeld:

1. De lidstaten zorgen ervoor, dat de bevolking alsook belanghebbende organisaties, zoals milieuorganisaties, consumentenorganisaties, organisaties die de belangen van gevoelige bevolkingsgroepen behartigen, andere bij de gezondheidszorg betrokken organen en de desbetreffende vakverenigingen adequaat en tijdig het volgende wordt meegedeeld:

Motivering

De in de plannen beoogde maatregelen hebben overwegend betrekking op het verkeer en -direct of indirect - economische activiteiten. Daarom moet ervoor worden gezorgd dat ook de desbetreffende vakverenigingen worden geraadpleegd en geïnformeerd.

Amendement 40

Artikel 24, lid 2

2. De lidstaten stellen de bevolking uitgebreide jaarverslagen met betrekking tot alle onder deze richtlijn vallende verontreinigende stoffen ter beschikking.

2. De lidstaten stellen de bevolking jaarverslagen met betrekking tot alle onder deze richtlijn vallende verontreinigende stoffen ter beschikking.

Deze verslagen bevatten tenminste een samenvatting van de niveaus die de grenswaarden, concentratiebovengrenzen, streefwaarden, langetermijndoelstellingen, informatiedrempels en alarmdrempels over de vastgestelde middelingstijden hebben overschreden. Deze gegevens gaan vergezeld van een beknopte beoordeling van de gevolgen van deze overschrijdingen. De verslagen kunnen in voorkomend geval nadere gegevens en herbeoordelingen met betrekking tot de bosbescherming omvatten, evenals gegevens over andere verontreinigende stoffen waarvoor in deze richtlijn bepalingen inzake bewaking zijn opgenomen, zoals onder andere diverse, niet-gereguleerde ozonprecursoren die in bijlage X, deel B, zijn genoemd.

Deze verslagen bevatten een samenvatting van de niveaus die de grenswaarden, streefwaarden, langetermijndoelstellingen, informatiedrempels en alarmdrempels over de vastgestelde middelingstijden hebben overschreden. Deze gegevens gaan vergezeld van een beknopte beoordeling van de gevolgen van deze overschrijdingen. De verslagen kunnen in voorkomend geval nadere gegevens en herbeoordelingen met betrekking tot de bosbescherming omvatten, evenals gegevens over andere verontreinigende stoffen waarvoor in deze richtlijn bepalingen inzake bewaking zijn opgenomen, zoals onder andere diverse, niet-gereguleerde ozonprecursoren die in bijlage X, deel B, zijn genoemd.

Motivering

De rapportage dient tot essentiële gegevens te worden beperkt om gemeenten, provincies en lidstaten te ontlasten.

Amendement 41

Artikel 28

De lidstaten stellen regels vast inzake sancties op inbreuken op krachtens deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat die sancties worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten melden deze bepalingen uiterlijk op de in artikel 31, lid 1, vastgestelde datum bij de Commissie en zij doen onverwijld melding van elke daaropvolgende wijziging ervan.

De lidstaten stellen regels vast inzake sancties op inbreuken op krachtens deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat die sancties worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

Motivering

Het melden van de bepalingen is geregeld in artikel 31 van deze richtlijn. De lidstaten moeten er niet toe worden verplicht om hun sancties aan de Commissie mee te delen in geval van inbreuken op nationale bepalingen.

Amendement 42

Artikel 30

De Commissie zal binnen een termijn van vijf jaar volgende op de vaststelling van deze richtlijn de bepalingen met betrekking tot PM2,5 heronderzoeken. Met name zal de Commissie een gedetailleerde aanpak ontwikkelen en voorstellen, met het oog op de vaststelling van juridisch bindende verplichtingen inzake blootstellingsvermindering die rekening houden met de verschillen tussen de lidstaten ten aanzien van de toekomstige luchtkwaliteitssituatie en verminderingsmogelijkheden.

De Commissie zal binnen een termijn van vijf jaar volgende op de inwerkingtreding van deze richtlijn de bepalingen met betrekking tot PM2,5 en PM10 met inachtneming van de meest recente wetenschappelijke kennis heronderzoeken. Met name zal de Commissie een gedetailleerde aanpak voorstellen, met het oog op de vaststelling van juridisch bindende verplichtingen inzake blootstellingsvermindering die rekening houden met de luchtkwaliteitssituatie en verminderingsmogelijkheden in de lidstaten.

 

 

Amendement 43

Artikel 30 bis (nieuw)

 

Artikel 30 bis

Communautaire maatregelen inzake emissiereducties aan de bron

Indien de nodige communautaire maatregelen inzake emissiereducties aan de bron als bedoeld in bijlage XVIIa niet voor 1 januari 2010 in werking zijn getreden, kan een lidstaat een verhoging van de grenswaarden voor PM 2,5 en PM 10 krijgen totdat dergelijke maatregelen in werking zijn getreden, indien de lidstaat aantoont dat is voldaan aan alle voorwaarden voor verkrijging van een verlenging als bedoeld in artikel 20 en wat het gevolg voor de grenswaarden zou zijn geweest van elk van de genoemde maatregelen. De totale verhoging mag niet meer bedragen dan ten hoogste 10 % van de grenswaarde.

Amendement 44

Artikel 31, lid 1, alinea 1

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 2007 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie onverwijld de tekst van die bepalingen mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie onverwijld de tekst van die bepalingen mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Motivering

Een niet van een datum afhankelijke omzettingstermijn lijkt passend gezien de vele tijd die is gemoeid met de procedure.

Amendement 45

Bijlage V, Deel A, letter a, tabel

Tekst van de Commissie

Bevolking van de agglomeratie of zone (x 1 000)

 

Als de concentraties hoger liggen dan de bovenste beoordelingsdrempel

Als de maximale concentraties tussen de bovenste en de onderste beoordelingsdrempel liggen

0-249

1

1

250-499

2

1

500-749

2

1

750-999

3

1

1 000-1 499

4

2

1 500-1 999

5

2

2 000-2 749

6

3

2 750-3 749

7

3

3 750-4 749

8

4

4 750-5 999

9

4

≥ 6 000

10

5

Amendement van het Parlement

Bevolking van de agglomeratie of zone (x 1000)

Als de concentraties hoger liggen dan de bovenste beoordelingsdrempel

Als de maximale concentraties tussen de bovenste en de onderste beoordelingsdrempel liggen

Verontreinigende stoffen behalve PM2,5

PM2,5

Verontreinigende stoffen behalve PM2,5

PM2,5

0-249

1

1

1

1

250-499

2

1

1

1

500-749

2

1

1

1

750-999

3

1

1

1

1 000-1 499

4

2

2

1

1 500-1 999

5

2

2

1

2 000-2 749

6

3

3

1

2 750-3 749

7

3

3

1

3 750-4 749

8

4

4

2

4 750-5 999

9

4

4

2

≥ 6 000

10

5

5

2

 

Motivering

Met de parallelle meting van PM10 en PM2,5 zijn extra kosten gemoeid. Voor de vermindering van de bemonsteringspunten voor PM2,5 pleiten echter verschillende argumenten, zonder dat daarbij moet worden afgezien van extra bescherming van de gezondheid of van meting van PM2,5 in het gehele gebied: 1. De verdeling van PM2,5 in de lucht is gelijkmatiger dan die van PM10; de monitoring kan derhalve met minder meetstations even doeltreffend worden uitgevoerd. 2. Tussen PM10 en PM2,5 bestaat een nauwe correlatie (PM10 bestaat constant tot 65 à 70% uit PM2,5 ). Via een combinatie van metingen en op modellen gebaseerde technieken kunnen betrouwbare gegevens over PM2,5 worden verzameld.

De rapporteur stelt derhalve voor de meetpunten voor PM2,5 met de helft te verminderen (afronding bij oneven getallen).

Amendement 46

Bijlage XI, tabel "PM10"

Tekst van de Commissie

Middelings­tijd

Grenswaarde

Overschrijdings­marge

Termijn voor naleving van de grenswaarde

PM10

1 dag

50 µg/m3; mag niet vaker dan 35 keer per kalenderjaar worden overschreden

50 %

 

Kalenderjaar

40 µg/m3

20 %

 

Amendement van het Parlement

Middelings­tijd

Grenswaarde

Overschrijdings­marge

Termijn voor naleving van de grenswaarde

PM10

1 dag

50 µg/m3; mag niet vaker dan 35 keer per kalenderjaar worden overschreden *

50 %

 

Kalenderjaar

40 µg/m3

20 %

tot 31 december 2009

Kalenderjaar

30 µg/m3

20 %

1 januari 2010

* tenzij dit niet kan worden bereikt wegens locatiespecifieke dispersiekarakteristieken en ongunstige meteorologische of geografische omstandigheden. De lidstaten stellen het exacte aantal dagen vast waarop de grenswaarde mag worden overschreden, tot een maximum van 55 dagen, en delen de tekst van die bepaling onverwijld aan de Commissie mee.

Amendement 47

Bijlage XII, deel B bis (nieuw)

B bis. INFORMATIEDREMPEL VOOR PM10

Doel

Middelingstijd

Drempel

Informatie

1 dag

200 µg/m3

Motivering

Net als voor blootstelling aan ozon moet er ook voor fijn stof een informatiedrempel bestaan.

Amendement 48

Bijlage XIV, titel

STREEFWAARDE INZAKE VERMINDERING VAN DE BLOOTSTELLING EN DE CONCENTRATIEBOVENGRENS VOOR PM2,5

VERMINDERING VAN DE BLOOTSTELLING: streefwaarde en grenswaarde VOOR PM2,5

Motivering

Er bestaat op dit moment onduidelijkheid over de concentraties van deze verontreinigende stoffen in de lucht; daarom is het voorbarig om nu reeds een concentratieplafond vast te leggen. De term streefwaarde lijkt geschikter te zijn.

Amendement 49

Bijlage XIV, deel B

Tekst van de Commissie

Streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling ten opzichte van de GBI in 2010

Termijn voor het halen van de streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling

20%

2020

Wanneer de gemiddelde blootstellingsindex in het referentiejaar niet meer bedraagt dan 7 µg/m3, wordt de streefwaarde voor de blootstellingsvermindering vastgesteld op nul.

Amendement van het Parlement

Streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling ten opzichte van de GBI in 2010

Termijn voor het halen van de streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling

Uitgangsconcentratie in µg/m3

Streefwaarde inzake vermindering in %

2020

< 10

0 %

= 10 – <15

10 %

= 15 – <20

15 %

= 20 – < 25

20 %

>25

Alle passende maatregelen om de streefwaarde van 20 μg/m3

te halen


Wanneer de gemiddelde blootstellingsindex in het referentiejaar niet meer bedraagt dan 10 µg/m3, wordt de streefwaarde voor de blootstellingsvermindering vastgesteld op nul.

Amendement 50

Bijlage XIV, deel C

Tekst van de Commissie

Middelingstijd

Concentratie-bovengrens

Overschrijdingsmarge

Termijn voor het halen van de concentratie-bovengrens

Kalenderjaar

25 µg/m3

20 % op de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn; op de daaropvolgende eerste januari en vervolgens iedere 12 maanden met gelijke jaarlijkse percentages te verminderen tot 0 % op 1 januari 2010

1 januari 2010

Amendement van het Parlement

Middelingstijd

Streefwaarde

Overschrijdingsmarge

Termijn voor het halen van de streefwaarde

Kalenderjaar

20 µg/m3

 

1 januari 2010

Middelingstijd

Grenswaarde

Overschrijdingsmarge

Termijn voor het halen van de grenswaarde

Kalenderjaar

20 µg/m3

20 % op de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn; op de daaropvolgende eerste januari en vervolgens iedere 12 maanden met gelijke jaarlijkse percentages te verminderen tot 0 % op 1 januari 2015

1 januari 2015

Amendement 51

Bijlage XV, deel A, punt 8, letter c bis) (nieuw)

 

c bis) een overzicht en omschrijving van de financiële middelen en begrotingslijnen die zijn vrijgemaakt voor de uitvoering van de genoemde maatregelen of projecten binnen het geraamde tijdsbestek.

Motivering

De lidstaten hebben in het verleden vaak beloften gedaan zonder de nodige middelen vrij te maken om hun beloften te kunnen nakomen.

Amendement 52

Bijlage XV, deel B, onder 3, inleiding

3. Gegevens over alle maatregelen ter bestrijding van luchtverontreiniging die in overweging zijn genomen voor tenuitvoerlegging met het oog op de luchtkwaliteitsdoelstellingen, inclusief maatregelen die betrekking hebben op:

3. Gegevens over alle maatregelen ter bestrijding van luchtverontreiniging die zijn gepland voor tenuitvoerlegging met het oog op de luchtkwaliteitsdoelstellingen, inclusief maatregelen die betrekking hebben op:

Motivering

Er moeten concretere acties worden aangetoond; het overwegen van maatregelen is onvoldoende.

Amendement 53

Bijlage XVII bis (nieuw)

Bronmaatregelen die genomen dienen te worden om lidstaten in staat te stellen de grenswaarden voor luchtkwaliteit binnen de gestelde termijnen te halen

Maatregelen

Het opnemen van stookinstallaties van 20 tot 50 megawatt in de IPPC-richtlijn

EURO VI voor zware voertuigen

Nieuwe normen voor huishoudelijke verwarmingsinstallaties

Nieuwe normen voor emissies van scheepsmotoren, te onderhandelen in IMO-verband

Motivering

De aanname van deze bronmaatregelen is een noodzakelijke voorwaarde voor de lidstaten om de grenswaarden voor luchtkwaliteit te halen.

(1)

Nog niet in het PB gepubliceerd.


TOELICHTING

1. Inleiding

De verbetering van de luchtkwaliteit is in Europa een van de belangrijkste toekomstige taken op het gebied van het milieu en de gezondheid. De sterke mate van luchtverontreiniging, vooral in de dichtbevolkte regio's en agglomeraties in de EU, is medeverantwoordelijk voor talrijke aandoeningen van de luchtwegen en de gevolgen ervan. De luchtkwaliteit is in de afgelopen decennia in Europa reeds aanzienlijk verbeterd door strenge wettelijke voorschriften en technische vooruitgang, zowel in het verkeer als bij centrales en industriële installaties.

De verbetering van de luchtkwaliteit blijft een grote uitdaging. Het probleem van de luchtvervuiling kan alleen op lange termijn en in een Europees kader worden opgelost, vooral door de intensivering van grensoverschrijdende maatregelen. Om de ambitieuze doelstellingen te kunnen verwezenlijken, zullen in de Gemeenschap in de toekomst verdere instrumenten nodig zijn. Schone lucht kan in de lidstaten alleen worden gewaarborgd wanneer geldende richtlijnen consequent worden toegepast en nieuwe wetgevingsvoorstellen van de EU zich concentreren op beperking van de emissies bij de veroorzaker. Daarbij moet met name prioriteit worden verleend aan sectoren die tot dusverre weinig aandacht hebben gekregen en nauwelijks gereguleerd zijn.

2. Het voorstel van de Commissie

De richtlijn betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa werd op 21 september 2005 door de Commissie goedgekeurd. Het is een samenvatting van de bestaande kaderrichtlijn en vier verdere rechtsinstrumenten, waaronder drie van de vier dochterrichtlijnen en een beschikking van de Raad. De bestaande wetsteksten over luchtkwaliteit worden door de aanstaande vereenvoudiging met 50% ingekort. De rapportageverplichtingen worden gemoderniseerd en de informatie-uitwisseling vereenvoudigd. De nieuwe richtlijn laat de geldende grenswaarden onverlet. De thans gemeten jaargrenswaarde voor PM10 (40 μg/m3) en de daggrenswaarde (50 μg/m3), die op maximaal 35 dagen mag worden overschreden, blijven ongewijzigd. Nieuw in het voorstel van de Commissie is de invoering van de norm PM2,5 vanaf 2010. Voor PM2,5 wordt zowel een concentratiebovengrens (die overeenkomt met een grenswaarde) van 25 μg/m3 alsook een streefwaarde voor alle lidstaten van 20% tot 2020 voorgesteld.

3. Het standpunt van de rapporteur

Bepalingen betreffende PM10: De Commissie had oorspronkelijk een verminderingsdrempel voor het jaargemiddelde voor PM10 na 2010 aangekondigd die in het onderhavige voorstel niet terug te vinden is. Het door de Commissie voorgestelde jaargemiddelde voor PM10 van 40 μg/m3, dat na 2010 ongewijzigd moet gelden, is weinig ambitieus. In de meeste steden wordt deze waarde nu al bereikt. De rapporteur stelt voor de grenswaarde voor PM10 met 20% te verlagen tot 32 μg/m3. Bovendien bestaat een betere correlatie tussen het jaargemiddelde van 32 μg/m3 en het strenge daggemiddelde van 50 μg/m3 dat op maximaal 35 dagen mag worden overschreden. Deze gang van zaken heeft tot dusverre in de lidstaten, met name in de betreffende steden en gemeenten, geleid tot grote problemen bij de omzetting. De Commissie heeft dit probleem erkend en ten behoeve van de gemeenten verlenging van de termijnen voor de naleving van de voorschriften met vijf jaar en uitzonderingen op de geldende grenswaarden mogelijk gemaakt. Hoewel dit voor de praktijk valt toe te juichen, blijft het de vraag of het hierbij om het juiste instrument gaat wanneer de grenswaarden na vijf jaar niet zijn nageleefd.

De rapporteur stelt bovendien de voor de gemeenten belangrijke vrijstelling van de verplichting inzake kortetermijnactieplannen onder bepaalde voorwaarden voor. Kortetermijnactieplannen worden alleen opgesteld indien er door de beoogde maatregelen, rekening houdende met de gegeven geografische, meteorologische en economische omstandigheden ter plaatse, substantiële mogelijkheden bestaan om het risico, de duur of de ernst van de overschrijding te verminderen en de luchtkwaliteit te verbeteren.

Bepalingen betreffende PM2,5: Uit de meest recente wetenschappelijke kennis blijkt dat grote risico's voor de gezondheid niet worden veroorzaakt door de grotere, maar vooral door de kleinste deeltjes (PM2,5). Daarom is het noodzakelijk te beginnen met de monitoring van deze kleinste deeltjes.

De rapporteur stelt voor PM2,5 in twee fasen te regelen: in eerste instantie moet een streefwaarde worden vastgesteld en in een tweede fase - bij de herziening van de richtlijn - kan een grenswaarde worden vastgesteld. Wegens onvoldoende ervaring met het meten van PM2,5 en een onzekere gegevenssituatie dient op dit moment geen grenswaarde te worden vastgesteld. Van het begrip "concentratiebovengrens" (dat feitelijk overeenkomt met een grenswaarde) wordt derhalve afgezien en deze term wordt in de gehele tekst vervangen door "streefwaarde".

De door de Commissie voorgestelde waarde van 25 μg/m3 voor PM2,5 is weinig ambitieus. In veel steden met veel luchtverontreiniging wordt deze waarde nu al bereikt. De rapporteur stelt als streefwaarde 20 μg/m3 voor: deze waarde houdt zowel rekening met het streven naar een sterkere mate van bescherming van de gezondheid als met de praktische uitvoerbaarheid. Er bestaat een correlatie tussen deze waarde en de voorgestelde verlaging van de grenswaarde voor PM10 tot 32 μg/m3.

De Commissie heeft in haar voorstel gekozen voor een vaste streefwaarde van 20%, zonder een inschatting van de gevolgen om na te gaan welke concrete maatregelen en kosten de vermindering van 20% voor de desbetreffende lidstaten met zich mee zou brengen. De rapporteur is ervan overtuigd dat een progressief model, waarin per lidstaat wordt gedifferentieerd en in sterkere mate rekening wordt gehouden met vroegtijdige maatregelen, in ieder geval de voorkeur verdient boven een vaste streefwaarde. De kosten inzake vermindering stijgen tenslotte exponentieel in vergelijking met het dalende niveau van de verontreiniging. De vaste streefwaarde van 20% is vooral moeilijker te bereiken voor lidstaten die reeds grote inspanningen bij de verbetering van de luchtkwaliteit hebben geleverd en van een hoog niveau uitgaan. Staten met een grotere verontreiniging moeten daarentegen in sterkere mate reduceren. Het model van de Commissie houdt geen rekening met vroegtijdige maatregelen en bestraft deze "early actions" eerder dan dat deze worden beloond. Een progressief model zou de lidstaten ongeacht het uitgangsniveau sterkere stimulansen bieden voor onverwijlde reductiemaatregelen.

Verdere bepalingen: De rapporteur stelt verschillende systematische vereenvoudigingen en taalkundige verduidelijkingen voor die vooral op administratief niveau de toepassing moeten vergemakkelijken. Bovendien is een definitie van "natuurlijke bronnen" wenselijk. Er moet voor worden gezorgd dat alleen eerdere verontreinigingen afkomstig van natuurlijke bronnen in mindering worden gebracht die de in de grens - en streefwaarden reeds verdisconteerde gemiddelde achtergrondbelasting in aanzienlijke mate overschrijden. Om misbruik en procedurele problemen te voorkomen, dient de Commissie richtsnoeren te publiceren voor de toetsing van het bewijs en het in mindering brengen van overschrijdingen die aan natuurlijke bronnen zijn toe te schrijven.


PROCEDURE

Titel

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa

Document- en procedurenummers

COM(2005)0447 – C6-0356/2005 – 2005/0183(COD)

Datum indiening bij EP

21.9.2005

Commissie ten principale
  Datum bekendmaking

ENVI
15.11.2005

Medeadviserende commissie(s)
  Datum bekendmaking

JURI
15.11.2005

ITRE
15.11.2005

 

 

 

 

Geen advies
  Datum besluit

JURI
29.11.2005

ITRE
13.12.2005

 

 

 

Nauwere samenwerking
Datum bekendmaking

 

 

 

 

 

Rapporteur(s)
  Datum benoeming

Holger Krahmer
14.12.2005

 

Vervangen rapporteur(s)

 

 

Vereenvoudigde procedure – datum besluit

 

Betwisting rechtsgrondslag
  Datum JURI-advies

 

 

 

 

 

Wijziging financiële voorzieningen
  Datum BUDG-advies

 

 

 

 

 

Raadpleging Europees Economisch en Sociaal Comité – datum EP-besluit

 

Raadpleging Comité van de regio's – datum EP-besluit

 

Behandeling in de commissie

24.4.2006

 

 

 

 

Datum goedkeuring

21.6.2006

Uitslag eindstemming

+:

-:

0:

39

11

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

Adamos Adamou, Johannes Blokland, Frieda Brepoels, Dorette Corbey, Avril Doyle, Mojca Drčar Murko, Edite Estrela, Jill Evans, Anne Ferreira, Matthias Groote, Françoise Grossetête, Cristina Gutiérrez-Cortines, Satu Hassi, Gyula Hegyi, Mary Honeyball, Dan Jørgensen, Eija-Riitta Korhola, Holger Krahmer, Urszula Krupa, Aldis Kušķis, Peter Liese, Marios Matsakis, Roberto Musacchio, Riitta Myller, Dimitrios Papadimoulis, Vittorio Prodi, Frédérique Ries, Guido Sacconi, Richard Seeber, Kathy Sinnott, Bogusław Sonik, Antonios Trakatellis, Evangelia Tzampazi, Thomas Ulmer, Anja Weisgerber, Åsa Westlund, Anders Wijkman

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Alfonso Andria, Margrete Auken, María del Pilar Ayuso González, Philip Bushill-Matthews, Giuseppe Castiglione, Bairbre de Brún, Milan Gaľa, Genowefa Grabowska, Ambroise Guellec, Rebecca Harms, Erna Hennicot-Schoepges, Henrik Lax, Miroslav Mikolášik, Ria Oomen-Ruijten, Justas Vincas Paleckis, Amalia Sartori, Andres Tarand

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid  2)

Sepp Kusstatscher

Datum indiening

29.6.2006

Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)

...

Laatst bijgewerkt op: 24 augustus 2006Juridische mededeling